De familiegeschiedenis en genealogie van de familie Winsemius
Zoeken

11a. Schreiber vòòr 1930

(bijgewerkt 7 september 2025)

Vers van Hanna Lam in het dagboekschriftje van Henk Schreiber (1993/94)

Veel weten we niet en er ligt een mooie uitdaging voor volgende generaties om de familiekroniek van Dietert Schreiber en Anna Petersen tot nog meer leven te leiden. Het waren onze grootouders en – wat je ook kan zeggen –  ze deden hun naam geen eer aan: het waren geen schrijvers en ook geen geweldige vertellers. Van hun voorgeschiedenis kennen we namen en data maar meestal weten we niet eens hoe ze de kost verdienden. Onze tekst is daarom ongebalanceerd: op gebieden waar we door toeval of speciale belangstelling meer weten, schrijven we meer. Neef Jouke heeft zich bijvoorbeeld serieus ingewerkt in de scheepvaarttraditie van de familie, zijn broer Dietert beoefent de genealogie. Er zijn ook andere bronnen die soms meer vragen opwerpen dan antwoorden, de fotoalbums – vrijwel geheel zonder bijgekrabbelde aantekeningen – vormen daarvan een voorbeeld. Aan de andere kant biedt de Delpher website weer een onverwacht compleet inzicht in de sportcarrière van met name dochter Lenie. De familiefilms uit de jaren vijftig blijken ook een prachtige bron van beeldmateriaal, dat het huiselijk leven van die tijd dichtbij brengen.

De opzet is eenvoudig: we hebben een ruwweg chronologische volgorde aangehouden in vijf hoofdstukken:

  1. Komaf Dietert Schreiber in de Veenkoloniën: 1877-1906
  2. Komaf Anna Petersen in Sleeswijk-Holstein: 1987-1906
  3. De zeevarende huwelijksjaren: 1907-1933
  4. Opgroeiende jeugd en het vervolg: 1933-1960
  5. De nazaten: na 1960

Komaf Dietert Schreiber in de Veenkoloniën: 1877-1906

De Schreiber’s kwamen rond 1800 uit Duitsland naar Oost Groningen. De grootvader van Dietert, Frederik (Friede), werd in 1799 geboren in Riendlof maar trouwde in 1842 in Nieuwe Pekela met Anna Hindriks Niemeijer (of Nieman). Haar grootvader weer was Pieter Jans in de Bulten, geboren in 1757 in Stapelmoor en in 1783 in Oude Pekela getrouwd met Anna Jans.

 Nazaten van Johann Friedrich Schreiber.

Veel weten we niet van de oudste geschiedenis van deze tak van ons voorgeslacht. Zelfs het plaatsje Riendlof is niet te googlen; een verspelling ligt voor de hand. Vaag verhaalt de orale familiegeschiedenis van een komaf uit her Ruhrgebied, maar erg veel houvast is er niet. Gelukkig is van Pieter en Anna een – zo ver na dato – vermakelijk verhaal overgewaaid. We verplaatsen ons hiertoe aan de hand van het gerechtelijk vooronderzoek naar Oude Pekela op 18 juni 1795 en laten het woord aan de toenmalige getuigen. 

Onze voorouders zijn in 1795 in Oude Pekela verwikkeld in een conflict met Derk Derks de Ruiter, wat op 20 juni ontaardt in lijfelijk geweld: Pieter slaat een kan met bier op het hoofd van Derk stuk. Blijkbaar broeide er al dagen wat, wellicht om een half dagwerk turf. De ruzie werd blijkbaar eerst door Anna met de mond uitgevochten, zij dreigde dat haar man Pieter Derk Derks wel eens flink zou kunnen gaan slaan. Het dreigement werd op 20 juni uitgevoerd.

Jan Melle Luiken, Simon Markus en Neltie Harms verklaren dat Derk Derks de Ruiter en zijn vrouw op donderdag 18 juni Pieter Jans hebben verweten een half dagwerk turf te hebben gestolen. Een dag later heeft Johanne Markes, de vrouw van Jurjen Jurjens, 26, in de namiddag om 2 uur gehoord dat Anna Jans heeft gezegd: “zal de olde duivel zoo veel hebben”, meende daarmede Derk Derks de Ruiter, welke bij haar stond toen zij de woorden sprak, “als mijn kerel te huis komt dan zal die dij olde duivel zoo veel geven dat de Diake zullen die 14 dagen in het bedde voeden”, en deposant had gehoord dat zij haar kind bevel had gegeven om haar man in huis te halen van het veen om het dreigement ten uitvoer te brengen. Leentje Willems, de echtgenote van Eijke Harms, 48, onderbouwt deze getuigenis. Johanne Markes wordt een tweede keer als getuige opgevoerd, ditmaal in het gezelschap van Geertie Jans en Engel Menks, weduwe Geertijn Willems. Zij allen verklaren dat Anna Jans “met groote smaad reeden en bijgevoegt: als mijn kerel die nog reejs tirijegt (?) dan zal hij Derk Derks zo veel geeven dat de dejaaken zullen hem 14 daagen te bedde voeden.” Ook andere getuigen concentreren zich naderhand op de duivel. Grietje Klaassens, de vrouw van Eildert Alberts, woonachtig in de Beneden Pekel A, 47, verklaart bijvoorbeeld dat Anna Jans, vrouw van Pieter Jans in de Bulten, had gezegd: “trouw de olde duivel maar.” Op 2 augustus verklaren Geertje Jans, 52, en Geesijn Lammerts, 48, dat Anna Jans heeft gezegd: “die zal de olde duivel zo veel geven dat de deiake zullen die 14 dagen in het bedde voeden.”

Hoe het ook zij, weer een dag later – op zaterdag 20 juni – komt het tot een fors handgemeen. Marieke Harms, vrouw van Hinderk Edes, 48 jaar, is erbij geweest en verklaart dat Pieter Jans in de Bulten Derk Derks de Ruiter “met de kan op het hooft sloeg, zodat de kan in stukken vloog en Derk Derks te aarde was neergevallen en nog twee slagen met de hand had toegevoegd, intussen riep den vr. van Pieter: laat de olde duivel maar zo, waarop Pieter de grootste stukken van de kan had opgezogt en daarmede zoo hard hij kon de dijk was afgelopen en verklaarde dat gemelde Pieter Jans en Anna Jans daaglijks in de nabuurschap allerlei scheldwoorden gezegt te hebben.” Op 21 juni verklaren Marieke Hinders en Gerritje Klasen dat Pieter Jans in de Bulten Derk Derks “een kanne met bier op de kop stucken heeft geslagen.”

Op 10 augustus volgt een uitspraak: “Inzaken Derk Derks de Ruiter, klager contra Pieter Jans in de Bulten, beklaagde. Word beklaagde gecondemneert in de breuk van twintig daalers, boete door den klager gevraagt a f10=10= en hierover aangewende kosten begroot op elf guldens en zes stuifs.” Dat was in die tijd een hoop geld en het zal zeker voor de nodige consternatie hebben gezorgd binnen het gezin van Pieter Jans en Anna Jans. Anna was omringd door een groeiend gezin en bovendien zwanger van de kleine Johannes die werd geboren op 17 oktober. Onze voormoeder Elsijn was al op dat moment al goed vijf jaar oud. Uit de trouwakte van Johannes, uit 1821, weten we dat zijn vader op dat moment veldwachter was van beroep en dat is dan toch wel een positieve maar wat komische noot.

Het was zeker geen weelde waarin onze voorouders opgroeiden. Aan de Schreiberkant stamden meerder takken uit Duitsland. De vader van Anna Hindriks Niemeijer, Hindrik Everts Nieman, kwam uit Osnabrück; aan haar moederskant treffen we net over de Duitse grens Stapelmoor en “Hischloo in ’t Lipsche”.

De 15e-eeuwse Kruiskerk te Stapelmoor.

Voorouders van Dietert Schreiber (1877-1953).

 

Meer dan armoe­de en rechte lij­nen

Eeuwenlang maakten de Veenkolo­niën deel uit van het schijnbaar onmetelijke Bourtanger Moor, een veengebied dat zich uitstrekte van de stad Groningen tot over de Duit­se grens, tot Emmen in het zuiden en de Hondsrug in het westen. Het gebied kenmerkt zich door rechte vaarten en wijken, bebouwing langs deze waterwegen en landwegen en weidse ruimten tussen de nederzettingen. In dit gebied zijn de regionale centra Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, Oude Pekela-Nieuwe Pekela en Stadskanaal-Musselkanaal na de Tweede Wereldoorlog uitgebreid met nieuwe woonwijken en industrieterreinen.

Kaart van de Veenkolo­niën. De eerste pioniers in de Veenkoloniën kwamen vreemd ge­noeg niet uit de nabije omgeving. De markegenoten in Annen, Gieten en Borger hielden zich bij het turfgraven en de dynamische ontwikkeling en ontginning van het immense Bourtanger Moor relatief gezien lang afzijdig. Het grote werk werd door nieuw­komers gedaan: turfgravers uit Overijssel, Friesland, Noord-Holland en Utrecht, kanaal­gravers en boerenarbeiders uit Westfalen, doopsgezinden uit Zwitserland, katholieken uit het Munsterse en joden uit Polen en Duits­land gaven de Veenkoloniën kleur. Een bevol­kingssamenstelling van pioniers en avontu­riers en de Veenkoloniën als het ‘wilde westen’ van Nederland. Velen kwamen als gastarbei­der, sommigen als vluchteling en allen kregen er de kans om zich te ontplooien en te sette­len. Ze begonnen als los-vast-arbeider en wer­den dan vaak landbouwer en weer een genera­tie later zeeman.

De eerste pioniers lieten vrouw en kinde­ren vooreerst thuis. Het werk in de Veenkolo­niën was weliswaar zwaar, maar men verdien­de meer dan thuis. Dit wordt vaak vergeten: mensen vertrekken niet naar een andere regio om armoede te lijden, ze vertrekken naar een andere regio om er financieel beter van te worden of omdat het in de thuisregio nog veel slechter gaat en er geen perspectief is op een nieuwe toekomst. Dit perspectief werd wel in de Veenkoloniën geboden. Al deze nieuwko­mers werden eerst met een scheef oog aange­keken … door pioniers die het zelf al hadden gemaakt. Er was altijd, tot aan de vervening in Drenthe toe, een standsverschil tussen de mensen in het veld en de mensen die zich al langs het kanaal hadden gevestigd. Dat ze zelf ook ooit nieuwkomer waren werd al gauw ver­geten!

‘Veendam in vogelvlucht’”|: lintbebouwing in Veendam.

Scheepsjager langs het Kieldiep. Aangezien schepen niet konden zeilen op de smalle en brugrijke kanalen, huurde de schipper een scheepsjager met zijn paard om het schip voort te trekken.

Vanaf de zeventiende eeuw kwam de verve­ning (het afgraven van het veen ten behoeve van de turfwinning) pas goed op gang. De regie was in eerste instantie in handen van de stad Groningen. Zij nam in 1616 bij Hoogezand een Utrechtse veencompagnie over en begon sindsdien in oostelijke richting het Winschoterdiep te verlengen. In 1637 werd Winschoten bereikt. Alle afgestoken turf van de Veenkoloniën werden aanvankelijk via dit vaarwater afgevoerd. De stad Groningen kreeg de opbrengsten van de doorvaart van de turfschepen, terwijl zij door middel van de ‘conditiën van verhuyringhe’ op lucratieve wijze de door haar aangekochte gronden verhuurde. Door haar strategisch inzicht op lange termijn en haar grote grondbezit in oostelijk Groningen, wordt daarom wel gesproken van de stadstaat Groningen. 

Later, nadat de bloeiperiode van de VOC ten einde kwam, begonnen ook veel anderen – rijke ‘Hollanders’ maar ook Groningers – de waarde van turf als brandstof in te zien. Ze werden in staat gesteld om in het Bourtange Moor concessies te kopen en stelden vervolgens een persoon aan die voor hun de organisatie – compagnie – regelde. Uitgaand van het principe van gedwongen winkelnering ontaardde dat soms in een vorm van lijfeigendom. De turfstekers kregen betaald maar moesten hun eerste levensbehoefte kopen bij de winkels die door hun eigen werkgever waren ingericht. Drank was dan een gewild product en zorgde ervoor dat er nagenoeg geen geld overbleef om andere zaken te kopen. Zeker in slechte turfgebieden met en bij moeilijke economie waren de sociale omstandigheden ver beneden peil. De afstand tussen kapitaal en arbeid is er nog steeds veelal groot. Drentenaren werden niet zonder reden vaak gekarakteriseerd met de slagzin ‘turf, jenever en achterdocht’.

Toch zat de vaart er in. Dankzij de aanleg van een infrastructuur van hoofdka­nalen en ‘zijwijken’ (zijkanalen) wist men het veengebied veel efficiënter te ontwikkelen dan daarvoor. Verschillende compagnieën begon­nen vol goede moed en even veel gingen er in de beginfase failliet. Investeren kost geld en vooral de aanleg van kanalen en wijken was een kostbare zaak, maar wel noodzakelijk om uiteindelijk geld te kunnen verdienen. De stad Groningen profiteerde ervan. Verveners moch­ten onder hun voorwaarde verder graven, wat inhield dat éénvierde van de gegraven turf voor de stad was evenals de onder de veenlaag gele­gen zandgrond. Dankzij investeerders die in de problemen kwamen, wist de stad langzaam maar zeker steeds meer greep op het veen te krijgen.

Met de voortgang van de vervening ont­stonden lange linten in het veen. De eerste pioniers settelden zich echter op het veen in plaggenhutten. Een teken van armoede? Nee, niet direct. Huizen bouwen op het veen is niet verstandig, het veen klinkt door ontwatering in en bovendien is de veenlaag onder de woning ook geld waard! Met de oprukkende afgraving moest de tijdelijke woning toch plaats maken voor de turfgravers. Als een strook langs het kanaal was vergraven begon men direct met de aanleg van wegen en zwetsloten. Daarna ver­schenen al spoedig de eerste stenen huizen in de Veenkoloniën.

Van 1600 tot het begin van de twintig­ste eeuw ging het zo ongeveer in het werk. Langs het kanaal vestigden zich boeren, kleine middenstanders en ambachtslieden en kreeg de kerk een prominente plaats. Een dorp was geboren. De bedrijvigheid nam in de achttien­de eeuw verder toe. Houtzagerijen, olie- en korenmolens, scheepswerven en smederijen verschenen langs het ‘diep’ (kanaal). Het diep zelf werd bevaren door tientallen binnenschip­pers. Ook zij verdienden het geld in het veen, maar brachten tevens geld in de lade bij de plaatselijke middenstand die zich vooral bij de sluizen vestigde.

Het werk in het omliggende veen was overigens vooral seizoenwerk. Van april tot begin juni werd er turf gestoken. Dan was er werk met het keren en stapelen van turf om de turfjes droog te krijgen. Vanaf augustus kwa­men de schippers om turf te halen, maar met de almaar uitdijende lintdorpen was turf op een gegeven moment niet meer de enige la­ding. Turf ging naar de steden en men nam ‘stratendrek’ (stadsafval) mee retour om de nieuw ontstane landerijen mee te bemesten. Ook landbouwproducten werden vervoerd over het water, evenals bouwmaterialen en levens­behoeften. Zelfs de kermis kwam per schip in de dorpen aan.

De Veenkoloniën kregen allengs vorm met Hoogezand en Sappemeer als eerste nederzettingen. De venen van dit gebied werden vanaf 1621 aan snee gebracht. In de periode tot 1800 werd ook in de uitgestrekte venen tussen Hoogezand-Sappemeer en de Pekela’s een fijnmazig net van waterwegen aangelegd. Dit liep van hoofdafvoerwegen als het Winschoterdiep via hoofdwijken als de Kalkwijk, het Ooster- en Westerdiep en de Pekel A tot de talloze wijken en sloten in het achterland. Hierbij werd bij Veendam een dubbelkanalenstelsel gegraven, met een Oosterdiep en een Westerdiep. Daardoor ontwikkelde zich hier al vroeg een dorpskern, die in de meeste andere veenkoloniën niet aanwezig was. Naarmate de vervening vorderde, trokken veel veenarbeiders met het werk mee en vestigden zich buiten de grote kernen.

Vanaf eind 18e eeuw begon de stad Groningen met de aanleg van het Stadskanaal in zuidoostelijke richting. Begin 17e eeuw was door Johan Sems de grens bepaald in het moerassige grensgebied tussen Groningen en Drenthe. Lange tijd bleven er evenwel grensgeschillen tussen de bewoners van de Drentse zanddorpen en de Groninger nederzettingen. Anderzijds wilden de Drentse veenmarken graag hun turf afvoeren via het nieuwe Stadskanaal in plaats van de Oostermoersche Vaart of Hunze. Het Stadskanaal werd steeds verder doorgetrokken, totdat in 1856 Ter Apel werd bereikt. Ten noorden van het kanaal in de provincie Groningen werd sindsdien driftig verveend. De langgerekte nederzettingen Stadskanaal en Musselkanaal ontstonden, terwijl van hieruit wijken noord-noordoostwaarts werden gegraven.

In de loop der tijd ontstond in het voormalige Bourtanger Moor een infrastructuur die in Nederland zijn weerga niet kende. Elk woonhuis, elke boerde­rij en later ook elke fabriek was te bereiken per schip. De Veenkoloniën ontwikkelden zich tot een A-locatie van for­maat. Hier wilde je je als ondernemer wel vestigen. De aan- en afvoerwegen waren per­fect. De bevolking groeide, evenals het aantal scheepsbewegingen op het kanaal. Arbeiders waren voldoende aanwezig en er was voldoen­de brandstof: turf.

Opkomst van de zeevaart

Turf ging in het begin vooral naar de grote steden in Holland, maar ook de vraag naar turf in Bremen en Hamburg nam toe. De vaart op deze steden betaalde per ton relatief goed. Uiteindelijk werden er ook andere la­dingen aangenomen. Turf was voor een be­paalde generatie schippers niet meer uitslui­tend de hoofdlading. Men koerste verder, naar Riga en Sint-Petersburg, op zoek naar nieuwe ladingen. De Pekelder schippers zeilden door hun ondernemingslust zelfs de Friese schip­pers letterlijk voorbij. Lag de bloeiperiode voor de zeevaart in Friesland vooral in de achttiende eeuw, voor de Groninger Veenkoloniën was de negentiende eeuw een ‘Gouden Eeuw’.

De Pekelder schippers namen in de ont­wikkelingen het voortouw. Dit blijkt vooral als we de zogenaamde Sontregisters er op na slaan. In 1795 komen we de Pekela’s zelfs tegen in de top drie: Amsterdam noteerde 534 passages, Pekela 305 en de stad Groningen 197. Veendam stond met 76 passages op een zesde plaats. Na 1811 ging de ontwikkeling snel. Rond 1860 komt meer dan tweederde van de Nederlandse zeegaande vloot uit de Groninger Veenkoloniën. In de Veenkoloniën waren meer zeekapiteins te vinden dan in Rotterdam en Amsterdam tezamen. In 1874 woonden in Nieuwe Pekela volgens Sweijs’ Neêrlands Vloot en Reederijen maar liefst 156 zeekapiteins, Oude Pekela telde er 114, Wilder­vank 144, Veendam 165 en Sappemeer 63. Amsterdam en Rotterdam telden in hetzelfde jaar respectievelijk 186 en 189 zeekapiteins.

Verwonderlijk? Ja en nee. Verwonderlijk om­dat de Veenkoloniën ver van zee liggen en in de Veenkoloniën gebouwde zeeschepen nooit meer terugkwamen in de plaats van bouw. De kanalen waren te klein en er lagen teveel brug­gen. De kapitein koos er liever voor om zijn schip in Amsterdam (Nieuwediep), in Emden of Groningen aan te meren. De zeeschepen behielden echter hun domicilie in de Veenkoloniale dorpen en ook de schipper en zijn bemanning bleven er wonen, de eersten vaak in een zogenaamd kapiteinshuis. Het sterke punt van de Veenkoloniale zeevaart was, dat het een familiebedrijf was. Ons kent ons. Een familiebedrijf, vaak ont­staan uit de binnenvaart waar man en vrouw ook samen het bedrijf runden. Gevaren werd er bijvoorbeeld van de Scandinavische landen naar Engeland, vice versa, of op de Middel­landse Zee. In de wintermaanden voer men huiswaarts en ging het schip elders ‘met een kerstboom’ in de mast.

De ontwikkeling van de Veenkoloniën ziet er uit als een perfect passen­de legpuzzel. Eerst zijn er de kanaalgravers en turfstekers. De binnenschippers brengen als een soort rode bloedlichaampjes de economie op gang. Uit de binnenvaart ontwikkelt zich op een gegeven moment zelfs de zeevaart. De scheepsvaart ging echter weer gepaard met scheepsbouw, oorspronkelijk in alle Oude Veenkoloniën. Later concentreerde dit zich vooral bij Hoogezand-Martenshoek. Hoogezand, Veendam en Oude Pekela ontwikkelden zich tot welvarende nederzettingen, vooral door de scheepvaart en scheepsbouw. Vooral in en rond Hoogezand en Veendam leidde de welvaart tot een verdichting van de huizen langs de hoofdkanalen. Ver van zee kwam het veengebied zo als maritieme toplocatie tot bloei.

Een nieuwe toekomst

De zeevaart bracht de Veenkoloniën wel­vaart en de afgraving van de Bourtanger Moor bood werkgelegenheid. Vele pioniers wisten zich op te werken tot zelf­standig landbouwer en vormden de basis voor de landbouwindustrie. In de Oude Veenkoloniën was een combinatie van grondstoffen (aardappelen, stro), brandstoffen (turf en hout), water van goede kwaliteit en een goed natte infrastructuur aanwezig. Dit leidde tussen 1860 en 1900 tot de oprichting van 31 aardappelmeelfabrieken waarvan de meeste in Veendam-Wildervank. Na 1900 begonnen boerencoöperaties met de oprichting van coöperatieve aardappelmeelfabrieken en deze stonden in het gehele Veenkoloniale gebied, vaak dichtbij de akkerbouwgebieden.

Ons past een belangrijke nuancering. Aan het eind van de acht­tiende eeuw werden blijkbaar al zoveel consumptieaar­dappelen verbouwd dat ze konden worden geëxporteerd. De fabrieksaardap­pel werd echter pas vanaf de tweede helft van de ne­gentiende eeuw, met de opkomst van de vele aardappelzetmeelfabrieken, volop verbouwd. Het verschil tussen de twee zit in het zetmeel­gehalte, dat men door veredeling steeds verder omhoog wist te brengen. Zetmeel kent vele toepassingen. Het was Willem Albert Scholten die als pionier in de zetmeelindustrie kan worden gezien. Diverse andere ‘herenfabri­kanten’ volgden zijn voorbeeld. Opmerkelijk daarbij is dat vaak juist de families die geld verdiend hadden in de zeevaart, ook investeer­den in de zetmeelindustrie, zoals Duintjer, Wilkens en Meihuizen (DWM), K. & J. Wil­kens en Van Linge.

Na 1870 werd ook de opkomende strokartonindus­trie deels gefinancierd met zeevaartgeld, denk alleen maar aan de families Sparreboom en Drenth. Daarnaast investeerden na 1900 de boeren flink in coöperatieve strokartonfabrieken. De concurren­tie was zeer hevig. Rond 1900 kende elk dorp, hoe klein dan ook, minimaal één zetmeel- of strokartonfabriek. Oude Pekela kende in haar hoogtijdagen maar liefst 12 strokartonfabrie­ken, één zetmeelfabriek, zes scheepswerven, twee touwslagerijen en diverse toeleveringsbe­drijven.

Vroegtijdige luchtfoto van Oude Pekela met de hoofdvaart met zijn lintbebouwing, de vele zijvaarten en de fabrieksschoorstenen linksmidden en middenonder.

In het kielzog van deze landbouwindustrie vestigde zich ook zeer diverse industriële bedrijven in de Oude Veenkoloniën, met als kernen Veendam-Wildervank, Hoogezand-Sappemeer en de Pekela’s. De industrieën stonden vrijwel alle langs de hoofdwijken van de veenkoloniale nederzettingen. De bevolking van de Veenkoloniën groei­de in de tweede helft van de negentiende eeuw explosief. Omdat het werk in de fabrieken seizoenswerk was, was men in het voorjaar toch nog vaak in het veen te vinden. Stadskanaal bijvoorbeeld bleef tot in de jaren twintig van de 20ste eeuw een belangrijk verveningsgebied. 

Meer dan veen en armoede

De opkomst van de zeevaart, de landbouw en landbouwindustrie zorgde voor een bloeipe­riode in de geschiedenis van de Veenkoloniën. Het Veenkoloniaal Museum te Veendam laat zien dat de geschiedenis van de regio meer is dan veen en armoede. Het is een geschiedenis die weliswaar complex, maar ook zeer boeiend is. De bekende verzekeringsmaatschappij Lloyds uit Londen vestigde zijn eerste bijkanto­ren in Bremen en … Veendam. Aletta Jacobs uit Sappemeer werd als eerste vrouwelijke stu­dente op de Rijksuniversiteit van Groningen toe gelaten. In Sappemeer was ze al de eer­ste vrouw op de HBS. In het museum herinneren honderden foto’s aan de pioniers in de land­bouw. Innovatie speelde al vanaf de negentien­de eeuw een grote rol. Ook hier namen Veen­koloniale boeren vaak het voortouw. De ont­wikkeling van een goede aardappelrooimachi­ne werd in de Veenkoloniën in gang gezet. De Wildervankster K.J. de Vrieze zorgde voor de doorbraak van kunstmest.

Genealogen dragen er ook toe bij dat we steeds meer over de regio te weten komen. Zo weten we dankzij stamboomonderzoek dat de eerste generatie zeelieden vaak van boerenaf­komst waren. De vrouw bleef in de achttiende eeuw het boerenbedrijf er vaak bij doen. De combinatie zeevaart-landbouw verdween zo rond het begin van de negentiende eeuw. De kapiteinsvrouw ging zelfs vaak mee aan boord, evenals de vrouw van de stuurman. Ook ko­men vele genealogen er achter dat hun bet­overgrootmoeder kon lezen en schrijven. Anal­fabetisme onder vrouwen was in de Groninger Veenkoloniën beduidend minder dan elders. Betovergrootmoeder schreef de logboeken, hield de correspondentie bij en ondertekende documenten bepaald niet met een kruisje. Bij de boerinnen zien we het zelfde.

Meer dan veen en armoede

De opkomst van de zeevaart, de landbouw en landbouwindustrie zorgde voor een bloeipe­riode in de geschiedenis van de Veenkoloniën. Het Veenkoloniaal Museum te Veendam laat zien dat de geschiedenis van de regio meer is dan veen en armoede. Het is een geschiedenis die weliswaar complex, maar ook zeer boeiend is. De bekende verzekeringsmaatschappij Lloyds uit Londen vestigde zijn eerste bijkanto­ren in Bremen en … Veendam. Aletta Jacobs uit Sappemeer werd als eerste vrouwelijke stu­dente op de Rijksuniversiteit van Groningen toegelaten. In Sappemeer was ze al de eer­ste vrouw op de HBS. In het museum herinneren honderden foto’s aan de pioniers in de land­bouw. Innovatie speelde al vanaf de negentien­de eeuw een grote rol. Ook hier namen Veen­koloniale boeren vaak het voortouw. De ont­wikkeling van een goede aardappelrooimachi­ne werd in de Veenkoloniën in gang gezet. De Wildervankster K.J. de

Vrieze zorgde voor de doorbraak van kunstmest.

Genealogen dragen er ook toe bij dat we steeds meer over de regio te weten komen. Zo weten we dankzij stamboomonderzoek dat de eerste generatie zeelieden vaak van boerenaf­komst waren. De vrouw bleef in de achttiende eeuw het boerenbedrijf er vaak bij doen. De combinatie zeevaart-landbouw verdween zo rond het begin van de negentiende eeuw. De kapiteinsvrouw ging zelfs vaak mee aan boord, evenals de vrouw van de stuurman. Ook ko­men vele genealogen er achter dat hun bet­overgrootmoeder kon lezen en schrijven. Anal­fabetisme onder vrouwen was in de Groninger Veenkoloniën beduidend minder dan elders. Betovergrootmoeder schreef de logboeken, hield de correspondentie bij en ondertekende documenten bepaald niet met een kruisje. Bij de boerinnen zien we het zelfde.

De eerste Schreiber’s

In de lange lintbebouwing langs de kanalen die het verveningsgebied doorsneden, scharrelden de eerste Schreiber’s de kost bij elkaar. Hun ‘thuishaven’ was Ommelanderwijk, net ten zuidoosten van Veendam waarmee het met een lang kanaal was verbonden. Uit de trouwaktes krijgen we een beeld van hun beroep. Friede Schreiber was arbeider evenals zijn zoon Hindrik terwijl diens echtgenote Aaltje Bakker dienstmeid was. Hun zoon Willem was alweer fabrieksarbeider en zijn vrouw Metta dienstmeid; bij hun huwelijk werd bij beide ouderparen vermeld werkman/-vrouw. Rintje Ottenhoff, die trouwde met Anna Janke Schreiber, de dochter van Hindrik en Aaltje, was boerenarbeider, zijn ouders weer werkman/-vrouw. Het zal geen vetpot zijn geweest ten huize van de familie Schreiber, Oost-Groningen had ook toen al een traditie van grote afstand tussen kapitaal en arbeid.

Ansichtkaarten van de Molenstreek, de weg van Veendam via Ommelanderwijk naar Pekela in 1901, een tweede maal  gezien vanuit Sociëteit Veenlust met aan de rechterkant de woning van de fabrikant O.O. Meijer.

Het Kerkpad met de tramrails van de paardentram Veendam-Pekela in het gedeelte naar Zuidwending, kijkend in de richting van Ommelanderwijk. Alle huizen op de foto zijn afgebroken en momenteel rest hier weiland.

De paardentram die tot 1923 Veendam met Pekela verbond met rechts de weg naar Ommelanderwijk met de rails van de paardentram en de op turf gestookte elektriciteitscentrale. 

Ommelanderwijk op schoolprent van J.B. Wolters met paardentram en bovengrondse stroomvoorziening via elektriciteitsmasten; 1919.

Het is wat wrang dat de eerste concrete berichten die overwaaiden, krantenknipsels betrof rond het overlijden van Dietert Bakker (1796 – 1872) en Janke Hooijer (1801 – 1878), de ouders van Aaltje Bakker (1843 – 1904) die in 1874 in het huwelijk trad met Hindrik Schreiber. Hoewel we zeer weinig van hun weten, rest ons van Hindrik Schreiber en zijn Aaltje een dierbare foto, de oudste binnen de familie.

Overlijden Dietert Bakker en Janke Hooijer; Ommelanderwijk, resp. 1872 en 1878.

Hindrik Schreiber en Aaltje Bakker.

Via via kregen we ook foto’s van Aaltje’s psalmen- en gezangenboekje en van de fraaie Fries staartklok die volgens overlevering een oud familiebezit van de Bakker’s was. Aaltje’s kleindochter Annie Ottenhoff wist te vertellen dat de klok, die dateert van begin 19e eeuw, is bekostigd uit een erfenis. Friese boeren maakten deze klokken om in de winter wat bij te verdienen. Ook het uurwerk is zelfgemaakt wat volgens huidige klokkenmakers heel bijzonder is. Hij hangt bij onze zegsvrouw, Annie’s dochter Anneke Boontjes-Post, in de woonkamer.

Het psalmen- en gezangenboekje van Aaltje Bakker.

Friese klok uit de familie van Aaltje Bakker.

Overlijden Hendrik Schreiber en Aaltje Bakker; Ommelanderwijk, resp. 1901 en 1904.

Willem Schreiber (1874 Veendam – 1956 Ommelanderwijk), de oudste zoon van Hindrik en Aaltje, bleef aan wal en huwde Metta Bartelds. Zij kregen vier kinderen waarvan de jongste twee reeds zeer vroeg overleden. Willem en Metta hadden een dubbele woning (twee onder een kap) in Ommelanderwijk waar zij woonden met hun zonen Jan en Hendrik. Dit huis was hun eigendom; hun nazaten hadden geen idee hoe ze het konden betalen. Mettje was half verlamd maar kon heel mooi zingen. Willem trok volgens diverse krantenberichten regelmatig ten strijde tegen de overheid. De buurtbewoners willen bijvoorbeeld bij de verbreding van de weg langs het kanaal niet worden afgescheept met een sintelvoetpad maar wensen een volwaardig tegeltrottoir, Hij ‘regelde’ volgens familiebronnen ook dienstmeisjes voor zijn nichtje Aly, de dochter van zijn broer Dietert, omdat ze graag meisjes van het platteland wilde hebben.

Willem Schreiber als militair.

Willem Schreiber met Metta Bartelds en hun zoons Henk en Jan Menno.

Krantenbericht in De Noord-Ooster, 27 april 1929.

Afstammelingen van Willem Schreiber en Metta Bartelds.

Zoon Henk was bij zijn huwelijk rijwielhersteller van beroep. Hij was getrouwd met Lientje (Engelina Sterenborg) en kreeg dochters Metta (1920, Veendam) en Aaltje (Aly; 1931, Veendam) en bovendien nog zoon Willem (Willy; 1934, Veendam). Metta trouwde met Pieter Harryvan. Haar zus Aaltje trad in het huwelijk met Ben Reintke en kreeg zoons Arthur (getrouwd met Jellie Brandsma) en Edward die weer vader werd van dochter Lisa-mae.Willy kreeg met Jopy Funk zoon Henk en dochter Astrid; Henk op zijn beurt werd met Simone Bergsma ouders van Yorben (1987), Dionne (1989) en Noëlle (1990).

Op een schoolfoto uit1942 treffen we de drie Schreibertjes onder de kleine tweehonderd scholieren. Het bijbehorende verslag vertelt van een leuke school met terugkerende feesten en schoolreisjes, maar ook van een beperking van het aantal lesuren van 26 naar 20 per week vanwege brandstoftekort. Ook het aantal leerkrachten liep de volgende jaren terug naar drie, waardoor de tweede klas maar drie dagen per week les kon krijgen en de andere vier.

Twee uitsneden van de schoolfoto van de O.L.S. Ommelanderwijk in 1942, met op linker foto bij pijltje Willie en op rechter foto links Metta en daarnaast Alie Schreiber.

Hun dochter Metta logeerde eertijds in Groningen bij haar oudoom Dietert en oudtante Anna en ging dan ook met Aly en Lenie de stad in. Ze herinnerde zich hoe ze daar een keer de mazelen kreeg en toen door Opa met een taxi naar Veendam is gebracht: ze had lekker tegen hem aangelegen. Ze hadden ook schaatsen gekregen die van Henk, Aly of Lenie waren geweest. Dietert en Anna golden als de ‘rijke’ tak van de familie. Dat beeld werd versterkt door de herinnering aan “de rode slee” van Aly’s echtgenoot Ab – het ging om een knalrode Chrysler Imperial, het toenmalige vlaggenschip van de Amerikaanse auto-industrie – waarmee de mannen bij gelegenheid van een familiebezoek in Veendam gebakken vis haalden.

De tweede zoon van Willem en Metta was Jan Menno, die bakker werd van beroep. Hij trouwde met Hendrikje Oldenburger en werd vader van Metta (1931, Meeden), Dina (1933, Meeden), Wilhelmina (1945, Meeden) en Hillebrandus (Brandus; 1947, Meeden). Elk van hen trouwde en kreeg, uitwaaierend over het vaderland, weer nageslacht.

Van de enige dochter van Hindrik en Aaltje, Anna Janke (geboren in 1880 in Veendam), bleef een mooi jeugdportret bewaard. Zeer bijzonder is ook de brief die haar aanstaande Rintje Ottenhoff op Oudjaarsdag 1894 schreef aan haar familie. Hij is op dat moment kennelijk in dienst in Groningen: “Mijn wachtuur slaat om 4 uur in ’t oude jaar En eindigt in het Nieuwe.” In zeer bloemrijke taal slaagt hij erin om twee kantjes te vullen met goede wensen voor het nieuwe jaar. Het is niet waarschijnlijk dat de twee toen al een relatie hadden – Anna Janka was nog geen veertien – maar een tien jaar later traden de twee in het huwelijk. Volgens overlevering binnen de familie was Rintje bevriend met Anna Janka’s broer Dietert. Als Rintje onderweg was met zijn turfpraam (ook grind en zand), ging hij langs in het ouderlijk huis van zijn maat in Ommelanderwijk. Zo ontmoette hij zijn zus.

Anna Janka Schreiber.

Geboorteaangifte van Anna Janka Schreiber; 27 april 1880.

Nieuwjaarswensen van Rintje Ottenhof aan de familie Schreiber; 31 december 1894.

Rintje en Anna Janka kregen twee dochters Annie (1905, Ommelanderwijk) en Aaltje (1908, Ommelanderwijk). Beiden figureren op een foto van de O.L.S. Ommelanderwijk. De invoering van de Leerplichtwet in 1900 had nogal ingrijpende doorwerking. Kinderen moesten tot 12 jaar schoolgaan en dat beviel veel moeders niet. Meisjes konden niet meer worden ingezet voor huishoudelijke klusjes, jongens niet meer bij de oogst en dat scheelde in het huishoudbudget. De dertig dagen zogenoemd aardappelverlof gaf nog enige compensatie maar het deed zeer. Maar een doorbraak was wel dat het spijbelen scherp werd teruggedrongen. In 1915 zaten er maar liefst 269 kinderen op school, waarvan 28 schipperskinderen.

Schoolfoto van de Openbare Lagere School Ommelanderwijk rond 1910 met geheel links op de voorste rij: Annie en Aaltje Ottenhoff.

Rintje Ottenhoff met  Anna Janka plus kroost Annie en Aaltje.

Kennisgeving in De Noord-Ooster, 11 mei 1929.

Rintje Ottenhoff met Anna Janke Schreiber.

Annie huwde Jan Post. Jan was weduwnaar en had uit zijn eerdere huwelijk vier kinderen: Gerarda, Hendrik, Grietje en Jantje. Anna was eerst zijn huishoudster; samen kregen ze dochter Anneke (1947) die met Klaas Boontjes weer nazaten had. Zus Aaltje trouwde met Reinder Vegter die echter al heel snel is overleden. Zij bracht hun dochter Anneke groot. Opa Rintje hield van spelletjes en knutselen, dus zijn (stief-)kleinkinderen kwamen altijd erg graag. Een stel mooie foto’s getuigt daarvan. Op de eerste poseren Opa Rintje en Oma Anna Janka stralend met hun (stief-) kleinkinderen. De volgende is onder strenge maar vrolijke regie onmiddellijk daarna gemaakt: ‘mutsen op, stilstaan’.

Op achterste rij v.l.n.r. Rintje, Anna Janka en Jantje; op voorste rij een buurjongen met achter zich Grietje, Gerarda en Hendrik.

Anneke Post op de arm van oma Anna Janka en in 2005 met man en eigen kleinkinderen in de tuin te Spijkerboor.

De familie Ottenhoff onderhield warme banden met Anna Janka’s broer Dietert en zijn vrouw Anna Petersen (zie hierna). Volgens oude familiebronnen trokken Annie en zus Aaltje – waarschijnlijk in de periode dat Dietert en Anna na hun overkomst uit Pahlhude tijdelijk in Ommelanderwijk woonden – veel op met Aly en Lenie. Annie was wat ouder en paste wel op haar nichtjes. Ze is ook aan boord geweest op een reis naar Engeland en Riga. Wellicht dat van die reis de fraaie nap stamt, waarin moeder Anna Janka haar kunstgebit bewaarde.

Nap uit Riga waarin Anna Janka haar kunstgebit bewaarde.

Er zijn ook anekdotes waarbij enige twijfel dient te bestaan. Toen Aaltje een keer bij haar Oom Dietert en Tante Anna logeerde, ging ze met een der dochters bellen blazen. Ze krijgen er genoeg van en gooiden het zeepsop op het hoofd van een voorbijganger en deden snel het raam dicht. Woedend belde de man aan, maar Anna zei dat het haar kinderen niet konden zijn want die waren in het zwembad. Dit werkt niet gepikt en ze ging naar boven om te kijken of de kinderen er waren. Die waren haastig onder het bed gedoken. Anna weer van beneden om te zeggen dat ze er echt niet waren. Op gegeven moment moesten de jongedames echter toch weer naar beneden en wat er toen gebeurde, laat zich raden.

Hoewel de familiebanden in de loop der tijd vervaagden, bleef het contact ook in latere jaren voortbestaan. In de zomer van 1951 hebben Ankie en haar zus Aukje – op dat moment respectievelijk 8 jaar oud – een vakantie doorgebracht bij Annie en Jan. De brief die Ankie op 1 augustus naar ‘huis’ schreef, tekent fraai de cultuurschok van twee stadsmeisjes op het Oost-Groningse platteland. Het was hun eerste kennismaking met bedsteden en poepdozen, maar ook met het rijden met paard en wagen in een omgeving waar iedereen elkaar groette. Ze ontmoetten ook hun tot dan onbekende ooms en tantes en geven een karakterisering van hun huisgenoten. Ankie leest veel, maar Aukje gaat op avontuur. Maar ze delen één enkele, hilarische conclusie: de boerderij valt lelijk tegen en ze zullen blij zijn om weer thuis te zijn. Hoe het tegenbezoek van Hendrik en Gerarda (Grada in Ankie’s brief) naar Scheveningen – met uitstapjes naar Madurodam en dergelijke – is bevallen, weten we niet.

Het regent, hagelt en onweert en er zijn heel veel vliegen en muggen.

Ze gaan op bezoek bij Oom Willem Schreiber en Tante Metta.

Iedereen is heel aardig behalve Grietje die wel aardig is maar ook erg zeurderig.

Aukje verkent met haar verre nicht Grada de geneugten van het platteland.

Maar de conclusie is toch: ze zullen blij zijn weer thuis te zijn; 1 augustus 1951.

Dietert (1877 Veendam – 1953 Zuid-Laren), de middelste van het drietal van Hindrik Schreiber en Aaltje Bakker, volgde een geheel ander spoor. Vrij stellig gaf de inbreng van moeder Aaltje de aanzet voor de omslag. De trouwakten van haar kant van de familie laten een heel ander beeld zien. Grootvader Dietert Jans Bakker was nog boerenknecht, zijn echtgenote dienstmeid en beide ouderparen (zover bekend) arbeiders. Toen zoon Jan in 1858 in Nieuwe Pekela trouwde met Jantje Brouwer, was zijn vader dagloner maar hijzelf schipper en dat gold ook zijn schoonvader. Ook zijn jongere broer, merkwaardigerwijs eveneens Jan genoemd, was ten tijde van zijn huwelijk schipper. Deze traditie werd later ook overgenomen door hun neefje Dietert. Hij is met zekerheid zijn scheepvaartcarrière begonnen aan boord van het schip van familielid Jan Bakker. Het zal dan met de jonge Jan (geboren in 1838) zijn geweest.

Geboorte Dietert Schreiber; Veendam, 1877.

Afstammelingen van Jan Hindriks Bakker en Hiltje Dieterts.

Een merkwaardig relikwie dat getuigt van de schipperstraditie van het geslacht Bakker is ook de Noorse buttje. Uit overlevering zegt men dat de scheepspapieren in deze speciale doosjes werden bewaard zodat bij schipbreuk ze – als een vroegtijdige vorm van de zwarte doos van latere vliegtuigen – bleven drijven. Anneke Boontjes-Post heeft er nog een in huis, een groter exemplaar staat bij haar jongste zoon in Schiedam.

Buttje uit Noorwegen in familiebezit en op een stilleven van Henk Helmantel.

De naam Jan Bakker dook geregeld op in familieverhalen van de Schreiber’s. Zo vertelde Anna bijvoorbeeld van een scheepshond, die – volgens overlevering in Denemarken – van boord moest en die een Nederlandstalig briefje aan zijn halsband kreeg met de volgende tekst:

Het rijmpje dat neef Jouke ruim 50 jaar geleden van zijn Oma Anna leerde, kon hij zestig jaar later nog moeiteloos declameren.

Sterker nog was de tekst die haar dochter Lenie kende. Met een van de reizen met de ANNA  ELISABETH was ze in Finland geweest. Ze hebben toen een week lang aan een kaai gelegen met een bordje met een Finse(!) mededeling die Lenie uit het hoofd had geleerd. Ruim veertig jaar later zat ze naast een Fin tijdens een diner en kon die tekst nog steeds uit haar hoofd opdreunen. Die Fin heeft haar toen verteld wat er op dat bordje stond. Spannend was dat niet; het kwam er op neer dat bepaalde delen van de kade niet toegankelijk waren. Tot kort voor haar dood kon ze dat nog steeds in het Fins opzeggen! 

Een jonge Dietert.

Op een zeker moment heeft Dietert de stoute schoenen aangetrokken en is ‘voor zichzelf’ begonnen. Hij liet in 1904 de koftjalk ZWERVER bouwen bij de bekende werf van Gebr. J. & G. Verstockt te Martenshoek, gemeente Hoogezand. Het schip werd te water gelaten op 9 december 1904 en de thuishaven werd Veendam. Hett was voor die tijd een relatief grote zeetjalk – met een tonnage van 140 DWT,  99 BRT,  75 NRT;  en afmetingen van 25,20 x 4,89 x 2,17m – waarmee hij ook grote zeereizen heeft gemaakt.

Van zijn verre reizen nam hij mooie, soms exotische cadeaus mee voor zijn familie. Zo beschikt Anneke Boontjes – Post nog steeds over het zogenoemde toverdoosje, dat alleen met een handleiding is te openen. Opzij kun je er een latje uit schuiven waarin het sleuteltje verborgen zit. Daarna kun je de zogenaamde boekjes naar voren schuiven en in het midden het donkergekleurde naar beneden drukken. Daar zit het sleutelgat en zo kun je het openen.

Het toverdoosje, vrij zeker door Dietert meegenomen uit Engeland voor zijn zus en/of ouders.

Zelfs een dikke eeuw later blijft neef Jouke zich overigens verbazen over hoe hij, afkomstig uit een eenvoudige arbeidersfamilie, op 27-jarige leeftijd een kapitale koftjalk liet bouwen. De zee- en koftjalken liepen toen weliswaar op hun retour en werden geleidelijk aan vervangen door schoeners, maar ze werden nog steeds gebouwd en dit was wel een van de grotere koffen. Het kan haast niet anders dan dat hij van moeders kant, de schippersfamilie Bakker, flinke ondersteuning heeft gehad – maar dat doen ze alleen maar wanneer je over capaciteiten beschikt. Ergens kwam Jouke in één van de scheepsdocumenten ‘Schreiber en Co’ tegen, dus er moet ‘iemand’ zijn geweest. 

Bovendien is er het verhaal van zijn moeder Lenie, de enige openhartige van alle Schreibers. Ze vertelde dat Dietert tijdens de periode van de bouw serieus verloofd was met een meisje uit Veendam (of omgeving). Toen hij in 1906 plotsklaps in het huwelijk trad met een meisje uit Sleeswijk-Holstein, is dat vermoedelijk rond Veendam niet goed gevallen. Volgens Lenie kon Dietert zich een poos niet in Veendam laten zien. Het zou zomaar kunnen dat zijn ‘aanstaande schoonvader’ mogelijk die medefinancier is geweest, maar dat blijft speculatie. 

Lenie’s herinnering werd overigens recent bevestigd in een telefoongesprek dat Aukje, de jongste dochter van haar zus Aly, voerde met Anneke Vegter. Anneke wist te vertellen dat Dietert in Groningen een relatie – vaste vriendin of verloofde – had, Christina of Christien. In de winter was zijn schip opgelegd in de buurt van Pahlhude en zo heeft hij Anna ontmoet.  Zij raakte in verwachting en de twee moesten trouwen. Volgens haar moeder Aaltje Ottenhoff moest dit ook volgens de Duitse wet omdat Dietert anders nooit meer in Duitsland mocht komen. Aaltje zei vaak dat ze blij was dat Anna haar tante was  en niet Christina: ze was een veel fijner mens.

Oosterhaven; 1905

Komaf Anna Petersen in Sleeswijk-Holstein: 1987-1906

Het is een van die momenten dat je je bewust wordt van je sterfelijkheid: van de komaf van Anna Petersen weten we vrijwel niets. Zij was de oudste van het twaalftal van vader Peter Martin Petersen (1862-1933) en Magdalena Schildt (1865-1946) dat opgroeide in het kleine dorpje Pahlhude, gelegen aan de rivier de Eider in het Noord-Duitse Sleeswijk-Holstein. Neef Dietert deed, geholpen door een Duitse kerkarchivaris, uitstekend werk om haar voorgeslacht in kaart te brengen en het internet bood verdere aanvullingen zodat we ze tot in de 17e eeuw goed in het zicht hebben. Zover onze karige informatie reikt waren het vooral kleine landbouwers uit de naaste omgeving van Pahlhude, met een straal van 30 kilometer moet het overgrote deel wel gedekt zijn.

Stamvader zover bekend is Matthies Petersen die rond 1765 geboren moet zijn in Schwabstedt bij Husum, de grotere plaats aan de monding van de Eider in het Waddengebied. Even hadden wij hoop op Grote Voorvaders toen wikipedia melding maakte van de fameuze walvisvaarder Matthias Petersen, geboren in 1632 in Oldsum op een klein eilandje voor de kust bij Husum en overleden in 1706. Naar verluidt ving hij gedurende zijn carrière niet minder dan 373 walvissen. Hij ging hiertoe in de les in Nederland en verwierf zich de bijnamen “Glücklicher Matthias”“Matthias der Glückliche” en “Mathis der Glückliche”. De enorme vangst was mogelijk omdat de walvissen zich toentertijd verzamelden in de baaien rond het eiland Spitsbergen. Op zijn negentien reizen vergaarde hij een grote rijkdom van, omgerekend, bijna 600.000 euro’s. Wij moesten helaas deze mooie droom laten varen: zijn nazaten reikten tot grote maatschappelijke hoogten en de val om ons nederige niveau te bereiken is onwaarschijnlijk.

Pahlhude/Pahlen aan de Eider: links Sleeswijk-Holstein, rechts meer detail.

Voorgeslacht van Peter Martin Petersen (1862-1933).

Voorgeslacht van Magdalena Schildt (1865-1946).

Anna had een zeer groot aantal familieleden in Pahlhude en het nabij gelegen, grotere Pahlen. Ze had  niet alleen elf broers en zussen maar vader Peter stamde uit een gezin van zeven. Statistisch moet een aanmerkelijk deel van de huidige bevolking van het tweelingdorp Pahlen-Pahlhude dus familie van ons zijn, maar ondanks dappere pogingen hebben we nog geen ‘neven’ en ‘nichten’ kunnen terugvinden. Van haar vele broers en zussen weten we slechts dat er drie trouwden maar verder ontbreekt ons nagenoeg alle informatie. We kwamen vooralsnog niet verder dan de twee foto’s die we haalden van het internet. Het betreft de grafzerken van Anna’s jongere zussen Emma (1993 – 1991; gehuwd met Wilhelm Bruhn) en Auguste (1897 – 1977; gehuwd met Ernst Karstens).

Nazaten van Christian Petersen en Anna Rix.

Grafsteen van Emma op kerkhof van Hennstedt in Dithmarschen en van Auguste in Pahlen.

Er zijn nog losse einden. Uit – letterlijk – de oude doos rest ons een aantal foto’s van familieleden Petersen. De eerste stamt uit een fotoalbum van Anna’s dochter Aly en is gemaakt door een fotostudio in Tellingstedt, gelegen iets ten zuiden van Pahlhude. We weten nog niet wie is afgebeeld, maar we hebben de volle hoop dat het een niet erg ver familielid is. Twee andere foto’s tonen een ouderpaar, dat – bijna komisch – geen vinger bewoog toen hun lieve dochters aanschoven. Maar wie zijn het?

Vooralsnog onbekend familielid uit Tellingstedt.

Petersen familiefoto’s.

Na hevig speurwerk en grote hulp van dominee Jörg Denke van Pahlen kregen we nog enig houvast. In de zomer van 1952 logeerde Anna met het gezin van haar dochter Aly in Pahlhude bij Onkel Emil en Tante Frieda en hun twee zoons. Weer boden de grafzerken op het kerkhof van Pahlen nadere informatie: het ging om Emil Meyer (1904 – 1958) en Frieda Meyer-Petersen (1905 – 1998) en hun zoons Ernst-Günther Meyer (1934 – 2014) en Hans-Hermann Meyer (1937 – 2001). Het kan haast niet anders of Frieda was een nicht van Anna, de dochter van een van de vele broers van haar vader.

Familiegraf en grafsteen van Frieda Petersen en Emil Meyer in Pahlen.

Grafstenen van Ernst-Günther, zijn eega Helga en broer Hans-Hermann Meyer.

Pastor Denke heeft in 2014 zelf de begrafenisdienst van Ernst-Günther geleid. Omdat beide broers geen kinderen hadden, verzamelde hij ook wat verdere gegevens van buren. Die wisten te vertellen dat zijn ouders een molen bezaten en dat hij in het naburige Dörpling is opgegroeid. Hij concludeert: “Dann müsste diese Mühle die Dörplinger Mühle sein, die ich von meinem Fenster aus sehen kann.” Ernst-Günther woonde echter sinds 1960 met zijn vrouw Helga op de Redderberg, op ongeveer twee kilometer afstand van de molen. De molen is twintig jaar geleden omgebouwd tot vakantiewoning van Hamburgers die geen idee hebben van voorgaande bewoners. Ernst-Günther leerde voor molenaar maar verdiende in later jaren de kost als kraanbestuurder, turfsteker en bouwvakker. Na het overlijden van zijn vrouw trok hij zich geheel terug.

Is dit de molen van de familie Meyer in Pahlhude?

Ongeacht de vele vraagtekens die we vooralsnog bij haar familieomstandigheden moeten plaatsen, staat vast dat Anna opgroeide in een lieflijke omgeving. Wie vandaag de dag het landelijke Pahlhude bezoekt, wordt vertederd door het landschap waar de rivier zich doorheen kronkelt. Het dorpje met zijn ruim 1200 inwoners geldt als een watersport eldorado waar je zelfs kunt waterskiën. Het naburige Pahlen huisvest bovendien de grootste disco van Sleeswijk-Holstein.

       

De Eider bij Pahlen op recente foto’s.

Het jachthaventje van Pahlen.

Het is nauwelijks voorstelbaar dat het dorp in de 19 e eeuw gold als een van de voornaamste havenplaatsen aan de Duitse westkust. Van 811 tot 1864 vormde de Eider met twee korte onderbrekingen de zuidgrens van Denemarken. Het was ter plaatse ook een zeer natuurlijke grens: pas in 1961 werd de veerverbinding tussen de twee oevers vervangen door een brug. Vanaf 1784 werd de Eider tot een kanaal omgebouwd die een snellere en gemakkelijkere verbinding tussen de Noordzee en de Oostzee, geschikt voor schepen tot circa 300 ton. Het was slechts 29 meter breed en tot drie meter diep.

Kaartbeeld uit circa 1865, met de Eider als grensrivier tussen de hertogdommen Schleswig (noordelijk) en Holstein. Linksboven Hüsum, rechts Kiel en links in het midden – op de zuidoever van de Eider – Pahlhude en Dörpling en op de noordoever Erfde.

Pahlhude profiteerde daarvan in hoge mate. Een belangrijk deel van het scheepsverkeer richtte zich op de Portland-Cementfabriek, die werd bevoorraad met Enge;se kolen die in het havenstadje Tönning aan de Waddenkust werden overgeslagen op kleinere zeilschepen. Alleen al in 1884 werd 12.000 ton kolen vervoerd naar de gemoderniseerde kades in Pahlhude. Het plaatsje gold ook als een middelpunt van de Noord-Duitse steurvangst die rond 1880 nog een zevenduizend exemplaren opleverde,

Hafen und Zement-Fabrik; 1908.                   Eidervissers met een steur.

In 1842 deden 547 grote schepen tot circa 300 ton deze haven aan. Zowel de steurvangst als de tegelfabrieken boden werkgelegenheid, met hard werken – dat wel – van 5 uur in de morgen tot 7 uur in de avond. Daarna moesten de mannen, en vermoedelijk ook de vrouwen, hout voor de winter verzamelen en turf steken en hun kleine stukje land bewerken. Een deel van de boten koos ook de luwte van de Eideroevers om de winter uit te zingen, waarbij de resterende bemanning bevoorraad moest worden.

Toch duurde door een samenloop van ontwikkelingen die glorietijd niet lang. De steurvangst zakte rond de eeuwwisseling door kanalisering en verzanding onderuit naar niet meer dan 1275 per jaar. De grootste klap werd echter in juni 1895 gegeven door de Duitse keizer Wilhelm II bij de opening in 1895 van het iets zuidelijkere Nord-Ostsee-Kanal oftewel Kielerkanaal dat toegankelijk was voor grotere en snellere stoomschepen.

Het scheepsvolume dat afmeerde in Pahlhude lag in 1864 nog op 1500 NRT maar was in 1874 al gezakt naar 400 NRT. Na een korte verbetering verminderde het tot 1904 verder tot ongeveer 130 NRT en daarbij bleef het tot 1913. Na de Eerste Wereldoorlog werd de 100 NRT nooit meer bereikt en vanaf 1919 werden geen schepen meer geregistreerd in Pahlhude.

De kleine Anna, geboren in 1887, zal het niet bewust hebben meegemaakt hoewel het ook in haar huiselijke kring ongetwijfeld een onderwerp van veelvuldig gesprek is geweest. Oude ansichtkaarten schetsen een beeld van het dorp waarin ze opgroeide, met zijn stille straten en altijd weer zijn rivier, maar ook zijn Gasthaus en het tweede horeca-etablissement.

Pahlhude, ca 1915

Bothmann’s Gasthaus en de Bahnhofstrasse van Pahlen-Pahlhude met rechts het Dithmarsche Hof.

De zeevarende huwelijksjaren: 1907-1933

Dietert meerde als beginnend schipper met zijn ZWERVER in de winter van 1906 af in Pahlhude. Schippers kozen die jaren een rustige plaats waar zij de barre winter konden ‘overleven’; haalden zij hun thuishavens niet, dan waren wateren als de Eider met zijn kleine dorpen en beschermende kronkels kennelijk favoriet. In Pahlhude in ieder geval ontmoette hij Anna Petersen, toen nog geen twintig jaar oud. De vlam moet snel zijn overgeslagen. Zoals een later afschrift van de Geburtsurkunde uit Tellingstedt van 31 januari 1907 vermeldt krijgt Anna Margaretha Schreiber, geboren Petersen “zu Pahlen, in der Wohnung des Arbeiters Peter Marten Petersen” zoon Hendrik Willem. Hij is volgens de Geburtsurkunde geboren op 28 januari 1907 in Pahlen, maar vreemd genoeg werd zijn verjaardag op 15 februari gevierd en dat schijnt samen te hangen met onduidelijkheden bij zijn overschrijving naar Nederlandse registers.

Engelse ansichtkaart van de ZWERVER, volgens bijschrift gefotografeerd op de Avon in maart 1908, ooit door Dietert Schreiber aan zijn broer Willem in Ommelanderwijk verzonden.

St Martins Kirche in Tellingstedt.

Later afschrift van de geboorteakte van Henk; 18 oktober 1946.

De kleine Henk moet binnen het grote gezin van zijn grootouders als een nog weer jonger kind zijn verwelkomd. Toch heeft het er schijn van dat Anna met haar baby de eerste jaren meestal aan boord is geweest met als ‘thuishaven’ Pahlhude. Zo is er de kaart met een foto van Anna en de kleine Henk, die op 22 december 1909 vanuit Rensburg is gestuurd aan Oom Jan en Tante Elzien: “Waarde oom en tante met dezen kan ik u schrijven dat wij van ’t winter bij Anna haar ouders voor thuis vast maken. Gegroet, D. Schreiber A. Petersen”. In juni 1910 zag ook dochter Aaltje Anna – eerst Aaltje en later Aly genoemd – weer het levenslicht in Pahlhude. In  de loop van het daarop volgende jaar werd de thuisbasis echter verlegd naar Ommelanderwijk. De sprong moet voor Anna groot zijn geweest; ze heeft stellig ook niet kunnen beseffen dat ze tot 1953 niet meer zou terugkeren naar haar geboortegrond en slechts per brief contact zou houden met haar familie.

Kaart door Dietert en Anna verstuurd op 22 december 1909.

Anna met peuter Henk.

Wat was de reden voor de ‘verhuizing’? Was het omdat Henk naar school moest en Dietert en Anna kozen voor het Nederlandse systeem? We kunnen slechts raden. De dubbele woning van broer Willem en zijn Metta in Ommelanderwijk bestond uit een grote en een kleine woning en het kleine onderkomen bood het jonge gezin onderdak. Vrij kort na aankomst in de Veenkoloniën, in 1911, werd Helena Minna – Lenie – geboren. Henk zat ter plaatse op dezelfde school als de andere Hendrik, de oudste zoon van Willem en Metta. Die was weliswaar vijf jaar ouder dan ‘onze’ Henk maar om ze uit elkaar te houden werd de onze ‘dikke Hendrik’ genoemd en de andere ‘kleine Hendrik’. Als oudste moest hij met zijn zusjes – let op de prachtige strikken – poseren, maar daarna kreeg hij in Veendam ook zijn eigen foto.

Kinderfoto Henk, Lenie en Aly; ca. 1911.

De drie en een staatsieportret van Henk; Veendam, circa 1914.

Het huis in Ommelanderwijk staat er nog maar is onherkenbaar verbouwd. Het liet voor ons ook vele vragen onbeantwoord. Het blijft raden naar het leven van een schippersgezin met kleine kinderen. Vermoedelijk heeft Dietert een groot deel van het jaar op het schip gewoond, maar hoe was dat met Anna en haar kroost? Waren zij alleen ‘s zomers aan boord of was dat een groter deel van het jaar en werd Henk gedurende het schooljaar ‘uitbesteed’ bij familie? Hij had later in de kamer een foto met vader Dietert, moeder Anna en dochtertjes Aaltje en Lenie plus vier bemanningsleden op het achterdek van de ZWERVER.

Henk (derde links onderaan) op de lagere school in Ommelanderwijk.

Henk als kwajongen.

Ommelanderwijk, binnen de grotere gemeente Veendam, was ‘anders’ dan het stille Pahlen. De nieuwe woonomgeving werd gekenmerkt door grote evenementen. De ansichtkaarten reopen beelden op van vliegdemonstraties, grote optochten en het bezoek van de Majesteit. Er waren ook schoolfeesten, kortom, levendigheid troef. Hoeveel Dietert en zijn jonge gezin daarvan hebben meegemaakt, onttrekt zich aan ons zicht. Vermoedelijk hebben zij een groot deel van het jaar aan boord verkeerd. Het moet met name voor Anna een enorme overgang zijn geweest.

Kaart uitgegeven ter gelegenheid van vliegdemonstratie; Veendam, 17 augustus 1910.

Historische optocht ter gelegenheid van de 100-jarige bevrijding van de Franse overheersing; Veendam, 1913.

Koningin Wilhelmina op bezoek in Veendam.

Dietert, Anna en hun dochters Lenie en Aaltje aan boord van de ZWERVER; ca. 1914.

Bovendien sloeg al vrij snel de vlam in de pan. In de zomer van 1914 bulderden de kanonnen over geheel Europa. Het ging het jonge gezin niet ongemerkt voorbij. Op de achterkant van een oude foto van de ZWERVER was met potlood geschreven:

“Gebouwd in 1905 voor kapt/eigenaar Dietert Schreiber.  In het begin van de eerste wereldoorlog te Koningsbergen door kapt. Schreiber verkocht aan een Deen bij het binnenvallen der Russen. De fam. Schreiber moest vluchten voor de kozakken, reisde door Polen en Duitsland en trok via Ter Apel het land binnen, het laatste deel per vigilante naar huis.”

De kanttekening plaatste hun nazaten dik honderd jaar later voor grote problemen. Kleinzoon Jouke raadpleegde zijn broer Sjoerd en die wist tenminste ‘iets’: “Hij vertelde dat hij moeder in die tijd dat ze nog in Indonesië zaten een keer commentaar op de Russen had horen geven. Het kwam er op neer dat ze in haar prille jeugd een keer met opa & oma voor de Russen op de vlucht waren geweest met een lange treinreis en het laatste stuk zelfs per rijtuig hadden afgelegd.” Het hoort tot de categorie familieverhalen die nauwelijks zijn te geloven en ook uitermate slecht zijn doorverteld. Of zoals Jouke aan andere broer Dietert schreef: “Nu, dat is volkomen nieuw voor mij en ik begrijp voor jou ook.”

Met een goede kans is de familie overvallen door de zeer snelle opmars van het Russische leger in de eerste maanden van de oorlog. De Russen waren in augustus 1914 getalsmatig enorm veel sterker dan de Duitsers en de Austro-Hongaren – in feite een samenraapsel van Tsjechische en andere nationaliteiten. Ze vielen Oost Pruisen en Galicië binnen en wisten de Austro-Hongaren geheel te ontregelen. In Oost Pruisen zette het briljante duo van Generaal Paul von Hindenburg en Generaal Erich Ludendorff echter mat. Ludendorff was het militaire genie van de twee maar hij was een ‘gewone’ burgerman en Von Hindenburg was een Junker en had daardoor vanzelfsprekend voorrang. De Russische Generaal P.K. Rennenkampf zette een aanval in op Königsberg terwijl Generaal A.V. Samsonov over het zuiden binnenviel. Hun legers waren slecht toegerust – ze hadden in totaal minder dan 700 gemotoriseerde voertuigen – en de Duitsers ontdekten dat Rennenkampf en Samsonov niet op dezelfde golflengte zaten. Ze besloten daarom hun troepen te concentreren op Samsonov, aannemend dat Rennenkampf zou treuzelen rond Königsberg.

De strategie werkte als een speer. Samsonov’s leger werd zo volledig verslagen dat de commandant zelfmoord pleegde. De Duitsers keerden zich vervolgens tegen Rennenkampf en dwongen hem om Pruisen te verlaten. De Russische verliezen in termen van manschappen en materieel waren enorm. Hun offensief in de richting van Silezië kwam zo al in de winter van 1915 tot stilstand. Van hun kant zagen de Duitsers zich echter in die eerste oorlogsperiode gedwongen troepen te verplaatsen van het Westfront om de Russen af te stoppen. Daardoor stagneerde hun opmars daar en begon de patstelling die tot bijna het eind van de oorlog vele duizenden slachtoffers zou eisen.

We zullen wellicht nooit het precieze verhaal kennen rond de ZWERVER en de overhaaste aftocht van de familie. Met een goede kans konden ze de haven niet meer uit en moeder Anna was panisch voor de Russen en wilde wegwezen. Jouke herinnert zich hoe zij verschillende keren vertelde dat er twee soorten Russen bestaan, de mensjewieken oftewel de goeien en de bolsjewieken oftewel de kwaadwillenden. Het was zwart-wit, grijstinten bestonden er niet en ze wist dat ze daar in Koningsbergen met de bolsjewieken te maken zouden krijgen. Op Anna’s verzoek heeft vader Dietert het schip ter plekke verkocht en zijn ze gevlucht. Vele jaren later, ten tijde van de koude-oorlogsdreiging vanuit Rusland, hoorde neef Sjoerd van zijn moeder: “Eén keer vluchten voor de Russen was genoeg.” De vrees zat in de genen van de Schreiber’s en zo slecht had Anna dat achteraf niet gezien.

Bekend is dat het schip in 1916 ‘uit de hand’ (= onderhands) werd verkocht naar Duitsland. Nu hoeft het een het ander niet uit te sluiten. Het kan zijn, dat Opa Dietert het schip aan die Deen verkocht, liggende te Koningsbergen, toen door de Russen bezet. Later (al vrij snel in 1914-1915) werden de Russen door de Duitsers teruggeslagen, en wellicht lag het schip toen nog in Königsberg. Het is daar door de Duitsers in beslag genomen om wat voor reden dan ook (Denemarken was neutraal) en in 1916 onder Duitse vlag gekomen. Via het Veenkoloniaal Museum te Veendam hebben wij vernomen dat de koftjalk ZWERVER in 1915 de roepnaam KQVD kreeg. Het is in 1923 verbouwd en kreeg een 2-cyl. 2-tact, gloeikop motor, Deutsche Werke, waarbij het tonnage veranderde in 132 DWT,  75 BRT  en 41 NRT. Daarna werd het in de jaren dertig verkocht aan de familie Eilts te Bensersiel, waarbij de naam werd gewijzigd in ANNELE. De familie Eilts onderhield met twee generaties een beurtdienst op het Duitse wad, voornamelijk Langeroog. In 1967 ging de voorheen ZWERVER voor de sloop naar Hamburg. 

Wat deed Dietert in de periode na de vlucht van de ZWERVER? We weten het niet. Volgens familiegeruchten werd Anna in haar nieuwe woonplaats vanwege haar komaf kortstondig bedreigd met internering, maar dat liep kennelijk af met een sisser. We troffen slechts de versjes die Dietert en Anna – in het Nederlands! – schreven in de poëziealbums van hun nichtje Anna Ottenhoff.

Versjes van Dietert en Anna in poëziealbum van Anna Ottenhoff; maart 1915.

Tijdens de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog wordt Dietert zet-schipper op de driemastschoener VLISSINGEN, die op 19 juni 1917 te water werd gelaten bij G. Muller in Foxhol. Hier heeft hij meerdere jaren op gevaren. Hoe ging dat varen tijdens die oorlogsjaren sowieso? Het Kanaal zal wel gevaarlijk zijn geweest, maar was de Oostzee vanuit het neutrale Nederland ‘bevaarbaar’? Het schip was van een bekende, speculatieve rederij de Zeevaart Maatschappij Groningen met als directeureen zekere R. Kramer. Dit was een relatief grote rederij die veel schepen heeft gehad, ergens tijdens de Eerste Wereldoorlog is opgericht en in 1924 is geliquideerd. Rond die tijd is de VLISSINGEN ook naar het buitenland verkocht.

De driemastschoener VLISSINGEN.

Over de periode VLISSINGENis weinig bekend. Zeker is dat de hele familie zo nu en dan tijdens de zomermaanden aan boord verkeerde. Het lijkt wel of de meisjes zich in hun modieuze matrozenjurkjes  voorbereidden, maar als ze korte tijd later werkelijk op het dek staan voor een gezinsportret, is daar weinig van over. We weten niet van welke reizen en zelfs van wel schip de verhalen overwaaiden die beiden vele jaren later aan hun kinderen vertelden. Van een bemanningslid dat van hoog in het schip in het water dook, plat op zijn buik landde en bijna om het leven kwam. Van het glazen oog dat de kok verloor maar – gelukkig – werd teruggevonden in de soep. Van de zomerse reizen op de Oostzee waar de zon nooit onderging en werd vergeten de kinderen in bed te stoppen. Over de meisjes die een Deens zinnetje leerden opzeggen en datrmee gewapend met een kannetje melk moesten halen.

Waren ze waar, die verhalen, of waren het romantische flarden die herinneren aan een lang vervlogen tijd? Zeker is dat Lenie zich op het water beter thuis voelde dan Aly, die weinig warme gevoelens koesterde aan het min of meer gedwongen verblijf aan boord. Het zal voor haar een opluchting zijn geweest dat ze na verloop van tijd aan wal mochten blijven en, ‘s zomers als hun moeder meevoer, werden ‘verspreid’ onder familie en vrienden.

Henk, Aly en Lenie; 13 november 1919.

Het gezin aan boord.

Zoon Henk was vol lof over het schip. Het was een handzaam schip en een goede zeiler. Het was het eerste schip waarop hij in 1920 – zo’n 13 jaar oud – meevoer. Dik zeventig jaar later ontlokte hem dat een poëtische ontboezeming:

.Ontboezeming van Henk; 1993.

De eerste vaart van Henk – met de scheepshond Tommy – aan boord van de VLISSINGEN.

Het schip heeft naderhand nog een publieke rol gespeeld. Via een Schotse eigenaar werd ze in 1927 verkocht aan de Poolse regering en omgevormd tot een opleidingsvaartuig met de naam ISKRA. Het schip heeft tot 1977 gediend en legde ongeveer 250.000 zeemijlen af. Ruwweg 4000 zeelieden zijn aan boord opgeleid waarbij ook Nederland werd aangedaan. Vroeger hing in de Mauritsstraat boven de keukendeur een zeilend halfmodel van dit schip met lijst (typisch voor die tijd) dat helaas in een opruimbeurt bij het oud vuil is gezet. Toen de ISKRA werd opgevolgd door een nieuw opleidingsschip heeft men als eerbetoon een postzegel van het schip uitgegeven.

De ISKRA (voorheen VLISSINGEN) op foto en op Poolse postzegel.

We weten – nog – niet hoe lang Ommelanderwijk als thuisbasis heeft gegolden. Ergens in deze periode, in ieder geval voor december 1919, heeft Dietert domicilie gekozen in stad Groningen. Dat zag je vaker bij welvarende schippers/kapiteins die dichter bij het centrum van de ‘macht’ wilden verkeren. Veel Groningers uit de scheepvaart zijn zodoende ook naar Rotterdam en, in mindere mate Amsterdam, verhuisd. Woonden ze al in Groningen toen de fraaie staatsieportretten van Henk en van de twee meisjes – met grote strikken in het haar – werden geschoten of iets later de dames in een artistieke pose? Het laat zich vermoeden: dit was stedelijke kunst die een aantal bruggen te ver was voor de Veenkoloniale fotografen van die tijd.

Staatsieportret Henk, circa 1922.

Lenie en Aly; ca. 1921.

Aly en Lenie in artistieke pose; ca. 1922.

Aly – haar vriendinnetjes noemen haar dan Aaltje –  krijgt ook zoals dat meisjes van dik tien jaar toen betaamde, haar poëziealbum. Haar ouders schreven een klassiek vers – het repertoire was beperkt. Andere versjes waren ingepend door schoolvriendinnetjes, “Uw leermeester H. Kuiper”, Tante Huiser, broer Henk, buurvrouw J.H. Knuppel en – zeer verrassend – met een vertraging van ruwweg 35 jaar “U liefhebbende dochter Aukje” die zich liet inspireren door een lege bladzijde.  De liefhebbende dochter voelt zich heden te dage sowieso een beetje schuldig bij het aanschouwen van de versjes van haar opa en oma in haar moeder’s poëziealbum. “Bij oma staat een mooi zijden plaatje, bij opa een plaatje wat ik er ingeplakt heb. Ik mocht zijden plaatjes uit mama’s album halen voor mijn album en plakte er andere plaatjes voor in de plaats.” Het zij haar vergeven.

Versjes in het poëziealbum van Aly door Dietert en Anna; resp. 2 februari 1920 en 10 maart 1921.

Honderd procent zeker zijn we ook niet, maar met een goede kans vestigde het gezin zich onmiddellijk op de Mauritsstraat 32, het pand dat binnen de familie een bijzondere plaats zou innemen. Het huis stond op de hoek van de Mauritsstraat en Mauritsdwarsstraat, in een klein wijkje dat aan de zuidwest kant begrensd werd door het spoor en de grote Hereweg, aan de noordzijde door de stadsgracht en westelijk door de Oosterweg die naar de Grote Markt liep. Anna en haar kroost, en wanneer niet op zee Dietert, woonden op de begane vloer. Hoe dat in die tijd was ingericht en hoe de slaapplaatsen werden verdeeld, ontgaat ons. In de naoorlogse herinneringen van de kleinkinderen had de woning een woon-/eetkamer (gescheiden door een schuifdeur) en twee kleine slaapkamers. Achter op een klein binnenplaatsje met poort naar de Mauritsdwarstraat was nog een kolenhok.

Stadskaart van Groningen uit 1925 en uitsnede daarvan met rechtsonder de Mauritsstraat.

Recente foto van Mauritsstraat 32.

Misschien is ons beeld verkleurd door de romantiek van een lieve Oma maar het was wel een enerverende omgeving waar de jonge Schreibertjes terecht kwamen. Aan het eind van de straat tsjoekten de treinen naar Holland en – niet te vergeten – Rodeschool, met die speciale geur van de stoomtrein. Vlak bij huis, aan de Oosterstraat, was ook de veemarkt waar jonge jongens liepen met een stok in de hand om tegen de billen van de koeien te tikken zoals de echte veeboeren. Voor opgroeiende meisjes was er de magie van de ‘Grote Stad’ met zijn winkeluitdagingen en amusement. Overal waren de kanalen met druk scheepvaartverkeer. Aan de overzijde van het spoor, bij de gevangenis, was het mooie Sterrenbos waar je kon wandelen en spelen. En buiten de stad kreeg rond 1925 het Stadspark vorm met zijn vele vormen van stedelijk vermaak.

De Mauritsstraat, richting stad gezien. Het woonhuis lag aan de rechterzijde.

De Martinitoren – voor stadjers d’Olle Grieze – rond 1912.

De Grote Markt tijdens de Weekmarkt.

De veemarkt, 1915.

De Westerhaven, 1905.

Ook aan het schippersfront was rond 1923 groot nieuws te melden, toen Dietert samen met Roelof Kramer  – het moet dezelfde zijn als de directeur van de Zeevaart Maatschappij Groningen waarmee hij eerder werkte – een schip uit de vaart kocht. Naar beide echtgenotes vernoemd werd dit schip herdoopt als de ANNA  ELISABETH. Het stond geregistreerd onder de naam Rederij Vrachtvaart Mij ‘Anna Elisabeth’ te Groningen, waarbij Dietert de kapitein was en Kramer de directie voerde.

Gezien de magische plaats die het schip innam binnen de familie, is het zinvol iets langer stil te staan bij haar woelige voorgeschiedenis. Het was van huis uit een driemast motorschoener, gebouwd in 1919 bij Scheepswerf “De Hoop” , J.J. Bodewes, Pannerden met afmetingen:  40,85 x 8,07 x 3,42m, 343,47 brt, 248,66 nrt. Het vaartuig is in mei 1919 voor 177 500 florijnen vanuit Groningen naar Zweden verkocht en heette toen VELOX. Haar verkopers waren Gebr. Van Diepen en J.Th. Wilmink en koper was de rederij AB Velox in Stockholm, wiens bestuur bestond uit de grondbezitter Paul Frederik Th. Möller en twee zeekapiteins Morin. De thuishaven van het vaartuig werd Stockholm en als gezagvoerder werd de zeekapitein Erik Hj. Mellin uit Mölle aangesteld.

Op 10 december van hetzelfde jaar was de VELOX op reis van Kalmar naar Londen met een lading van populieren- (espen-) en berkenstammen, toen het in aanvaring kwam met de stalen schoener AERA van Hälsingborg. Het werd mogelijk geacht om de reis te kunnen voortzetten, maar het ging al snel van kwaad tot erger. Van 15 tot 19 december kwam de VELOX op de Noordzee in een zware storm terecht. De reddingboot en de navigatieverlichting gingen verloren en een kwart van de deklast moest overboord worden gezet. Verder ging ook de lading verschuiven, waardoor de VELOX een forse slagzij verkreeg en de controle over het houden van koers verloor. De lading had reeds de hele tijd problemen veroorzaakt, aangezien de kromme boomstammen onmogelijk op een veilige manier goed waren te stouwen. Het schip en haar bemanning overleefden de veldslag, maar in januari 1920 kreeg het vaartuig in Malmö een nieuwe gezagvoerder, Per August Strömberg van Väddö.

In mei 1920 werd het vaartuig voor 320 000 kronen verkocht aan reder Nils Törnblom in Stockholm. In samenhang daarmee werd om naamswijziging verzocht om verwisseling met de voorgaande eigenaar Rederi AB Velox te vermijden. In eerste instantie werd als nieuwe naam KARIN voorgesteld, maar als dit niet mogelijk zou zijn, in plaats daarvan INA, naar een familielid van de reder. De naam werd INA. De nieuwe gezagvoerder na kapitein Strömberg werd zeekapitein Robert Edwall Kalmar, die in Härnösand aan boord kwam. De thuishaven van het vaartuig was nog steeds Stockholm.

INA’s  reizen van de daaropvolgende jaren worden duidelijk uit de verslagen en dat ging van Zweedse havens naar Engeland, Italië en Frankrijk. In januari 1923 was de INA van Rouaan naar Cardiff gegaan, waar men een lading kolen zou laden voor de Portugese zuidkust, toen het noodlot opnieuw toesloeg zoals bleek uit een brief die de kapitein op 13 februari 1923 verstuurde naar de Kamer van Koophandel: ”Hierbij heb ik de eer u mee te delen, dat ik gezagvoerder ben geworden van het motorvaartuig INA, reg. nr. 6144, in plaats van de zeekapitein A.R. Edwall, die op de 6e van deze maand februari overboord is gespoeld en omgekomen, verklaard door de Zweedse onderdaan Per Wilh. Alvar Wickenberg”. Deze had zich in Malmö gevestigd, had zijn papieren als gezagvoerder in 1920 verkregen en kwam volgens een telegram van Hellstens in Stockholm op 9 februari in dienst. Hij ging de afgebroken reis van de INA van Cardiff naar het zuiden van Portugal voortzetten.

In juni 1920 werd de INA voor 3000 pond terugverkocht naar Holland. Kopers werden de scheepsbouwer Tjabbo Bos te Zeist en reder Roelof Kramer in Groningen. Kennelijk is Dietert in 1923 ingestapt want vanaf dat jaar is het vaartuig onder de naam ANNA ELISABETH in bezit van de N.V. Vrachtvaart Mij Anna Elisabeth / R. Kramer te Groningen.

De driemastschoener ANNA ELISABETH.

De ANNA ELISABETH op de werf…

… en op volle zee.

De ANNA ELISABETH was een beduidend groter schip dan de ZWERVER en de VLISSINGEN en het schip bleef ook een tiental jaren ‘in de familie’. Het had met een bemanning van zeven personen ook meer mensen aan boord. Vele verhalen waaiden over die als flarden een beeld schetsen van het leven van een schippersfamilie. Anna was kennelijk ‘s zomers aan boord. In het begin hebben beide dochters veelal meegevaren, waarbij de reizen meestal naar de Oostzee gingen. Na 1926 heeft Dietert zich bijna uitsluitend toegelegd op de vaart op en neer tussen Londen en Antwerpen. Het heeft er schijn van dat beide dochters  in die periode aan wal bleven. Of dat ook moeder Anna gold, ontgaat ons. Wel wordt verteld dat de dochters somtijds werden ‘verdeeld’ over familieleden en bekenden, maar we kunnen niet instaan voor het waarheidsgehalte van dit gerucht.

Staatsieportretten van Anna en Dietert; circa 1925.

Vanaf een vroeg moment was duidelijk dat de drie kinderen geheel verschillend in het schippersbestaan stonden. Terwijl Henk koos voor de zee, was Aly een stadstype met een actieve hekel aan de beperkingen van het schip. Ze was bovendien bang voor water en kon slecht zwemmen. Lenie daarentegen voelde zich als een rat in en op het water, maar had interesses die aan boord niet in te vullen waren. Moeder Anna moest ongetwijfeld letterlijk schipperen om het ieder naar de zin te maken.

Anna aan boord met echtgenoot Dietert en zoon Henk in uitgaanskostuum.

Vage beelden van het dagelijks leven aan boord van de ANNA ELISABETH.

Het schippersleven trok echter diepe sporen die nog generaties later terug te vinden waren. Neef Pieter vertelde bijvoorbeeld: als we thuis jarig waren, mochten we kiezen wat we wilden eten. Dat werd onvermijdelijk labskous. Zijn moeder leerde het recept van een Scandinavische kok op het schip van zijn Opa Dietert en echtgenote Hannah leerde het weer van haar. Ze heeft het uitgeschreven als recept voor zeker acht personen; wat over is, kan ingevroren worden. Pas op: het is best veel werk, maar kan zeker één of twee dagen van te voren worden gemaakt. En het is verschrikkelijk lekker, nog steeds het verjaarseten bij uitstek. Een aardige anekdote uit de laatste levensjaren van zijn vader Albert, toen alleenstaand. Hannah maakte dan grote porties labskous die hij in de diepvries stalde en in gepast, straf tempo tot zich nam, tot aan het ontbijt toe.

Recept van labskous

Benodigdheden: Een braadpan en een grote, hoge pan.

Ingrediënten:  Een liter bouillon en een kwart liter rode wijn

                        Drie pond riblappen (niet te vet)

                        Drie pond uien in reepjes gesneden

 Anderhalf tot twee kilo lekkere puree-aardappelen

 Peper en zout

 Twee of drie laurierblaadjes voor in de bouillon

Werkzaamheden:

  • Braad de riblappen ongeveer vijf minuten zodat ze bruin zijn (tegelijk of na elkaar, hangt van de pan af). Doe ze in de braadpan, giet er de warme bouillon-met-wijn overheen. Ze moeten net onder staan. Doe de laurierblaadjes erbij.
  • Laat het geheel zeker vijf uur heel zachtjes sudderen op een zeer laag pitje (zoals vroeger op een oliestel). De riblappen moeten helemaal uit elkaar vallen: echt “draadjesvlees”.
  • Kook de aardappelen en maak er zachte puree van.
  • Bak ondertussen de uien zacht (zo nodig in meerdere porties).
  • Met twee vorken het vlees helemaal uit elkaar trekken.
  • Doe de uien en het vlees door de puree, helemaal door elkaar roeren tot het een grote prut is! Met zout en peper op smaak brengen.

Over de ANNA ELISABETH zelf is redelijk wat bekend; zowel van zijn moeder als van zijn Oom Henk heeft neef Jouke er destijds veel over gehoord. Het was geen geweldig zeeschip en een matige zeiler; volgens Henk die er als stuurman op heeft gevaren, waren dat niet zijn beste zeemansjaren. Lenie herinnerde zich hoe ze ook regelmatig ergens lagen om de motor te repareren. In de vroege jaren van de motorisering waren die nog niet erg betrouwbaar. De ANNA ELISABETH werd voortgedreven door een Zweedse motor in (2 cil. gloeikop, 15¾” boring en 16½” slag, van J.V. Svenssons Motorfabrik te Stockholm); het kon, denkt Jouke, wel reeds de tweede motor zijn geweest. Maar dat waren dan nog de kleine mankementen. Er waren ook echt spannende momenten zoals blijkt uit een krantenrelaas over spannende reis van het lieflijke Schotse plaatsje Burntisland, in de buurt van Edinburgh, naar Zweden in februari 1926.

Bericht in De Noord-Ooster, 3 november 1925.

Nieuwsblad van het Noorden, 16 februari 1926.

Aly, Henk en Lenie door Steenmeyer; 20 november 1926.

Na 1926 doet zich een breuk voor in de vaarschema’s. Vooral toen de crisis zich deed voelen, was het niet eenvoudig om nog wat in de scheepvaart te verdienen. Dietert is toen met de ANNA  ELISABETH  in de ‘stenenvaart’ gegaan. Het staat er tussen aanhalingstekens omdat dit lange tijd een begrip in de kustvaart is geweest. Het was in de praktijk een vorm van lijndienst of, om het onaardig te zeggen, een nauwelijks veredelde veerpont. In die tijd expandeerde Londen sterk en werd er op grote schaal steen vanuit België aangevoerd. Het betrof zowel natuursteen – blauwe keien, kinderkopjes, dat soort spul – als gebakken stenen. De logboeken die kapitein Dietert nauwgezet bijhield, getuigen van de herhaling: wekelijks wordt de haven van Londen aangedaan. Er zijn overigens maar enkele bladen uit dit logboek bewaard gebleven. Dietert kende er zo weinig waarde aan toe, dat hij in de Tweede Wereldoorlog een zinvolle herbestemming vond op de wc. waar schoonzoon Ab een aantal vellen redde voor het nageslacht.

Bladzij uit het logboek van de ANNA ELIZABETH: dikke mist op weg naar Londen.

Aan Belgische kant gingen de schepen meestal de rivier de Rupel op of lagen in allerlei uithoeken rond Antwerpen. Als het schip beladen was, kwam de loods aan boord en telde het aantal bemanningskoppen. Meestal waren er te weinig en kon er niet gevaren worden. In eerste instantie ging stuurman Henk de wal op om te kijken of er vlakbij een paar matrozen in de kroeg (of bij de hoeren zaten) zaten. De kroeg annex bordeel Het Hemeltje schijnt in die zin het summum te zijn geweest. Zo dit niet het geval was (en dat kwam volgens zijn zus Lenie regelmatig voor), dan werd een ronselaar ingeschakeld die een aantal adressen afging en met een stelletje ‘tuig’ op zijn bakfiets terugkwam. Dronken of niet, dat kon de loods niets schelen, maar een minimum aantal moest aanwezig zijn. Tijdens de vaart ontnuchterde men dan meestal en in 24 uur was men aan de overkant. In Engeland was er minder te beleven en het was aanzienlijk duurder zodat men daar meest wel aan boord bleef.

Sextant van Dietert, door hem bij de vuilnis gezet maar door Ab gered. Het instrument verricht nu nautische diensten op de woonboot van Aly’s kleinzoon Jaco.

Is dit Dietert? Zeker weten doen we het niet maar er gaat een grote rust uit van deze statige zeeman.

Het schijnt al met al een rauwe vaart te zijn geweest, waar de schepen ook van te lijden hadden; in ieder geval de keien werden ‘los gestort’, van de bakstenen is ons dit niet bekend. Maar het was een bittere noodzaak om het hoofd boven water te houden en Dietert slaagde daarin beter dan vele andere schippers. Het waren weinig avontuurlijke reizen, veel routine met lage opbrengsten. Maar het lukte en eind oktober 1930 ‘overleefde’ hij zelfs een aanvaring voor Antwerpen met een onoplettende sleepboot om vervolgens direct daarna ook nog te worden geraakt door de lichter achter de sleepboot. De Raad voor de Scheepvaart was een half jaar later duidelijk met haar uitspraak: Dietert c.s. hadden wellicht nog beter kunnen uitkijken, maar de sleper zat geheel en al fout.

Eerste deel van de uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake de aanvaring met een sleep; 14 april 1931.

Henk: 1927-1930

Aan het huiselijk front wordt deze periode door de eerste grote veranderingen. Henk moest in dienst. We weten niet precies wanneer en waar, maar het heeft er schijn van dat het niet heel ver weg was: hij reisde kennelijk per fiets. Volgens een bordje op een foto diende hij bij de 12e afdeling Dep. (?) Bataljon 7e compagnie. Vast staat dat Henk de pet goed scheef op het hoofd had. Kennelijk was in die tijd het nog niet gebruikelijk dat iedereen een hoofddeksel moest dragen dan wel netjes moest dragen. Hij heeft duidelijk veel bijgeleerd want op het staatsieportret dat aan het slot van de diensttijd werd gemaakt, poseert het hele gezelschap zoals dat hoort in keurige positie. Zijn persoonlijke portretstudie is er eentje om in te lijsten. Hetgeen moeder Anna stellig heeft gedaan, ook voor haar echtgenoot op zee.

Op de fiets naar de kazerne en vervolgens met de beste kameraden op de foto.

De opleiding, met Henk 2e van links boven in het gezelschap van toen nog ongedisciplineerde heren, maar aan het eind keurig rechts achter het bord poserend voor de formele foto met de officieren op de voorgrond.

Henk als militair.

Nadat Henk het kustvaartbedrijf van nabij had meegemaakt, realiseerde hij zich dat hij zijn omstandigheden alleen met goede papieren kon verbeteren. Hij was zachtmoediger van aard dan zijn vader en had heel duidelijk de rauwe kanten van het leven aan boord van vooral de ANNA ELISABETHmeegemaakt. Via de zeevaartschool heeft hij daarom Grote Vaart papieren gehaald aan de aloude Abel Tasman zeevaartopleiding te Delfzijl. Wij weten weinig van zijn jaren aldaar, maar weer getuigen de portretten die ons resten, van een grote groei. Zoals kleinzoon Douwe Jans stelde: eerst zonder franje, maar daarna toch de veren verdiend. 

Tijdens de opleiding: als beginner en afgestudeerd.

Je zou het zo veel jaren later aan zijn steevast ernstige blik – alleen op de fietsfoto is sprake van een glimlachje – maar hij heeft deze jaren ook kennis gekregen aan de vrouw die de liefde van zijn leven zou worden: Adrie van der Veen. Zij was geboren en getogen in Groningen, maar haar beide ouders, Hendrik van der Veen en Sjoukje Kramer, waren afkomstig uit Friesland. Vader Hendrik was fourageur van beroep, wat inhield dat hij de paardenwereld voorzag van voedsel en reisbenodigdheden. Ze woonden met hun drie kinderen – naast Adrie ook haar jongere zus Jo en broer Ype – op de Oosterbadstraat.

De wereld was ook toen al klein. Met een glimlach werd een halve eeuw later verteld dat toentertijd de familie Frieling een slagerij dreef in de Mauritsstraat. De stiefdochter van slager Frieling, Agina Tjakiena Makken, was innig bevriend met ene Douwe Dijk. Dus  het was geen  geheim dat Henk Schreiber stond te zoenen met Adrie van der Veen op de ene hoek van de straat, terwijl op de andere hoek Douwe Dijk stond te zoenen met Agina Tjakiena Makken. Zij konden niet bevroeden dat dochter Anneke Schreiber een dertig jaar later in het huwelijk zou treden met zoon Jan Dijk. Zo maak je familiegeschiedenis. Vast staat dat Adrie, ook bij afwezigheid van Henk, snel werd geïntegreerd in het gezin.

Adrie met Aly en een onbekend meisje.

Een mooie foto maakt duidelijk dat Adrie actief de korfbalsport heeft bedreven bij de bekende vereniging Nic. Haar broer Ype woonde met zijn vrouw Roefi in Helpman, kort onder Groningen. Hij is later adjunct directeur geweest bij de Van Mesdag kliniek in Groningen. Van hun vier kinderen Henk, Ali, Sjouk, en Bart waren beide jongens grote fans van de voetbalclub Helpman waar zij iedere zondag te vinden waren.

Adrie, links onder, te midden van haar korfbalvriend(inn)en van Nic.

Hoe het ook zij, getuige een gedateerde foto waarop Adrie en hij samen poseren te midden van een bloemenpracht, hebben zij zich op 21 september 1930 verloofd. Weer slaagt Henk erin zijn vreugde voor de camera te verschuilen. Zelfs als hij met zijn verloofde dobbert op het Paterswoldsemeer, verbergt hij zijn geluk.

Henk en Adrie, rond september 1930.

Het jonge stel op het Paterswoldsemeer.

Na zijn leerschool als stuurman en het behalen van zijn diploma voor de Grote Vaart klom Henk in de 30-er jaren op tot loods in Vlissingen. Ongetwijfeld heeft hij de keerzijde van het schippersbestaan – nooit thuis – zwaar meegewogen bij het maken van die beroepskeus: het was zo ongeveer de enige baan waar hij zijn liefde voor de zee kon combineren met de liefde van zijn leven waarmee de loodskwekeling Hendrik Willem Schreiber op 25 mei 1932 in het huwelijk trad.

Ondertrouw Henk en Adrie van der Veen; Nieuwsblad van het Noorden, 1 februari 1932.

Trouwfoto’s van Henk en Adrie; Groningen, 25 mei 1932.

Trouwakte van Henk en Adrie; Groningen,  25 april 1932.

Voor het vervolg van het levensverhaal van Henk, zie sectie 11c. Henk Schreiber en Adrie van der Veen.

Aly: 1929-1933

Ook Aly volgde een opleiding, zoveel is zeker. Haar poëziealbum is gevuld met versjes van schoolvriendinnetjes en een leermeester. Zelfs haar kroost heeft echter geen idee welke school dat was: het zal wel de ULO zijn geweest, vermoedde dochter Ankie. We hebben ook weinig idee wat zij in die tijd deed qua amusement. Ze reed op een fiets met Lenie, dat weten we. Ze zat ook op turnen bij Brunhilde, niet in de wedstrijdsport zoals Lenie maar vermoedelijk als deelneemster aan massale knotsmanifestaties in het Stadspark etc.

Met Lenie op fiets.

Massale gymnastische manifestatie, gezien het feit dat de prent uit haar album stamt mogelijk met deelname van Aly.

Het onderdeel rhytmisch bewegen. Is dat Lenie geheel rechts? Intensieve studie van deze foto uit het album van Aly bood geen overtuigend bewijs.

We treffen Aly in deze levensfase op vele foto’s, stralend te midden van vriendinnen en vrienden en weten uit een vage overlevering dat ze werkte in een hoedenwinkel in de binnenstad. Helaas staat er bij al die jonge mensen waarmee zij verkeerde geen enkele naam of gelegenheid vermeld en het blijft dus raden.

Is dit de hoedenwinkel? De uitvergrote uitsnede rechts maakt het waarschijnlijk: dit is Aly.

Een paar foto’s uit velen: Aly temidden van ons onbekende vriendinnen en vrienden.

Er is één uitzondering die zelfs na zo veel jaren nog uit de albums vlamt: op twee foto’s ‘uit de oude doos’ is duidelijk herkenbaar Aly’s jeugdvriendin Jennie (Jantje) Pot, die ook een half leven later nog tot haar intieme vriendinnen hoorde. Jennie huwde met Berend van der Laan – Bé voor zijn vrienden. Hij was afkomstig uit een schippersgeslacht in Scheemda en was bij zijn huwelijk gezagvoerder. Vele jaren later trokken de dames nog met elkaar op, terwijl hun echtgenoten samenwerkten in de scheepvaart.

Aly met haar vriendin Jennie Pot en Jennie met bruidegom Bé van der Laan; Groningen, februari 1939.

Aly met echtgenoot Ab samen met Jennie en Bé van der Laan dertig jaar later.

Bovendien zijn er ook mooie foto’s met een vriendin en een enkele trotse prent met vader Dietert, poserend aan boord van de ANNA ELISABETH. Op al die foto’s valt op dat Aly van een mollig meisje tot een slanke, modebewuste jonge vrouw is omgevormd. 

Zeldzame scheepsportretten van Aly: met een onbekend meisje op dek en op de fok die is opgebonden op de boegspriet van de ANNA ELISABETH.

Aly – in passende jurk – met vader Dietert aan boord.

Een bijzondere plaats in Aly’s fotoalbum is ingeruimd voor een vrolijke jonge vrouw die in de periode in de periode rond het midden van de jaren dertig veelvuldig is afgebeeld. We treffen haar in allerlei poses, solo, met Aly en met moeder Anna, bij feestjes en uitstapjes. Zij moet een bijzondere plaats in Aly’s leven hebben gehad, maar – helaas! – we weten niet wie zij is.

Aly met haar grote maar onbekende vriendin.

11b. Schreiber van 1930 tot 1938

 

Lenie: Groningen; 1930-1933

Het gebrek aan kennis dat zich manifesteerde rond Henk en Aly, wordt ruimschoots gecompenseerd door de publieke aandacht die Lenie vanaf 1927 krijgt. Ze stond aan het begin van een lange en zeer gevarieerde sportcarrière die werd gemarkeerd door grote successen. Al op 23 augustus 1927 roemt het Nieuwsblad van  het Noorden haar hoogtesprong van 1.20 m. als een van de “beste prestaties” tijdens de atletiekwedstrijden in het Groningse Stadspark. Midden augustus komt ze zelfs tot 1,25 meter. Nadat ze in de zomer van het volgende jaar haar H.B.S.-diploma haalde, barstte ze echter pas goed los.

Vroegtijdig staatsieportret van Lenie en haar eindexamenuitslag Gemeentelijke H.B.S. (Handelsschool); Nieuwsblad van het Noorden, 19 juli 1928.

De eerste keer dat we haar naam tegenkomen in de kranten, is als ze eind mei 1929 de 80 m voor nieuwelingen in 12¼ sec. wint. Het is ook de enige keer dat we haar op een hardloopnummer zien starten. Haar kracht lag bij het hoogspringen terwijl ze op andere nummers als kogelstoten en in mindere mate discuswerpen, speerwerpen en verspringen goed kon meekomen. Halverwege juli springt ze bijvoorbeeld een respectabele 1,35 m hoog.

Uitslagen; Nieuwsblad van het Noorden, 12 juli 1929.

In september 1929 is ze opgenomen in de ploeg die Groningen vertegenwoordigt tijdens de tweekamp tussen de Turnkring Leeuwarden en de Turnkring Groningen op 8 september 1929 in Groningen. Het peil van die wedkamp was niet uitzonderlijk hoog. De dames 4 x 100 meter estafette werd bijvoorbeeld gewonnen door Groningen in 54,8 sec. Het was echter wel een bijzonder gezellige dag geweest, blijkt uit het krantenverslag, die werd besloten met een gezamenlijke zwempartij in het Helper Zwembad.

Samenstelling van de Groningse ploeg voor de tweekamp tegen de Turnkring Leeuwarden; Leeuwarder Courant, 7 augustus 1929.

Resultaten en verslag van de tweekamp; Leeuwarder Nieuwsblad, 9 september 1929.

In de winter van het volgende jaar poseert Leny met haar pagekapsel bij de Groningse ‘hoffotograaf’ Steenmeyer op de Heerestraat voor een staatsieportret. We weten niet bij welke gelegenheid of voor welk doel deze foto is gemaakt. De corsage doet vermoeden dat het een soort gala betrof, maar we moeten toch ernstige vraagtekens plaatsen bij de suggestie die door sommige nazaten werd geopperd, dat het hier ging om een speciaal present voor haar toekomstige echtgenoot, die weliswaar op de bewuste datum zijn twintigste verjaardag vierde, maar blijkens geschiedkundig onderzoek op dat moment vrij stellig nog niet in beeld was op de Mauritsstraat.

Staatsieportret door de welbekende Steenmeyer;10 februari 1930.

In de loop van 1930 stijgt haar atletiek-ster verder. Op de dag dat Ajax de grootste nederlaag ooit van een Nederlandse ploeg in internationale wedstrijden leed – 16-2 tegen Rapid Wien – redde zij de vaderlandse eer door een tweede plaats bij het hoogspringen plus een vierde bij de versprong in een tweekamp tegen de Noordduitse atletiekploeg. Een week later reikt ze – inmiddels geen lid meer van Donar maar van Brunhilde –  tijdens de Turnkringkampioenschappen van 1930 in het Stadspark weer hoger. Ze moet, getuige het fraaie diploma, ook de 80 meter hardlopen hebben gewonnen. Later dat jaar wordt ze als secretaris-penningmeester van een comité ter uitzending van veelbelovende jonge Noordelijke athleten ook bestuurlijk een drijvende kracht;

Ajax verliest en Lenie scoort; Nieuwsblad van het Noorden, 23 juni 1930.

Uitslag van de Turnkringkampioenschappen; Nieuwsblad van het Noorden, 30 juni 1930.

Diploma voor overwinning bij 80 m. hardlopen; 29 juni 1930.

Lenie wordt bestuurslid van een commisie-met-een-lange-naam; Nieuwsblad van het Noorden, 15 oktober 1930.

Het volgende voorjaar bracht een uniek moment: de onthulling van het zogenoemde Scholtenmonument in het Stadspark op 9 mei 1931. Het monument is een gedenkteken ter nagedachtenis aan de vooraanstaande industrieel Jan Evert Scholten (1849-1918), die in de voetsporen van zijn vader vorm gaf aan een industrieel conglomeraat van zuivel-, suiker-, strokarton- en aardappelmeelfabrieken. Hij was ook nauw betrokken bij de ontwikkeling van het Stadspark, bedoeld als een gebied dat mogelijkheden bood tot sport en ontspanning voor de Groninger bevolking. Na zijn overlijden kreeg de beeldhouwer Abraham Hesselink opdracht tot voor het vervaardigen van de beeldende elementen voor het monument, dat bestaat uit een sokkel waarop zich een buste van Scholten bevindt, die geflankeerd wordt door een mannelijke en een vrouwelijke atleet. Lenie heeft toen model gestaan voor de vrouwelijke atleet. Nog steeds is het een bron van warme trots binnen de familie.

Onthulling van het Scholtenmonument, 9 mei 1931.

Nog diezelfde maand wint ze een hoogspringwedstrijd met 1,40 m. om begin juni de 1,50 m te overschrijden. Er rest ons een foto van de 100 m finish van die wedstrijd waarop Tollien Schuurman, lopend in baan 2, de finish passeert in 12,3 sec. Mien Klaver (links in de buitenbaan) wordt tweede in 13,5, waarna Lenie’s clubgenotes Jo Dalmolen (baan 4) en Peta Edzes volgen. Het Amsterdamse ADA wint de wedstrijd met 48 punten voor Brunhilde met 42 punten en UDI uit Drachten met 24 punten. Het is overigens geen wonder dat – gezien met de ogen van nu – de tijden wat matig lijken: de dames liepen op enigszins omgeploegde grasbanen. Winnares Schuurman had in 1929 het wereldrecord op dit onderdeel geëvenaard met 12,0 sec en behaalde bij de Wereldspelen voor vrouwen van 1930 in Praag tweede plaatsen op zowel de 100 als 200 m.

Tollien Schuurman wint met straatlengte de 100 m tijdens de trialmeet tussen Brunhilde-Groningen, UDI-Drachten en ADA-Amsterdam; Groningen, 17 mei 1931.

Atletiekkampioenschappen 1931 Stadspark.

Brunhilde met tweede van rechts boven Lenie.

Hoewel de verwachtingen niet uitzonderlijk hoog gespannen zijn, wordt Lenie de volgende maand ingeschreven voor de nationale atletiekkampioenschappen in Rijswijk: “En hopelijk vallen tenslotte de resultaten nog wel mee.” In de praktijk viel het niks tegen: de dames van Brunhilde behaalden een keurige tweede plaats achter het Haagse Hygiea en Lenie wordt vierde bij het hoogspringen achter de grote Lien Gisolf.

De dames van Brunhilde met – zien wij het goed? – Lenie middenachter. De gelegenheid van deze foto, uit het album van Aly, is onbekend.

Voorbeschouwing op de nationale kampioenschappen; Nieuwsblad van het Noorden, 23 juli 1931.

Uitslag hoogspringen bij de nationale kampioenschappen; Arnhemsche Courant, 28 juli 1931.

Weer heb je met de ogen van nu – gewend aan topprestaties van rond de twee meter – de neiging wat lacherig te doen bij het zien van deze uitslagen en dat wordt er niet beter op bij het aanschouwen van foto’s uit die tijd. Zoals geïllustreerd door de toenmalige kampioene Lien Gisolf maakten de dames gebruik van de zogenoemde Schotse sprong. Zij won in 1928 zilver op de Olympische Spelen en bracht in 1932 het wereldrecord op 1,623 m. In het verre Amerika experimenteerde dat jaar Babe Didrikson met een roltechniek – met de buik scherend over een lat – waarmee ze een recordhoogte van 1,65 m bereikte.

Lien Gisolf springt op deze foto met 1,608 m. een nieuw wereldrecord tijdens de interland Nederland – België op 18 augustus 1929 in Maastricht. Toch had haar springtechniek zijn tijd gehad. Ter vergelijking: Babe Didrikson.

In augustus vertegenwoordigt Lenie het Noorden op drie nummers – hoogspringen, verspringen en kogelstoten – tegen de Noordduitse ploeg. Het werd een succes in Bremerhaven, met een derde plaats bij het kogelstoten en een klinkende overwinning, met een hoogte van 1,41 m., bij het hoogspringen. De successen rijgen zich aaneen als Brunhilde tijdens de atletiekkampioenschappen in Apeldoorn ook de verenigingsdriekamp wint, vóór het sterke Hygiea uit Den Haag. Zelfs Hollandse kranten erkennen de kracht van de Groningse dames wanneer ze melding maken van de samenstelling van de Noordelijke ploeg voor de returnontmoeting tegen de Noord-Duitsers in Wilhelmshafen.

Samenstelling Noordelijke ploeg voor strijd tegen Noord-West-Duitsland; Provinciale Drentsche en Asser Courant, 19 augustus 1931.

Verslag van verenigingsdriekamp in Apeldoorn; Nieuwsblad van het Noorden, 10 september 1931.

Samenstelling Noordelijke ploeg voor return tegen Noord-Duitsers; De Maasbode, 19 september 1931.

In  maart 1932 treedt Lenie toe tot het bestuur van de Dames Gymnastiek Vereeniging Brunhilde. Een paar maanden tevoren behaalde ze het diploma voorturnster 1e graad en dat uit zich in april als zij in actie komt als lid van de turnploeg van Brunhilde in de – verloren – wedstrijd tegen Leeuwarden. Ze kan goed meekomen hoewel het er schijn van heeft dat ze van het paard viel. De kloof met de Friese mej S. Pieters is echter enorm.

Diploma voorturnster 1e graad; 23 januari 1932.

Individuele resultaten van de turntweekamp Leeuwarden – Brunhilde; Nieuwsblad van het Noorden, 11 april 1932.

Begin juli 1932 schrijft Lenie zich in voor liefst drie nummers bij de Nederlandse atletiekkampioenschappen: hoogspringen, kogelstoten en – een voor haar nieuw nummer – discuswerpen. Toch wil het niet helemaal lukken. “Springster mej. Schreiber kan haar vorm van vorig jaar niet benaderen”, constateerde Het Nieuwsblad van het Noorden, waar wel weer tegenover stond dat de vierde plaats van mej. Schreiber bij de kogel met een worp van 9,38 M. een vermelding waard werd geacht. Er was immers bij de nationale kampioenschappen sprake van “een vrijwel volledige bezetting”. Half augustus wint ze toch het hoogspringen in de jaarlijkse tweestrijd met de Noordduitse ploeg met ditmaal een mooie hoogte van 1,53 m. Ze wordt direct daarna echter ook gesignaleerd op de oever van het Paterswoldsemeer en dat doet vermoeden dat ze de zeilsport bedreef. Het pagekapsel is bij gelegenheid ingewisseld voor een nog kortere dracht.

Nieuwsblad van het Noorden, 15 augustus 1932.      Paterswolde; 24 augustus 1932.

Op 10 oktober 1932 bespreekt het Nieuwsblad van het Noorden de jaarlijkse zwemwedstijden die Brunhilde organiseert in het Helperbad. Lenie won uiterst nipt het schoonspringen met 12,02 punten. Zij klopte haar clubgenoten mej. D. Wolf en mej. T. Koopmans met respectievelijk 0, 01 en 0,02 punten. Wel kreeg mej Wolf de eer van een portret in het Nieuwsblad; of ze er blij mee was, is ons niet bekend.

Uitslagen van de jaarlijkse zwemwedstrijden van Brunhilde in het Helperbad; Nieuwsblad van het Noorden, 10 oktober 1932.

Half juli 1933 wint Lenie het nummer hoogspringen in de wedkamp van de nationale ploeg tegen België met een hoogte van 1, 45 m. Haar ploeggenote mej. Schuurman brak bij die gelegenheid met een tijd van 24,5 sec het nationale record. Aan het eind van die maand wint ze ook een hoogspringwedstrijd in Den Haag. Onmiddellijk daarna wordt ze uitgenodigd voor de Nederlandse ploeg voor de internationale vijfkamp met België, Engeland, Frankrijk en Polen. In het Belgische Schaerbeek behaalt ze prima resultaten: derde bij het kogelstoten en tweede bij het hoogspringen. Het niveau was zeer hoog, de uitslagenlijst meldt een wereldrecord van 11.9 sec op de 100 m voor mej. Schuurman die daarmee de Olympische kampioene Stella Walsh (Stasia Walasiewics) uit Polen klopte, plus nog eens drie nationale records.

Lenie wordt afgevaardigd naar de internationale vijfkamp met België, Engeland, Frankrijk en Polen; Nieuwsblad van het Noorden, 31 juli 1933.

Uitslagen van de internationale vijfkamp met België, Engeland, Frankrijk en Polen op 13 augustus in Schaerbeek bij Brussel.

Bij de nationale kampioenschappen die eind augustus in Amsterdam plaats vinden, scoort Lenie bij zowel het kogelstoten als het hoogspringen een tweede plaats, maar de hoogte van 1,37 m – 15 cm minder dan winnares mej. Koopman – kon waarschijnlijk nauwelijks tot tevredenheid stemmen. Gelukkig is er een week later op Te Werve bij Den Haag meer succes met een fraaie overwinning en een hoogte van 1,50 m.

Eind augustus is ze op de onderdelen hoogspringen en kogelstoten reserve bij de wedstrijd Nederland – Noord-West-Duitsland, die op 3 september in Groningen wordt gehouden. Kort voor de wedstrijd wordt zij alsnog opgesteld bij het kogelstoten en nog weer later ook het hoogspringen De wedstrijd tegen de sterke Noord-Duitse ploeg werd een teleurstelling met twee vierde plaatsen en matige prestaties. Om voor wat afwisseling te zorgen speelde zij een paar dagen te voren overigens als middenvelder in het veldhandbalteam van Brunhilde tegen Bremer Sportfreunde.

Kennelijk ging Lenie die jaren uit van een natuurlijk ritme: ’s winters handbal en ’s zomers atletiek. Voordat ze deel uitmaakte van de handbalploeg van Brunhilde, was ze lid van Voorwaarts, dat volgens berichten in het Nieuwsblad van het Noorden begin jaren 30 zo’n beetje ‘alles’ won. Groningen was toen sowieso de handbalhoofdstad van Nederland. Gymclubs als Vlugheid & Kracht, Olympia, Voorwaarts, Brunhilde en Aspasia richtten handbalafdelingen op en in 1928 werd op Gronings initiatief een landelijke handbalcompetitie voor heren gestart. Het was geen verrassing dat een van de Groninger clubs, in dit geval Vlugheid & Kracht, tot eerste kampioen van Nederland werd gekroond. Niet veel later volgden de vrouwen en ook in deze klasse voerde Groningen de boventoon. Haar vriendin Peta Edzes vertelde later: “Ik sportte bij Brunhilde, een damesvereniging, en deed aan handbal en atletiek. Maar daar had ik niet zoveel zin meer in. We waren al een keer handbalkampioen van Nederland geworden en ik vind niets erger dan aldoor winnen.” Daarbij past wel de kanttekening dat in deze ‘nieuwe’ sport onze kampioenen met regelmaat fors slaag kregen van Duitse tegenstanders.

De ploeg van Voorwaarts met linksonder Lenie.

Het gaat nu hard. Op  4 oktober 1933 meldt Het Nieuwsblad van het Noorden dat Lenie is uitgenodigd voor de voorselectie voor de Wereldspelen die in 1934 in Londen worden georganiseerd. Op 18 oktober voegt De Graafschap-bode toe dat Lenie ook bij de voorselectie zit voor de Olympische ploeg 1936 in Berlijn.

Lenie in voorselectie voor Wereldspelen 1934; Nieuwsblad van het Noorden, 4 oktober 1933.

Lenie in voorselectie voor Olympische Spelen 1936;  De Graafschap-bode 18 oktober 1933.

Dietert en Anna; 1933-1938

Het moeten grote momenten zijn geweest in huize Schreiber maar waarschijnlijk werden de gesprekken aan de eettafel beheerst door een heel ander onderwerp: de aanstaande verkoop van de ANNA ELISABETH en de permanente thuiskomst van de pater familias. Na acht jaar jaar kwam een eind aan de eindeloze stenenvaart tussen Londen en Antwerpen. In november 1933 is het schip naar Italië verkocht met als eigenaar Giuseppe Roggero in Imperia en kon Dietert voor het eerst zijn vaste plaats naast zijn Anna innemen in Groningen.

Na eindeloos heen en weer varen tussen Antwerpen en Londen moet Dietert zijn ANNA ELISABETH verkopen; Nieuwsblad van het Noorden, 8 november 1933.

Anna en Dietert.

Het niet zo zeer spectaculaire als wel dramatische vervolg van de ANNA ELISABETH heeft hem zeer verdriet. Het schip zou in het Zuid-Engelse Fowey worden opgeleverd, maar het leek wel of het niet wilde wennen aan de nieuwe eigenaar.Alle Nederlanders waren toen al van boord en het schip zou zowel met de toekomstige bemanning als met een ploeg speciaal voor de overvaart aan boord de reis maken. Op 12 december 1933 vertrok de ANNA ELISABETH met een lading porseleinaarde van Teignmouth met als bestemming Savona en Livorno. De machinist/motordrijver is nog mee geweest om het schip buitengaats te brengen en is toen gelijktijdig met de loods van boord gegaan. Hij rapporteerde naderhand dat de Italianen de avond voor vertrek flink feest hadden gevierd, dus niet al te fit de zee op gingen en dit was niet het gemakkelijkste schip om te varen. Niemand weet echter wat er daarna is gebeurd. Het schip passeerde dezelfde dag Berry Head en werd voor het laatst gezien in het Engels Kanaal op 13 december. Aansluitend is het schip in de Golf van Biskaje in slecht weer terecht gekomen en er is nooit meer iets gehoord of vernomen van de ANNA  ELISABETH.

Op de dag dat de ANNA ELISABETH de haven uitvoer voor haar laatste reis, overleed in Pahlen Peter Martin Petersen. Anna’s vreugde over de thuiskomst van Dietert zal sterk getemperd zijn door het afscheid van haar vader die zij sinds haar vertrek in 1910 mogelijk niet meer heeft gezien. We weten dat zij een intensief schriftelijk contact heeft onderhouden met haar familie en dat bijvoorbeeld Lenie logeerde tijdens sportuitwisselingen in Hamburg bij haar broer, “Onkel Heinrich”. In Aly’s fotoalbum duikt zonder enige toelichting ook een onbeschreven ansichtkaart op van Dörpling, een klein dorp iets ten zuiden van Pahlhude. Ons ontbreekt elke bevestiging, maar volgens telefonische informatie van Anneke Vegter vertelde haar moeder Aaltje Ottenhoff dat eind dertiger jaren Anna wel één of meerdere malen naar Duitsland was geweest. Zij had daar veel moeite gehad met de veranderde sfeer. Je moest op je woorden letten, want wat je zei kon doorgegeven worden en tegen je gebruikt. Zelfs binnen de familie was men voorzichtig.

Grafsteen van Peter Martin Petersen; 12 december 1933.

Onbeschreven ansichtkaart uit fotoalbum van Aly.

Jaren later, rond 1955, zag kleinzoon Jouke op het Buiten Spaarne bij Haarlem een typisch Groninger zeetjalk liggen. Hij raakte aan de praat met een oude baas en vertelde dat zijn opa Dietert Schreiber ooit de zeetjalk de ZWERVERvoer. De  senior leefde op: hij kende Dietert Schreiber wel, ze hadden samen ergens – was het Denemarken? – een winter ingevroren gelegen en toen veel samen opgetrokken. Ja, zei hij, Dietert had het veel beter aangepakt en tijdig de bakens verzet. Hijzelf was altijd met zijn tjalk blijven varen en toen de aanpassingen voor de zeebrief te kostbaar waren geworden, was hij de binnenvaart ingegaan. Maar Dietert was tijdig op de (grotere) schoeners overgestapt en had met zijn eigen schip – hij bedoelde de ANNA ELISABETH- goed geboerd zodat hij tijdig aan de wal kon rentenieren. Eigenlijk had hij hetzelfde willen doen, maar had zowel niet het zakelijk inzicht gehad als de durf om die stap te wagen.

Toen de ANNA  ELISABETH  was verkocht, was Dietert inderdaad man-in-bonus. Helaas is veel geld verdwenen in Veenkoloniale banken die zoals naverteld door Lenie failliet zijn gegaan en de rest werd in onroerend goed in de stad Groningen belegd. Daar waren twee huizen bij aan de Parkweg die uitstekend hebben ‘geboerd’, maar ook een serie arbeiderswoningen in een wijk nabij het Winschoterdiep die regelmatig tot kommer en kwel leidde. Anna ging elke week (of elke maand) “geld ophalen” maar er waren altijd problemen; lekkende dakgoten, gammele raam- en deurkozijnen, kortom continu klachten van de bewoners die hun huisbazin als kapitalist zagen. Jouke herinnert zich een discussie met Aly’s echtgenoot Ab, die zei: ruim die zaak toch op, hetgeen zijn schoonmoeder uiteindelijk heeft gedaan, na eerst nog wat te hebben tegengesputterd.

Er was evenwel veel veranderd. De stad had de crisistijd overleefd en bloeide weer op. Henk had het huis verlaten, zijn mooie foto met opdracht “Voor Moeder” getuigt daarvan. En die moeder zat met twee opgroeiende dochters, beiden vroeg in de twintig, die haar handen bezig hielden en vrij stellig een aanmerkelijke drukte in huis teweeg brachten. De overgang moet groot geweest zijn voor haar echtgenoot. 

Markt en stadhuis.

Heereweg.

Foto-met-opdracht van uithuizige zoon.

Anna met dochters, vermoedelijk op het platje achter het huis Mauritsstraat 32, en in huis.

Toen Dietert met zijn 57 jaren aan de wal kwam, was bovendien in feite zijn werkzame leven voorbij. Kort na de Tweede Wereldoorlog schijnt hij met zakenpartner Kramer nog te hebben gefilosofeerd om samen weer een schip te laten bouwen, maar hij was reeds boven de 65 en heeft dat niet meer opgebracht. Een tijd lang heeft hij voor het scheepsmetingen-register opmetingen van binnenvaartschepen verricht. In de tijd van de zogenoemde campagnes waren er enorme transporten van het platte land naar de diverse fabrieken. Vooral de campagne van suikerbieten was berucht. In Hoogkerk was zo’n fabriek en de aanvoerroutes stonden dan helemaal vol vrachtauto’s en waren bezaaid met klei en weggerolde bieten. Het meeste ging echter per binnenschip en kennelijk zijn er vroeger regelmatig discussies geweest over de capaciteit van een schip, waarbij een (her)meting moest uitwijzen wie of er dan gelijk had.

Dietert. Het jaartal is moeilijk te schatten maar het zijn niet langer schippersportretten.

Er was ook meer tijd voor familie. We zien Anna en Dietert poseren met zijn broer Willem en schoonzus Metta Bartelds. Er wordt ook doorverteld dat Anna ieder jaar een dag op de boerderij kwam helpen met het schillen van de appels van de vele appelbomen. Ze ging na een bezoek altijd met tassen vol ‘oogst’ naar huis. Met ontzag wordt nog steeds gesproken over Lenie’s echtgenoot Sjoerd, die zo lang was dat hij op de boerderij zijn hoofd moest buigen om door de deuren te kunnen. Roemruchte verhalen waaiden over een familiebezoek dat Anna met haar kleindochter Ankie kort na de oorlog bracht aan de boerderij. Bij het vertrek vroeg de heer des huizes: “Wil je nog een kip mee?” Na Anna’s bevestigend antwoord werd het dier ter plaatse genekt en in een zak gestopt.

Dietert en Anna met broer Willem Schreiber en zijn Metta.

4.   Opgroeiende jeugd en het vervolg: 1933-1960

Vooral heeft vader Dietert in die tijd kennis gemaakt met een voor hem relatief onbekend fenomeen: dat van een opgroeiende en uitwaaierende jeugd. Eén ding moet hem ook toen al volstrekt duidelijk zijn geweest: een grotere tegenstelling dan tussen zijn drietal was onmogelijk. Elk verhandeling over Darwin, genen en erfelijkheid kan op de schroothoop of dient op z’n minst ernstig te worden betwijfeld. Ons ontbreekt de opleiding en het bijbehorende inzicht voor karakterologische studies maar er moet een proefschrift te schrijven zijn over de Schreiber kids: hun verschillen en gelijkenissen. De volgende jaren tekenden die zich scherp af.

Het gezin herenigd in de Mauritsstraat.     

Anna met haar (schoon)dochters…                                        … en alleen met Lenie.

Aly: Groningen; 1933-1938

Aly was een stads type, we zeiden het al eerder. Ze had winkelen tot een kunst verheven, hechtte aan kleding, opmaak en een beperkt uiterlijk vertoon, was verzorgd maar vooral ook zorgzaam. Ze was had een bijzonder oog voor modeontwerp en dat uitte zich in haar bijzondere jurken. Vrij zeker heeft zij heel veel tijd besteed aan breien, het was in latere jaren een bron van velerlei kunstzinnige kleding voor haar kroost. We treffen haar op talloze foto’s als middelpunt in wisselende gezelschappen. Dochter Ankie kon later ook vertellen dat haar moeder zeer gesteld was op dansen en jaloersmakend goed kon charlestonnen: met de handen snel springend over de knieen en de hakken achteruit opslaand. Als terzijde: die danslust heeft in later jaren  haar echtgenoot op grote achterstand gezet. Hij immers was opgegroeid in een omgeving die ernstige bedenkingen had bij het tot zondigheid nodende dansen. Hij kon zijn tekort alleen inlopen door een gestructureerde aanpak: een uitgetekende stappenplan in de meeste letterlijke betekenis van het woord dat met zijn oudste dochter werd doorgeexerceerd om zo presentabel met zijn vrouw ten tonele te kunnen verschijnen bij formele aangelegenheden.

Staatsieportretten van Aly: twee uit vele.

Winkelen:met moeder Anna…                    … en met vriendinnen.

Sociaal leven: weer twee uit vele.

Was dit de dansleraar in zijn studio? ’t Zou zo maar kunnen.

Ook Aly ontmoette in deze periode haar aanstaande levensgezel tijdens een zinvol bestede  vakantie op Ameland. Het eiland gold sinds jaar en dag als ontmoetingsplaats van Groningers en Friezen en zo maakte zij kennis met haar aanstaande Albert (Ab) Winsemius uit Leeuwarden. Vermoedelijk had zij met vriendinnen domicilie gekozen in het relatief wereldse dorp Nes en ging Albert daar vanuit het rustige Hollum stappen. Zo is het ooit gekomen.

Albert stamde uit een groot gezin in Leeuwarden. Zijn vader had rond 1910 een handel/depot opgezet met een pakket producten dat zich allengs vernauwde tot kaas en vooral vetten. Heit Piet golfde mee op de fusiegolf die de margarinewereld rond 1928 overspoelde en werd met een paar tussenstappen de regionale baas van Unilever in Friesland. In die tijd droeg hij zijn handel op de Nieuwe Buren in het centrum van Leeuwarden over zijn zoons Bernard en Albert (Ab), die net de H.B.S. A had voltooid en vervolgens een kaasmakersopleiding had gevolgd. Om zijn wereld te vergroten en zijn Engels te verbeteren werkte Ab daarna een half jaar in Engeland bij een Nederlandse bollenkweker. Ab had de zakelijke leiding en dat was in die crisistijd een gemengde zegen. Als tussenstation tussen producenten en detailhandelaren zat je altijd knijp met de financiën en elk dubbeltje werd drie keer omgedraaid. Bovendien zat hij met een vorm van frustratie. Leeuwarden was klein en met zijn vooropleiding kon hij weinig kanten op. Zijn ambitie voor een medicijnenstudie was kansloos en de banen lagen ook niet voor het oprapen.

Albert en Aly, Ameland, ca. 1933. Hij heeft hetzelfde pak aan, maar zij heeft zich omgekleed en laat hem nooit meer los.

Het gezin Winsemius – twee broers en drie zussen – ging al veel langer met vakantie naar Hollum en heette Aly kennelijk van harte welkom. Op zich was dat opvallend. Alles was immers ‘fout’ aan de instroomster. Aly sprak geen woord Fries, was Gronings en ook nog ‘stads’ en nauwelijks kerkelijk. Bij een van de eerste kennismakingsbezoeken  aan Leeuwarden poederde ze tijdens het kerkbezoek ook nog haar neus, dit tot enige consternatie van de ‘gemeente’. Het heeft geen merkbaar spoor gelaten, zelfs toen Albert als enige van zijn gezin vrij kort daarna ‘ontkerkelijkte’.

Kennismakingsfoto met familie Winsemius voor hun zomerhuisje op Hollum. Aly op voorste rij naast moeder Aukje; rechtsachter vader Piet. Op tweede rij zus Dieuwke, broer Bernard en zijn vriendin Gouda, en achteraan in het midden broer Jan met zijn Hes.

We weten niet veel van hun ‘romance’. Er zijn vele foto’s die getuigen van een snel opbloeiden liefde, maar het precieze verhaal – ‘zo is ’t gekomen’ – ontgaat ons. Hun zoon Pieter herinnerde zich later een vaag verhaal dat zijn vader met een glimlach vertelde over paardrijden op Nes. Albert had als vroegtijdige macho – en extreem onervaren ruiter – het wildste paard beklommen en was tijdens een overmatig wilde ren door de duinen door het edele ros erafgegooid. Na langdurig tevergeefs zoeken naar het ontsnapte dier was hij vernederd teruggelopen naar de stal. Waar het paard al lang en breed was gearriveerd. Zelfs als de herinnering vaag is, is de boodschap helder: wie hoog wil zitten om vrouwen te bekoren, kan diep vallen. Of zoiets.

Vroege bladzijde uit Aly’s fotoalbum van Ameland 1934.

De eerste foto’s op Ameland.

Ridders te paard op het strand van Ameland.

Dat er van haar kant sprake was van meer dan een vakantieliefde blijkt overduidelijk uit een aantal andere foto’s die Aly afbeelden in voor haar onwaarschijnlijke acties: schaatsend, zeilend, vissend, met hond. Haar kinderen aanschouwden deze prenten met ongeloof: hun moeder had niets, zo wisten ze met zekerheid, met willekeurig welke vorm van sportbeoefening, was bang van water en vond vissen eng en glibberig. Ook schoothondjes waren niet haar territoir. Dit was echte liefde en het is mooi dat dik tachtig jaar later nog steeds te constateren. 

Aly in onwaarschijnlijke actie: schaatsend, zeilend, vissend, met hond.

Ook Ab deed zijn best. Niet alleen bekom hij het paard, maar later zien we hem ook in benepen toestand samen met Aly en een aantal vrienden poseren op een ongetwijfeld dierbare foto uit de vroege dagen van hun relatie.

Kermisfoto waarop Ab wordt gered door Aly en onbekende heer en jongedame.

Het duurde niet lang of het karakter van de foto’s veranderde weer. Er kwamen fraai staatsieportretten met Ab en op alle prenten figureerde steeds weer een ander modieus hoedje die ze – wellicht met korting – via haar werk kon ‘scoren’. Ze beheerst inmiddels de poseerkunst tot in de finesses en figureert nu in talloze poses op een groot aantal opnames; het moet bijna een dagtaak zijn geweest.

Aly, rond 1934.

Rond de jaarwisseling 1934/35 springt Ab in het diepe en verruilt Leeuwarden voor Den Haag. Via relaties heeft hij een baan als boekhoudkundig controleur bij de Nederlandsche Sierteeltcentrale weten te bemachtigen. Het zal Aly niet licht zijn gevallen: de afstand naar Den Haag was ook toen al groot, maar Ab reist bijna wekelijks zaterdags in de middag – ’s ochtends werd nog gewerkt – naar Groningen. Van haar kant reist zij een enkele keer naar Westen en de relatie bloeit. Op 31 augustus 1935 verloven zij zich.

Op de boulevard.

Verlovingsfoto; 31 augustus 1935.

Meer nog dan tevoren beseft Ab dat hij een academisch diploma nodig heeft om hogerop te komen. Eigenlijk had hij de medische kant willen opgaan, maar dat zat er met een volle baan niet in. Hij besluit daarom de makkelijkste studie te gaan doen, rechten, maar blijkt in Leiden eerst een examen Latijns te moeten doen dus dat werd niks. Ook Delft weigert hem vanwege zijn HBS-A: hij had niet genoeg wiskunde gehad. Hij meldt zich daarom aan in Rotterdam en legt zijn probleem voor. Hij wordt toegelaten en op 4 februari 1936 schrijft Ab zich in als economiestudent aan de Handelshogeschool in Rotterdam, de voorganger van de Erasmus Universiteit.

Interview in Singapore Monitor, 4 maart 1984.

Lenie krijgt als topsporter onverwachte concurrentie van haar aanstaande zwager. Hij werkt in de trein en heeft ook op de Mauritsstraat weinig sociale tijd. Hij doet in ruwweg een jaar zijn kandidaats en beoefent in een moeite door ook het ladderbeklimmen. Hij stapt over naar het Economisch Instituut voor de Middenstand, dat ressorteerde onder het Departement van Handel en Nijverheid, de voorloper van het huidige Ministerie van Economische Zaken. Eind december 1937 studeert Ab af in Rotterdam. Geadviseerd door de na de Oorlog als minister van Financiën zeer bekende professor Piet Lieftinck volgde hij geen colleges. Zijn vader werd door een collega bij Unilever gefeliciteerd na zijn doctoraal examen, maar wist volgens de overlevering niet dat zijn zoon studeerde. Met het diploma op zak raakt zijn ambtelijke carrière in een stroomversnelling. Zijn afdelingschef dr. Groeneveld Meijer biedt hem een positie aan als inspecteur voor de middenstand, maar kort daarna wordt ten departemente de Economische Voorlichtingsdienst opgericht waar Ab de – toentertijd hoge – baan aangeboden krijgt van referendaris op het researchbureau aldaar.

Hoe deed je dat nu, werd hem later gevraagd. Het was niet eenvoudig geweest, maar ik had haast, legde hij uit. We waren verloofd en wilden trouwen. Een maagprobleem verder had hij zijn diploma.

Interview in Singapore Monitor, 4 maart 1984.

Lenie: Groningen; 1933-1937

Als jongste van het drietal was er vanzelfsprekend – nog steeds zeer aanwezig – Lenie. Zij was alles wat Aly niet was en andersom. Sportief, competitief, lak aan wat hoort, het leven met een knipoog beschouwend, maar ook op zichzelf gericht en minder empathisch dan haar broer en zus. Ze had “een competitief trekje”, concludeerde haar zoon Dietert later fijntjes: “Als ze in de auto door een ander werd ingehaald, dan drukte ze automatisch het gaspedaal in.” Dat allemaal gezegd zijnde zou de verwachting kunnen ontstaan dat Lenie een vroegtijdige ‘tom boy’ was, genegen tot het klimmen in bomen en het uithalen van kattenkwaad. De lieflijke glamourfoto’s die overwaaiden uit het verleden, doen echter anders vermoeden.

Vroegtijdige glamourfoto.

Wel kunnen we ons niet onttrekken aan het beeld dat zij reeds vrij jong, in de vroege jaren dertig, een jongeman voorstelde aan haar ouders, die naar haar gevoelens haar dicteerden grote toekomstbeloften bracht. Hoe anders moeten we de serie afbeeldingen interpreteren waarop ze zich in vertrouwelijke vorm bevindt in het gezelschap van een ons niet met naam bekende jongeling. Diepzinnig nadenken van haar nazaten bood geen afdoende soelaas over zijn identiteit. Er zijn nog wel aanwijzingen over een Ko Klingen die naar de Grote Vaart ging en midden vijftiger jaren was opgeklommen tot gezagvoerder bij de KNSM. Hij zou ook nog eens met een sportvriendin zijn getrouwd en woonde in die tijd vlakbij Bennebroek waar de Van der Baan’s toen korte tijd verbleven. Lenie heeft nog wel eens overwogen om contact te zoeken, maar het is er nooit van gekomen. Vaag is er ook nog een verhaal over een sporttrainer, maar die bleek nogal bazig te zijn en gaf Lenie onvoldoende ruimte  om te kunnen trainen zoals zij wilde. Wij moeten het daarmee doen, maar er resten zoals steeds onbeantwoorde vragen.

Is hier sprake van meer dan toeval?; vroege jaren dertig.

Op het platje, voor de deur met Aly erbij, op een gekostumeerd feest, en in het bos.

Op een speciale bladzijde in het album van Aly, dat ook nog…

Aan het slot van 1933 vloog haar sportcarrière hoog, ze was opgenomen in de voorselectie voor zowel de Wereldspelen 1934 in Londen als de Olympische Spelen 1936 in Berlijn. Maar toch gaat er in die tijd kennelijk een soort knop om in haar ambities. Het leek wel of er een verveling toesloeg, want in 1934 gaat ze ‘vreemd’ in haar sportbeoefening. Of zou het kunnen zijn dat nieuwe ‘interessen’ haar aandacht afleiden van de sport naar nog mooiere vergezichten. In haar fotoalbum verschijnt die zomer een foto, waarop ze zeilt met scheikundige Sjoerd van der Baan. De eerdere jongeman kreeg een plaats in de vergetelheid der plakboeken.

Lenie en Sjoerd; 1934.

Een reconstructie is op zijn plaats. Lenie werkte toen al een paar jaar op Het Telefoonkantoor in de stad. Over dat werk werd in latere jaren minimaal verteld. Wel dat ze soms meeluisterden met intieme gesprekken van bekende Groningers, die soms in de gaten kregen dat ze werden afgeluisterd en flink gingen foeteren aan de telefoon. Heel zijdelings kregen wij nog mee dat een toekomstige schoonzus, Mannie de Boer (die met jongste broer Hessel van der Baan zou gaan trouwen) een – jongere – collega op Het Telefoonkantoor is geweest, maar die deed niet aan sport en ging met haar vriend meer naar jeugdbijeenkomsten van de kerk. Daar had Lenie, even als haar moeder, helemaal niets mee. 

Interieurfoto met telefonistes aan het werk in het Telefoonkantoor.

Het Telefoonkantoor had evenwel een nuttige functie: Lenie kon geld opzij leggen en kocht van haar spaarcentjes een kleine BM waarmee ze ging zeilen op het  Zuidlaardermeer. Waarom dat water in eerste instantie haar voorkeur had, is nooit duidelijk geworden, misschien heeft zij die boot daar met een bestaande ligplaats overgenomen. Haar vriendin Peta Edzes – inmiddels werkzaam als boekhoudster bij een zeer bekende woninginrichter in Stad – had eveneens een boot aangeschaft maar zeilde op het Paterswoldsemeer. Peta liet weten dat het daar veel gezelliger was en Lenie verkaste. Met die kleine BM’s werd zeer regelmatig wedstrijd gevaren en dan heb je als stuurvrouw echt wel bemanning nodig. Het geval wilde dat op dat laatste meer ook de broers Jan en Sjoerd van der Baan zeilden met een Fries schouwtje en die zagen het wel zitten. Lenie heeft een tijdlang niet geweten wie van de twee haar voorkeur had totdat Peta aangaf dat Sjoerd heel duidelijk een voorkeur had voor Lenie. Enfin, dat ‘probleem’ was dus snel opgelost.

De wedstrijden waren evenwel geen onverdeeld succes want de dames waren stuurvrouw en de heren slechts fokkenist. Die waren vervolgens wel van mening dat de dames tactisch niet altijd de juiste beslissingen namen en lieten dat ook weten.  Deze dames waren echter, vanwege hun eerdere sportactiviteiten, reeds dusdanig en volledig geëmancipeerd dat ze flink van zich af konden bijten en dan was het wel eens een paar uur hommeles na zo’n wedstrijd.                                                          

Hoe het ook zij, Sjoerd werd haar Grote Liefde. Afkomstig uit een touwslagersgeslacht uit Drachten is zijn grootvader uit de familiezaak gestapt en voor zich zelf begonnen met een touwslagerij in Leek. Dat werd rond de eeuwwisseling van 1900 een behoorlijk bedrijf met een verkoopkantoor/winkel in de Nieuwe Ebbingestraat in Groningen. Zoon Jouke was de oudste zoon maar had geen interesse in het bedrijf en wilde het onderwijs in. Eerst onderwijzer lagere school en later via MO –aktes leraar Nederlands op – in ieder geval twee – middelbare scholen in de Stad. Twee broers van hem hebben het touwslagersbedrijf tot ergens 50-er of 60-er jaren voortgezet. 

Advertenties in het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema’s Courant, 2 mei 1930 (links) en het Nieuwsblad van het Noorden, 21 mei 1930 (rechts).

Nieuwsblad van het Noorden, 5 april 1930.

Als oudste van vijf kinderen – jongen-jongen-jongen-meisje-meisje – ging Sjoerd steeds in Groningen naar school. Na zijn eindexamen werkte hij eerst een poos in Amsterdam als administratief medewerker bij de Handels Vereniging Amsterdam, met de bedoeling naar Indië ‘in de cultures’ te gaan. Na drie jaar heeft hij zich echter bedacht, is weer naar huis teruggegaan en is van huis (Helpman) uit aan de universiteit scheikunde gaan doen. Dat in de normale tijd gedaan, aansluitend aangebleven voor een promotieonderzoek. Als verwoed zeiler bezat hij met broer Jan Lucas op het Paterswoldsemeer een Friese schouw. Hij heeft ook altijd verschrikkelijk veel gelezen. Jan wapperde overigens geheel andere kanten op. Hij werd tekenleraar en vond in de loop der jaren erkenning als schilder binnen de bekende Groningse stroming De Ploeg.

Bericht in de Bredasche Courant, 23 augustus 1934.

Lenie verbreedt in die tijd haar sporthorizon. Eind juni behaalt ze een zevende plaats in de BM-klasse tijdens de traditionele Groningen-Friesland wedstrijden op het Paterswoldse Meer. Aan het eind van de zomer heeft ze blijkbaar ook de zeilsport onder de knie want ze wordt met haar Haspel op het Paterswoldsemeer derde in het totaalklassement; begin september behaalde ze zelfs een tweede plaats op minder dan twee minuten achterstand op de ‘vaste’ winnares M. van der Velde met haar Funny. Ook Peta Edzes komt voor in de uitslagen, maar we kunnen toch de oorzaken van de eerdergenoemde spanningen met de fokkenisten Van der Baan proeven. Rond dezelfde tijd wint ze bij het zwemmen in het zoutwaterbad te Hoogkerk ook het nummer 50 meter vrije slag met voorgift in de scherpe tijd van 36,3 sec waarbij sprake is van een voorgift van 20 sec; geheel begrijpen hoe dit nummer in elkaar stak, doen we niet. Ze wordt ook tweede bij het ‘springen voor cracks van de 3 m. plank’: het wordt een nieuwe uitdaging.

Uitslag van de BM-klasse tijdens de traditionele Groningen-Friesland wedstrijden op het Paterswoldsemeer; Nieuwsblad van het Noorden, 25 juni 1934.

Uitslag zwemwedstrijden in het zoutwaterbad van Hoogkerk; Nieuwsblad van het Noorden, 3 september 1934.

Atletiek blijft echter de hoofdsport. Bij de eerste selectiewedstrijden voor de Wereldspelen eind mei 1934 in Utrecht wordt ze tweede met 1,50 m, vijf cm minder dan haar eeuwige rivale Tini Koopman. Eind juli won blijkens het Nieuwsblad van het Noorden van 30 juli Nederland in Brussel van België, mede door Lenie’s derde plaatsen bij zowel het hoogspringen (met een solide 1,40 m.) als het discuswerpen. Het lijkt of ze stabieler is geworden, er zijn geen negatieve uitschieters meer en de 1,45 m en hoger komen regelmatig terug. Brunhilde is ook de dominante club in de vrouwenatletiek. Half juli wint het in Leiden bijvoorbeeld met een straatlengte voorsprong de Prinses Juliana-beker.

Brunhilde wint Prinses Juliana-beker; Arnhemsche Courant, 17 juli 1934.

Stadspark 1934: 80 m. horden.

Unie-voorzitter Strengholt overhandigt de Prinses Juliana-beker aan de ploegleidster van de Groningse Brunhilde ploeg. Op de achterste rij tweede van rechts menen we Lenie te herkennen; 15 juli 1934.

De nationale kampioenschappen op het Sportpark in Hilversum – geen kilometer ver weg van de seniorenflat waar ze zestig jaar later met echtgenoot Sjoerd van der Baan  haar gouden jaren zou beleven – werden kennelijk echter een debacle. Hoewel ze van te voren nog als een van de medaillefavorieten was bestempeld, komt ze niet voor in de uitslagenlijst. Het moet een grote teleurstelling zijn geweest toen ze de weken daarna niet werd uitverkoren voor de Wereldspelen die begin augustus in Londen werden gehouden noch voor de nationale ploeg die tegen de Belgische dames in het strijdperk zou treden.

Uitslagen van nationale kampioenschappen te Hilversum; Nieuwsblad van het Noorden, 2 juli 1934.

Samenstelling van ploeg voor Wereldspelen 1934; Provinciale Drentsche en Asser Courant, 3 juli 1934.

Samenstelling van ploeg voor interland tegen België; Provinciale Drentsche en Asser Courant, 18 juli 1934.

In 1935 springt Lenie – in letterlijke zin – in het diepe; ze verlegt haar accenten verder naar het schoonspringen. In maart doet zij een komische demonstratie als ‘Watt en Halwatt’ met de piepjonge superzwemster Willy de Ouden, die en passant ook nog een soort estafette wint van een Groningse selectie. Er staan dat jaar echter weinig atletiekuitslagen meer in de kranten. Een enkele keer is er nog een goed springresultaat. Begin juni komt ze tot een mooie 1,45 m bij de Te Werve wedstrijden, maar het bracht haar niet meer dan de vierde plaats. Lenie blijft wel degelijke plaatsen behalen met het zeilen op het Paterswoldse- en Zuidlaardermeer. Eind juni wint zij ook het schoonspringen bij wedstrijden in Nieuwe Schans, eind augustus volgen eerste prijzen in Gasselternijeveen en nogmaals tijdens een tweekamp van Brunhilde en Neptunus uit Sneek.

Ansichtkaart van Lenie (links) met Willy den Ouden op de duikplank

Schoonspringdemonstratie met Willy den Ouden; Nieuwsblad van het Noorden, 11 maart 1935.

Verslag van zeilwedstrijd op het Paterswoldse Meer; Nieuwsblad van het Noorden, 23 september 1935.

Bij een latere terugblik begrepen Lenie’s zoons meer van hun genetische zegeningen. Zowel Dietert  als Sjoerd maken melding van uitzonderlijke hoogspringprestaties op respectievelijk lagere school en HBS. Ook broer Jouke verwijst naar de bijzondere banden die mej. P. Edzes – met haar Tureluur zesde op het Paterwoldse Meer – ook in latere jaren onderhield met Lenie. We kwamen haar naam vele malen tegen als atletiekvriendin/-concurrente en de volgende jaren ook als clubgenote binnen het hockeyteam van GCHC. Het is haar aanstaande schoonzuster: in 1942 trouwde zij met Jan Lucas van der Baan, de broer van Lenie’s echtgenoot Sjoerd.

Met de kennis van vandaag is het jammer dat ze nog niet even heeft doorgehapt, want halverwege augustus werden dat jaar de Nederlandse atletiekkampioenschappen voor vrouwen georganiseerd in Groningen. Lenie heeft ongetwijfeld gadegeslagen hoe haar clubvriendin Jo Dalmolen nipt de 100 m won in 12,8 sec maar zal weinig oog hebben gehad voor de nummer vier op de 200 m, op meer dan een seconde achterstand op winnares Mia Knijff. Het blad De Athletiekwereldzag dat echter goed: ‘Goed was ook het werk van de tot dusver onbekende mej. Koen van A.D.A.’ De gelijktijdige deelname met de latere superkampioene had weer een dimensie toegevoegd aan Lenie’s palmares: ik liep nog tegen Fanny Blankers-Koen!

Groningen, 12 augustus 1935, Nederlandse kampioenschappen voor vrouwen. In de buitenbaan lopend wint Jo Dalmolen (Brunhilde) de 100 m in 12.8 sec voor Ali de Vries (ADA) en Mia Knijff (UDA). 

Februari 1936 brengt goed nieuws binnen huize Schreiber: de aankondiging van een verloving. Een mooie anekdote, meer dan tachtig jaar later naverteld door hun jongste zoon Sjoerd Jr., brengt hun liefde dichtbij. “Het was mij opgevallen dat pa en ma zelden woorden met elkaar hadden, laat staan ruzie. Kortom een gelukkig stel. Als nieuwsgierig aagje vroeg ik aan ma wat het geheim was van hun gelukkig huwelijk. Ma begon helemaal te glunderen en zei: ‘Dat zal ik je vertellen. Wij hebben ons in 1936 verloofd en we waren heel gelukkig. Een paar maanden later kregen we een uitnodiging voor een feestje in Huize Maas (de uitgaansgelegenheid en nog steeds in Groningen aan de Vismarkt). In het begin was het een heel gezellig feest totdat een beetje aangeschoten lellebel begon te sjansen met Pa en die liet zich dat graag aanleunen. Na het even te hebben aangekeken werd ik zo kwaad dat ik ingreep. Ik pakte pa beet en zei “Kom we gaan naar huis, ik ben hier uitgekeken.” Pa snapte er niets van maar ging gedwee met me mee. Thuisgekomen liep ik direct naar de woonkamer, deed mijn verlovingsring af en legde die op de schoorsteenmantel. “Ik ga nu een half uurtje lopen om stoom af te blazen. Na terugkomst doe jij jouw ring ook af, legt die naast die van mij neer. Daarna ga je ook een half uurtje lopen. Als je terugkomt en allebei de ringen liggen er nog, dan betekent dat dat ik de verloving verbreek. Ligt er nog één ring dan betekent dat dat je nog één kans krijgt.” Pa is met knikkende knieën zijn verplichte rondje gaan lopen en bij thuiskomst keek hij doodsbang naar de schoorsteenmantel. Er lag maar één ring, dus hij kreeg een herkansing. Nog steeds glunderend zei ma: ‘En sindsdien heeft pa zich keurig gedragen.’ Kortom, er was een ijzersterke band tussen onze ouders.”

Verlovingsaankondiging; Nieuwsblad van het Noorden, 6 februari 1936

Lenie voor de tent op Terschelling waar ze met Sjoerd in hun verlovingstijd in ieder geval één keer, maar waarschijnlijk meerdere keren, is geweest, periode 1936-1937.

Het was wellicht ook een reden voor de verminderde activiteit op het sportieve front. Het jaar bracht weer zeiluitslagen – net boven de middenmoot – en schoonspringen, maar ditmaal met foto. De atletiek is kennelijk van de agenda verdwenen.

Mej. L. Schreiber (Brunhilde) tijdens een 1½ salto voorwaarts. De foto is een uitsnede van een fraaie collage van grote sportmomenten (boven); De Noord-Ooster, 6 juli 1936.

Lenie’s jaar 1937 begint nog ‘normaal’ met op Pinkstermaandag een zeiloverwinning op het Zuidlaardermeer; was ’t haar eerste? We weten niet precies wanneer het was, maar vader Dietert is naar betrouwbare bronnen wisten te melden ook eens door Lenie uitgenodigd voor een zeiltocht in haar ‘Haspel’ op het Zuidlaardermeer. Het hoe en waarom ontgaan ons, maar zeker is dat de ‘Haspel’ omsloeg … en vader Dietert kon niet zwemmen!! Het is een merkwaardige gedachte: Dietert overleeft zware stormen op de Noordzee met koftjalk ZWERVER en schoener ANNA ELISABETH, maar verdrinkt bijna in het Zuidlaardermeer dat op veel plekken minder dan anderhalve meter diep is.

Wedstrijd met kleine BM’s op een warme zomerse dag, vrijwel zonder wind op het Paterswoldsemeer ergens omstreeks 1935;  de 4e boot van rechts, BM 126, genaamd HASPEL, is de boot van Lenie.

De eerste(?) zeiloverwinning; Nieuwsblad van het Noorden, 19 mei 1937.

Pas in het late najaar komen de kranten met ‘nieuws’ dat alweer een nieuwe dimensie toevoegt aan Lenie’s sportloopbaan: ze verschijnt als middenvelder van het noordelijk B-elftal aan het hockeyfront en wordt vervolgens samen met latere schoonzus Peta gekozen als reserve voor het noordelijk dameshockeyelftal voor de districtswedstrijden in Bilthoven.

Selectie voor het Noordelijk B-elftal bij het dames hockey; najaar 1937.

Reserve voor het Noordelijk dameshockeyelftal; Nieuwsblad van Friesland – Hepkema’s Courant, 8 december 1937.

We moeten een beetje gokken, maar vermoedelijk is Lenie pas rond 1935 gaan hockeyen. Vele jaren later vertelde Peta in een interview bij het 60-jarig bestaan van GCHC dat ze al in 1932 via de zeilsport op het Paterwoldsemeer enkele hockeyers leerde kennen en lid werd. De kans is groot dat haar voorbeeld een aantal andere toppers uit het hechte Brunhilde-ploegje waaronder Lenie deed volgen om op die manier de vriendschapsbanden zoveel mogelijk te onderhouden. Beide dames verruilden het winterse veldhandbal voor hockey dat in die tijd erg in de mode kwam en een aantrekkelijke sociale omgeving bood.

Uit de annalen blijkt dat  GCHC die jaren bestond uit een aantal families en wat vrienden, in totaal zo’n 40 leden verdeeld over drie heren- en een damesteam. Dat was gezellig maar ook wat kneuterig. Je moest met de fiets of de tram naar Harenermolen waar de hockeyvelden op de oude renbaan werden gedeeld met rivaal GHBS. Beide clubs beschikten nog niet over een clubhuis en het plaatselijke café Bolhuis werd daarom omgetoverd. Het stond volgens Peta “iedere zondag bol van de hockeyers. De serre was het domein van GHBS, de ‘limonadeklanten’, en het café zelf was voor GCHC, want die dronken wel eens een glas bier. … De hockeyspullen lagen in grote rieten manden op de zolder van het café en werden iedere zondag tevoorschijn gehaald. Het tenue was zwart met een oranje kraag, dat werd tenminste nooit vuil.” Voor zover mogelijk werd er in de winter gewoon doorgehockeyd, maar dan met een rode bal, want een witte was niet te zien in de sneeuw. In de winter trainden de Dames niet maar zij bleven veeleer lekker voor de kachel zitten in het café. Op een gegeven moment werd het de Heren teveel en hebben ze de dames uit de club gegooid, maar in 1935 werd onder leiding van Petra Edzes het Damesteam weer ingeschreven voor de competitie.

Elftalfoto van het Dames-1 team van GCHC, waarschijnlijk uit 1935. De dames poseren in een klassieke elftalopstelling: de keepster voorop met naast zich twee backs, daarboven de middenlinie met centraal spil Lenie, en daarboven de vijf aanvalsters waaronder linksbuiten Peta.

Vroegtijdig GCHC team.

Hoe het ook zij, in het seizoen 1936-1937 hockeyen Lenie en Peta bij GCHC, dat toen in de tweede klasse B van het district Noord speelde. Met veel loop- en springvermogen aan boord werd het GCHC-elftal eind maart bijna voorspelbaar – je ziet Lenie nu nog gniffelen – kampioen na een 13-1 overwinning tegen MHV uit Meppel. Het promoveert vervolgens naar de overgangsklasse, het hoogste niveau in het Noorden maar nog een straatlengte minder dan de Westelijke eerste klasse met topclubs als BDHC, Amsterdam, Gooi en HHYC.

GCHC wordt kampioen met een 13-1 overwinning tegen Meppel; Nieuwsblad van het Noorden, 22 maart 1937.

In de overgangsklasse ontvangt afdelingskampioen LHC uit Leeuwarden “de debutante GCHC, die over een geweldige dosis geestdrift blijkt te beschikken”, stelt de Leeuwarder Courant op 22 oktober 1937 in een voorbeschouwing. Aan LHC de taak om door betere techniek en tactiek deze tegenstander tot capitulatie te dwingen!” Toch zijn er kanttekeningen te plaatsen. Op 22 november meldt het Nieuwsblad van het Noorden dat GCHC om uitstel van de wedstrijd tegen GHBS had gevraagd omdat er niet genoeg dames beschikbaar waren. Het team krijgt ook slaag van de Noordelijke grootmacht Groningen, waarbij de spil van GCHC – Lenie dus – vele aanvallen weerde. Ondanks de matige resultaten wordt ze nog hetzelfde najaar gekozen in de Noordelijke selectie. De wedkamp tegen de andere districten werd voor de Noordelijke dames “een leerzame dag”. Omdat op een enkele zondag vier wedstrijden werden gespeeld, mogen we aannemen dat Lenie en GCHC-aanvalster Peta Edzes als reserves hebben ‘meegeleerd’.

Wedstrijdverslag GCHC-Groningen; Nieuwsblad van het Noorden, 18 oktober 1937.

Nieuwsblad van het Noorden, 20 december 1937.

Te midden van alle rumoer over de hotsknotsbegonia-tactiek – lange ballen, vlug thuis – van de dames kreeg een veel belangrijker bericht van huiselijke aard in de media weinig aandacht:  op 12 november 1937 promoveerde Sjoerd bij professor H.J. Backer op een proefschrift Planradiaire derivaten van hexa-oxybenzol en hexa-aminobenzol.

De jonge doctor met zijn meesterwerkstuk; 12 november 1937.

Hoewel de opluchting van het verloofde paar over de succesvolle promotie van Sjoerd ongetwijfeld groot was, had GCHC het zwaar in de hogere afdeling. Er waren weliswaar successen, onder andere tegen de kampioen van het vorige jaar LHC, maar ook de tweede wedstrijd met Groningen ging dik verloren. Het werd 8-3, maar net als tevoren werden de spil en de keepster gecomplimenteerd. De wedstrijdverslagen benadrukken voortdurend de speciale geaardheid der GCHC-dames, waarbij we de inbreng van de Brunhilde-atletes Schreiber en Edzes mogen vermoeden: “Bij een wedstrijd van GCHC valt het telkens weer op, hoe weinig sticktechniek deze dames bezitten. Zij moeten het bijna uitsluitend hebben van hardloopen en hard schieten.” Door een overwinning op WHC uit Winschoten wist het team evenwel het overgangsklasserschap veilig te stellen.

Nieuwsblad van het Noorden, 7 februari 1938.

Nieuwsblad van het Noorden, 21 februari 1938.

GCHC handhaaft zich in de overgangsklasse; Nieuwsblad van het Noorden, 14 maart 1938.

Kort daarna bleek Lenie ook deze sport kennelijk voldoende onder de knie te hebben als ze wordt opgesteld op het middenveld voor een wedstrijd tegen Oost. Zes dagen later is ze volgens een bericht in het Nieuwsblad van het Noorden echter alweer uit het elftal gelicht. We zullen de waarheid waarschijnlijk nooit te weten krijgen; ook de uitslag van de wedstrijd tegen Oost ontgaat ons.

Samenstelling van het Noordelijk dameshockeyelftal; Leeuwarder Courant, 25 maart 1938.

De Huwelijken en het Lege Huis: vanaf 1938

Het kan zijn dat Lenie bedankte voor de eer, want het was dat voorjaar druk in huize Schreiber. Vader Dietert moet van enige afstand met bezorgdheid maar vermoedelijk ook veel genoegen hebben aanschouwd hoe zijn vrouwen in een hoge staat van opwinding verkeerden, want niet alleen Lenie maar ook Aly had huwelijkse plannen. Moeder Anna moet zich vol in de strengen hebben gegooid om alle voorbereidingen te treffen: twee trouwjurken etc. binnen twee maanden was ook toe al geen kleinigheid. Waarschijnlijk rond die tijd verenigden Anna en Dietert hun twee dochters, tezamen met Sjoerd en een onbekende jongedame, voor een stralend familieportret. Je ziet moeder Anna zeggen: het is onze laatste kans dus trek je mooiste bloemetjesjurk aan. Ook Dietert kreeg opdracht zich te kleden en het resultaat mag er zijn.

Familiefoto.

Op 25 april huwt Lenie met haar Sjoerd. Haar jurk was ontworpen door Aly; volgens onbevestigde geruchten ‘kaapte’ de bruid de tekeningen. De hockeysters vormden met hun sticks de ereboog bij het verlaten van het stadhuis en dat was voorlopig het abrupte eind van haar sportcarrière. Vele jaren later keerde zij terug aan het front van de topsport binnen weer een nieuwe sport: golf.

Nieuwsblad van het Noorden, 2 april 1938.

Erehaag voor Lenie en Sjoerd bij het verlaten van het stadhuis; 25 april 1938.

Door alle gasten ondertekende menukaart van huwelijkslunch.

Voor het vervolg van het levensverhaal van Lenie, zie sectie 11d. Lenie Schreiber en Sjoerd van der Baan.

Op haar 28e verjaardag – 20 juni 1938 – huwt ook Aly met haar Albert. Veel hoefden zij daarbij niet te veranderen aan de advertentie, de receptie in Restaurant Riche op de Vischmarkt was kennelijk goed bevallen en/of vader Dietert wilde niet worden beticht van voortrekken. Het is overigens opmerkelijk, dat elk van het drietal Schreiber huwde met een solide Fries: Ab was geboren en getogen in Leeuwarden, maar zowel de ouders van Adrie als de vader van Sjoerd waren eerste-generatie Groningers met daarvoor diepe Friese wortels.

Aly en A. Winsemius geven kennis van hun aanstaande huwelijk; Nieuwsblad van het Noorden, 28 mei 1938.

Van hun huwelijk bleven ons fraaie foto’s van de stellen, de dames in een chique japon en de heren in een gehuurd jacquet. De ouders van de bruid, haar broer en schoonzus, beiden met hoed mooi scheef op het hoofd en hun dochter in feestjurk in het midden, en haar zus en zwager die de hoed maar in de hand hield. Het staatsieportret bij het feestmaal verenigde beide families rond een attente Aly en haar zuinig kijkende echtgenoot. Vanzelfsprekend ontwierp Aly ook haar eigen jurk.

De ouders van de bruid, haar broer en zijn gezin, en haar zus met kersverse echtgenoot bij het huwelijk van Aly en Ab; Groningen 1938.

Het bruiloftsdiner met links van het bruidspaar vader Dietert en moeder Anna met de kleine Anneke op schoot, achter Ab op de achterste rij Lenie en Sjoerd en achter Aly staand Adrie en Henk; Groningen, 20 juni 1938.

Voor het vervolg van het levensverhaal van Aly, zie sectie7f. Ab Winsemius en Aly Schreiber.

Staatsieportret.

De stilte in huize Schreiber moet na de huwelijken van beide dochters in de voorzomer van 1938 oorverdovend zijn geweest. Met Henk in Vlissingen, Aly in Voorburg en Lenie in Haarlem waren de reisafstanden ook groot. Er zijn ook vrijwel geen foto’s van de Mauritsstraat en haar inwoners met uitzondering van die ene, vage maar trotse prent waarop Oma Anna en Opa Dietert in juli 1939 poseren met respectievelijk de kleine Jouke en de paar weken oude Ankie op de arm.

Oma Anna en Opa Dietert met babies Jouke en Ankie; 9 juli 1939.

Anna heeft deze weken in haar nieuwe hoedanigheid van oma overuren gemaakt. Uit een brief van Lenie na de geboorte Ankie blijkt dat ze (Moes) bij kraamvrouw Aly is en dat ze eerder na de geboorte van Jouke ook al bij Lenie was: “Spreitje is klaar als we komen hoor. Moes is er natuurlijk al. Ook van harte, Oma. Heb je het erg druk en kun je met deze zuster ook zoo gezellig keuvelen?”

Paar zinnetjes uit brief van Lenie aan Aly; eind juni 1939.

Dietert is kennelijk de eerste dagen in Groningen gebleven. Haar Groningse vriendin mevrouw Pronk, ook van Duitse origine en eveneens getrouwd met een Groninger kustvaartkapitein. houdt Anna op de hoogte: “Vader is hier eergisterenavond geweest, maar hadt toen nog geen bericht of Moeder over gekomen was of niet, d’ouwe jong was er niks best over te spreken, maar ik zeide tegen hem, ze hebben nu wel wat anders te doen, als om aan zoon Ouwe Opa te denken en Oma ook nog benoemd, dan glundert ze natuurlijk dubbel.”

Stukje uit een brief van mevrouw Pronk; begin juli 1939.

Anna was er kennelijk voor vertrek niet gerust op want ook de ons verder onbekende Annie Seiverling schrijft haar: “Opa Schreiber maakt het best hoor, hij kokselt me dunkt wel eens wat raar, de koffie komt hij hier nog al eens ophalen.”

Stukje uit een brief van Anna Seiverling; begin juli 1939.

Op 9 juli is Opa Dietert inmiddels ook in Voorburg als Lenie, Sjoerd en de kleine Jouke op kraambezoek komen en dan ook het spreitje overhandigen.

Oma Anna met Ankie, nog geen drie weken oud, en – moeilijk met zekerheid vast te stellen – nog eens met de kinderwagen en Opa Dietert op de achtergrond; rond 9 juli 1945.

Opa Dietert maakte voor Ankie bij haar geboorte een ledikant en exact het zelfde ledikantje voor haar poppen, plus een poppenkledingkastje. Vijf jaar later mocht haar zusje Aukje mocht onder toezicht van haar seniore zus en broer liggen in het ledikantje. De poppenmeubels bewezen hun diensten, ook in latere jaren voor Ankie’s dochter Jolijn en na haar vertrek naar Australië weer bij haar dochters, totdat het kastje in Melbourne het leven liet.

Aukje in door Opa Dietert getimmerd ledikantje; zomer 1944.

Het heeft er schijn van dat Anna en Dietert de volgende oorlogsjaren in het verre Groningen onder de radar bleven van de Duitse bezetter. Hoewel… neef Pieter herinnert zich de sensatie toen hij rond 1952 met Arie, de bovenbuurjongen op de Mauritsstraat, verstopt onder het zolderdak een serie kogels vond. Die munitie zal er toch niet zomaar terecht zijn gekomen, meende ook de politie die huiszoeking deed. Maar toch, we hebben in feite volstrekt geen nieuws te melden waar het hun betreft ware het niet dat ons een fraai familieportret rest dat aan de leeftijd der kleinkinderen te oordelen gemaakt moet zijn in 1942 en aan het schilderij op de achtergrond waarschijnlijk in Voorburg. Contouren van het nageslacht tekenden zich af. Na Anneke bij Henk en Adrie zat Lenie inmiddels met Renske (1941) op schoot. Aly moet in verwachting zijn geweest van Pieter (1942).

Het gezin rond 1942.

Op 3 november 1943 kregen Lenie en Aly vrijwel gelijktijdig respectievelijk zoon Dietert en dochter Aukje. Oma Anna was blij verrast door de dubbelbevalling en reageerde onmiddellijk met een mooie brief die als relikwie bewaard bleef. De brief bestaat uit twee delen, die we met enige moeite hebben ontcijferd:

Lieve allen.

           Nu komt er noch een brief achteraan met wat bonnen, mij dunkt het wordt jullie wel bont voor de oogen van al de bonnen, ze stromen van alle kanten bij ons binnen, hoe staat het nu met de opslag?

     Wij hebben van middag visite gehad van de heeren en dames Schuitema en v

     Dijk. Het kleintje van Egbert en Anny groeit al lekker volgens Oma Schuitema.

Van Leny is er nog geen bericht he, de Dokter heeft het dus toch mis om dat die dacht dat het laatst van Oktober zou komen.

Wat was het van daag bijzonder mooi weer he, onze kachel wou niet an komen vanmiddag, het weer was hem zeker te mooi, maar nu in de avond valt het niet mee om er zonder te zitten.

Wij hebben 3 pond stroop gekregen uit 11 dikke peen maar het is een smerig karwij en begin ik er direkt niet weer an.

   Hebben jullie al eens wat gehoord over de Slee, het moet zoo langzaam an snewen he.  

 Nu weet ik niet meer te schrijven en sluit de brief met heel veel groeten van jullie Vader en Moeder en voor Ankie en Pieter een heele dikke kus van hun Opa en Oma. Nu ga ik de krant lezen.

Eerste brief van Oma Anna bij de geboorte van Dietert en Aukje.

De slee waarna Anna verwijst, is stellig de grote arrenslee – familiebezit van de Winsemiuszijde – die in het schuurtje stond te wachten op actieve dienst. De eerste brief was net af toen Ab belde dat er twee kleinkinderen geboren waren. De enveloppe was nog niet eens dichtgeplakt wanneer Anna een tweede brief toevoegt.

Tweede brief van Oma Anna bij de geboorte van Dietert en Aukje

Woensdagmorgen

De brief was nog niet dicht en nu schrijf ik er nog maar even bij in.

   Ik was nog niet eens klaar toen jij met het groote kwam Ab. Mooier kon het dan ook al niet he, in een bericht twee geboortes ontvangen en gelukkig alle twee zoo goed. Paps was geheel in de war en had dan ook vergeten om jou te feliciteeren. Weest dus allen hartelijk van ons gefeliciteerd met de geboorte van Aukje, het is doch ook weer toevallig dat beiden hebben ontvangen wat ze graag wilden hebben, het kan niet mooier.

   Ali schreef anders vanmorgen nog dat Jelly [Ab’s zus Jel Winsemius] donderdag over kwam en dat hun met zijn tween zouden afwachten wat het week end zou brengen, maar zoiets overrompeld je meestal he.

Van Leny hadden wij al een paar dagen bericht verwacht.

   Nu schei ik maar eerst weer uit in de hoop dat wij gauw iets naders hooren.

            Doen jullie Ali ook de groeten en de felicitacie van ons.

          Ontvangt verder allen de beste groeten van jullie Vader en Moeder en Opa en Oma. Wat zeg me nou van de kleine Aukje, Ankie

Vlak voor de bevrijding werd in Oegstgeest ook nog Sjoerd geboren. Het nageslacht van Dietert en Anna was daarmee compleet.

De nazaten van Dietert Schreiber en Anna Petersen.

De vroege vijftiger jaren werden gemarkeerd door grote veranderingen binnen de familie. Het waren zware jaren voor Henk en Adrie; sectie 11c getuigt daarvan. Lenie en Sjoerd gingen naar het verre buitenland; zie sectie 11d. Ab steeg na zijn rechtsherstel in Den Haag tot grote ambtelijke hoogte, maar Aly kwakkelde met haar gezondheid.

De Gouden Jaren van Dietert en Anna na de oorlog hebben niet lang geduurd. Er zijn dierbare foto’s van gezamenlijke fietsuitstapjes en er is een stukje film van een bezoek rond 1951 aan Aly en Ab; het stilgezette beeld brengt ze nabij. De oudere kleinkinderen herinneren zich ook hoe zij met hun opa kleine wandelingen maakten, meestal naar het nabije spoor, waar ze samen naar de stoomtreinen keken die van en naar de richting Assen of het magische dorp Roodeschool reden. Dat was een enorme gebeurtenis, stoomlocs voorbij te zien tsjoeken, met gesis van stoom, gefluit van stoomfluiten, seinen die op en neer floepten, wissels die heen en weer schoven, etc. Opa zei zelden wat, herinnert kleinzoon Dietert zich, maar dat was prima want zo konden we al onze aandacht op het spektakel van de locomotieven richten. Soms, als je bofte, met Opa wandelen naar de kanalen – het Boterdiep, A Diep, Winschoter Diep, de Oosterhaven – om te kijken naar de schepen waarover hij zo mooi kon vertellen.

Met Opa Dietert erbij was de lokroep van de zee dichtbij.

Dietert krijgt een vuurtje van schoonzoon Ab; circa 1951.

Anna in de tuin van Aly en Ab in Scheveningen; circa 1951.

Opa Dietert was in staat zich te verplaatsen in de leefwereld van zijn kleinkinderen. Het platje achter het huis was vermoedelijk de werkplaats waar hij speelgoed maakte – het ledikantje voor Ankie en houten treintjes voor de kleinzoons. Voor Aukje maakte hij een glanzende roodoranje schommel. Hij spande zich ook voor je in, vertelde Dietert. Kolen halen uit de kolenkelder werd op die manier een gezamenlijke onderneming van opa en kleinkind tezamen, je mocht echt ‘meedoen’ met het huishouden. Je werd niet alleen getolereerd, je was echt welkom bij opa en oma thuis, dat voelde je, en dat was een plezierig gevoel!

Aukje op haar roodoranje schommel bij de keukendeur; juni 1952.

In de 50-er jaren kreeg Dietert last van dementie en hij heeft het toen niet lang meer gemaakt. Toen hij nog thuis was, zat hij meestal enigszins eenzelvig in zijn leunstoel in de achterkamer en reeds toen ging veel aan hem voorbij. Hij werd opgenomen in Zuidlaren waar hij ongeveer twee jaar verbleef. Aly ontwikkelde een vast ritme: drie weken thuis, een week Groningen, met Oma op bezoek. Oma kon dat solo niet meer aan en bleef zo op de been. De gespleten huishoudens en de directe ondersteuning van haar vader en moeder vormden wel een aanslag op de wankele reserves van Aly. Aukje herinnert zich hoe van haar zakgeld een keer een banaan voor Opa had gekocht en dat haar moeder haar aan de telefoon vertelde dat hij er blij mee was. Dietert overleed op 23 januari 1953.

Opa en Oma op de fiets; begin jaren 50.

Oma Anna was na het overlijden van Opa Dietert in 1953 alleen achtergebleven. Haar acht kleinkinderen bewaarden warme herinneringen aan die tijd. Een interieurfoto uit die tijd toont haar in de Mauritsstraat, in de typische stijl waarin het huis in dertiger-jaren-stijl was ingericht. Zware donkere gordijnen, planten op houten verhogingen op smalle vensterbanken en een grote lamp boven de centrale tafel.

Oma Anna in haar huiskamer aan de Mauritsstraat 32 in Groningen; rond 1953.

Jouke ging in die fase vaak bij haar langs, zeemansverhalen uitwisselen. Ze genoten daarvan en zijn beschrijving brengt haar dichtbij: “Aan het eind van de middag zat ze altijd in dezelfde stoel vlak bij het raam en in de herfst/winter werd de lamp laat aangestoken en zat ze een beetje te schemeren. Dat waren voor haar gestolen momenten waarvan ze erg kon genieten. Dat de lamp niet aanging was niet vanwege spaarzaamheid, maar had een andere oorzaak. Vroeger waren de mensen vrijwel altijd aan het werk, huishoudelijk of anderszins, want elektrische hulpmiddelen in huis waren er nauwelijks. Vermoedelijk was het enige elektrische apparaat in huis de stofzuiger want wassen deed ze nog ouderwets aan een tobbe, werd er ‘geweckt’ (inmaken van eten) en was bijna alles nog handwerk. Als dan na zo’n schemerperiode eindelijk de lamp aanging, moest ze weer actief worden – want anders was je maar een lui mens en dat paste absoluut niet bij haar. Huis, tuin en omgeving waren dan ook ouderwets proper. Wat dat betreft was het de echt ‘tüchtig’-Duitse aanpak; geen tijd voor ‘lapswanzen’!”

Het in die tijd nog een schippersbuurt rond de Mauritsstraat. Vlakbij woonde mevrouw Pronk, zoals Anna uit Duitsland afkomstig en schippersweduwe; we kennen haar al van de brief die zij kort na de geboorte van Dietert en Aukje schreef over de zelfredzaamheid van Opa Dietert. “Het waren beiden pronte oude dames; ze zagen er voor hun leeftijd goed uit en gingen regelmatig samen de stad in. Ook trof ik er af en toe een oude kapitein, Speelman (of Speulman – maar op z’n Gronings was dat niet altijd even duidelijk – die had een stuurwiel op zijn hand laten tatoeëren), die weinig zei als ik er was en tot mijn grote opluchting meestal snel opstapte. Ik kreeg de indruk dat Oma er hetzelfde over dacht en werd daarin later door mijn moeder min of meer bevestigd. Speelman had haar uitgebreid ‘het hof gemaakt’, maar Oma had zeer weinig belangstelling getoond voor zijn avances en uiteindelijk heeft hij zijn pogingen toen maar gestaakt.”

Als je in het eerste deel van de jaren vijftig bofte, mocht je bij Oma logeren. In huis lag op de mat bij de voordeur van de wit geschilderde gang Anko; het was eigenlijk Anneke’s hond die vaak langdurig was gehuisvest bij Oma Anna. Het was geenszins een aardige hond, een chow chow en dat zijn eigenheimers, maar als je wat voorzichtig was kon je toch goed met hem spelen. Later was er ook een vogelkooi met een parkietje, maar die was minder eigengereid. Alle kleinkinderen bewaren de herinnering aan een uitzonderlijk lieve vrouw. Altijd vriendelijk, nooit een hard woord, heel stabiel, rustig, een heel plezierige aanwezigheid.

Elk bewaart ook bijzondere herinneringen die vaak gekoppeld zijn aan bepaalde trekjes van het huis of de inrichting daarvan. Ankie herinnert zich bijvoorbeeld dat er volle weckflessen stonden in het keldertje, waar je kon komen door een luik in de gang op te tillen en het trappetje af te dalen. Dat was echter geen gewone trap want “Opa en Oma woonden in een huis zonder trap!” zegt Dietert Junior met een ervaring van opgroeien in de tropen. Hij vond dat geweldig: “Bij mijn andere opa en oma moest je een steile trap op, met een traploper en koperen roeden die vaak los lagen. … Trappen kende ik niet – geen van onze woningen had trappen – en ik vond (en vind) het ondingen. Als kind had ik het gevoel dat trappen barrières zijn, hindernissen die je eerst moet overwinnen alvorens je naar binnen mag.”

Er was ook het slaan van de klok met zijn eigen geluid dat nog steeds warme herinneringen oproept aan de Mauritsstraat. Ankie is de trotse bezitster van de mooie kom die blijkens foto’s de huiskamer al rond 1930 sierde. Op het dressoir stond ook een glazen bol met allerlei kleurtjes waarvan Aukje geen genoeg kon krijgen. “De piano was voor mij Anneke, een nicht die ik nauwelijks kende, want tegen de tijd dat wij een auto hadden en regelmatig naar Groningen kwamen, was zij al volwassen. Maar Oma vertelde mij vol trots dat Anneke geen noot kon lezen, maar alles kon spelen wat ze maar wilde. Ik vond en vind dat ontzettend bijzonder en knap.” Aan de piano heb ik nog een andere, voor mij toen niet te begrijpen herinnering. Ik was nog klein toen wij voor een of andere feestelijke viering bij Opa en Oma waren. Er werden bloemen bezorgd van Tante Lenie, die ergens ver weg woonde. Oma zette ze in een vaas op de piano. Er liepen tranen over haar wangen. Het was toch feest? Ik snapte er niets van.”

Porseleinen kom die de huiskamer langdurig sierde.

Terzijde: wie er verder piano speelde, is ons onduidelijk gebleven. Beide dochters en ook zoon hebben geen onuitwisbare indruk achtergelaten als muzikant. Van Opa weten we slechts dat hij veelvuldig de smartlap ‘Achter in het stille klooster’ zong, zoals Aly bij het aanhoren van de Zangeres Zonder Naam in later jaren met een weemoedige glimlach bevestigde. Het lied bleek besmettelijk; ook Anneke zong het te pas en te onpas voor haar kleinkinderen. Het is dan ook een indroef lied over een moeder die bij een stil klooster hoort dat haar zoon in de strijd voor zijn vaderland is overleden en vervolgens op zijn lijk het leven laat.

Het lijkt er echter op dat het muziekgen wat generaties heeft overgeslagen of pas laat de Schreiber-nazaten infecteerde. Anneke beroerde de piano, Dietert erfde Renske’s gitaar maar schopte het niet veel verder dan cowboy-liedjes. Renske en Aukje wierpen zich met meer succes op dwarsfluit. De rest is mager. Pieter zong in een kerkkoor waar ze niemand konden weigeren; naast Aukje werd ook Sjoerd en Jouke op school verzocht bij het zingen hun mond te houden. Gelukkig zijn er onder de aangetrouwden en de nog jongere generatie een aantal echte toppers zoals Jouke´s echtgenote Anneke en Aukje´s dochter Marij.

De buurvrouw op de Mauritsstraat was mevrouw Knuppel maar spelen deed je op straat. Terwijl wij zaten te eten, herinnerde Aukje zich, stond er altijd een groepje kinderen voor het raam naast de eettafel te wachten tot we eindelijk weer buiten kwamen. Ze had een speciaal vriendinnetje in de Mauritsdwarsstraat en speelde ook bij haar thuis in een kleine arbeiderswoning. “We deden misschien wat ouderwetsere spelletjes dan thuis: bokjespringen, zweeptollen (in Scheveningen priktollen), liedjesspelletjes waarbij je in twee rijen tegenover elkaar heen en weer liep, hoepelen, en in de paastijd noten schieten.”

Op straat heerste een gezellige en warme volksbuurt-sfeer en het was er vaak een drukte van belang. Geen auto’s want die waren er eigenlijk alleen op de Hereweg waar we ze telden: A op het nummerbord was Groningen, B Friesland en als je geluk telde je in een middag ook een paar met HZ of HX: Zuid-Holland waar wij ook vandaan kwamen. Je hoefde je nooit te vervelen. Aan het eind van de straat waren de stoomtreinen en elke dinsdag was er de veemarkt met boeren met hun handjeklap bij de onderhandelingen en daarna een enorm pak geld op zak waarmee contant werd betaald. Wie herinnert zich niet de sensatie van een losgebroken koe die door dappere boeren werd ‘gearresteerd’, je kon er dagen over doorpraten. Op straat spelen deed je ook met de kinderen van de groenteboer schuin tegenover. Die hadden een aardige, iets oudere dochter die dan wat stuur gaf. Toen je wat ouder was, was er ook het mooie Sterrenbos aan de andere kant van het spoor en nog verder weg met de bovenbuurjongens Evert-Jan en Arie naar het Stadspark waar Tante Lenie je van haar stenen sokkel aankeek.

De veemarkt op de Oosterstraat en Aukje en Pieter met hun slingers – een bal aan een touw met crêpepapier staarten – in de Mauritsdwarsstraat; juni 1953.

Zweeptollen op de Mauritsstraat; augustus 1953.

De combinatie van het overlijden van Dietert en de nieuwe baan van Ab met de daarbij behorende auto is vermoedelijk de aanleiding geweest voor het bezoek dat Anna bracht met het gezin van Aly en Ab aan Pahlhude. Op doorreis brachten zij een bezoek bij Onkel Heinrch in Hamburg. De totale ruïne als gevolg van de enorme oorlogsbombardementen en de overvloed aan taart stond de jongste gezinsleden nog scherp in het geheugen. Het moet voor Anna een emotioneel bezoek zijn geweest; ze was heel lang niet meer ‘thuis’ geweest en hoewel er kennelijk sprake is geweest van een geregelde correspondentie, moet de oorlog, die de wereld verscheurde, ook op dat terrein sporen hebben gelaten.

De ontvangst was allerhartelijkst, weten de nazaten van Aly en Ab zich te herinneren. In Pahlhude werd volgens jongste dochter Aukje gelogeerd bij Tante Frieda en Onkel Emil; ze hadden twee zoons: Hans-Hermann en Ernst-Günther. Ze woonden in een boerderij met een mooi paard en een hooiberg en de wegen waren toen deels nog onbestraat. De drie kinderen herinneren zich dat er een molen was bij de boerderij, maar kunnen zich geen beeld voor de geest halen van grote wieken en dergelijke. Oom Emil miste een halve vinger, dat werd als een vaststaand feit beschouwd: die was in de molen gebleven.

Filmbeelden uit Pahlhude; augustus 1953.

Het was een bijzonder bezoek dat aan beide kanten indruk maakte. De auto bijvoorbeeld was een bezienswaardigheid die onveranderlijk werd omstuwd door een kluwen kinderen. Wij van onze kant keken weer onze ogen uit op de wc die in een varkensstal was gesitueerd, alleen afgescheiden door een paar lappen die niet geheel dekten. Je moest of er onder begeleiding van een deurwacht naar toe of heel hard zingen. Aukje, die op school niet mocht meezingen vanwege een te veel aan uitzonderlijke noten, was op dit laatste  sterk in het voordeel. De Duitse familie maakte zich ook ernstige zorgen over onze geringe eetlust. Emil en zijn zonen bleken na tafel naar de keuken te vluchten om daar serieus verder te eten. Vooral Aly was een scharminkel. En je zag de vertwijfeling in hun ogen: kon Ab haar niet meer bieden?

Maar vooral bleef de herinnering aan een overweldigende warmte. Het halve dorp was familie van ons en overal werden we ontvangen met tafels vol taart waar je van moest eten. De jongens waren uit hun bed verjaagd en sliepen op de hooiberg. Aukje begreep met haar tien jaar niet geheel waarom haar ouders het niet gepast vonden dat zij daar ook sliep: het leek haar zo leuk. Een van de verre nichten kon vreselijk mooi borduren en Anna en dochter Aly kregen prachtig geborduurde tafelkleden, die nu nog in het bezit zijn van Ankie. Toen Aukje later – na een vakantiekamp op een Duits Waddeneiland – nog een keer met Aly en Ab in Pahlhude was, had  het dorp zich ‘gemoderniseerd’. Wim Sonneveld zong daar al over: ook het tuinpad van Anna’s vader was niet meer wat het geweest was.

Tafelkleed, met rechts detail, gemaakt door een naaldkunstenares in Pahlhude.

Afbeelding met buitenshuis, hemel, wolk, gebouw

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Panorama van Pahlen-Pahlhude met de molen en het Kriegerdenkmal van Dörpling. Is dit ‘onze’ molen?

Wij troffen Oma Anna, zoals een geliefde oma betaamt, al eerder op de foto’s van familiefestijnen: de doop van de DIETERT, de verloving van Anneke en de zilveren bruiloft van haar ouders. Mooi zijn ook de stilgezette filmbeelden van de proefvaart van de ANK WINSEMIUS, waarop ze geniet van het gezelschap. Er zijn ook herinneringen aan de keren dat ze kwam logeren in Scheveningen, telkens een feest voor de kleinkinderen.

Op de voorste rij links naast Ali, Adrie en bouwer Vos bij de doop van de DIETERT; 1955. Rechts: Bij de zilveren bruiloft van Henk en Adrie met Oma Sjouk en Anneke en Jan; 1957.

Oma Anna begroet gasten en drinkt koffie met Ab’s vader Piet Winsemius tijdens de proefvaart van de ANK WINSEMIUS; 5 mei 1958.

De volgende jaren bleven de bezoeken aan Groningen op de agenda staan. Aukje verbaast met haar scherpe geheugen: “Oma hield van kaarten, dus speelde je in de Mauritsstraat eindeloos patience en dubbel-patience met haar. Oma logeerde ook heel vaak in de Mechelsestraat, Dan ging ze vaak met Perry en een van ons in het bos wandelen. Dat was fijn en dan kon je heerlijk samen praten. We speelden dan ook met zijn allen canasta en joker. Het zou best kunnen dat we al die kaartspelen van haar geleerd hebben, in ieder geval niet van vader Ab. Ankie herinnert zich dat vader Ab het van Oma leerde. Hij had het thuis niet geleerd, want kaartspelen was zondig.” “Ook waren er de typisch Groningse Oma-lekkernijen: bebogeen (zoete broodpasta die in het westen niet te krijgen was), oude wijvenkoek, die Oma ook altijd voor me mee bracht als ze kwam logeren, en kantkoek. Toen Oma op de Van Iddekingeweg woonde, gingen we klokslag 11 uur naar de bakker op de Hereweg, want dan kwam de kantkoek uit de oven. Als vader Ab me bij Oma bracht of ophaalde maakte ze steevast krentjebrij voor hem. Hij smulde.” Overigens wist zij ook dat Oma Anna op dat moment nog steeds huizen had. Ze is nog wel eens mee geweest met huur ophalen.

Oma Anna achter het huis in Scheveningen met familiehond Perry.

“Wat deed Oma zelf als wij bij haar logeerden of zij bij ons was? Behalve met patience spelen zie ik Oma in gedachten bijna altijd bezig met handwerken: breien (wij moesten net als voor moeder Aly, de streng wol ophouden), haken, en Ankie herinnert zich dat Oma ook kantkloste. Ik herinner me dat niet, maar wel de kanten kleedjes die op de rugleuning van de stoelen lagen. Maar Oma beoefende zeker nog meer vormen van handwerken. Voor mij knoopte ze een smyrnakussen en een kussenovertrek met een decoratief borduurpatroon. Ook kreeg ik van Oma een pop in een door haar gemaakt padvindsteruniform, compleet met geknoopt fluitenkoordje, en een sieradendoosje in de vorm van een hoed. Dit laatste is gehaakt met plastic draad om pitriet heen. Oma leerde mij deze techniek. Ik was trots op het pindabakje dat ik ermee voor haar gemaakt heb. Ik hield erg van knutselen en heb Oma met Sinterklaas en op haar verjaardag vaak verblijd met mijn producten.”

Handwerkproducten van Oma Anna voor Aukje.

Waar het ook was, altijd was er Oma met haar hartelijkheid. Sommige mensen zijn lieve mensen en onze Oma was dat in het kwadraat. De laatste jaren van haar leven is ze verhuisd naar een flat aan de Van Iddekingeweg, iets verder buiten de stad in de deelgemeente Helpman. Het alleen zijn viel haar zwaar. Ze ging daarom wel eens naar bijeenkomsten van de Lutherse kerk in Stad. Lenie was verbaasd en vroeg wat haar dan zo trok. Anna moest even nadenken en zei toen: “Och, ze schenken daar heel redelijke koffie.” Ze heeft ook lange tijd verpleegsters van het RK Ziekenhuis ‘op kamers’ gehad, enerzijds om een zakcentje bij te verdienen, anderzijds om het alleen-zijn wat te onderbreken. Tegen Lenie heeft zij echter wel eens gezegd dat zij er weinig gezelligheid van ondervond want de meeste meiden hadden een vrijer en dan was een “oud mens” niet meer zo interessant. Een uitzondering was een aardige boerendochter uit de Noordoost Polder, Jos. Huishond Perry uit Scheveningen verhuisde in 1959 toen Pieter naar Amerika ging en zijn ouders naar Genève, naar haar ouderlijke boerderij waar hij een perfect onderdak vond.

Oma Anna voor haar woning op de Van Iddekingeweg.

Oma met kleinzoon Pieter, augustus 1960.

Het bleef een voorrecht haar op te zoeken en thee te drinken zoals dat tussen oma’s en kleinkinderen hoort. Aukje vond met een vriendinnetje onderdak toen ze een fietstocht maakten door Friesland en Groningen; Pieter brommerde vanuit Den Haag om haar na zijn terugkeer uit Amerika te omhelzen. “Oma’s laatste Kerstmis waren wij over uit Genève”, vertelt Aukje, “en heb ik bij haar gelogeerd. Samen versierden we de kamer. Met Kerstmis waren Oom Henk, Tante Adrie, Anneke en Jan er. Oom Henk zat in een rolstoel. We hebben onder grote hilariteit volleybal gespeeld met een ballon. Niet erg kerst-achtig, maar iedereen deed mee en we hadden met zijn allen reuze pret.”

Ongeveer een half jaar voor haar overlijden logeerde Oma Anna bij Aly en Ab in Genève. Volgens familieanekdotes werd zij, voorgelicht door haar schoonzoon die haar onderwees in het fraaie toneelspel van de hoofdrolspelers, een fanaat aanhangster van het edele catch as catch can dat op de televisie werd vertoond. Ze genoot en was dankbaar. We maakten een autotochtje door de bergen, herinnert Aukje zich, en Oma bleef maar herhalen: “Dat ik dit nog mag meemaken!”

Korte tijd later, in september 1960, liet haar gezondheid haar in de steek. Tijdens een bezoek aan Lenie in Bennebroek werd in een Haarlems ziekenhuis water achter de longen geconstateerd. Aly stond op het punt om met Ab mee te gaan tijdens zijn eerste bezoek aan Singapore, Het was bovendien een ingewikkelde tijd in haar gezin: Pieter was net in Leiden gaan studeren en liep groentijd, Aukje moest na een jaar Genève haar draai hervinden op het Haags Montessori Lyceum. Aly liet echter het zwaarst wegen wat het zwaarst was en ze trok drie maanden bij haar moeder in om voor haar te zorgen. Op Aukje’s verjaardag bracht Aly een brief mee, die ze nog steeds als een van haar dierbaarste bezittingen koestert.

Verjaardagsbrief van Oma aan Aukje; 2 november 1960. De datum boven de brief is te beschouwen als een foutje van Oma; de zeven is er gewoon uitgefloept.

Ongeveer twee weken later overleed Oma op 18 november 1960. Ze werd begraven naast haar Dietert. Aukje zei het namens de nichten en neven: “Wij kleinkinderen hielden van Oma en Oma hield van al haar kleinkinderen. Moeder Aly zei de laatste jaren van haar leven vaak: ‘Ik heb een goede moeder gehad’.”

Het graf van Dietert Schreiber en Anna M. Petersen.

11c. Henk Schreiber en Adrie van der Veen

Het heeft er schijn van dat ten tijde van het huwelijk van Henk en Adrie op 25 april 1932 hun woning op de Steenhuisstraat 18 te Vlissingen nog niet geheel gereed was, maar dat duurde in dat geval niet lang want al spoedig treffen we ze op gelukkige prenten achter hun huis. Henk was toen ook in dienst getreden van het loodswezen.

Vroege foto’s op de Steenhuisstraat 18 te Vlissingen.

Op de boulevard…                                        … in de duinen….

… en natuurlijk op het strand.

Een zeer bijzondere foto roept meer vragen op dan hij beantwoordt. We zien Henk op de achterste rij in het midden, omgeven door een gemengd bedrijf aan voetballers, vermoedelijk maten van het loodswezen of de opleiding daartoe. Op het eerste gezicht lijken het geen beroepsspelers, slechts weinigen beschikken over een kostuum. Toch is volstrekt duidelijk dat Henk een van die drie uitzonderlijken is en dat doet vermoeden dat hij een voorhistorie heeft binnen het georganiseerde voetbal in Groningen. Steeds hebben we hem verdacht van geringe sportieve belangstelling; wellicht moet we tachtig jaar na dato onze mening herzien en de geschiedenis van roemruchte Noordelijke verenigingen als Be Quick en Velocitas doorploegen op de naam Schreiber

Henk als centrale man op achterste rij van een Vlissings gelegenheidselftal.

Op 23 december 1933 schonk Adrie haar schoonouders hun eerste kleinkind, Anna Margareth oftewel Anneke. Ze kent een vrolijke en gelukkige start van het leven. Het leven in Vlissingen is mooi, zo vlak aan zee. Iedereen van de familie komt dan ook gauw langs om met de jonge spruit kennis te maken. Maar al spoedig kan de kleine op eigen benen staan en de wereld verkennen.

Nieuwsblad van het Noorden, 27 december 1933.

Anneke geboren; Vlissingen, 23 december 1933.

De jonggeborene met haar vader…             … en haar oma.

Wandelen met Oma…                                          … en met Tante Lenie.

Anneke verkent de wereld; 1934/5.

De volgende jaren werkt Henk bij het Nederlandse Loodswezen. Bij zijn aanstelling als Loods krijgt hij een identificatiepenning met nummer 9.

Henk als Loods …                               …met zijn bijbehorende identificatiepenning.

Loodsboot nummer 18, één van de bekendere loodsboten uit die tijd, met vermoedelijk Adrie als gaste aan boord.

Het Vlissingse loodswezen in actie.

Het is een bijzonder moment: uit de albums kwam een foto naar boven van een lachende Henk samen met een eveneens stralende Adrie op de duinrand bij Vlissingen. Het staat hem goed, maar het gaat hem ook goed. De foto’s van peuter Anneke in uiteenlopend gezelschap getuigen van harmonie. Je kan je niet onttrekken aan het gevoel dat ze – zoals meerdere foto’s illustreren – een bepaalde manier van poseren heeft ontwikkeld, het hoofd iets schuin met wat dichtgeknepen ogen. Het kan ook zijn dat de grote haarstrik zwaar weegt; ze slaapt er vermoedelijk mee.

Henk en Adrie in de Vlissingse duinen.

Strandfoto van Anneke met haar moeder en Oma en Opa Schreiber; 1936.

Je kunt er niet altijd fotogeniek bij zitten.

Met Tante Aly…                                                       …en met Tante Lenie.

Met haar moeder en Oma van der Veen en onbekende baby; en op het strand bij Vlissingen met Adrie met Tante Jo, beide anderen onbekend.

Met Opa Dietert en Oma Anna…                …en met Opa Hendrik en Oma Sjouk.

Opa Hendrik overleed in 1939, maar Oma Sjouk speelt later een belangrijke rol in als thuisbasis voor Anneke als Adrie meevaart met Henk. Ze vaart ook zelf een enkele maal mee aan boord van de AEGIR. Henk en Adrie zijn inmiddels geheel geïntegreerd in het Zeeuwse, de dames weten zich zelfs op gepaste wijze te kleden om niet uit de toon te vallen te midden van de inboorlingen.

Staatsieportret…                                                                       …en vermomd als Zeeuwsen.

Het huiselijk leven van Adrie en Henk ontwikkelde zich die jaren tot volle tevredenheid. Anneke groeide op en er zijn fraaie foto’s die getuigen van een groeiende burgerlijke status: Henk in pak met hoed en – zeien we het goed? – horloge aan een ketting in de vestzak, wandelend op de boulevard. Er zijn familiebezoeken waarbij kennelijk verplicht geposeerd werd met een reddingsboei van het loodswezen en er zijn vrolijke badfoto’s waarop we ook menen rechtsboven Aly te herkennen. Mooie verhalen waaiden over, bijvoorbeeld van het bezoek dat Lenie met haar verloofde Sjoerd van der Baan bracht. Sjoerd is toen een aantal keren mee geweest op de loodsboot maar het ontbrak hem aan zeebenen. Henk kon nog jaren smakelijk ophalen hoe Michiel de Ruyter op diezelfde plek grote triomfen had gevierd en hoe zijn aanstaande zwager straal zeeziek over de zee-railing hing en zei: “Alle respect voor De Ruyter.”

Vlissingen; 1935-1939.

Anneke; ca. 1939.     

Henk en Adrie moesten tijdens de oorlogsjaren gevoelige afwegingen maken. Direct bij het begin van de bezetting van de Duitsers in Nederland ontstond een tweespalt bij het Vlissingse loodswezen. Onmiddellijk na het binnenvallen van de Duitsers is een aantal loodsen met de laatst vertrekkende schepen vertrokken naar Engeland. Zij wilden direct al niet meer terug of kregen de kans niet om terug te keren. Zij werden daar in eerste instantie opgevangen in speciaal daarvoor ingerichte kampen omdat men geen idee had of zij te vertrouwen waren. Al gauw bleek dat ze juist hele loyale zeemannen waren die ook later in de oorlog als kapitein op verschillende schepen hebben gevaren.

De Nederlandse loodsen die in eerste instantie achterbleven, waren niet erg Duits gezind en weigerden Duitse oorlog schepen richting Vlissingen en Antwerpen te loodsen. Immers Nederland was niet in oorlog en er was een oude regel om schepen die onder een vlag voeren van een land in oorlog niet te bedienen. De eerste commandanten van het Loodswezen hebben geprobeerd dit  vol te houden en de Duitsers waren in den beginne terughoudend hier tegen op te treden omdat zonder de loodsen de wateren van de Schelde een heel verraderlijk gebied was en ze de toegang tot de havens erg nodig hadden.

Later kwam het bestuur rechtstreeks in Duitse handen en werden de loodsen voor de keus gesteld of meewerken of eruit en op strafkamp naar Duitsland. Henk moest een soort van solidariteitsverklaring voor de Duitsers te tekenen. Deed je dit dan kon je promotie maken, deed je dit niet dan lagen de kaarten heel anders. We weten zoveel jaar na dato niet welke vrijheid hij hierin heeft gehad. Wel was het zo dat alles wat Duits was bij hem veel minder een vijandbeeld opriep dan bij menig ander in Nederland. Hij was immers voor vijftig procent Duits, was daar geboren en er waren nog steeds innige banden met de Duitse familie. Hoe dan ook, Henk tekende en maakte promotie. Hij verhuisde naar Antwerpen en kreeg daar een comfortabele kantoorbaan. Dat dit niet goed viel bij zijn voormalige Vlissinger collega’s, spreekt bijna vanzelf. 

In Antwerpen had hij een administratieve functie. De enige verhalen die er zijn, komen van Anneke die naar haar zeggen een plezierige herinnering aan wat zij als kind van negen tot twaalf jaar daar heeft meegemaakt. De rapporten uit die tijd geven een beeld van een meisje wat goed kon leren. Nergens blijven zitten en zeker gemiddeld een cijferlijst van boven een 7. Ze had ook een vriendje Antoine waar ze veel mee speelde. Hij was van katholieke huize, iets wat haar geheel onbekend was. Hun gezamenlijke bezoeken aan de katholiek kerk in Antwerpen hebben een grote indruk op haar gemaakt, vooral het gebouw en de grootse kerkelijke bijeenkomsten. Wou ze haar vader bezoeken in het loodsgebouw aan de Tavenierskaai in Antwerpen, dan kon ze alleen bij hem terecht wanneer het rode lampje aan de deur van zijn kantoor uit was.

Anneke – midden op de middelste rij – op de lagere school in Antwerpen.

Schoolfoto van Anneke.

De na-oorlogse periode was voor Henk en zijn gezin zwart gekleurd. Hij werd als collaborateur aangemerkt en werd geïnterneerd in een soort van ‘strafkamp’ in Vught, waar hij vermoedelijk zo’n zes maanden verbleef. Hij sprak nooit over deze donkere periode, maar in 1993 schreef hij een tekst in zijn dagboekschriftje:

“Herinnering Wereldoorlog II.

In time of war and not before

God and the sailor we adore ashore

But as soon as the war is over and peace remitted

God is forgotten and the sailor quitted.”

In 2024 mocht kleinzoon Douwe bij het nationaal archief de file van zijn opa inzien. Er waren nog geen tien documenten, elk met een schriftelijke verklaring van verschillende personen over Henk Schreiber gedurende zijn werkzaamheden als loods in Vlissingen en Antwerpen. Hoewel er wel sprake was van sympathieën voor het Duitse gezag, heeft hij zich nooit schriftelijk willen aansluiten bij de Duitse organisatie. De meeste verklaringen gaven een beeld van zijn zachtaardigheid en zijn plichtsgetrouwheid voor zijn vakgebied.

Na zijn vrijlating werd daarna echter snel duidelijk dat een voortzetting bij het Loodswezen niet mogelijk was. Maar wat dan wel? Hij had papieren voor de Grote Vaart, maar een keus voor hem lag voor meerdere bedrijven moeilijk vanwege zijn verleden en het was voor Henk erg deprimerend om dit te ervaren. Er waren serieuze gesprekken met Roelof Kramer, destijds mede-eigenaar van de ANNA  ELISABETH, om in de periode rond 1947 alsnog nieuwbouw te gaan plegen. Vanwege materiaalschaarste was het sowieso erg lastig om alle bureaucratische belemmeringen op te lossen, maar Roelof en  Dietert konden het volgens het verslag van Anna niet eens worden over de vraag wie van de twee op de fiets zou stappen om een eerste bezoek te gaan afsteken bij de werven aan het Winschoterdiep. Dietert had ook al niet meer de veerkracht om alle hobbels te overwinnen.

In de eerste naoorlogse jaren was het lastig voor hem om in Groningen in de zeevaart aan de slag te komen. Het was dan ook een opluchting dat de reder Roelof de Winter, die twee coasters had, Henk in de rang van stuurman wilde monsteren op de AEGIR. De AEGIR was met brt 277, dwt 330 een kleine coaster. Het schip was gebouwd bij G. & H. Bodewes  in Martenshoek en werd te water gelaten als ANNAGYBE, maar al in 1940 herdoopt tot AEGIR. Al snel werd hij op dat schip kapitein. Het waren overwegend reizen naar Zweden waar hout en houtproducten werden gehaald. Gouden tijden voor de coasters, want de verdiensten – zeker in de ‘houtvaart’- waren destijds enorm.

De AEGIR.

Goed te zien hoe hier het schip beladen werd met houten kratten.

Dagelijkse beelden rond de AEGIR.

De AEGIR aan lager wal.

Moeder Anna is de familie De Winter zeer erkentelijk geweest voor dit vertrouwen; ze bleef er zich lovend over uitspreken. Ook de rest van de familie leefde intens mee. Zwager Ab monsterde op 11 mei 1948 in Delfzijl als ‘hofmeester’ voor een werkvakantie van een kleine twee weken op de AEGIR.

Monsterboekje Ab; mei 1948.

Toch bleef de oorlog ook later een schaduw op hem werpen. Jouke herinnert zich hoe hij tijdens een van zijn scheepsreizen met zijn Oom Henk en de stuurman op de brug stond. Nadat zij uit de sluis bij Terneuzen kwamen en de Schelde afvoeren richting zee, zei Henk: “Ik geloof dat ik mij maar een poosje niet laat zien”, en verdween naar de salon. De zeeloods kwam aan boord en zei na een poos: “Die Schreiber is hier toch kapitein?” “Ja,” zei de stuur, “maar die is nu van wacht af.” “Dat is maar goed ook,” reageerde de loods, “want die hoeft zich in Vlissingen niet meer te laten zien.” Nadat de loods op een gegeven moment weer van boord ging, kwam Henk weer boven. “En,” vroeg hij, “is er nog wat gezegd?” Stuur en ik konden beiden beamen dat zijn afwezigheid niet onopgemerkt was gebleven.

Niet alleen Henk maar ook Adrie en Anneke werden vanzelfsprekend hard geraakt. Anneke’s zoon Douwe Jan stuurde een paar stralende foto’s van zijn moeder, gemaakt rond haar 15e jaar. Over deze lange en moeilijke periode is in de familie nauwelijks gesproken, weet ook hij. Het moet redelijk traumatisch zijn geweest als je met je moeder op twaalfjarige leeftijd mee moet naar je vader die verblijft in kamp Vught. Er is gezegd dat ze in hun loop naar het kamp vaak werden bespuugd en uitgejoeld door omstanders. De omstanders vonden dat van zelfsprekend maar wat voor sporen laat dit in het brein van een jonge en kwetsbare puber?? Anneke kent later in haar leven een aantal depressies waar ze zich al werkend uit terugvecht.

Anneke als weer stralende tiener en als straatmuzikant in de Oosterbadstraat.

Het gezin herenigd in de Mauritsstraat; ca. 1946. Bovenste rij v.l.n.r.: Henk, Adrie, Ankie en Anneke. Midden: Oma Anna met Aukje op schoot en Opa Dietert. Voorste rij: Ab, Pieter en Aly.

Adrie werkte in de eerste naoorlogse jaren als cassière bij de tearoom Indië in de Herestraat. Jouke herinnert zich dat hij vaak bij die kassa moest wachten wanneer Lenie aldaar een sociale babbel met haar maakte. Wat vele Groningers nu niet meer weten en misschien nooit geweten hebben: lndië was in die tijd een trefpunt voor jonge kunstenaars. In de roemruchte jaren van Kunstkring De Ploeg was het, naast Koos Kerstholt, vooral de Bodega Dik in de Guldenstraat waar de kunstenaars elkaar troffen. Werkman, Herman Poort, Dijkstra, Johan van der Woude, Martens, Mr. Elias en vele anderen troffen elkaar in deze onvergetelijke Bodega aan de genieëntafel. Min of meer reactie op het latere arrivisme van de Ploegers verzamelden in de laatste jaren voor de oorlog een aantal jonge dichters en schilders zich in een helaas te zwak en chaotisch opgezette kunstenaarskring Het Drieluik, waarvan de leden meestal te arm waren om cafés als Dik en Kerstholt te frequenteren. Enkele jaren achtereen zag men daarom in Indië dagelijks wel een paar jonge schilders of dichters, in discussie over hun werk of bezig met het op touw zetten van een feest.

Deel van de prijslijst van tearoom Indië; Adrie moet die geheel hebben beheerst.

Adrie heeft daar stellig ook regelmatig afgerekend met Jan Lucas van der Baan, de echtgenoot van Peta Edzes en de jongere broer van haar zwager Sjoerd. Als kunstschilder en tekenleraar had hij zich rond 1940 als lid van De Ploeg aangemeld maar de ballotage voorkwam dat hij toen reeds lid werd. Rond 1945 werd hij echter wel lid. Hij had vooral contact met een aantal zeilende Ploegleden, in het bijzonder George Martens. Van Anneke verschijnen ook weer de eerste ‘normale’ foto’s.

Links: Anneke met haar nichtje Ankie op een zeilboot. Rechts: Anneke als oudste van het stel voor op het paard. Tweede van achteren is Ankie.

Het duurt niet lang of we zien Adrie op de foto’s verschijnen aan de zijde van de kapitein van de AEGIR. Het is ongetwijfeld een enorme omschakeling geweest, het schippersbestaan zat haar niet in het bloed. Hoewel ook Anneke op veel ‘varende’ foto’s figureert, beleeft dochterlief niet veel plezier aan de scheepsleven. Haar ‘troost’ aan boord was gelegen in hond Anko; naar verluidt waren ze dan onafscheidelijk. Ze is echter altijd zeeziek. Het gaat te ver om wetenschappelijke conclusies te trekken, maar het lijkt er op dat sterke genetische banden Anneke koppelen aan haar Tante Aly. Ook zij immers was sterk modebewust en supersnel zeeziek.

Henk en Adrie aan boord van de AEGIR…

… en nogmaals – tweede en derde van rechts – met de bemanning.

De moeilijke periode na de Oorlog is voorbij en vader en dochter zitten weer vol in het leven, terwijl moeder en dochter blijven meedoen met de laatste mode, ook op brillengebied.

Had vader Henk zijn hond Tommy, Anneke had Anko.

Drie generaties aan boord van de AEGIR: Anneke met Oma van der Veen en Adrie.

De zeeziekte gaat wel gauw weer over als ze aan land is, maar omdat toch meerdere dagen op zee moet worden gevaren, is het steeds ziek zijn een reden om veel in Groningen te blijven  bij haar ‘tweede moeder’, haar Oma van der Veen. Zo nu en dan, als het een poosje niet anders kon, vond ze ook onderdak bij Oma Anna, maar Oma Sjouk had haar voorkeur: ze was veel minder streng. Anneke had er meer vrijheden en kon vaker en / of later met haar vriendinnen op stap. Ze had het daar gezellig samen met haar tante Jo, de zus van Oma, die kennelijk wat langer ongetrouwd is gebleven. Ze kon veel kattenkwaad uithalen met Jo. De verhalen van de dode muizen in de schoen en het verwisselen van havermout met cement zijn blijvende verhalen gebleven die ook werden gedeeld met haar kleinkinderen. Ze moest ook wel in Groningen blijven om haar studie te kunnen voltooien. ‘Tante Jo’ heeft later twee kinderen gekregen toen ze getrouwd was met een bakker uit Appingedam. Hun zoon Henk is destijds onder tragische omstandigheden overleden. Jo woonde in Appingedam aan het kanaal in huizen die bekend waren om hun keukens die boven het kanaal hingen. In een winterperiode is Henk al slaapwandelend uit het raam gevallen en in het half bevroren kanaal verdronken.

Anneke met haar moeder en tweede moeder Sjouk van der Veen.

Toen Lenie met haar gezin in 1949 met verlof naar Nederland kwam, vestigden zij zich tijdelijk in Haren en bezochten de familie in Stad en Ommelanden uitgebreid. Jouke herinnert het zich met enige benauwenis: “zo veel familie, maar slechts weinig tot de verbeelding sprekend (in die tijd)……totdat wij oom Henk ontmoetten. Hij was inmiddels kapitein op de AEGIR en wij kwamen aan boord toen zij met een lading hout vanuit Scandinavië de Oosterhaven van Stad binnenvoeren. Dat was nog eens een belevenis! Een oom die met een echt zeeschip de plaats binnenvoer!” Het bezoek liet sowieso een diepe indruk: “Ik kon mij ook herinneren dat nicht Anneke toen een heel speciale, Zweedse fiets had en daar was ik knap jaloers op.”

Het gezin had zijn draai weer gevonden. Henk stuurde zijn nichtje Aukje – zo’n zes jaar oud – een mooie wens voor haar poëziealbum, compleet met schetsje van de AEGIR op volle zee. Dit soort kleine tekeneinkjes was een specialiteit van hem en hij was er goed in. Verrassend treffen we hem in 1951 ook zonder schip, ver van huis op een mooie zomerdag met zijn twee vrouwen flanerend over straat in het Zuid-Franse Montpellier.

Mini-vers van Henk in poëziealbum van Aukje; 15 januari 1950.

Flanerend in Montpellier; 1951.

Henk heeft de AEGIR gevaren tot 1950. In latere jaren werd de naam nog een aantal malen gewijzigd toen het schip in andere handen overging, in 1955 in RIA en drie jaar later in MARTINA. Op 22 maart 1958 onderweg van Uddevalla naar Duisburg is de AEGIR gekapseisd op 2 mijl van Esbjerg.

Rond die tijd kon Henk kapitein-aandeelhouder worden van de SWALLOW; een nieuwbouwproject van 750 DWT van Bodewes Scheepswerven te Martenshoek. De familie Bodewes was voor 5/9e deel eigenaar, de Groningse scheepsverzekeringsmakelaardij van de familie Van der Meulen voor 3/9e deel en Henk – financieel gesteund door zijn beide zwagers – voor 1/9e deel. Omdat in de naam van het makelaarskantoor de naam Seven voorkwam, had het schip BSM op de schoorsteen staan, hetgeen zou betekenen Bodewes Seven Maatschappij. Bij haar schoonmoeder thuis zat Adrie te studeren voor haar examen marconist, aangezien zij de papieren ging halen en niet Henk. Aangezien zij regelmatig overlegde met haar man, raakte Henk ook volledig op de hoogte van de marconie en leerde de finesses van het simplex en duplex radioverkeer. Een mooie kanttekening: de materiaalschaarste voor de scheepsbouw heeft ook nog even gespeeld bij de bouw van de SWALLOW. De bouwers hadden problemen met de aanschaf van de voortstuwingsmotor en hebben toen een MAN-diesel kunnen bemachtigen die als herstelbetaling uit Duitsland naar Nederland was gekomen en in feite was bedoeld voor een onderzeeër van de Kriegsmarine. Het was dan ook een motor van een speciaal, compacter ontwerp en aanvankelijk was men ook een beetje wantrouwig. Maar het bleek ‘een-dijk-van-een-motor’ te zijn en uiteindelijk waren ze er erg gelukkig mee. 

De SWALLOW in aanbouw, nog zonder stuurhut, maar klaar voor de tewaterlating.

De tewaterlating – met het schip dwarsscheeps in het nauwe kanaal en daardoor hoge golven die de huizen op de oever dreigden te overspoelen – was een ouderwets feest. De ‘watersnood’ is goed te zien op een serie opnames uit de korte film die Ab maakte. De mensen die daar woonden – vaak werfarbeiders – kregen bij een tewaterlating een soort van schade-uitkering van de werf omdat ze hun meubeltjes op zolder moesten zetten en de vloedgolf uit de kamer moesten dweilen. Ze probeerden wel met planken etc. het water buiten de deur te houden, maar dat lukte slechts ten dele.

Vlak voor de tewaterlating met Adrie op de voorgrond. Rechts: de doop door Mevrouw Bodewes; Adrie kijkt geboeid toe; 13 december 1950.

Filmbeelden van de tewaterlating; 13 december 1950.

Jouke heeft de tewaterlating net gemist, maar heeft de proefvaart wel mee gemaakt. Hij moest naar de middelbare school en kwam met de Kerst van 1950 met het vliegtuig van Curaçao naar Nederland. Hij werd in eerste instantie bij Opa en Oma van der Baan in Helpman gehuisvest, daarna bij Oom Jan van der Laan en Tante Peta, die we al van dichtbij kenden uit de sportieve carrière van zijn moeder. Jouke – nog geen 12 jaar oud – herinnert zich in detail het festijn met een hoop volk en catering (dat woord bestond toen nog niet, maar het was er niet minder om) aan boord. “Wij voeren door de Bocht van Watum langs Delfzijl en op een zeker moment werd er nog geroepen van de fotograaf”, vertelde hij. “Het bleek om één van de staatsiefoto’s van het schip te gaan: de werf zorgde voor een goede foto bij de tewaterlating en idem bij de proefvaart. Omdat wij ook ‘aandeelhouder’ waren, hadden mijn ouders thuis ook de officiële proefvaartfoto van de SWALLOW hangen.”

De proefvaart van de SWALLOW met een kleumende Anneke in het gangboord en het schip feestelijk gepavoiseerd; 15 februari 1951.

De proefvaart maar dan gefotografeerd door de officiële fotograaf, vrijwel zeker Dijkstra uit Delfzijl, de ‘hofleverancier’ van werven en reders.

Stoere foto van Henk als verantwoordelijke kapitein. “Zijn de trossen achter ook los ?, dan kunnen we weer verder.”

Neef Jouke ontwikkelde die jaren een toenemende fascinatie met de scheepvaart die werd gevoed door de vakantiereizen die hij maakte aan boord van de SWALLOW. Zijn verhalen brengen het scheepsleven van Henk en Adrie nu nog scherp op het netvlies. Zijn eerste reis met dit schip, zomer 1951, is bijna een jongensboek. “Met Oom Henk en Tante Adrie was ik met Meint van der Meulen per openbaar vervoer eerst naar Plymouth gereisd en van daar ging het naar Bayonne.” 

In de voetsporen va Henk plaatste ook Jouke een versje en schets in het poëziealbum van Aukje; 21 december 1953.

Gloedvol verhaalde hij van de overtocht. “Het was meteen bingo. Het weer was redelijk, maar in de buurt van Ouessant ontwaarde de stuurman een scheepje dat noodseinen gaf. Oom Henk (vrij van wacht) werd gewaarschuwd en wij er op af. Zoals later bleek ging het om een ex-Duits marineschip, een z.g. Vorpostenboot van een meter of 20, die als oorlogsbuit naar Engeland was opgebracht en in deze tijd (1953) naar Italië was verkocht. Het schip zou door een stel runners daar heen worden gebracht. Nu stonden er  wel twee flinke karren in maar onbekwaam personeel had eerst de eerste motor stuk gedraaid en even later ging de andere. Ze dreven al een poos rond en gingen naar lager wal, richting rotsen van Ouessant. Alles wat brandbaar was hadden ze reeds op het achterdek opgestokt en meerdere schepen waren in de buurt gepasseerd. Wij waren dan ook meer dan welkom. Het ging echter niet eenvoudig. De tros bestond uit een staaldraad en een kokos voorloper (rekker) en twee maal brak deze, terwijl een matroos zijn arm tussen tros en bolder kreeg bij beleggen (zeer pijnlijk; was ook niet zijn vak). Enfin, wij zijn goed en wel in Bayonne met onze sleep binnengelopen. Toen zij bij ons aan boord kwamen, waren zij zelfs zeer ontroerd. De kapitein was nota bene een Nederlander, ex-zeeman (weet niet meer of hij uit Groningen kwam), die met een Engelse dochter van een kroegbaas was getrouwd en aldus ook kroegbaas was geworden en dit was een soort van vakantie-uitje voor hem (maar was haast een nachtmerrie geworden).”

Superkleine foto’s gemaakt door Jouke van de Vorpostenboot op sleeptouw; zomer 1951.

In de Zuid-Franse havenstad maakte hij een staatsieportret van het schip. “Ik moest daarvoor in een forse havenkraan klimmen, maar de moeite werd beloond. Deze foto hing bij Oom Henk en Tante Adrie in de hal van hun flat aan het Wielewaalplein.” Niet zonder reden concludeerde hij als 12-jarige: “Het was een spectaculaire reis.”

Links: staatsieportret van de SWALLOW, gefotografeerd door Jouke. Rechts: Frans krantenberichtje van de redding van een schip-in-nood; zomer 1951.

Jouke’s beschrijvingen schetsen ook kleurrijk de dagelijkse gang van zaken binnen het echte varend bedrijf, die eerste jaren gezien met de ogen van een joch van een jaar of dertien, veertien. “Het schip had in die tijd 9 bemanningsleden; kapitein, stuurman, 1e en 2e machinist, kok, bootsman en 3 matrozen (dat konden dan weer zijn volmatroos, matroos o/g (=onder de gage) en lichtmatroos). Hoewel ik er qua rangorde voorlopig een beetje bij bungelde als een jong soort van lichtmatroos, kreeg ik toch een vorm van ontgroening aan boord. Eén van de eerste dagen liep ik de bootsman voor de voeten voor werk en die wist niet goed wat hij met mij aanmoest tot die twee plotseling zei: oh, Jouke, ik heb het olie-kniptangetje nodig en dat is bij de meester. Ik meteen de machinekamer in en naar de meester en, hoewel deze vaak tamelijk chagrijnig was, verwees hij mij allervriendelijkst door naar de stuurman, die op zijn beurt weer naar de kok verwees en bij nr. 4 begon ik nattigheid te voelen en ging eens poolshoogte nemen bij oom Henk wat een olie-knip-tangetje nu precies voor een apparaat was. Oom Henk stond toen te schateren van het lachen en zei dat ik er aardig was ingetuind. Tja, dan kijk je even beteuterd.” 

“Het maakte enorm veel uit voor het sociale leven aan boord of de kapitein al of niet samen met zijn vrouw aan boord was. Was de vrouw aan boord, dan was er zondagochtendkoffie en dat was extra gezellig. De bemanningsleden kwamen, netjes gewassen, geschoren en aangekleed, rond een uur of 10 in de ‘salon’ (het privédomein van de kapitein) samen en er werd eerst koffie gedronken. Daarna ging de drankkast open en in plaats van het dagelijkse bier of af en toe een borrel stonden daar allemaal gekleurde ‘zeupies’ en ook witspul met bladgoud (‘bruidstranen’ geheten) klaar. Ieder maakte zijn keus en kreeg niet meer (maar ook niet minder) dan twee consumpties uit die kast en tegen lunchtijd moest de kok rap naar zijn hok om voor de lunch te gaan zorgen. Het waren heerlijke gesprekken, meest in plat, over dorpsleven en kustvaart. Het had sfeer.”

Meint van der Meulen, Jouke, Adrie en Henk passagieren in Londen; zomer 1951.

“Er was nog een vorm van ontgroening. Dat was de log. Er werd tegen een nieuweling vaak gezegd ‘ga even de log halen’ en daarmee werd bedoeld aflezen. De meesten gingen dan naar het achterdek en begonnen aan de loglijn (een paar honderd meter lang met een zware koperen, roterende torpedo er aan) te sleuren en dat nam enige tijd in beslag. Wanneer ze dan een minuut of tien gezwoegd hadden en het ding halverwege hadden ingehaald, ging men ‘toevallig’ poolshoogte nemen waarom het zolang duurde. Het slachtoffer kreeg dan te horen dat de term ‘de log halen’ betekende dat je hem alleen hoefde af te lezen, zodat de waarde in het logboek kon worden bijgeschreven.”

“Ook waren er grappen met koperpoetsen. Regelmatig werd op zaterdagen koper gepoetst. Als jongmaatje moest ik ook meehelpen en kreeg dan de dorpels van de buitendeuren toegewezen. Ik was wel wantrouwig geworden, want dat leek mij uiteraard ook weer een grap, maar het bleek serieus bedoeld. Wel was kapitein Henk aangenaam verrast;  hè, hè, eindelijk weer eens een bootsman die de jongens aan het poetsen krijgt – voelde ik mij toch weer verneukt. Erger werd het wanneer het schip (meestal op de Franse kust) in een riviermond was drooggevallen en de lichtmatroos met een busje Brasso naar het zand (geluk) of de slik (pech) was verbannen om de bronzen schroef te gaan poetsen – dat heb ik ook een keer meegemaakt, niet dat ik het zelf heb gedaan, maar een ander heb zien doen. Dikke lol natuurlijk aan dek! Maar het bleef allemaal vriendelijk en goedmoedig; veel jongens die gingen varen waren niet echt slim, maar zeker in het begin was het in het algemeen goed volk.”

Jouke als roerganger….                   … en met bemanningsleden op het dek.

Van grote afstand zag vooral Lenie de groeiende fascinatie van haar oudste zoon met enige bezorgdheid aan. Zij was, indachtig aan haar eigen ervaringen aan boord bij haar vader, verre van enthousiast over zijn varensplannen. Zij had, zeker toen vader Dietert in de stenenvaart zat, de zelfkant van het leven te vaak van dichtbij meegemaakt. Jouke bewaart daarom weinig warme gevoelens aan de jaarwisseling 1953-1954, toen zij in Nantes lagen. “De bemanning was vrijwel collectief gaan stappen en dan is zo’n werkschip maar saai en doods. Oom Henk was wel aan boord, zat in de salon en ik liep een beetje met mijn ziel onder de arm. Uiteindelijk heb ik in mijn eentje in de stuurhut naar het vuurwerk boven Nantes zitten kijken. Het liefst had ik gezellig bij oom Henk in de salon gezeten, maar hij had mij er niet speciaal voor uitgenodigd en iets weerhield mij er van om zo maar binnen te stappen. Naast oom was hij uiteindelijk ook nog een keer de kapitein aan boord. Maar begrijpen deed ik de situatie niet.” Een weekje later werd het hem duidelijk: zijn oom had hem met Oudjaar wel degelijk in de salon verwacht, maar Lenie had hem gevraagd het voor mij niet al te gezellig aan boord te maken, want altijd met een oom varen was niet de ‘echte wereld’.

Aansluitend, tijdens een lege reis naar het noorden, kwam de realiteit scherper op het netvlies. Het werd bar slecht weer en op de rand van de Golf van Biskaje lukte het met het lege schip niet meer om voldoende snelheid te maken. “Uren lagen wij vrijwel op dezelfde plek te stampen en het schip ‘pikte regelmatig paaltjes’ (dan loopt er een trilling door de romp). Ik ben toen urenlang op het bordesje bij de ingang van de machinekamer naar de motor zitten kijken en heb schietgebedjes gedaan dat die ons niet in de steek zou laten. Ook aan de houding van oom Henk kon ik merken dat hij het spannend vond worden. Samen met de stuur zat hij steeds over kaarten gebogen of ze wel of niet tussen de rotsen door naar binnen zouden gaan lopen om achter een eiland beschutting te vinden. Met deze storm en de forse stroom die daar liep was dat wel een riskante manoeuvre. Uiteindelijk hebben ze toch besloten om het wel te doen, alles ging goed, en korte tijd later lagen wij achter een eiland voor anker. Ik merkte ook dat hij reuze opgelucht was.”

Aan de wal leefde de familie mee. Een enkele keer waren er de spannende telefoontjes via Scheveningen Radio. Een krakende verbinding, iedereen moest stil zijn. En als je het gesprek afkiep, moest je zeggen: “Over en sluiten maar.” Aly en Ab maakten een roemruchte tocht met de SWALLOW, van IJmuiden naar Scheveningen. Het was miserabel weer en Aly lag de hele nacht in bed met een emmer op haar buik om haar zeezieke kinderen te kunnen ‘bedienen’. Henk bracht ook een schildpad, Jocco genaamd, mee uit Marokko die tot een ieder’s stomme verbazing plotseling met een vriendje achter elkaar aan door de tuin scharrelde. Nader onderzoek wees uit dat overburen hun schildpad wat zielig vonden en hem toen maar hadden overgeplaatst.

Anneke besluit na de MAVO-opleiding de studie apothekersassistent te volgen en ze rondt die ook af. Ze zoekt dan een baan en komt als doktersassistent te werken bij een apotheekhoudende huisarts in Roden, Dr. Cristiaans. Er ontstaat een hechte band met de familie en Anneke wordt min of meer als vierde kind geadopteerd. Later zal Dr. Cristiaans haar ook bijstaan in Huize Tavenier bij de geboorte van haar enige zoon Douwe Jan. Huize Tavenier was de Groningse kraamkamer van de stad Groningen en gehuisvest aan de binnenkant van de grachtengordel rond de stad. Een ieder die daar geboren werd, was dan ook met recht een echte Groninger.

Anneke mag examen doen; september 1952.

Anneke aan de arm van Dr. Cristiaans.

Anneke aan het ‘pillen draaien’.

Ze leert dan al spoedig haar grote liefde Jan Dijk kennen. Jan is een sportief aangelegde jongeman wonende aan de Turftorenstraat in Groningen. Zijn ouders runnen een groothandel in rook- en snoepartikelen. Grootvader Jan Dijk werkte in eerste instantie bij een sigarenfabriek in Groningen waarbij hij de afspraak had dat hij een deel van de met de hand gemaakte sigaren mocht kopen om die naderhand persoonlijk aan afnemers per stuk te mogen verkopen. Hiermee begon zijn sigarengrossierderij. Later werd dit een grossierderij waar naast rookartikelen ook snoepwaren verkocht werden. Zijn zoon Douwe Jan nam naderhand de zaak over met een van zijn twee zussen.

Drie generaties Dijk, v.l.n.r. oudste zoon Jan, Opa Jan, vader Douwe Jan en  jongste zoon Koos.

Nu met de vrouwen erbij, v.l.n.r. Jan, zus Gerda, moeder Agina Tjakiena Makken (later Frieling), zus Ina, vader Douwe Jan en Koos.

Gedurende de Oorlog vervulde Douwe Jan een dubbelrol. Hij moest wel sigaretten en snoepwaren verhandelen met de Duitsers, dat was immers al lang zijn handel. Hij speelde echter tegelijk een voorname rol in het verzet. Juist door slim met informatie om te gaan die hij kon verzamelen van de bij hem kopende Duitsers, was hij goed op de hoogte van voedselbonnen. Hij heeft met zijn kompanen van het verzet meerdere overvallen gepleegd om die bonnen te bemachtigen. Na de oorlog was zijn familie van mening dat hij geheuld had met de vijand en wilden met hem breken. Andere verzetsstrijders konden toen onthullen wat er daadwerkelijk zich heeft afgespeeld.

De jeugd van Jan Dijk speelt zich af binnen het gezin Dijk waar hij meewerkt binnen het bedrijf. Dit betekende veel uren maken met veelvuldig goederen wegbrengen naar het bodeterrein op de bakfiets. De vakanties werden gevierd op Ameland, waar hij – redelijk uniek, zo lijkt het ons – werd gesignaleerd in het gezelschap van een pinguïn. Als opgroeiend jongeling is hij naast een verwoed waterpoloër met name gek op zeilen. Zijn ouders hebben een kajuitboot liggen aan het Paterswoldsemeer en hij brengt daar veel tijd door op de steigers van Wieb Visser, de beroemde 16m2 bouwer uit Groningen en omgeving. Als jonge man wordt hij veelvuldig ingezet als ‘zetkapitein’ op de zeilboten die Visser verhuurt aan bezoekers die zelf de kunst niet machtig zijn. Jan moet dan de stadse lieden rondzeilen over het Paterswoldsemeer. Later ‘werkt’ hij ook voor de gebroeders Helder. Mooie kanttekening: bij Helder mocht hij eerst niet op de steiger komen want zijn vader had een Visser 16m2 voor hem gekocht.

Jantje Dijk op Ameland met dwaalgast en op de Groninger ijsbaan.

Anneke en Jan rond 1953.

In de tijd dat hij Anneke leert kennen, zeilen ze veel op het Paterswoldsemeer in de 16m2 met nummer 2508. Op een zekere dag botsen twee zeilboten op elkaar. Jan is zeer verbolgen en wil de schipper van de andere boot stevig aanspreken. Anneke bedaart hem echter gauw met de tekst: “Jan, rustig, dat is mijn neef Jouke”. Dat was de eerste kennismaking met een Van der Baan. Ook Jouke is deze eerste ontmoeting in het geheugen gegrift.

Henk was kapitein op de SWALLOW tot ergens 1955, maar het schip voer in die tijd vanwege een langdurige charter onder de naam DINKELSTROOM  waardoor data lastig te controleren zijn. Vanaf mei 1954 ging veel van zijn aandacht echter uit naar de bouw van een nieuw schip, de DIETERT. Jouke zat er met z’n neus bovenop: “Ik was verbaasd dat Oom Henk voor zo’n werf als die van Vos aan het Winschoterdiep had gekozen. Ik had hem al wel eens gevraagd wat hij de beste werf in Groningen vond. Zonder aarzelen was dat toen Niestern in Delfzijl, maar Bodewes kon er ook wel mee door. Dus waarom geen nieuwbouw bij één van die werven, vroeg ik? Wel een topper als Niestern zat altijd vol en voor hetzelfde geld als waarvoor Vos een schip van 440 dwt wilde bouwen, werd dat bij Bodewes een schip van 340 dwt. Dus was dat duidelijk.

De Dietert in aanbouw.

Henk had het schip samen met zijn zwager Ab besteld en deze constructie heette C.V. Scheepvaartbedrijf Schreiber. Toen tijdens de bouw bleek dat de partners nog wat meer geld beschikbaar hadden en een iets groter schip wilden, is het breder gemaakt waardoor de holte werd vergroot. Het schip had daartoe ballasttanks onder het gangboord, hetgeen niet erg gebruikelijk was in deze categorie, maar een voordeel bleek op zee aangezien het schip minder wreed was bij het varen in ballast. Het schip werd voortgedreven door een echte Brons, de beroemde 4 cilinder ED, keurig afgesteld op 224 pk zodat er met slechts één machinist/motordrijver kon worden gevaren.

V.l.n.r. herkenbaar: Jan, Ab, Jouke, Henk, Oma van der Veen, Ype van der Veen ( broer van Adrie; met hoed), Oma Anna, Roefi (vrouw van Ype), Ali, Adrie en bouwer Vos.

De doop van de DIETERT door Adrie…                … en direct na de tewaterlating.

Jouke maakte tijdens het proefvaren rond Delfzijl een geheel andere kant van zijn oom mee. Henk had de gewoonte om jongens die de kantjes eraf liepen of een grote bek hadden meteen van boord te schoppen. Een kok was nog maar drie dagen aan boord maar werd ladderzat naar huis gestuurd. Het neefje werd voor de duur van een week van matroos o/g ‘bevorderd’ tot kok. “Tante Adrie kwam wel even naast mij staan wanneer ik voor een man of  8-9 met het vlees bezig ging, want een beetje prutsen met aardappels en groente was niet zo’n ramp, maar het vlees was heilig. Het was hard werken wanneer je zoiets niet gewend bent! (Zonder afwasmachines, automatische koffiezetters, etc).”

De DIETERT, brt 378 ton, dwt 460, bouwjaar 1955 Vos, Groningen. De DIETERT werd in 1962 bevracht door Scheepvaartkantoor Groningen. Vanaf 1969 tot 1978 voer het onder verschillende namen – KYNDIK, ARABELLA, DON CARLOS – onder Panamese vlag, daarna als VASSILIS L onder Cypriotische vlag. Na 1978 is het spoor bijster; met een goede kans is het schip rond die tijd gesloopt.

Ook anderszins leerde hij daarna tijdens korte reisjes de keerzijde van het schippersleven onderkennen. In het Duitse Leer, bij Emden, bijvoorbeeld “ging het voornamelijk mis”. Henk was die tijd wat overspannen en er zat een tijdelijke vervanger aan boord als kapitein. “’s Avonds zou ik met twee matrozen wat gaan stappen maar bij het van boord springen bleef mijn jas achter een bolderpen haken, hield mij tegen en ik suisde met hoofd omlaag tussen kademuur en schip de plomp in. Het was berenkoud in de Eems en gelukkig was er redelijk dicht bij een ladder zodat ik er weer uit kon. Flink geschrokken. Natuurlijk geen reservekleding. Dus iets aan boord geïmproviseerd met kleding, maar dan ook niet meer stappen. Midden in de nacht het bekende lawaai van feestvierders die terugkwamen en daar had ik een bloedhekel aan gekregen. De volgende ochtend bleek dat de stuur een juffrouw-van-lichte-zeden had meegenomen en die moest eerst worden uitgezwaaid voordat hij actief werd.” Het viel Jouke ook op dat het schip er niet meer zo tip-top uitzag als hij was gewend. “Toen ik naderhand verslag van een en ander aan oom Henk uitbracht, merkte ik dat hij er somber van werd en Tante Adrie gaf mij min of meer een standje omdat ik mij moest realiseren dat hij overspannen was en eigenlijk geen minder goed (of slecht) nieuws kon verdragen. Daar had ik dan een poosje spijt van.”

Tijdens een grote reis in zomer 1957 kwam hij tot een vorm van bezinning. Hij had net eindexamen HBS-B gedaan en zou na de vakantie naar de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam gaan. Henk en Adrie waren weer niet aan boord en het werd “een rare reis annex vakantie”. De route was goed, maar de sfeer en stemming aan boord waren het niet. “Enerzijds realiseerde ik mij dat ik dit milieu was ontgroeid, maar ook dat het erg belangrijk is met wat voor soort mensen je dagelijks omgaat. Deze reizen waren aan het einde van de hausse in de scheepvaart. Er waren zeer veel schepen in de vaart bij gekomen en een kapitein of reder moest maar afwachten wat voor soort bemanning hij voor zijn schip / schepen kon krijgen. Maar kiezen voor goede bemanning was er nauwelijks meer bij en dat heb ik mij toen ook terdege gerealiseerd. Je zit met een klein ploegje mensen 24 uur per dag bij wijze van spreken op elkaars lip en is het een goede ploeg dan gaat dat prima, maar is het geen goede ploeg dan wordt het vaak afzien.”

Ons rest een foto van Henk met zijn bemanning ‘in de salon’. Jouke speculeerde: “Het zou een zondagochtendbijeenkomst op zee kunnen zijn, maar ik denk het van niet want dan stonden er of koffiekopjes of borrelglaasjes op de huiselijke tafel.” Hij wees ook op een bijzonder detail: aan de wand hangt een foto van de naamgever, Opa Dietert. Die is er steeds blijven hangen, ook toen Henk van boord ging. “De vrouw van de zetkapitein die ik tijdens mijn laatste reis in 1957 meemaakte, vroeg na een poosje aan mij: wie is toch die oude man die bij ons aan de wand hangt? Dat heb ik haar dus haarfijn kunnen vertellen. Vaag herinner ik mij dat ze mij die foto heeft trachten te slijten, maar dat weet ik niet meer zeker. Zolang het schip van de familie Schreiber was hoorde die foto daar.”

Henk en de bemanning ‘in de salon’ met de foto van Dietert Schreiber aan de muur. 

Rond die tijd  kwam Jouke tot een bezinning. “Toen ik van dit alles was doordrongen zat ik inmiddels op de Kweekschool en enigszins in een geestelijke crisis. Ik heb toen besloten om radicaal iets anders te gaan doen en naar Delft te gaan. Dat zou scheeps- of werktuigbouwkunde gaan worden. Dat het de tweede keus is geworden heeft puur te maken met mijn fascinatie voor de scheepsdiesel en vaak heb ik nog moeten terugdenken dat ik met angst en respect naar de kar van de SWALLOWheb zitten kijken in de Golf van Biskaje toen het spannend was.”

Ver van de woeste baren vindt Anneke als fokkenmaatje van haar Jan een nieuwe roeping. Geen last van zeeziekte en toch heerlijk op het water. Ze vormen een hecht team en doen mee aan alle grote landelijke wedstrijden. Er wordt veel gewonnen, zelfs eenmalig de Sneekweek. Als later er nog eens een reüniewedstrijd wordt georganiseerd op het Bergumermeer en Douwe Jan gewoon naar de lagere school moet, doet hij zich plotseling heel ziek voor op school. Hij mag naar huis en is nog net op tijd thuis om mee te mogen naar de wedstrijd. Zijn vader zit weer in de prijzen. Het hechte team krijgt ook steeds meer vorm aan vaste wal. Na aarzelende stapje en schaduwrijke vrijage – “De verliefdheid straalt er vanaf’, constateerde zoon Douwe Jan vele jaren later – volgt uiteindelijk de formele verloving.

De verlovingstijd begint met de nodige pasjes van de vloer of romantische zitjes in de schaduw.

Net zoals Ab en Ali zich hebben leren kennen op Ameland speelt dit eiland ook in de geschiedenis van Jan en Anneke een voorname rol. De familie Dijk heeft een tenthuisje op camping Kijkduin in Nes waar ze in hun verlovingstijd elke zomer verblijven. Dat gold overigens voor vele Groningers uit de middenstand. Het huisje werd elk jaar met de hele familie opgebouwd en aan het eind van het jaar weer afgebroken. Douwe Jan herinnert zich nog dat hij later, toen hij twaalf jaar was, logeerde bij Oma Dijk op de plek waar in 1972 een zware windhoos overtrok en twee mensenlevens eiste, ruim 100 gewonden te betreuren. Koningin Beatrix bezocht toen ook al de rampplek.

Adrie en Henk besloten in die tijd een huis te betrekken aan het Wielewaalplein te Groningen. Vlak bij het oude GVAV-stadion, het latere FC Groningen stadion in de Oosterparkwijk. Hun kleinzoon herinnert zich dat als we op zondagmiddag op bezoek waren, hij graag op het achterbalkon van de flat ging staan. Werd er gescoord door GVAV, dan was dat duidelijk een ander geluid als wanneer de tegenstander scoorde.

Henk heeft in 1956 of eerste helft 1957 zijn been gebroken tijdens zijn verblijf op de DIETERT. Toen Jouke na zijn eindexamen HBS in de zomer van 1957 in IJmuiden aanmonsterde, voer hij reeds een poosje niet meer. Het been was weliswaar hersteld maar, ook op aandrang van Adrie, bleef hij aan de wal en zocht een kantoorbaan. Er zat naar zijn gevoel te weinig muziek meer in de scheepvaart en hij beleefde er geen plezier meer aan. Het schip kon met een zetkapitein ‘haar eigen broek ophouden’ en Henk was van nature ook erg huiselijk van aard, dus de overstap verliep uitstekend. Als heer op stand kon hij gearmd met zijn modebewuste vrouwen flaneren door de stad.

Adrie, Anneke en Henk in de stad.

Henk vond nieuw emplooi bij Scheepvaartvereniging Oranje, een verzekeraar specifiek voor de scheepvaart, waar hij zich specialiseert in de Averij Grosse zaken. Hoofdzakelijk betreft dat gevallen waarbij er sprake is van een aanvaring tussen twee schepen. De situatie waaronder het ongeluk is geschied, moet goed vastgelegd en beoordeeld worden door een ervaren zeekapitein. De volgende jaren worden bovendien gekenmerkt door grote feesten in huiselijke kring. In 1957 vierden Adrie en Henk te midden van hun familie hun zilveren bruiloft waarbij Jouke en Renske hun Indonesische ouders vertegenwoordigden. Op 7 juli 1958 gaven Anneke en haar Jan elkaar hun ja-woord.

Het 25-jarig huwelijksfeest in 1957. Herkenbaar op de voorste rij; Adrie, Henk, Oma van der Veen, Ype, zijn  echtgenote Roefi, dochter Sjouk van Ype en Roefi, Aly, Oma Dijk, Jan en Anneke. Staand v.l.n.r.: Oma Anna, Anna Kunst, twee onbekenden, Jouke, dan onbekende, Dhr Douma (de man van Jo; later gescheiden na de dood van hun zoon), dan Renske naast Opa Dijk en tenslotte Ab. 

Trouwerij van een stralende Anneke en Jan; 7 juli 1958.

Het bruiloftsgezelschap met rechts naast Adrie de beide oma’s.

Na hun periode aan het Wielewaalplein verhuisden Henk en Adrie naar de Muntinghlaan 14 in Groningen. Dit was vlak bij een andere sporttempel van Groningen, het Martiniplaza.

Henk en Adrie tijdens de proefvaart van de ANK WINSEMIUS; 5 mei 1958.

Muntinglaan, de nieuwe woning van Adrie en Henk.

Douwe Jan, geboren op 3 mei 1960.

De jaren zestig brachten grote veranderingen binnen het gezin van Henk en Adrie. De kleine Douwe Jan verrijkte vanzelfsprekend hun bestaan. Henk nam bovendien rijles, kocht een heel behoorlijke auto en een caravan en ging daarmee het liefst naar de Wadden. Ook bij Adrie en hem was Ameland favoriet: je kon er met de auto komen en het was niet zo druk als Terschelling. Hun plekje op camping Klein Vaarwater in Buren kon je niet missen want het was de eerste caravan die je tegenkwam naast de receptie. De camping was in het bezit van de firma Metz. Kleinzoon Douwe Jan herinnert zich met grote warmte hoe hij als klein kind bij Henk en Adri in de caravan mocht slapen en ‘s ochtends samen met de oude heer Metz de vlag van de camping mocht hijsen, elke ochtend een formeel moment.

Ansichtkaarten van camping Klein Vaarwater in Buren. Henk en Adrie stonden helemaal vooraan dus bovenaan de foto, daar waar het eerste pad linksaf begint.

Adrie’s schoonzus Roefi met haar dochter en kleinzoon op bezoek bij Henk en Adrie.

Henk mocht graag vissen en dan ging hij met z’n kleinzoon eerst met laagwater pieren steken op het Wad. Dan terug naar Adrie voor koffie met koek, al wachtend op hoog water. Daarna vissen op het Wad of aan de Noordzee. Henk was een ster in het vissen op krabben. De eerste werd nog vriendelijk van de haak gehaald, maar de latere krabben werden met de schoen geplet. Leuk verhaal in deze is dat als Henk aan de zeekant viste hij meestal viste richting het Oerd, daar kwamen weinig mensen. Op een mooie zomerdag ging Adrie mee en gegeven de warmte was het verleidelijk om de zee in te gaan. Ze had echter die dag geen badpak mee en besloot toen maar in haar eva-kostuum te gaan zwemmen. Kwamen er toch een paar wandelaars aan die zich hevig interesseerden voor de viservaringen van Henk. Henk durfde ze niet weg te sturen door hun op de naakte Adrie te wijzen. Na een vijftien minuten praten liepen ze uiteindelijk verder. Adrie is totaal verkleumd uit het water gekomen.

Na de geboorte van Douwe Jan besluit Anneke te stoppen met werken en gaat ze met haar Jan wonen in hun eerste bouwkas huis aan de Quintusweg te Haren. Hun zoontje groeide voortvarend en al spoedig treffen we in velerlei blijmoedige actie. Jan neemt het besluit om zich zakelijk te scheiden van het bedrijf van zijn vader, de rook- & snoepwarengroothandel. Dit was een lastige periode omdat hij hiermee in eerste instantie ook met zijn familie brak. Vele geneugten van het leven vielen weg waaronder de 16m2. Hiermee ontbrak het hun ook aan inkomen maar uiteindelijk, via zijn zeilvriend Koos Kerstholt, kon hij aan het werk bij de scheepswerf Kerstholt in Groningen.

Douwe Jan op de kar van de melkboer De Jong van Klein Vaarwater. Op de voorgrond nichtje Yvonne, dochter van Koos en Frieda Dijk; op de achtergrond de bekende tenthuisjes; 1964.

Aan de winkel en achter het huis aan de Quintusweg te Haren (Douwe Jan staand).

Familiebijeenkomst met v.l.n.r. Aukje, Jouke, Renske, een onbekende jongedame, en Anneke met Douwe Jan. Met een vlotte kans op de rug gezien: Pieter.

Jan krijgt later de kans om te werken bij de Oliemaatschappij Calpam waar hij middels cursussen en trainingen zich ontwikkelt tot vertegenwoordiger in olieproducten. In de zestiger jaren werd er nog veel op kolen gestookt; pas na 1963 toen het aardgasveld in Slochteren werd ontdekt, ging men over op andere brandstoffen. Echter aardolieproducten werden tot ver in deze eeuw gebruikt voor landbouw, utiliteitsbouw en industrie. Jan heeft tot zijn pensioen olieproducten kunnen verkopen. Jan en Anneke verhuizen in 1963 naar Drachten omdat Jan de zorgplicht over de provincie Friesland krijgt. Ze laten een huis bouwen aan de Zuiderhogeweg 45 en wonen daar tot 1977.

Het huis aan de Zuiderhogeweg; en rechts Anneke letterlijk in de olie bij een feest van Jan’s werkgever.

Toen ze eenmaal in Drachten waren beland, ging het Anneke echter niet goed. Ze had last van een stevige depressie. Ze was vaak en veel verdrietig en kon er moeilijk een oorzaak aan geven. Er is raad gezocht bij Dr. Visser, nog een oude bekende van de familie, want het was de beste studievriend van Henk Frieling en die kwam veel bij Oma Dijk in de Turftorenstraat over de vloer. Het was immer haar stiefbroertje en de Universiteit van Groningen was op een steenworp afstand. Uiteindelijk is deze Hans Visser arts geworden in het dorpje Rottevalle dicht bij Drachten. Hij is van mening dat afleiding een goede bijdrage kan leveren in het genezingsproces. Omdat Anneke van jongs af – ongetwijfeld geïnspireerd door haar moeder – veel plezier beleeft aan de mode, besluit ze te gaan werken bij Modehuis van der Zee op de Zuiderbuurt te Drachten. Dat gaat haar niet alleen goed af maar ze herstelt ook ziender ogen. Veel opgewekter en vrolijk.

Adrie en Anneke, met de paplepel ingegoten gevoel voor mooie kleding.

Friese Koerier; 15 juli 1967.      De Zuiderbuurt; de winkel zat aan de overzijde.

Jan en Anneke krijgen de volgende jaren met wat geluk een caravanplaats achter het familiehotel in Paterswolde. Hier wordt in de zomer vrijwel ieder weekend doorgebracht. Later als het Meerschap van Haren besluit dat deze oogluikend toegestane kampeerstek ontruimd moet worden, zorgen ze er als vereniging voor dat ze een volwaardige plek krijgen aan de Koelstukken op het Paterswoldsemeer. Ze mogen hier nu ook een stacaravan plaatsen die meer ruimte biedt. De kinderen en kleinkinderen komen er ook graag. Hier kan Jan in latere jaren de beide kleinkinderen Liz en Dylan het zeilen bijbrengen. Met de reiscaravan achter de auot verbreden ze overigens hun horizon naar zuidelijker streken, beginnend met het Spaanse Salou.

Anneke en Jan in de achtertuin in Drachten met hond Loutje.

Eerste vakantie met de caravan naar Salou.

Henk heeft nog lang mooi werk gehad bij Oranje. Toen hij 65 werd dacht hij dat hij op moest krassen, maar hij kon er doorwerken hetgeen hij tot zijn 70verjaardag in 1977. Hij kon die laatste jaren lopend naar z’n werk op het Emmaplein. Op zaterdagochtend nam hij kleinzoon Douwe Jan af en toe mee. Op het kopieerapparaat werd toen een biljet van 10 gulden gekopieerd, toen nog een klein wonder. Jouke, die altijd veel contact met zijn oom en tante heeft gehouden, vertelde: “In zijn laatste jaren daar hield ik een keer een lezing in Groningen over het scheepsontwerp in combinatie met modelonderzoek, toen ik de directeur van Oranje ontmoette. Hij prees oom Henk erg om zijn accuratesse bij het opstellen van zijn schaderapporten voor de afdeling ‘averij grosse’ waar hij werkte. Een rapport van Henk Schreiber hoefde nooit te worden aangepast was zijn oordeel en dat kwam maar zelden voor.”

Na zijn pensionering deed Henk af en toe klusjes voor derden en dat werd aanleiding tot anekdotes van de buitencategorie. Zo moest hij de planten bij de onderburen water geven, maar ze leken er zo uitgedroogd uit te zien volgens Henk dat hij ze allemaal heeft weggegooid. Het hele huis zonder planten. Verder moest hij de parkiet voeren. Hij kon het voer niet vinden en besloot toen maar havermout te geven. Na het eten van de havermout dronk de parkiet nog iets aan water en is toen ontploft nadat de havermout uitzette. Henk op een drafje naar de winkel op zoek naar een nieuwe parkiet.

Verder gingen ze elke zondagmiddag in de winter naar Anneke en Jan in Drachten en in de zomer naar hun caravan aan het Paterswoldsemeer. In het herfsttij van hun leven reisden Henk en Adrie naar verschillende bestemmingen in het buitenland. Ze namen Douwe Jan éen keer mee op een langere reis naar de Italiaanse high lights: Milaan, Rome, Florence, … Een blijvende en dierbare herinnering voor hun kleinzoon.

Henk en Adrie samen op reis.

Douwe-Jan en zijn vriendin Maddy Stobbe bleken in die tijd atletiektalenten, dit ongetwijfeld tot tevredenheid van hun oudtante Lenie. Bij de Noordelijke atletiekkampioenschappen in Drachten won Douwe Jan bijvoorbeeld zowel de 400 als 800 meter, terwijl Maddy kampioene werd bij het hoogspringen in merkwaardigerwijs dezelfde hoogte van 1,55 meter waarmee Lenie een dikke veertig jaar eerder ook glorieerde. Overigens was de grootste winnares bij deze wedstrijden de latere Olympische kampioene Elly van Hulst op de 400 m. in 5,1 sec. Opmerkelijk wellicht is dat Maddy ook aan de Zuiderhogeweg woonde, iets verder op. Douwe Jan fietste er altijd langs om gezamenlijk naar atletiek te gaan. Eerst om haar broer Jaap op te halen maar al snel vanwege zijn snelle buurmeisje.

Douwe Jan wint zowel de 400 als de 800 meter; Leeuwarder Courant, 13 juni 1977.

Knipsels uit de rapportage over de Noordelijke atletiekkampioenschappen; Leeuwarder Courant, 13 juni 1977.

Douwe Jan liep later dat jaar nog een Noordelijke record en behoorde tot de top tien van Nederland in zijn leeftijdscategorie. Het jaar tevoren had hij binnen zijn atletiekclub Impala al een vette prestatiebeker in ontvangst mogen nemen.

Leeuwarder Courant, 15 september 1977.

1976.

Na zijn eindexamen aan het Drachtster Lyceum ging Douwe Jan in het najaar 1977 studeren op de HEAO te Groningen. Het huis van Jan en Anneke ter plaatse was nog in aanbouw, dus logeerde hij enkele weken bij Henk en Adrie aan de Muntinglaan. Het ‘op kamer gaan’ van de aankomende student bij zijn Opa en Oma was echter geen succes. Douwe Jan’s overmatige interesse voor het werkelijke studentenleven sloot niet geheel aan bij de verwachtingen van Adrie en Henk, om het voorzichtig uit te drukken. Zij verwachtten dat hij elke avond in de boeken zou duiken, maar het werd elke avond kaarten met nieuwe vrienden. Na enig telefonisch overleg met Drachten leidde er toe dat Douwe Jan vrolijk met de bus van Drachten naar Groningen reisde. Het pleit evenwel voor hem dat hij uiteindelijk de opleiding wel degelijk heeft afgemaakt.

Zodra hun moderne splitlevel woning aan de Geerten Gossaertlaan in de nieuwe Weyerd Zuid nieuwbouw klaar is, verhuizen Anneke en Jan terug naar Groningen. Jan heeft dan inmiddels de drie noordelijke provincies als rayon. Later verhuizen ze nog naar de Ketwich Verschuurlaan en tenslotte naar de Helene Swarthlaan waar Jan vele jaren later nog woont. Anneke pakt ook hier haar werkzame leven op. Ze solliciteert bij Van Daal en Meyer in de Herestraat in Groningen met een tweede winkel in Leeuwarden en wordt met haar ervaring direct aangenomen. Ze is volwaardig lid van het verkoopteam en werkt als het moet in beide locaties. Altijd gekleed volgens de laatste modetrends en zeer klantgericht. Als het de klanten niet stond werd het niet aanbevolen, soms tot ergernis van de heer Meijer, maar uiteindelijk begreep hij ook dat een blijvend terugkerende klant belangrijker was dan een snelle verkoop. Anneke had daarom ook veel terugkerende klanten en heeft zeker tot haar 65e jaar een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van dit modehuis. Het was een begrip voor de stad Groningen, ook na de verhuizing naar het A Kerkhof waar zij nog geruime tijd heeft gewerkt in een afbouwschema.

Gelukkige tijden: Anneke als genieter en als gangmaker op feesten.

Wervingsadvertenie in het Nieuwsblad van het Noorden; 18 januari 1977; en uitnodiging van gastvrouw mw. A.M. Dijk voor de uitverkoop; december 1982.

Advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden; 16 april 1984 (links) en 5 mei 1994 (rechts).

Douwe Jan en zijn grote liefde gaan in 1978 samenwonen in Haren. Opmerkelijk is dat ze ook samen beginnen aan de Quintusweg in Haren op 50 meter afstand waar Jan en Anneke hun eerste huis hebben betrokken. In de atletiekuitslagen komen ze echter niet meer voor. Bij het Groningse GVAV was het gewoon om zelf trainen en nauwelijks in groepsverband zoals ze in Drachten gewend waren, vertelt Douwe Jan. Dat gezamenlijk trainen was een deel van het succes; hij zag zichzelf niet met een stopwatch rondjes lopen. Maddy was net, negentien jaar oud, voor een klas van dertig leerlingen komen te staan en ze had haar handen vol.

Maddy kwam overigens uit een sterk en voor de Schreiber’s herkenbaar nest. Haar overgrootvader Geert Stobbe – geboren in 1878 en op 102 jarige leeftijd gestorven in Assen – was heel zijn leven turfschipper in de Veenkoloniën. Het kan haast niet anders of hij heeft Opa Dietert Schreiber – geboren in 1877 – gekend. Opa Stobbe was – dit als terzijde –  een markant mens zoals Douwe Jan mocht ervaren bij de viering van zijn 100e verjaardag in café Marktzicht te Assen. Maddy had ook haar overgrootvader in jaren niet gezien. Bij binnenkomst troffen zij een bijzonder schouwspel, Opa – met een pijp in zijn mond en een jonge borrel in de hand – was op een kleine verhoging geplaatst zodat hij alles goed kon overzien. Toen Maddy naar voren trad om hem te feliciteren, verraste Opa haar met de directe vraag: “Van wie ben je ein?” Maddy antwoordde de namen van haar ouders, waarop Opa met een brede glimlach concludeerde: “Oh, dan ben joe Maddy.” Kortom, de bovenkamer functioneerde nog prima. “Toen was ik aan de beurt, aangetrouwd”, weet Douwe Jan zich nog scherp voor de geest te halen. “Opa trok mij naar zich toe (Maddy en ik waren toen in onze tienerjaren) en vroeg in mijn oor: ‘Geef je haar al kusjes?’ Ik kon niet anders dan deze vraag met een stellig ‘Ja’ beantwoorden. Waarop Opa zei; ‘Lekker, hè.’” Al met al een hele mooie manier om 100 te zijn, concludeerde de jonge minnaar.

In april 1982 vieren Henk en Adrie  hun 50-jarige trouwdag bij Hotel Braams in Gieten. Het is een blij samenzijn, met dierbare gedeelde herinneringen te midden van familie. Het was echter ook de vooravond van een donkere periode, want in deze periode wordt Adrie ziek. Ze krijgt last van dementie en dan nog wel van een nare vorm waarbij boosheid een grote rol speelt. Uiteindelijk blijkt het beter Adrie op te nemen in Blauw Borgje te Groningen, een gespecialiseerd zorgcentrum. Ook dat blijkt met haar vorm van dementie voor Henk een moeilijke periode. Veel verwijten van de zijde van Adrie naar Henk haar daar onder te brengen. Zoals Douwe Jan zich herinnert: “Als we gezamenlijk vijf minuten later Henk nog eens meenemen, blijkt Adrie van heel het gesprek niets meer te weten.” Uiteindelijk overlijdt Adrie in 1985 ook in dat huis.

Bruid en bruidegom tijdens de viering van hun 50-jarig huwelijk; april 1982.

Drie generaties bij de gouden bruiloft: Maddy met Douwe Jan. Anneke met Jan, en Adrie met Henk.

Adrie met haar beide schoonzussen; en rechts de beide zwagers en schoonzoon Jan.

Een hoogtepunt: de toespraak van zus Lenie.

Henk besluit dan te verhuizen naar een éénkamer appartement in het complex Noordwijk in Eelde. Zo goed mogelijk probeert hij er nog het beste van te maken wat in het begin ook goed lukt. Hoewel hij besluit niet meer zelf te auto rijden, maakt hij handig gebruik van het openbaar vervoer dat hem voor de deur ophaalt en terug brengt. Regelmatig neemt hij op zaterdag bloemen mee van de markt die hij verdeelt onder de dames van het appartementencomplex. Zo doet Henk nog veel kennissen op. Hij geniet van het schaken met een aantal huisgenoten. Vaste prik een aantal keren per week. Als echter deze schaakmaten hem ook komen te ontvallen heeft hij geen zin meer nieuwe relaties aan te gaan. Ook zijn zintuigen laten hem meer en meer in de steek. Het lezen, luisteren en de ledematen gaan stelselmatig achteruit. Zowel Jan en Anneke als wel Douwe en Maddy met hun kinderen komen regelmatig op bezoek.

Henk is ook van de partij als Maddy en Douwe Jan in 1987 besluiten te trouwen, dochter Liz  is op komst. Hij is nog steeds een boeiend verteller en weet ook zijn achternichtjes te betoveren met zijn magie. Met Marij, de dochter van zijn nichtje Aukje en toen nog geen negen jaar oud, heeft Henk vele jaren gecorrespondeerd.

Henk bij de bruiloft van Douwe Jan en Maddy, nog steeds aan de sigaar; 1987.

Henk begroet Lenie en tovert voor zijn aangetrouwde nicht Hannah, haar dochter Mariëtta en Marij van Aukje bij Gouden Bruilft van Aly en Ab; Lauswolt, juni 1988.

Kaart aan achternicht Marij (14 jaar). Het bezoek waar Henk het over heeft, is mogelijk de laatste keer dat Aly en hij elkaar zagen. Kleinzoon Dylan is net geboren; 5 november 1992.

Een scheve brief aan Marij uit 1994, niet zo lang voor Henk overleed.

Op 12 juli 1992 na de dood van Adrie schrijft Henk een lief vers in zijn dagboekschrift:

Lieveling,

Het is weer de dag van je verjaardag

Voor mij een dag van tere herinnering

Je stille vraag hoe ik het maak

In stil gedacht mijn brief aan jou bewaar

Tijd heelt stil verdriet; maar traag

Ik ben nog goed gezond, wat kleine hinder

K’weet liefde en steun van ons kinder

“Iets “dat mij beschermd geen vraag

En mij kracht geeft en niet klaag

Zolang mijn levensdraad dat vraagt

Echter vooral de nachten worden lang. Zijn ogen laten hem in de steek, hij kan zelfs geen TV meer kijken. Henk gaat al om zeven uur naar op bed met als gevolg dat hij om twee uur ’s nachts weer wakker is. Hij ziet dan zelf het liefst dat er een einde aan zijn leven komt. Hij vindt stellig dat het leven alles gegeven heeft wat het te bieden; had, zoals hij het zelf zei, een voltooid leven. Maar dat was in Nederland, zeker dan, nog niet aan de orde. Douwe Jan vertelt: “Wij herinneren ons nog zijn telefoontjes: ‘Ja hallo, met Opa, ik ga dood.’ Wij antwoorden dan om nog even te wachten want wij komen naar je toe. Bovendien was er een viskar op de route en we konden Henk niet blijer maken dan met een zoute haring met uitjes. ‘Wat ben ik blij dat je er bent, dat je zo snel gekomen bent en wat een heerlijke haring’ was dan het resultaat. Kon Henk er weer een week tegenaan.” Uiteindelijk was de lichamelijke verzorging in het appartement niet toereikend en heeft Henk een kamer gekregen in verzorgingstehuis Maartenshof  te Haren. In 1996 komt Henk Schreiber op 89-jarige leeftijd  te overlijden; hij wordt gecremeerd in Groningen.

Vanaf 1998, als Jan met 63,5 jaar oud met pensioen gaat, krijgen Anneke en hij de mogelijkheid te reizen. En dat doen ze. Ze hebben een goede trekkerscaravan en vertrekken medio april elk jaar voor een lange vakantie naar vooral de zon. De hele kust van Italië, Frankrijk, Spanje en Portugal wordt bezocht. Nu dit met de auto kan heeft Anneke geen last van zeeziekte. Ze ontwikkelen samen met Maddy en Douwe Jan bovendien een zogenoemde wisseltruc. Ze spreken af op een plek in Europa waar ze dan van caravan omwisselen. Jan en Anneke gingen dan weer terug naar huis, Maddy en Douwe Jan trokken verder op vakantie

Een gezamenlijke foto van de vakantie in Porec, Istrië; ca. 1991

Anneke met zoon Douwe Jan en kleindochter Liz; ca. 1991.

Later kwam ook Dylan. De wisseltruc lukte ook op de ontmoetingsplek Disney World Parijs; ca. 2002.

Tijdens een laatste vakantie in 2004 wordt Anneke kort opgenomen in een Frans ziekenhuis nadat ze onwel is geworden. Bij thuiskomst is ze erg in de war en wordt beginnende dementie geconstateerd. Douwe Jan: “We hebben dan veel zorgen om haar maar het proces is niet te stuiten. Jan doet meer dan zijn best om haar ter zijde te staan. Gelukkig heeft ze niet te veel kwade buien zoals haar moeder dat had.” In samenspraak met de hulpverleners wordt dan ook in eerste instantie dagverpleging aangeraden om de druk op Jan dragelijk te houden. Dit proces verloopt goed en ze kan nog zeker een jaar thuis blijven. Dan is het langzamerhand beter om haar op te nemen. Ze komt te wonen in een prachtig verzorgingstehuis Dilgtoord in Haren waar gezonde ouderen verblijven met dementerende ouderen.

Anneke aan het vakantieijs; ca. 2008.

Jan verdient een standbeeld want hij verblijft dagelijks aan de zijde van Anneke. Twee keer per dag bezoekt hij haar en zonder dat er druk ontstaat met het verzorgend personeel gaan zo de jaren weg. Over die periode; niet veel mooie woorden. Uiteindelijk overlijdt Anneke op 7 juli 2014.

Jan probeert dan de draad weer op te pakken maar kan de ouderdomskwalen niet ontwijken. Problemen met de blaas kunnen nog tijdig worden gestuit. Samen met Douwe Jan maakt hij nog een reis naar de Canarische eilanden. Later overleeft hij vocht achter de longen en wordt zijn hart op de proef gesteld. Inmiddels 83 is hij nog steeds op het water te vinden. “We zien hem elke week en met pillen, spuiten en smeersels gaat het hem goed.” Op zijn T-shirt, wijst Douwe Jan, staat een leuke maar macabere tekst die het leven van zijn ouders samenvat.

Jan Dijk overleed in december 2022.

Aan de voet van El Teide op de Canarische eilanden; 2015. Rechts: een uitvergroting van de tekst op zijn T-shirt.

Aan boord; 2017.

Douwe ging HEAO commerciële economie studeren in Groningen. Maddy koos voor de PABO en begon op 19-jarige leeftijd als juf voor de klas in Haren. Ze vonden een woning aan de Quintusweg in Haren waar Jan en Anneke ook hun eerste woning hadden. Maddy besloot al spoedig met een vriendin weer aan de studie te gaan. Avondstudie MO A pedagogiek aan de Rijks Universiteit van Groningen. Douwe Jan diende na een opleiding tot onderofficier in Hilversum het vaderland in Assen bij de stafbatterij 42e afdeling veldartillerie. Door tijdens koude oefeningen in Duitsland warme appelbroodjes te verkopen steeg de moraal met sprongen en mocht hij uiteindelijk drie maanden eerder uit dienst met eervol ontslag .

Cartonfabriek Beukema & Co te Hoogezand zocht iemand voor de exportafdeling en dat werd het dus  Dit was in 1985 en het was het begin van een mooie tijd waarin het bedrijf voldoende uitbreidde zodat er later een nieuwe kartonmachine kon worden geplaatst. Maddy was inmiddels klaar met haar vervolgopleiding en Liz werd geboren in 1988. De bevalling leverde allerlei complicaties en Liz vond huilen leuk, maar alles went en na een paar maanden stond de jonge moeder weer op half vermogen (50 procent) voor de klas.

In 1992 werd Dylan geboren, binnen twee uur zonder complicaties. Daarna werd Douwe Jan gevraagd door een head hunter om te gaan werken voor Firgos International trading te Zwolle. Dit bedrijf had vestigingen in Nigeria en Maleisië en ook veel handel in het Midden Oosten. Het was een nieuwe wereld, niet altijd even stimulerend en vooral Nigeria loodzwaar.

In 2000 besloot hij om zelf het ondernemerschap op te pakken door samen met vriend de Zernike Group op te starten.  De doelstelling was afgestemd met de Universiteit van Groningen: de bedoeling was om afgestudeerden vast te houden door ze te helpen met het oprichten van eigen bedrijven. Met een beperkt startbudget van Hfl 350.000,-  werden mooie dingen bereikt; het Science Park Groningen op het Universiteitsterrein in Paddepoel huisvest meerdere firma’s.

Bij Maddy heeft het ondernemerschap ook post gevat op kleinere schaal. Om de aspiraties binnen Zernike verder internationaal vorm te geven moesten er seminars en workshops worden georganiseerd. Zo werd Maddy PCO (Personal Congres Organiser) binnen haar eigen onderneming Ragazza (de meiden) eet als een van de hoogtepunten de organisatie van een diner voor 150 buitenlandse gasten in de beroemde Martinikerk.

Nadat ze onder eigen regie een woning hadden laten bouwen in Haren, hadden ze de smaak te pakken en werd met een Noorse aannemer en twee timmerlieden uit respectievelijk Oslo en Bergen in drie keer drie weken een keurig Noors huis uit de grond gestampt in Noordlaren binnen de gemeente Haren. Daar wonen ze nu nog steeds. Hun kinderen maakten de cirkel naar hun overgrootvader Dietert en grootvader Henk rond; zoals Douwe Jan het uitdrukte: “Ik heb ze allemaal weer terug bij de scheepvaart.”

Maddy is in september 2025 met pensioen gegaan na 47 jaar te hebben gewerkt. De laatste tien jaar met veel plezier en gedrevenheid bij Visio, een school voor blinde en slechtziende kinderen met meervoudige aandoeningen. Hier heeft zij haar ervaring in het onderwijs optimaal kunnen uitdragen 

Dochter Liz studeerde bedrijfskunde aan de RUG met een buitenlands avontuur aan de Abbo Universiteit te Turku Finland. Ze regelt bij Wagenborg in Delfzijl de bemensing en opleidingen van medewerkers van de vele Wagenborg schepen. Op Valentijnsdag 2018 trouwde Liz met Sieb Bos. Zij hebben twee zoons – Bob en Guus – en wonen in Meerstad, een nieuw gebied rond Groningen. Na haar werkzaamheden voor Wagenborg en vervolgens een IT bedrijf in Leek is Liz nu in dienst bij de Rijks Universiteit Groningen, waar zij met een team de gehele ICT structuur stroomlijnt .

Buluitreiking van Liz: v.l.n.r. vader Stobbe, zwager Eddie, nichtje Iris, moeder Stobbe, zus Diane, Liz centraal natuurlijk, Maddy, haar broer Jaap, trotse Douwe, neef Niek, Dylan, zittend Opa Dijk met zus Gerda Dijk; 2013. 

Met Dylan was het even zoeken naar zijn carrièrepad maar uiteindelijk bleek de zeevaartschool te Delfzijl aan te sluiten op zijn talentenprofiel. Hij vaart als eerste officier in de kustvaart. Na zijn ervaring op de grote vaart is Dylan geland in de hoogspanning, het zgn. 50 kilovolt netwerk, en richt grondstations in. In deze tak van sport is blijvend veel werk te verzetten. Hij is in 2025 getrouwd met Leonie.

Douwe Jan en Dylan; 2018.

De cirkel rond

De cirkel is rond: waar deze familiekroniek begon met Dietert Schreiber die in 1906 Anna Petersen ontmoette in het Noord-Duitse Pahlhude, stuurt dik 110 jaar later zijn achterkleinzoon Dylan als eerste officier de ADEMAS door het Kielerkanaal, net ten zuiden van Pahlhude. Anna en Dietert hadden ervan genoten, zoals ze dat deden van al hun kinderen en verdere nazaten.

Dylan Dijk als eerste officier in het Kielerkanaal.

11d. Lenie en Sjoerd, vanaf 1938

Van afstand volgden Anna en Dietert stellig met grote belangstelling de ontwikkelingen speciaal in Holland waar beide dochters al spoedig in verwachting waren. De eerste jaren van het huwelijk van Lenie en Sjoerd zijn enigszins door nevelen verhuld. Zij gingen wonen op de Jan van Galenstraat 23 in Haarlem omdat het goedkoper was dan Amsterdam. Elke cent werd omgedraaid en heer des huizes bewoog zich ‘s zomers op de fiets en ’s winters met de trein naar zijn werk om kosten uit te sparen. Lenie aanschouwde het fietsen van haar kersverse echtgenoot met respect, want voorheen was zijn sportiviteit beperkt tot het zeilen.

Sjoerd werkte op het Laboratorium van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (LBPMA), dat na 1949 werd omgedoopt tot  KSLA (Koninklijk Shell Laboratorium Amsterdam). Gelegen op de Noordoever van het IJ, tegenover het Centraal Station, was het zogenoemde Groot Laboratorium in 1939 uitgebreid. Trots kondigde het bedrijf aan: “Het nieuwe research-laboratorium zal een tempel der wetenschap worden, waar toegewijde dienaren zich met fundamentele  onderzoekingen op het gebied der natuurkundige en scheikundige wetenschappen en der techniek bezighouden.” Meer dan 1200 personen waren in dat jaar alleen al in dit ene laboratorium werkzaam; het was daarmee een van de grootste laboratoria ter wereld.

Shellterrein met ten noordoosten van het Buiksloterkanaal het Groot Laboratorium; 1940.

Maquette van het nieuwe Laboratorium (1937) en het latere lab met de 75 meter hoge kantoortoren (1970) die beeldbepalend was voor Amsterdam-Noord.

We weten weinig van het dagelijks leven in Haarlem, zelfs niet of het jonge stel woonde in een benedenhuis, dan wel een bovenhuis, of een huis met meerdere verdiepingen. Zeker is evenwel dat op 2 maart 1939 de kleine Jouke werd geboren. Trots poseert Lenie met haar eersteling. Een paar maanden later, als ook Aly is bevallen van haar oudste, zijn de zussen verenigt in een dierbaar portret.

Lenie met Jouke; maart 1939.  Geboortekaartje Jouke; 2 maart 1939.

Lenie met Jouke en Aly met Ankie; 9 juli 1939.

In mei 1940 wordt de vrede ruw verstoord door de Duitse inval. Toch gaat het gezinsleven die eerste oorlogstijd redelijk gewoon door. Kerst 1940 wordt met Aly en Ab en hun spruit Ankie in Haarlem gevierd. Een hele serie foto’s roept de sfeer op van een vrede-op-aarde-en-in-de-mensen-een-welbehagen – met inbegrip van kaarsjes – die in schril contrast stond met de ontwikkelingen buitenshuis. Op de enige foto van de Jan van Galenstraat loopt Jouke, een twee jaar oud, als een vroegtijdige Superman in een maxi ‘postbode-cape’.

De jonge gezinnen verenigd, met een goede kans in Haarlem; Kerst 1940.

Sjoerd met Ankie, en rechts de twee eerstgeborenen; Haarlem, 1940.

Jouke met zijn moeder in de Van Galenstraat.

Toch had de Duitse bezetting grote gevolgen binnen het gezin. Het BPM Lab in Amsterdam werd gesloten en het personeel werd elders ondergebracht. Zo kwam Sjoerd terecht bij Sikkens Verffabrieken in Sassenheim waar hij het laboratorium runde. Het gezin verhuisde eind 1941 naar de Wijttenbachweg 69 in Oegstgeest. Dat was aan de ‘goede’ kant van het dorp zodat hij weer naar zijn werk kon fietsen. Destijds nog aan de rand van het dorp gelegen met aan de overkant van de straat akkers met daarop een molen was de Wijttenbachweg de doorgangsweg naar Sassenheim. Verderop lag aan de rechterkant nog een militair complex wat van de Koninklijke Marine kan zijn geweest want later was dit weer marineterrein. Vanuit het huis naar het zuiden kreeg je een vaart met een brug waar een melkboer woonde en waar een garagebedrijf zat dat een stokoude en gammele vrachtauto in bedrijf hield.

Ergens in een zijstraat woonde Jouke’s vriendje Willem en daar ging hij regelmatig spelen. Renske kon zich naderhand Willem ook nog wel herinneren. “Veel en veel later, bij een studentikoos eerste-jaars-bezoek (vanuit Delft naar Leiden),” vertelde hij reecnt, “ben ik op sociëteit Minerva aangesproken door een jongen die vertelde dat hij Willem …. heette en zich mij nog goed herinnerde. Kennelijk had ik intussen te veel andere indrukken opgedaan want ik had er totaal geen beeld bij, maar moest aannemen dat hij het bij het rechte eind had want hij gaf meerdere overtuigende details.”

Het moet daar voor ouders met jonge kinderen destijds geen gemakkelijke tijd zijn geweest. Lenie en Sjoerd waren er niet ingebed in een sociale structuur en Lenie miste heel duidelijk het directe contact met haar ouders en overige familie, laat staan dat er over sport en dergelijke kon worden nagedacht. Het was vaak een kwestie van overleven. Kleren waren niet altijd gemakkelijk te verkrijgen en Jouke werd verschillende keren meegetroond naar mensen waar iets oudere kinderen uit de kleren en, in het bijzonder, goede schoenen waren gegroeid. In die tijd begon er, wat de kleding betreft, een soort van ruilhandel te ontstaan.

Aan de positieve kant stond echter Sikkens, zeker vanwege de twee jaarlijkse gelegenheden waarbij gezinnen met kinderen bij het bedrijf werden welkom geheten. Met Sinterklaas was er Ranja en natuurlijk snoep en in de vroege zomer was er poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn en dat was natuurlijk helemaal super. Het bedrijf zorgde ook goed voor het personeel en trachtte regelmatig producten (en dan vooral clandestien gestookte drank) te ruilen voor eten. Zodoende had het gezin de eerste jaren geen gebrek Op zijn laboratorium had Sjoerd bovendien grondstoffen om drank te kunnen stoken en dat deed dan ook regelmatig aan de hand van een Duits boekje dat nog steeds in familiebezit is. Hij had er duidelijk lol in en zijn ‘menukaart’ bood een ruime keus.

Likörfabrikation auf kaltem Wege: Sjoerd’s handboek voor de sterke-drankproductie.

Op 12 januari 1941 werd het gezin verblijd met de komst van Renske, op 3 november 1943 gevolgd door Dietert. Op dezelfde dag beviel Aly twintig kilometer verderop in Voorburg van dochter Aukje. De dames hadden er pret om. Dietert was iets te laat en Aukje wat aan de vroege kant, maar de bevallingen waren voorspoedig gegaan, Al op 8 november deed Lenie verslag van het spuitje waarmee de bevalling werd ingeleid en de matige eetprestaties van haar zoon de eerste dagen. Hij had echter het licht gezien en kwam nu fors aan. Ze kregen echter wel te maken met “een vervelend geval”: de kraamhulp lag met ernstige buikgriep in bed en moest door Sjoerd worden verzorgd. Het goede nieuws was wel dat ze zelf aardig werd verwend: 1 taart, twee cakes, borstplaatjes, 16 eieren, een speelpakje en 6 x bloemen. “Niet slecht, hè” Renske was ook zeer tevreden met haar kleine broertje, hoewel ze erg aan het voeden moest wennen. “Moeder, riep ze, hij eet je hele piep op. Nu zegt ze dat hij er op kluift.”

Lenie met Renske; zomer 1941.

Tekstdelen uit brief van Lenie bij de geboorte van Dietert en Aukje; 8 november 1943.

Lenie eindigt haar brief met een soort p.s.: “Wanneer zullen we elkaar’s spruiten eens zien? Dat gaat nu niet zoo gemakkelijk.” Niet alleen de gezinsgrootte maar ook de oorlogsomstandigheden vormden een toenemende belemmering voor het ‘vrije verkeer’. De spanningen liepen op en de verhoudingen met de spruiten werden steeds minder. Jouke, in 1944 inmiddels vijf jaar oud, herinnert zich hoe hij een twintig minuten moest lopen naar de kleuterschool. Ze passeerden daarbij een kazerne met een imposant op wacht staande Duitse legerwacht waar hij van zijn moeder niet strak naar mocht kijken want ze was bang dat hij zich voelde uitgedaagd. Hij herinnert zich ook een luchtgevecht tussen een aantal Duitse jagers met twee Engelse bommenwerpers, waarvan er één werd neergeschoten en waar hij naar toe wilde rennen maar door Lenie in de kladden werd gegrepen.

Eten was aanvankelijk niet zo’n probleem in huize Van der Baan, mede dankzij de zeer goede werkgever die op voedselgebied van alles wist te ritselen met bevriende boeren. In de winter van 1945 – de Hongerwinter – noopte de toenemende schaarste echter tot zware maatregelen. Het menu bestond veelvuldig uit bloembollen, die in het laatste jaar in de tuin in een hoogdruk stoompan werden gekookt en een zoetige, weeë smaak hadden. Er kwamen, vooral ’s avonds, ook vaak uitgehongerde bedelaars langs en – voor zover mogelijk – werden die vaak ook met een aantal happen eten geholpen, maar het wel buiten op de stoep genuttigd.

Sjoerd had als techniek het vertellen van verhaaltjes bij de diverse groentes die zijn spruiten niet of nauwelijks lustten. Kossebos was voor spruitjes en, uiteraard, Popeye was voor spinazie en zo waren er meer. In de tuin in Oegstgeest stond echter ook een schuurtje met een heel stel konijnen die om beurten werden opgegeten. Jouke en Renske vonden dat helemaal niets, waardoor Lenie en Sjoerd zich gedwongen zagen om afleidende sprookjes te vertellen over het verdwijnen van bepaalde, favoriete konijnen: er waren ‘bijters’ bij en dieren die je kon aaien.

In het hart van de Hongerwinter was Lenie bovendien zwanger van zoon Sjoerd, die kort voor de bevrijding – op 27 april 1945 – werd geboren. Zijn oudere broer Jouke herinnert zich met enige spijt hoe “het eerste ei dat aan het eind van de oorlog thuis werd gebakken, niet voor ons was bestemd helaas, maar voor de zwaar ondervoede baker die moeder bij de geboorte van Sjoerd kwam assisteren.” Nog geen twee weken later, op 8 mei, werd echter ook Oegstgeest bevrijd en begonnen betere tijden.  

Sjoerd Junior; april/mei 1945.

Hoewel…. Ruim zeventig jaar na dato beschrijft de toenmalig jonggeborene en drama dat zich de volgende dagen voltrok in huize Van der Baan. “Ik was zoals dat heet een lekker mollig kind. Mijn moeder durfde bijna niet met mij te wandelen, wat zouden de mensen wel niet denken. Ik was kerngezond op twee prachtige O-beentjes (of waren het X-beentjes?) na. De huisarts besloot om mij direct te voorzien van een gipsen korset, in de hoop dat het nu nog gecorrigeerd kon worden.” Na drie weken zou ik verlost worden van deze kwelgeest en op het afgesproken tijdstip was de wijkzuster present, maar de dokter liet nog even op zich wachten. Ze had kennelijk haast en besloot het korset zelf te verwijderen. Als ooggetuige kon hij het navertellen: “De zuster pakte een gruwelijk grote schaar en begon voortvarend in het gips te knippen.” De kleine Sjoerd zette het opeens op een brullen, hetgeen de zuster ertoe bracht met verhevigde energie de schaar steeds dieper in het gips te drijven. “Pas toen  het korset helemaal rood werd van het bloed stopte ze en trok de schaar terug. … Op dat moment kwam de huisarts binnen. Hij zag direct de schade die was aangericht, duwde de zuster ruw opzij en nam het werk over. Met enige moeite kon hij het restant gips van mijn linkerbeen verwijderen.” Door het gezonde geplas van de kleine    was zijn velletje ter hoogte van zijn knie verkleefd aan het gips en dat had die feeks kapot geknipt. De dokter heeft de wond zo goed mogelijk verzorgd en pas toen gaf hij de onfortuinlijke zuster er ongenadig van langs. “Alhoewel ik nog niets kon begrijpen, was ik het roerend met hem eens. Het resultaat was drie jankende personen en één rood aangelopen dokter in de kamer. Maar goed aan alles komt een eind en na een tijdje was alles alweer vergeten, maar vergeven?

Curaçao; 1945-1950

Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog hervatte het leven zijn loop, maar de veranderingen waren ingrijpend. Sjoerd ging vrijwel onmiddellijk – in tweede helft 1945.- per Shell-tanker naar Curaçao waar hij in dienst trad van de Curaçaose Petroleum-Industrie Maatschappij (CPIM) en chef werd van het metaalkundig laboratorium van die organisatie. Dit was een relatief groot industrieel lab dat tot doel had het volcontinue bedrijf van de raffinaderij zo veel als mogelijk te ondersteunen. ‘Downtime’ was verlies voor het bedrijf en er werd steeds meer van hoogwaardige materiaalsoorten gebruikgemaakt teneinde dit te minimaliseren. Berucht waren bijvoorbeeld defecte afsluiters. Na grondig onderzoek werden deze van het kostbare materiaal ‘monel’ gemaakt  in plaats van het in die tijd nog algemeen gangbare ferritische staal. Sjoerd heeft toen nogal eens strijd moeten leveren met de inkooporganisatie voor zijn adviezen voor peperdure uitvoeringen, maar hij had steeds de bedrijfsleiding op zijn hand. Tenslotte was het een gewone kosten-baten analyse.

Het gezin kon niet onmiddellijk volgen, dat duurde ongeveer een jaar. Eerst bleef Lenie met haar vier kinderen in Oegstgeest wonen, totdat zij het huishouden aldaar had opgedoekt en het gezin over familie in de stad Groningen werd verspreid. Jouke en Renske zaten een poos bij Opa en Oma van der Baan in Helpman aan de Savornin Lohmanplein 12b in Helpman. Jouke ging naar de 1ste klas lagere school (van de Coenders school in Helpman) en Renske ging naar de kleuterschool in de buurt. Lenie zat echter met de twee jongste kinderen bij haar ouders aan de Mauritsstraat en regelde daarbij van alles.

Dietert, Jouke, Renske en Sjoerdtje; 1946.

Toen de reguliere luchtverbindingen weer tot stand waren gebracht volgden de gezinnen en zo toog Lenie medio 1946 met de vier kinderen naar de West. Het werd een avontuurlijke reis, niet in het minst omdat zodra de motoren werden gestart, Sjoerdtje het op een brullen zette. De reis ging per KLM DC4 met stops in London (of was het Shannon?), New York en Havana. Wat zijn moeder en de stewardessen ook probeerden, hij bleef krijsen. Er werd van alles in hem gepropt, hele repen chocola verdwenen in zijn wijdopen keel, maar niets mocht baten. Zijn oudste broer sprak van “een enerverende tocht” die eindigde op de luchthaven Hato van Curaçao. Waar Sjoerd hun opwachtte met een aantal repen witte chocola – “nooit eerder gezien”. We kunnen niet anders dan concluderen dat chocola kort na de oorlog binnen de familie Van der Baan een soort munteenheid vormde, waarmee de kinderen tot maatschappelijk gedrag werden verleid.

Luchthaven Hato met Douglas DC-4 van de KLM.

Het leven in de tropen vergde wel een omschakeling. Sjoerdtje was wat gekalmeerd in zijn ledikantje gelegd, maar Lenie kreeg de schrik van haar leven toen ze een uurtje later kwam kijken. Het arme joch was bedekt met enge vieze gore platte bruine beestjes met lange voelsprieten. Het was haar kennismaking met een van haar ergste tropische vijanden: de Kakkerlak, of zoals hij daar heette: El Cucaracha. Het enge dier bleek zeer gesteld op chocola. Na een grote schoonmaak van zowel kind als bed werd de peuter weer ingestopt, maar ditmaal omgeven door muskietengaas.                                 

Na die eerste schok wende het snel. De eerste indrukken waren dan ook overweldigend, vertelde Jouke. “Heerlijk warm weer, een groot, gelijkvloers huis met twee toiletten en een inwonende negermeid die kookte en voor een groot deel het huishouden deed, een grote auto om tochten op het eiland te maken en de diverse baaitjes te bezoeken waar kon worden gezwommen; het gaf een enorm gevoel van vrijheid en er waren volop plekken om avonturen te beleven.”

Het eerste huis was gelegen in Rio Canario, een mooi dorp met reeds volgroeide tuinen en alle faciliteiten dicht bij de hand. Ook de raffinaderij lag dichtbij maar wel ‘benedenwinds’ dus veel merkten wij er niet van. Het was de oudste en meest gesettelde woonwijk van Shell met vaak weelderige tuinen en hadden zelfs nog enigszins een koloniale sfeer: het ‘Wassenaar’ van de woongemeenschappen. Op Amerikaanse wijze werden de kinderen steeds met een schoolbus opgehaald en gingen naar een lagere school die door de CPIM was opgetuigd. Jongens in de jongens-bus en meisjes in de meiden-bus. In de vrije tijd vaak naar het nabijgelegen zwembad Rustenburg, waar de kinderen zwemles kregen van badmeester Lieshout. Jouke zat korte tijd op de padvinderij waar hij welpje is geweest tot het gezin verhuisde naar Julianadorp.

Woonhuis aan de Parkweg in Julianadorp.

Woonhuis aan de Bosweg in Julianadorp; 1948.

De kinderen herinneren zich hun vijf jaar op Curaçao als een prachtige tijd. Af en toe was er de openluchtbioscoop met vooral cowboy- en Tarzanfilms. In de cowboyfilms waren de hoofdrolspelers Roy Rogers, Gene Autry en mogelijk nog een of twee andere acteurs. Johnny Weismuller speelde een gespierde en schaars geklede Tarzan, die moeiteloos aan lianen door het oerwoud slingerde, junglekreten slaakte die soms op jodelen leken, en goede vrienden was met diverse apen en mensapen en olifanten en mogelijk zelfs een leeuw (hoewel leeuwen geen oerwoudbewoners zijn maar in het open land van de steppen leven). Steevast redde hij een lieflijke jonge vrouw die om de een of andere reden in zijn oerwoud belandde, uit allerlei gevaren. Fascinerende films allemaal, behalve de stukken waarin Gene Autry zo nodig in zingen moest uitbarsten als hij in de aanwezigheid van vrouwelijk schoon kwam. En een heel enkele keer werd er zelfs – heel kuis – gekust! In Renske’s herinnering was dat gezang (en gekus) altijd zonde van haar maar ook zijn tijd, ze was altijd blij als hij weer in het zadel steeg en wegreed naar een volgend avontuur. Roy Rogers zong minder, in haar herinnering, en die reed op zo’n prachtig palomino paard Trigger dat het bij de eerste aanblik al duidelijk was dat het een echte held betrof.

Roy Rogers en Trigger.

De hele omgeving was sowieso sterk Amerikaans georiënteerd. In plaats van een familieblad als Panorama (destijds nog heel netjes) bestond de gezinsliteratuur uit Donald Duck en het Amerikaanse  Saturday Evening Post, hetgeen heel handig was voor kleine jongetjes want daarin stonden pagina grote advertenties van de nieuwste Amerikaanse auto’s  en daar behoorde je over mee te kunnen praten. Dat leidde soms tot ernstige broedertwisten binnen het gezin. Het drinken van melk en andere zuivelproducten werd veelal vervangen door Coca of  Pepsi Cola (‘coke’) en het kroost liep op ‘ketches’ zoals de kinderen in Nederland op ‘gympies’ liepen. Een kleinburgerlijker woord dan het woord  ‘gympies’ bestond er voor ons niet.

Onze bolderkar en huis op de achtergrond.

Al snel ging ook Brakkeput aanzienlijk meer trekken. Brakkeput Mei Mei was oorspronkelijk één van de drie Brakkeput plantages die grensden aan het Spaanse Water, een schitterende, natuurlijke baai met een open verbinding naar zee. Mei Mei was in beheer bij de Shell-gemeenschap en bestond uit een bebost terrein met diverse priëeltjes (picknickplaatsen) die je in het weekend voor gezinsgebruik kon reserveren. Daarnaast was er de zeilhaven van Brakkeput. Toen Sjoerd in 1945 arriveerde was die zeilhaven, bestaande uit een solide steiger met een vijftal zeilboten en een klein gebouwtje met kleedhokje en douche, in gebruik bij de Koninklijke Marine. Die had echter in het Schottegat bij Parera ook nog een zeilfaciliteit en maakte er dan ook weinig gebruik van. Sjoerd trad als zeilcommissaris toe tot het bestuur van de welbekende Sport- & Ontspanningsvereniging Asiënto van Shell en kreeg tot taak de zeilsport te gaan ontwikkelen. De eerste stap werd de overdracht van deze faciliteit van de Koninklijke Marine naar de Shell (officieel: Curaçaose Petroleum Industrie Maatschappij CPIM). Dat verliep redelijk voorspoedig en veel families gingen met één van de oude marinesloepen voor een dagtocht naar het prachtige strand van Santa Barbara, vlakbij open zee en de ingang van het Spaanse Water.

Sjoerd aan de helmstok van een pampus.                   In een zeilboot op Brakkeput.

Misschien was het daar wel bij gebleven als er niet een aantal mannen verschrikkelijk graag wilde wedstrijdzeilen. Dat vergde aanzienlijk meer inspanning. Ten eerste een serie wedstrijdschepen, beschikbare uitrusting en documentatie en een deskundige walploeg voor starten en finishen. Het is veel lobbyen geweest, speciaal voor de aanschaf van de boten, maar het is gelukt! Het werd een enorm succes en toen Sjoerd in 1951, bij vertrek naar de raffinaderij van Punta Cardon in Venezuela, het stokje van voorzitter van de zeilafdeling overdroeg aan zijn opvolger was het een bloeiend watersportbedrijf geworden. Er werden twee nieuwe zeilboten (Sturdy’s) naar hun genoemd; de SJOERD en de LENIE en de zeilhaven kreeg de naam Sjoerd van der Baan-haven. Tenslotte volgde er jaren later nog de benoeming tot lid van verdienste, hetgeen een zilveren lepeldoosje heeft opgeleverd dat door Sjoerd’s broer Hessel, op dat moment ook werkzaam bij CPIM, in ontvangst is genomen. Overigens – ter nog meerdere glorie van de blije naamgevers werden de volgende twee Sturdy’s – uit een serie van vijf – vernoemd naar Beatrix en Juliana.

Een Sturdy (links) voor vertrek naar de Sjoerd vd Baanhaven in Brakkeput.

Benoeming Sjoerd tot lid van verdienste; 2 maart 1957.

Sjoerd’s betrokkenheid hield in dat ook de andere gezinsleden wekelijks op en in het water te vinden waren. Vaak kwam de heer des huizes thuis met verse grote kreeften en dan betekende heerlijk smullen. De beelden van de zeilboten rond het eiland oefenen zelfs nu nog grote aantrekkingskracht uit.

Links: wedstrijdvarende Pampus zeilboten in het Spaanse Water vóór de Tafelberg; rechts: ererondje van de nieuwe Pampussen na aankomst op Brakkeput.

De nieuwe Pampussen voor de raffinaderij en in de St. Anna Baai bij Willemstad.

Ook Lenie sloeg haar sportieve slag. Ze heeft de mogelijkheden van sportbeoefening eerst goed bestudeerd en heeft korte tijd getennist. Een buurman speelde echter golf, nota bene op een – zanderig – terrein tegenover ons huis op Rio Canario. Toen zij een keer meeliep, was ze verkocht, heeft leren golfen en is dat de rest van haar actieve leven blijven doen. 

De anekdotes van de rijke periode Curaçao rijgen zich aanéén. Ook het beklimmen van de hoogste berg, de Sint Christoffel, helemaal 372 m hoog, gold als een sportieve prestatie. Het probleem was dat je royaal voor de middag boven moest zijn, want daarna werd het bloedheet. Als je daar een verkeerde stap maakte, kon het zijn dat je in de cactussen belandde. Een zekere Pim, vriend van Sjoerd en Lenie, voor een kort bezoek op het eiland, is dat overkomen. Hij viel met zijn achterwerk boven op een cactus en toen moest de broek wel omlaag.  De kinderen moesten doorlopen en Sjoerd en Lenie zijn een tijd bezig geweest om alle naalden er uit te peuteren.

Een ander fenomeen waren de bezoeken aan de hoofdstad, Willemstad, waar destijds veel en ook mooie winkels waren. Voor een groot deel in handen van de Joodse families. Spritzer & Führman was toen een beroemde zaak waar onze ouders sieraden en horloges hebben aangeschaft. De bezoeken hadden dan ook voornamelijk een zakelijk karakter en als kinderen moesten wij dan bij zo’n zaak verschrikkelijk….  lang wachten. Dat werd echter weer goed gemaakt door ergens een lekker ijsje te gaan eten. 

Helemaal top waren de bezoeken die het vliegdekschip KAREL DOORMAN aan het eiland bracht.  Dan gingen wij via Willemstad met een tender naar het schip dat ergens in het Schottegat voor anker lag. Sjoerd had als voorzitter van de zeilafdeling van Asiënto dan als taak voor een deel van de bemanning iets te regelen bij Brakkeput in de geest van koekhappen, zaklopen (de spelletjes van de vroegere Koninginnedagen) waar sloffen sigaretten mee werden verdiend, dus de maten wilden dan wel flink hun best doen. Het gevolg was dat wij bij bezoeken aan het schip soms een voorrangspositie hadden en iets meer konden zien en horen.

Bij Brakkeput trokken wij als gezin zo’n dag met een groepje (een ‘bak’ heette dat) op, dat nog helemaal confuus was zoals Prins Bernhard kon vloeken. Het bleek dat zijn DC3  aan boord op het liftplatform van de hangar had gestaan, waar normaal de Spitfires, etc. stonden. De machinist van dienst die die lift moest bedienen, had niet in de gaten gehad dat de vleugel van een DC3 iets verder uitstak en had schade gemaakt. De prins is toen te keer gegaan als een dragonder en de jongere gezinsleden leerden in rap tempo een aantal nieuwe woorden.

Aan al het goede in het leven komt een einde en zo geldt dat ook het Curaçaose avontuur van Lenie, Sjoerd en hun nazaten. Het laatste jaar moest Sjoerdtje naar de kleuterschool, maar die pret heeft maar heel kort geduurd. Na twee dagen al kreeg zijn moeder te horen dat hij niet meer welkom was. Het joch luisterde voor geen meter en bracht daardoor onrust onder de andere kleuters. Ingrijpender was echter dat Jouke aan het slot van deze periode terug moest naar Nederland om daar naar een middelbare school te gaan. Het was het begin van een uittocht die het gezin de komende jaren teisterde.

Onderschrift van Lenie: Diet, Albert Lowey Ball  (een vriendje), Jouke, Sjoerd Jr., Ren, Moeder Leni; mei  1950.

Renske en Jouke; ca. 1950.

Punta Cardon, 1951-1955

In 1951 werd Sjoerd met gezin met een 3-jarig contract overgeplaatst naar Punta Cardon, Venezuela. Het betrof een groot nieuwbouwproject in een ‘Venezolaanse steenwoestijn’, zoals de krant kopte. Op een verlaten schiereiland stampte de Koninklijke Shell een nieuwe raffinaderij uit de grond, dat een paar duizend bewoners een prettige leefomgeving bood ‘met alle gemakken, die men in bewoonde streken heeft.’ Het is een heroïsche prestatie, weet een verslaggever van de IJmuider Courant in december 1949 te melden. Er zijn twee lange pieren van 1200 voet die eindigen in diep water zodat tegelijkertijd twee oceaan-tankers en twee meer-tankers kunnen aanleggen, in totaal dus acht schepen. De raffinaderij is zeer rationeel aangelegd, met aan de waterzijde het hoofdkantoor, het laboratorium, de krachtcentrale en de pompen. Er is een zeewaterdistilleerinrichting maar om gebrek aan drinkwater te voorkomen is ook een pijpleiding van 100 kilometer aangelegd naar het vasteland.

Vroege beelden van Punta Cardon.

Om van de permanente Noordoostelijke wind te profiteren zijn de huizen – van verschillende typen – langs slingerende wegen gebouwd. De meerderheid van de woningen is van het type ‘twee-onder-één-kap’ en bieden plaats aan ongeveer 12000 mensen. Er zijn ook drie scholen, een R.K. kerk, een polikliniek, drie clubs, sportterreinen, een open-luchtbioscoop, een schoonheidssalon, een barbier en een apotheek. De kerk biedt plaats aan 900 personen, de bioscoop zelfs aan 1200. Alle etenswaar wordt vanzelfsprekend per schip aangevoerd, maar de getallen van dit – toentertijd – megaproject zijn nog steeds verbazingwekkend. Er is 150 kilometer geasfalteerde weg aangelegd, de drinkwaterinstallatie levert twee miljoen liter water per dag, en er zijn drie miljoen zakken cement verwerkt. De scholen kunnen 1360 leerlingen bergen en er is bij de aanleg zestig miljoen uren gearbeid.

Door Jouke’s vertrek rond de Kerst van 1950 was het gezin teruggebracht naar vijf personen. Onverwacht doken uit het filmarchief van zwager Ab beelden op van een bezoek dat hij in die vroege fase op doorreis van Jamaica naar Suriname op de terugweg bracht aan Punta Cardon. De prenten, getrokken uit de film, zijn niet scherp maar geven wel een indruk van lang vervlogen dagen in een bijzondere omgeving. De films zijn in het vaderland ongetwijfeld met grote aandacht bekeken. De nichtjes en neef waren diep onder de indruk van de wederwaardigheden van hun familie. Pieter bouwde die jaren een uitzonderlijke verzameling op van grote, prachtig gekleurde postzegels van het verre Venezuela. Aukje stuurde Dietert op hun gezamenlijke verjaardag elk jaar een cadeautje en kreeg er altijd een in retour. “Er kwam ook wel eens een koffer vol met zomerjurken van Renske”, herinnerde ze zich met warmte.

Renske, Dietert en Sjoerd op film Ab; 1951.

Sjoerd en Lenie.

Recreatieve voorziening en zeevermaak.

Uitstap met de zwarte bolide.

Ab en Lenie passen hoeden.

Flink drinken in de tropen.

Fouragering.

Vertrek

Maar laten we ons meer systematisch ingraven in het enerverende leven van de Van der Baan’s op hun nieuwe standplaats. De Shell hanteerde daar een tropenwerkschema voor zijn medewerkers, dat hield in dat om 13.00 of  13.30 uur de werkdag erop zat. Er werd gegeten en meestal trokken de ouders zich dan 1 of 2 uur terug in de slaapkamer met airco.

De kinderen hadden dan het rijk helemaal voor ons zelf met als enige verbod: niet zwemmen. Ze zaten op een Internationale Shell school waar in het Nederlands, Spaans en Engels les werd gegeven en ook die was ‘s middags dicht. De school was ingericht naar Amerikaans model, waarbij alle kinderen werden onderverdeeld in één van de drie competitieve groepen: de fregats (rood), de cormarants (blauw) en de pelicans (geel). Kinderen uit één familie werden bij voorkeur in verschillende groepen ondergebracht, zo was Renske een fregat, Dietert een cormarant en Sjoerd een pelican. Om de zoveel tijd werden er sportwedstrijden gehouden en daar kon het behoorlijk te keer gaan. Sjoerd en Lenie moesten wel voor elke overwinning van welke groep dan ook juichen, want één van hun kinderen had dan gewonnen.

Eerste klas op Punta Cardon, met linksachteraan, naast Juf van As, Sjoerd.

Naast het werken voor Shell en de schoolgang draaide het leven in Punta Cardon om twee belangrijke plaatsen: Club Miramar en Club Nautico en voor Lenie kwam daar nog de golfclub bij. Hun eerste huis lag net als op Curaçao aan de kust, met de voorkant aan een open veldje. Links daarvan stond het clubgebouw van Club Miramar, de algemene recreatieclub voor Shell senior staff. Er was overigens ook een aparte recreatieclub voor junior staff, de Club Manaure. Miramar had de functie van een soos, maar was veel meer dan dat. Via het gebouw of een weggetje ernaast kon je naar beneden naar de twee tennisbanen en een met hekwerk afgezet stuk zee waar je ‘veilig’ in kon zwemmen. De gezinsleden waren zeker wel drie keer per week in Miramar te vinden, Lenie om te tennissen en Renske en haar broers om te zwemmen, in en buiten het beveiligde stuk.

Club Miramar, van de achterzijde gezien.

Club Miramar, zeezicht…                                    …en zicht op de tennisbanen.

Ondanks alle inspanningen van Moeder Shell was het een kleine wereld, maar met een terugblik trilt Sjoerd – bij aankomst vijf jaar oud – mee met zijn zes jaar oudere broer Jouke die terug moest naar het naoorlogse leven in Nederland met weinig mogen en veel moeten, terwijl de andere kinderen in een nog groter paradijs aankwamen dan Curaçao al was geweest. Het was ook een heel avontuurlijk leven en we boffen dat de kleine Sjoerd een goed geheugen combineert met het plezier in bloemrijk schrijven.

De favoriete sport daar, zo herinnert hij zich, was baseball en de jongens speelden het net zo vaak als in Nederland voetballen op een veldje. Zijn vriendinnetje Kiki (Annemarie) Meye was een echte wildebras en wilde altijd meedoen. Dat mocht niet want baseball was een jongenssport en niet voor meiden. Als vroeg geëmancipeerd jongmens deed Sjoerd zijn best: “Meestal slaagde ik er in dat ze toch mee mocht doen, maar als ik dacht dat ze me daar dankbaar voor zou zijn, dan hielp ze me gauw uit die droom. Ik was vanwege mijn lengte vaak werper en was het mijn taak om de tegenstander met 3 slag uit te krijgen. Als dat Kiki toevallig overkwam, begon ze te stampen van woede en reageerde haar frustraties op mij af door mij met de baseball knuppel te slaan. Ik kwam dan ook regelmatig bont en blauw thuis. Van een ander zou ik dat nooit gepikt hebben, maar Kiki mocht veel bij mij. Mijn ouders voorspelden dat wij op latere leeftijd zouden trouwen, dat is er dus niet van gekomen.”

Er is ook de gevoelige herinnering aan de keer dat zijn bal bij het honkbalgooien afdwaalde en midden in het publiek terecht kwam op de kop van een niet zo’n geliefd persoon. De man begon luid te vloeken en wilde dat de snode werper direct geschorst werd en publiekelijk zijn excuses zou aanbieden. “Nou, dan had hij buiten grote Sjoerd en de bijna even stoere Juf Tjits Swart gerekend. Ik was niet de schuld, maar een plotseling opstekende windvlaag en bovendien als hij geïnteresseerd aan het kijken was, had hij de bal moeten zien aankomen.” Daarna hebben ze wel voor de zekerheid het onderdeel speerwerpen – nota bene een van de nummers waarin zijn moeder uitblonk – uit het programma gehaald.

De kinderen hadden het sowieso buitengewoon druk en dat kwam mede door vader Sjoerd die, net als in Curaçao met Asiento, binnen de kortste keren voorzitter was van de Club Nautico. De hoofdactiviteiten waren daar vissen en zeilen. Zwemmen werd niet aangeraden, want er kwamen dicht onder de kust nog wel eens haaien en – nog erger – barracuda’s.

Club Nautico op een iets latere foto uit 1962.                           De pier bij Club Nautico.

Sjoerd besloot weer tot een actieve benadering. Hij bestelde voor zichzelf bij de Firma W. Visser & Co aan het Paterwoldsemeer een overnaads zeilbootje, de RENS. Jouke was net op tijd terug in Groningen om de bouw van nabij te volgen. Zijn Oom Jan kon er begin januari nog mee proefvaren voordat het schip op transport naar Cardon ging; Jouke zelf had op dat moment nog teveel last van ‘tropenbloed’ om dat in die tijd van het jaar leuk te vinden. 

Bovendien bouwde vader Sjoerd, gebruikmakend van een Amerikaans bouwpakket, in Punta Cardon een degelijk roeibootje voor zijn twee jongste zonen. Het was een soort voorloper van een optimistje – zonder een zeil of buitenboordmotor, maar met peddel – die vreemd genoeg nooit een naam heeft gehad. Overigens was dat bootje niet het succes dat hij ervan verwachtte, want Lenie vond het veel te riskant dat de jongens er onbegeleid mee op zee gingen roeien, en daar had ze groot gelijk in, want door de harde aflandige wind was het zelfs voor Grote Sjoerd keihard ploeteren om de kust weer te bereiken.

Twee zeilboten bij Nautico, voorop één van de pampussen en daarachter het door Sjoerd zelf in elkaar gezet zeilbootje. Rechts het naamloze bootje, voortbewogen door Lenie.

Zoonlief beschrijft met warmte de visvangst met Vader Sjoerd: “Zo’n vistocht begon altijd met een bezoek aan de Shell supermarkt, waar we een diepvries pondspak grote rauwe garnalen kochten. Met de garnalen en drie lijnen stevig nylon voorzien van een goede haak (geen prutsding zoals ze hier gebruiken om voorntjes aan de wallenkant te vangen) en een stevig stuk lood een paar cm boven het haakje. Vervolgens ging het richting Nautico en ging onze bootje te water. Pa roeide een eind de zee om en wij tuurden, door het kristalheldere water, naar plaatsen waar we de vissen op de bodem zagen zwemmen. Zagen we er genoeg bij elkaar, dan gingen de riemen binnen boord en de haken, iedere voorzien van een dikke garnaal, werden feilloos tussen de zwemmende vissen gevierd. En dan maar een beetje het lijntje bewegen en ja hoor, de eerste beet.”

Sjoerd, met Lenie links en Junior rechts, met één van zijn grotere vangsten in Punta Cardon.

Een vistochtje leverde al gauw binnen een klein uur acht grote vissen op. Sjoerd weet nog: “Onze favoriet was de yellowtail, een heerlijke vis. Als tweede keus had je de Red Snapper.” Langer konden ze overigens niet op zee blijven omdat zijn vader nu al hard moest roeien om tegen de stroom weer aan land te komen. Hoewel ze alle keren veilig thuis zijn gekomen, vertelde Senior later dat het er één keer om spande en dat hij zich de longen uit het lijf heeft geroeid om toch weer binnen te komen. Zijn zoons zaten er niet mee: “Voor ons kleine jongens was pa oersterk en we waren nooit bang.”

Grote en kleine (beter: oude en jonge) Sjoerd.

De omgeving was sowieso niet van gevaren ontbloot. In het zwembad bij Club Miramar konden ze volgens de handboeken veilig zwemmen, geen haaien of andere beesten, zoals kwallen. “Op een ochtend hadden we weer schoolzwemmen’, verhaalt Sjoerd Junior echter. “Voordat we het water in mochten, inspecteerde Juf Swart  het zwembad. Eerst geloofde ze haar ogen niet. Was dat waar? Zag ze het goed. Ja echt, daar zwom een bijna 2 meter lange barracuda midden in het zwembad. Nu  boezemde een barracuda even veel ontzag in als een haai en zeker zo’n groot exemplaar. Van zwemmen kwam natuurlijk niets meer. Hier moesten experts bij komen. Binnen de kortste keren stond het strand vol met mensen, zo’n nieuwtje verplaatste zich razendsnel.”

Er werden radicale maatregelen genomen om deze geduchte vijand te bestrijden. Het strand werd ontruimd en de omstanders moesten zich terugtrekken op hoger terrein bij de tennisbanen. “Er werd besloten om op vier plekken dynamiet aan te brengen en die vlak na elkaar tot ontploffing te brengen. Er werd een klein bootje te water gelaten; daar klom een – in onze ogen – held in en die plaatste vier porties van ieder twee staven dynamiet op een plankje in het water. Elk pakje was verbonden met een draad die aan wal werd verbonden met een kastje waaraan een slinger zat en een hefboom.”

Het waren mooie tijden voor opgroeiende jongens. “Na elkaar waren er vier enorme dreunen, ieder gevolgd door een geweldige schokgolf die pijn deed aan je oren, maar dat belette niemand om weg te gaan, dit was veel te spannend. In het begin was het water een kolkende massa vol met luchtbelletjes, maar na een tijdje werd het weer rustig en konden we zien wat de uitwerking van de ontploffingen was  geweest. Er kwamen steeds meer dode vissen boven drijven, de meeste behoorlijk beschadigd want onder water was de schokgolf nog veel heviger dan in de open lucht. Er dreven een paar flinke exemplaren, waaronder ook een tweetal haaien die  gevaarlijk voor mensen konden zijn. Alleen de barracuda is nooit gevonden.” Sjoerd zegt het met enige spijt en concludeert dat het hier, net als zijn zoetwaterneefje de snoek, een intelligente vissoort betreft die nattigheid gevoeld moet hebben. Hij was stilletjes verdwenen op dezelfde manier als hij was gekomen. De schade was evenwel groot. Het ijzeren netwerk moest door duikers geïnspecteerd, waarbij een aantal grote gaten aan het licht kwam. “Een heel nieuw netwerk worden moest worden aangelegd en dat betekende een week niet zwemmen.”

Na Jouke kwam ook Renske in december 1951 terug naar Nederland. Ze moest halverwege het schooljaar, van de 6e klas lagere school, overgaan naar een Nederlandse school ter voorbereiding op het toelatingsexamen voor de middelbare school. Lenie heeft haar van Venezuela naar Curaçao gebracht, waar zij logeerden bij de oude buren in Rio Canario, de familie van der Kuip, en een week vrienden en bekende plekken bezochten, onder meer Brakkeput. Lenie zette haar toen op Hato op het vliegtuig naar Holland.

Het werd een bijzondere reis. “Ik herinner me nog allerlei details van die vlucht en de aankomst op Schiphol.” Kort voordat haar vliegtuig de startbaan bereikte, stopte het kort en werd nog een koffer aan boord bezorgd. Dit bleek Renske’s koffer te zijn met onder meer winterkleding. Na de eerste tussenstop in Havana, om bij te tanken, werd tijdens het volgende traject de tweede tussenstop veranderd van New York City naar Montréal, omdat het vliegveld van New York gesloten werd vanwege hevige sneeuwval. In Montréal lag ook sneeuw maar hadden sneeuwploegen inmiddels een landingsbaan vrij gemaakt. Het vroor wel hard in Montréal dus winterkleding kwam goed van pas. Een vriendelijke vrouwelijke medepassagier, die naast haar zat in het vliegtuig, kocht in het kleine souvenirwinkeltje op het vliegveld een klein zakmesje met nagelvijltje voor haar. Het op school geleerde Engels hielp bij de communicatie.

Op de vlucht over de Atlantische Oceaan zag Renske, die zitplaats aan het raam had, dat er een langzaam groeiende ijsafzetting op de vleugel van het vliegtuig was. Zij vroeg zich af of de piloten dit wisten en of zij voor de zekerheid de stewardess zou moeten waarschuwen. Het was stil en vredig in het vliegtuig, de meeste passagiers sliepen. Dus zag Renske het nog even aan en op een gegeven moment leek de ijsafzetting niet verder toe te nemen, terwijl het vliegtuig rustig verder vloog. Over een eindeloos lijkende oceaan, met golven die vanaf de hoogte van het vliegtuig bedrieglijk klein leken. Op Schiphol werd Renske opgewacht door tante Peta, die zij zich nog wel herinnerde van 1949, toen het gezin met groot verlof in Nederland was. En daarna met de trein naar Groningen.

Helemaal duidelijk zijn die eerste dagen op vaderlandse bodem niet. Het kan zijn dat ze na aankomst een tussenstop maakte bij Aly en Ab in Scheveningen, waar we haar onder meer treffen op de trappen van de Ridderzaal. Jouke verhuisde naar Jan en Peta van der Baan, die woonden aan de Jan van Galenstraat in Groningen, terwijl Renske hem opvolgde bij Opa en Oma van der Baan op het Savornin Lohmanplein 12B in het naburige Helpman waar ze ongeveer een jaar woonde. Sjoerd bofte. Hij had één keer per jaar een uitgebreide Shell-meeting in Den Haag en maakte van de gelegenheid gebruik om zijn oudste twee te omhelzen. 

Renske op de trappen van de Ridderzaal met neef Pieter en Tante Aly; zomer 1952.

Sjoerd op bezoek bij zijn oudste twee in Helpman.

Het huiselijk leven in de West werd – met twee van de vier kinderen in het verre Nederland –  evenwel schraler. Het huishouden / koken werd voor een groot deel gedaan door personeel, dus Lenie bracht de tijd door met sport (op de eerste plaats), lezen (op de tweede plaats) en social activities (op de derde plaats). “Verwende tropenvrouwen” placht Sjoerd dat schertsend te duiden wanneer hij voor een zakelijke bijeenkomst Nederland tussentijds bezocht en moest antwoorden op vragen van familie en kennissen hoe de vrouwen-in-den-vreemde hun tijd doorbrachten. Lenie had veel aan haar sportbeoefening, maar ze miste het gezinsleven erg.

Sjoerd had het voordeel van zijn werk. Hij was in Punta Cardon onder meer baas van de bedrijfsbrandweer, en zijn nazaten herinneren zich een dramatisch ongeluk op de raffinaderij – gevolg van een verkeerde handeling van een elektricien in de elektriciteitscentrale van de raffinaderij – waarbij doden vielen. Sjoerd moest toen in actie komen om de brand op de raffinaderij te blussen en om hulp te organiseren. Het hele kamp had opeens geen elektriciteit meer, overal verrezen noodaggregaten, en er gingen in het kamp gruwelijke verhalen rond over zwaar verbrande slachtoffers, die door bewoners naar het hospitaal werden gereden.

Dietert en Sjoerdtje vermaakten zich nog immer kostelijk in Punta Cardon. Tijdens het carnaval werd er creativiteit van de ouders verwacht, want het was de bedoeling dat de kinderen in een prachtig pak werden gestoken en dan beoordeeld werden door een aantal juffen van de Shell school, zoals Juf Tits Swart en Juf van As. De beide zoons waren als piraat uitgedost, compleet met ooglap, bandage om het hoofd en een vervaarlijk uitziend triplex zwaard. De kleurenfoto’s – Dietert in het groen/zwart en Sjoerd in rood/zwart – zijn vervaagd, maar scheppen wel een beeld van grote woestheid.

Carnaval met Dietert in een bloeddorstiger houding dan de meer pacifistische Sjoerd (rechts).

Het Carnaval intensiveerde ook de wisselwerking met achterbuurman J Goedkoop, het zwarte schaap van een eerwaardig Amsterdams koopmansgeslacht en sleepvaartbedrijf. De carnavalsinzending van de familie Goedkoop immers bestond uit een zelfgemaakte krat op een wagen, aan drie kanten dicht en aan een zijkant een traliewerk. Daarin hadden zij hun jongste dochter Conchita gedaan, nog geen 2 jaar oud en geheel uitgedost als een jaguar of tijger. Bij een temperatuur van 32 graden liep het arme wicht rood aan en zette het op een brullen. Buurman Goedkoop meende dat de natuurgetrouwe oergeluiden haar kans op de eerste prijs zouden vergroten, maar die ging aan zijn neus voorbij. Aan de andere kant had hij het wel voor elkaar, het hele dorp sprak over de familie Goedkoop en niet over het kind dat gewonnen had.

Ook de viering van Koninginnedag was telkenmale een groot feest. Zo huurde het feestcomité eens een vijftal ezels en daar werden dan races mee gehouden voor kinderen. Ze maakten echter een vergissing, het was de bedoeling om muildieren te huren, maar per ongeluk werden het echte ezels en er bestaat geen koppiger dier dan een Venezuelaanse ezel. Sjoerd beschreef het evenement op treffende wijze: “Die beesten verdomden het gewoon om één stap te zetten, totdat een slimmerik, die waarschijnlijk in z’n jeugd Dik Trom had gelezen opperde om ze allemaal hard aan hun staart te trekken. Dat is het domste wat je kunt doen bij een ezel. Het enige onderdeel waar een volbloedezel trots op is, is z’n of haar staart. Kom daar niet aan!! Vier staarttrekkers kregen een enorme schop van de aangesproken ezel. Ze zeilden een paar meter naar achteren en belandden hardhandig op de grond. Wonder boven wonder waren er alleen maar een paar blauwe plekken als schade te melden.” Door de consternatie werd besloten om de rest van de buitenfestiviteiten maar op te schorten en het feest in het clubhuis van Club Miramar voort te zetten.

Het vervolg was hilarisch: “Aan het einde van de dag wilde het comité de ezels teruggeven aan hun Venezuelaanse eigenaar, maar die prakkiseerde er niet over. Ze hadden ze niet gehuurd maar gekocht. Waarschijnlijk de meest stompzinnige uit z’n veestapel waar hij toch niks aan had. Dus zat het comité opeens opgezadeld met vier supereigenwijze ezels. Wij jongens smeekten onze ouders of we er een mochten hebben, maar op één na – de vader van Chris Heil – trapte geen der ouders erin. Nog een aantal dagen hebben de ezels tussen onze huizen gesjokt en opeens waren ze verdwenen.”

Club Miramar rodeo; 1956.

De Club Miramar was de plaats waar het sociale leven inhoud kreeg. Sinterklaas bijvoorbeeld werd breed gevierd met bijna verplichte opkomst voor de jongste generatie zoals ook tal van andere evenementen dat waren. ‘s Avonds als de kinderen naar bed waren gebracht en onder de hoede van de diverse huishoudsters waren geplaatst, begon het feest voor de ouders pas. De soos denderde dan op z’n voegen.

Sinterklaasviering op Club Miramar; 1955.

In zo’n kleine afgesloten gemeenschap werd vanzelfsprekend volop geroddeld en moeder Lenie kon daar in latere jaren met graagte over vertellen. In Punta Cardon woonde bijvoorbeeld een knappe jonge vrijgezelle man, Tom Stoop genaamd. Alle loslopende dames, zoals de schooljuffen en de verpleegsters vielen als een blok voor mooie Tom. Zelfs getrouwde vrouwen flirtten openlijk met hem. Hij genoot er zeer zeker van, maar hield toch allen op een afstand. Dat maakte het smachten nog groter. Op een gegeven moment ging Tom voor drie weken op vakantie naar Amerika. En toen hij weer terugkwam, was hij vergezeld door een heel mooie dame, Mies geheten. Zij was een stewardess van de KLM die een vlucht naar New York had gehad. Om niet in haar hotelkamer te blijven zitten was ze het nachtleven ingedoken en daar kwam ze een knappe jonge vent tegen. Ze viel meteen als een blok voor hem en dat was wederzijds. Na drie dagen heeft hij haar ten huwelijk gevraagd en tot haar eigen stomme verbazing zei ze direct JA!! Dus na zijn vakantie kwam hij als getrouwd man terug in Punta Cardon. Sjoerd vertelt alsof hij erbij was: “Het jonggetrouwde stel werd met een ijselijk stilte ontvangen. De (loslopende) dames groen van jaloezie en de heren (getrouwd) hadden nog nooit zo iets moois gezien. En toen begon het roddelcircuit op gang te komen.”

Veertien jaar later kreeg het verhaal een vervolg. Sjoerd had de zeevaartschool doorlopen en een studiebeurs van Shell Tankers gekregen. “Na een paar maanden ging mijn tanker varen in het Caraibisch gebied met als speerpunten Port of Spain, Trinidad en Punta Cardon.” De eerste keer weer terug zou hij een  aantal collega’s even zijn oude plaats laten bekijken, maar hij verdwaalde. “Op dat moment stopte er een grote Amerikaanse pick-up naast ons en vroeg de man achter stuur: ‘Lost boys?’ Ik antwoordde natuurlijk heel stoer: ‘No sir, I perfectly know where I am because I’ve lived here in my youth.’ ‘Oh, ja en hoe heet je dan?’ ‘Ik?, ik heet Sjoerd…’ Hij greep direct in: ‘Ben jij kleine Sjoerd? Stap in, dat moeten we aan Mies gaan vertellen.’ Vanaf dat moment hadden wij, mijn vrienden en ik, een heel warm tehuis als we in Cardon kwamen. Zodra onze tanker, de ARCA, aanmeerde stond de pick-up van Tom ons al op te wachten.”

De avonturen stapelen zich op en kleine Sjoerd is een gloedvolle verteller, zelfs als dat een incident betreft waarvoor hij zich nog heden ten dage schaamt. Lenie, vertelt hij, was een echte tijgerin als het ging om haar kroost, met die ene enkele uitzondering. Wat was het geval. Dietert, ma en ik waren weer eens naar Miramar gegaan om heerlijk te gaan zwemmen. Net buiten het veilige stuk afgeschermd zeewater lag een meter of vijftien uit de kust een drijvend plateautje dat een geliefd plekje was om naar toe te zwemmen en te ravotten. Toen de broers weer terug wilden naar het strand, zagen zij zich de weg versperd door duizenden kwallen die om het platformpje dreven. “Wat doe je als kind in zo’n geval, juist je brult naar je moeder.” Op het strand wist Lenie zich echter ook geen raad. Er waren geen dappere mannen in de buurt die graag een paar kwallensteken op de koop namen om haar kroost te redden en ze zag zich zelf ook niet geroepen tot een dergelijke heldendaad.

“Ma besloot het op een andere boeg te gooien en beloofde ons van alles als we het water in sprongen en naar de kust gingen zwemmen. Nu bestond die beloning bij de familie van der Baan uit twee dingen; of chocola of een blikje zoete (gecondenseerde melk met suiker) melk. Dat was meestal het lokmiddel voor Dietert en ondergetekende. Toen één blikje niet het gewenste effect had verhoogde ze het bod naar twee en ik geloof zelfs op het end naar  drie blikjes de man.” Gedreven door de hevige verleiding deed Sjoerd “het laagste wat je maar kan doen.” Hij gaf broer Dietert een reuze zet zodat hij in het water belandde en sprong direct achter hem aan. “Zonder één enkele beet kwam ik veilig aan de kant, helaas was broer Dietert niet helemaal ongeschonden er van af gekomen.” Zijn conclusie laat zelfs nu nog geen twijfel: “Mijn rol was niet echt fris en ma bleek dus een tijgerin met tijdelijke watervrees te zijn. De echte held – zeer tegen zijn zin – was broer Dietert.”

Gebeurde er verder niets opwindends in Punta Cardon? Jazeker, te veel om hier te herhalen. Zo zaten Dietert en Sjoerd bij de padvinders, met de onvergelijkbare Juf Swart als Balou of Akela. Op een bepaald moment kregen ze te horen dat het jaarlijkse kamp in de jungle zou worden gehouden en wel in Siburua. Zo ver waren ze nog nooit weg geweest; de jungle dat betekende avontuur, tijgers, slangen, kampvuur en alles wat je als jeugdige nog meer kon verlangen. Om zo goed mogelijk voorbereid te zijn kregen ze een aantal lessen in survivallen. Wat inhield: nooit op blote voeten lopen en nooit alleen de jungle in. Het liefst met 3 of meer personen. En altijd melden als je wegging. Hoe dat misliep toen de kleine ploeg dapperen door een gigahoosbui werd overvallen, hoe hun ouders in paniek geraakten en hoe de heldhaftige Juf Swart hun vege lijf redde met haar onvolprezen Jeep: Sjoerd heeft het in geuren en kleuren beschreven op zijn website www.svanderbaan.nl. Zoals hij ook het naargeestige vervolg van de moeizame wisselwerking met de verschrikkelijke buurman Goedkoop breed toelichtte: hoe die hem probeerde te verdrinken, hoe vader Sjoerd

het Venezuelaans record op de 100 meter brak om hem te redden en vervolgens de heer Goedkoop onder luid applaus van de toegestroomde badgasten zo vaak herdoopte dat hij slechts belletjes kon blazen. Het zijn verhalen die de wereld van toen nog dichter op het netvlies brengen.

Inauguratie bij de boyscouts, waarbij Sjoerd de eed moest afleggen.

Tijdens de laatste periode in Punta Cardon werd het huis bij Miramar ingeruild voor een wat noordelijker gelegen huis dichter bij de Club Nautico. Dergelijke verhuizingen binnen een Shell compound waren kennelijk normaal. Ook in Curaçao woonden de Van der Baan’s in verschillende huizen. Je zou haast zeggen dat er vergelijkbare spelregels golden als in toenmalige studentenhuizen: na verloop van tijd werd je ‘opgewaardeerd’ naar de vrijkomende woning van een ‘ouderejaars’ die vertrok.

Speciaal de jongste zoons bewaren warme herinneringen aan de groene papegaai met de naam Japie, die toen hun huisgenoot was. Japie zat meestal in een boom in de achtertuin, vanwaar hij rinkelende telefoons nadeed. En als dan vanuit de huiskamer een woedende uitroep: “Japie! Stop it!” klonk, dan kon hij kakelen van plezier. ‘s Avonds moest Japie in zijn grote vogelkooi, dat was nodig in verband met de poezen in het kamp. Zodra hij merkte dat je hem in zijn kooi wilde lokken, dan klom hij snel hoger in zijn boom, en dan kon je smeken of commanderen, Japie kwam niet naar beneden. Maar er was een truc. Japie was dol op bananen, en als je hem daarmee verleidde dan verwaardigde hij (of zij?) het om zijn kooi binnen te gaan. 

Dietert en Japie; 1954.

In 1954 bracht Lenie met haar twee jongsten de zomer in het vaderland door en werd voor circa vier weken het zeiljacht de UNIE van oud-reddingbootschipper Mees Toxopeus gehuurd waarmee zij met haar viertal optrok. Dat waren mooie weken, waarbij ook nicht Ankie een deel aan boord was. Ze maakten tochten in Friesland, op het IJsselmeer en naar Terschelling, waar de zoon van Mees, Jannes, destijds schipper was op de reddingboot BRANDARIS. Je kon met Mees veel lachen om zijn humor en verhalen, maar in het begin kostte het even tijd om aan elkaar te winnen. Toen hij vernam dat Lenie uit Veendam kwam en nog wel uit een schippersfamilie, was het echter snel voor elkaar. Mees was destijds nog zo bekend bij de visserlui aan het IJsselmeer dat zijn gasten regelmatig gratis een zooitje vis kregen. Het schip was trouwens eigendom van scheepsbouwer Niestern uit Delfzijl waar Toxopeus, vanwege de ontstaansgeschiedenis van de beroemde reddingboot INSULINDE, een zeer hechte band mee had.

Renske, Ankie en Sjoerd op de UNIE; zomer 1954.

Bij hun terugkeer naar Punta Cardon lieten Lenie en Sjoerd Junior ook Dietert achter in Nederland. Hij voegde zich bij Jouke en Renske die een jaar tevoren waren verhuisd naar het internaat Rekeloord aan de Zwaluwenweg 6 in Aerdenhout waarbij ze school gingen in Haarlem. Het internaat dat veel Shell-kinderen huisde, werd gerund door een ex-verpleegster, “Tante Nan”, met wat ondersteunende staf.

Indonesië, 1955 – 1958

Na vijf jaar was er een einde gekomen aan het verblijf van de resterende gezinsleden in Punta Cardon en ook in eigen land werd flink verhuisd. “Onze familiediaspora” – het begrip is van Dietert – kreeg verdere inkleuring. In het voorjaar van 1955 deelde de rector van het Coornhert Lyceum, L.M. van Dis, Sjoerd en Leny per brief mede dat het zijns inziens voor Jouke beter zou zijn om in een gezin te komen met mannelijk gezag – dat ontbrak in huize Rekeloord. Het kostgeld van de kinderen was dat jaar bovendien fors verhoogd. Toen zij gedrieën bij Tante Nan weggingen en kort erna ook nog een andere pupil, zag Tante Nan het financieel niet meer zitten, verkocht Rekeloord, en legde zich toe op het verzorgen van oude heren, in een goedkoper huis ergens tussen Bloemendaal en Velsen. Tegenwoordig is haar vroegere internaat een clubgebouw van de hockeyclub Rood-Wit.

Tezelfdertijd was het contract in Venezuela beëindigd. Daarna begon het wachten op wat de volgende stap zou zijn in de loopbaan van vader Sjoerd. De periodes van vijf jaren buitenland sloten niet naadloos aan elkaar en de overgang viel samen met het groot verlof van de ouders. Dat bood een uitgelezen kans om in Nederland familie te bezoeken maar was tegelijk door zijn onvoorspelbaarheid ook ontregelend. Tijdens de terugreis met de NIEUW AMSTERDAM brak Sjoerd Junior bovendien zijn sleutelbeen en twee ribben zonder dat de medische dienst aan boord dat had geconstateerd. Pas in Nederland kreeg hij een spalk en mitella om de breuk van het sleutelbeen te laten genezen.

De zomervakantie bracht de hele familie door op een forse jachtbotter van een arts die zelf als scheepsarts een half jaar van huis zou zijn. Dit schip, DE KLOEK, was zo mogelijk nog specialer dan de UNIE. Het schip had een levensgrote gloeikopmotor (een voorloper van een diesel), welke was opgesteld in een heuse machinekamer. Het toilet was echter naast de motor opgesteld en in de haven was dat niet zo’n probleem om een halve meter van dat apparaat te zitten. Wij hadden echter een prachtige zomer bij onze tochten op Ooster- en Westerschelde, dus ook weinig wind en dus werd er veel op de motor gevaren. Hierbij moet je je realiseren dat zo’n gloeikop zijn naam eer aan doet en dus bloedheet is. Tenue de toilet bij stoelgang was dus minimaal, bij voorkeur, alleen zwembroek en dan zweette je nog peentjes. Al met al was het een heel bijzondere tocht met schipper Nol Visser uit Vlissingen, die ooit trouwde met een meisje uit Arnemuiden dat nog steeds in klederdracht liep. De belevenissen van deze vakantie zijn geboekstaafd in het tijdschrift TAGRIJN  van de Vereniging Botterbehoud, 1950  nr. 2 ;  Vakantie met een botter in Zeeland.                                                  

De oudste kinderen verhuisden in die fase gedrieën naar de familie Fisher op de Asterlaan 6, ook in Aerdenhout. De ouders met hun jongste zoon trokken eerst in bij familie in Groningen, flink verspreid, maar later werd de hele onderverdieping van een hoekhuis in de Jan van Campenstraat te Heemstede gehuurd. De keuze voor Heemstede was een compromis van Lenie en Sjoerd. Aan de ene kant wilden ze dicht bij de familie Fisher hun bivak opslaan, maar aan de andere kant moest het ook in de buurt van een lagere school zijn voor hun jongste zoon.

Sjoerd Junior – onveranderlijk ter onderscheid van zijn vader Sjoerdtje genoemd maar inmiddels de langste van het zeer lange gezin – werd aangemeld bij de Dreefschool op een paar minuten lopen van het tijdelijk huis. Het verblijf in Heemstede duurde van september 1955 tot midden maart 1956, Daarna verhuisden zij naar een ruimer en comfortabeler huis in Bloemendaal, waar de 3 overige kinderen regelmatig kunnen overnachten en het gezin tijdelijk weer compleet kan zijn. Sjoerdtje wordt vandaar dagelijks naar en van zijn lagere school in Heemstede gebracht door moeder Lenie in hun tijdelijke auto. Die wintermaanden overbrugden op het oog een redelijk korte tijd, maar toch maakte Sjoerdtje als (verwend) tropenkind kennis met een andere, zoals hij het zelf uitdrukte “rare bekrompen” wereld, waar totaal andere normen golden dan wat hij tot dan toe gewend was. Tot de aardige kanten daarvan behoorde een aantal typische Nederlandse fenomenen zoals het op gepaste tijden knikkeren, tollen, kinderpostzegels en schaatsen.

Vooral de kennismaking met de schaatssport leidde tot hoogte- en dieptepunten in zijn jonge leven. Hij bleek een natuurtalent te zijn: “Binnen de kortste keren had ik het onder de knie, inclusief het pootje over in de bochten.” In januari al werd hij tweede of derde tijdens schoolschaatswedstrijden, maar het vervolg was minder. Aan de achterkant van het huurhuis liep een klein tuintje uit op een gracht. Om de beeldschone Marjolein te imponeren begaf hij zich met grote snelheid over te dun ijs. Hij verdween tot voorbij zijn navel onder water en moest schaapachtig lachend de kant bereiken. Stinkend en druipend probeerde de verkleumde ridder op zijn schaatsen de keuken in te vluchten maar daar stak moeder Lenie een stokje voor. Trui, broek en schaatsen moesten eerst uit en toen snel in een warm bad. Nog geen week later lag hij met een longontsteking in bed. Het is nooit wat geworden met Marjolein.

Ook Dietert denkt met gemengde gevoelens terug aan die winter. Met enige afschuw herinnert hij zich hoe hij dat jaar op voetbal zat bij de Koninklijke HFC. “Vooral ‘s winters was het een marteling, bevroren handen, kroepoekoren, ruige tegenstanders – bij de wedstrijd tegen DSB (‘De Schalkwijker Beren’?) vielen er gebroken ledematen – gelukkig niet bij mij! Voetballen? Vreselijke Ellende!!” Ze bleven één jaar (zomer 1955 – zomer 1956) bij hun gastgezin; daarna werd het te druk voor de Fishers die ook nog twee inwonende dochters hadden. Alleen Jouke kon nog een extra jaar blijven omdat hij eindexamen ging doen. Dietert verhuisde naar Bentveld, waar hij bij zijn leraar Nederlands ging inwonen, en Renske bleef in Aerdenhout dichtbij de Fisher’s wonen bij een klasgenootje. Dat besloeg de herfst en winter van 1956.

Lenie en Sjoerd kenden inmiddels hun nieuwe bestemming, maar ze wisten niet wat hun daar te wachten stond. “Vanaf 1956 in Indonesië werd het niet leuk”, zo vatte Jouke hun volgende levensfase samen. “De bewegingsvrijheid werd minder, de voorzieningen van ‘de maatschappij’ (Shell) waren behoorlijk teruggeschroefd en het werd duidelijk dat kinderen op een zeker moment gaan puberen, dus hun ouders goed kunnen gebruiken. Die jaren waren dan ook niet erg vrolijk.” Na Curaçao en Cardon  zijn er nog twee contracten Indonesië geweest; het eerste in Pladjoe op Sumatra en het tweede in Balikpapan op Borneo. Dat laatste  is vroegtijdig afgebroken toen Soekarno de Shell heeft genaast, de Nederlanders er uit heeft gegooid en het bedrijf als Permina, later Pertamina heeft voortgezet. 

De locatie en de raffinaderij in Pladjoe.

Zoals het bij de Shell gebruikelijk was, reisde de man vooruit en zodra huisvesting en dergelijke was geregeld kwamen vrouw en kinderen hem achterna. Vader Sjoerd vertrok eind januari 1956 per vliegtuig naar Indonesië en Lenie en haar jongste zoon zouden in de paasvakantie volgen, maar daar stak president Soekarno  persoonlijk een stokje voor. Vlak nadat vader Sjoerd in Pladjoe was aangekomen, besloot Soekarno alle Nederlandse bedrijven te nationaliseren, zogenaamd als herstelbetaling voor de koloniale tijd en de politionele acties. Het ging hem hoofdzakelijk om de BPM en Billiton, dat toen nog voor een kwart eigendom van BPM was. Het antwoord van de BPM kwam bliksemsnel. Met antidatering werden alle bezittingen van de BPM in Indonesië overgeheveld naar Shell International met een aandeelverhouding van 51 procent Brits en 49 procent Nederlands. De participatie in Billiton werd opgeschroefd naar boven de 50 procent en werd ook aan Shell International gehangen.

Soekarno was woedend maar durfde het niet aan om Engeland te tarten. Tandenknarsend moest hij zijn claim op de Shell-bezittingen laten vallen. Als tegenmaatregel kondigde hij daarop een reisverbod uit voor Nederlanders: ze mochten het land niet in of uit. Lenie en Sjoerd Junior konden dus niet vertrekken. In april werd de regeling in zoverre versoepeld dat in kader van gezinshereniging Nederlanders weer het land in mochten. Voor alle zekerheid werd in overleg met de Shell besloten dat moeder en zoon midden april met de boot zouden gaan en niet per vliegtuig. De keus viel op het mooiste passagiersschip dat Nederland ooit heeft gehad, het m.s. WILLEM RUYS van de Rotterdamse Lloyd. Het was een prachtig schip met een grijze romp en  twee karakteristieke zwarte schoorstenen (bij stoomboten sprak je over pijpen en bij motorschepen over schoorstenen).

De WILLEM RUYS.

De reis was avontuurlijk, herinnert Sjoerd zich. “We hadden een prachtige bakboordhut op het B dek, heel luxe met twee aparte slaapkamers.” De reis ging de eerste dagen voorspoedig totdat we in de Golf van Biskaye kwamen. Daar was hij twee dagen gigantisch zeeziek, maar gelukkig komt aan alles een eind en vlak voordat we bij Gibraltar de Middellandse Zee in zouden stomen was hij weer het mannetje. Moeder Lenie heeft nergens last van gehad, maar zij had als kapiteinsdochter toen wellicht een voorsprong op haar zoon. Alleen de Méditerranée hebben we toen niet gezien. Precies op dat moment besloot dictator Nasser eenzijdig het Suezkanaal te annexeren. Dat resulteerde in een gewapend conflict en sluiting van het kanaal.

Er werd daarom koers gezet richting Kaap de Goede Hoop. Voor veel passagiers betekende dat twee weken langer wachten tot een weerzien met hun geliefden in de Oost. Voor ons kinderen was de reis echter een soort paradijs op aarde, dus de verlenging werd met gejuich ontvangen. Vlak voor de aankomst in Kaapstad botste de WILLEM RUYS tegen een reusachtige slapende potvis. Het arme beest werd door de scherpe steven in tweeën gesneden, maar dat duurde wel een minuut of tien.

In Kaapstad bezochten Lenie en Sjoerd per taxi de Tafelberg. Toen ze in wilden stappen vroeg de taxichauffeur waar hun jassen waren. “Jassen”, zei Lenie en ze dacht dat hij ze niet allemaal opeen rijtje had. Het was 32°C + dus wat moest je met een jas, “nee die hebben we niet nodig”. “Suit yourself” was zijn antwoord. Tijdens de rit van bijna drie kwartier merkte ze dat de chauffeur steeds in z’n achteruitkijkspiegeltje naar haar zat te kijken. Na een tijdje begon het haar dermate te irriteren dat ze hem zei om op de weg te letten en niet steeds op de spiegel. Zijn antwoord was iets in de trant van: “ Mevrouw, wat ik voor me op de weg zie heb ik al zo vaak gezien, maar wat ik in de spiegel zie is veel mooier.” Boven gekomen bleek het stervenskoud. De opmerking over jassen bleek niet voor niets geweest te zijn. Het uitzicht was adembenemend, heel ver onder ons zagen ze Kaapstad als een groot mierennest en in de haven leek hun WILLEM RUYS een klein speelgoedbootje. Na terugkeer heeft Lenie de taxichauffeur echter geen fooi gegeven.

Na Aden en Colombo zou de eindbestemming Jakarta worden bereikt. Maar weer beschikte een dictator anders, dit keer Soekarno. Hij wilde meer zeggenschap over de Shell krijgen en toen dat niet lukte blokkeerde hij het komen en gaan van Nederlandse Shell employees. De Willem Ruys zette daarom noodgedwongen koers naar Singapore. Alle Shell employees of hun familie werden daar ontscheept. Waarschijnlijk vanwege de positie van vader Sjoerd bij de Shell werden Lenie en haar zoon als enigen ondergebracht in het Raffles Hotel, een prachtig koloniaal hotel. Vanwege de vele vertragingen was er geen tijd om alle bagage van boord te halen (bagage viel niet onder het embargo van Soekarno) en zo stonden ze met ieder slechts een koffertje in de lobby van het hotel. Dat zorgde wel voor wat ongemakken.

Na drie weken kwam er groen licht om onze reis naar Indonesië te continueren. Moeder Lenie kreeg twee keuzes: óf met een normaal (westers) vrachtschip naar Jakarta en vandaar verder naar Palembang op Sumatra óf met een oud gammel lokaal kustvaardertje rechtstreeks naar Palembang. Het werd uiteraard optie 2. Het schip had geen echte passagiersaccommodatie maar wel een eigenaarshut – Sjoerd: “Nou ja, daar moet je niet al teveel bij voorstellen” – en die kregen wij toebedeeld. Bij aankomst in Palembang stond vader Sjoerd hun al op te wachten en na een innige begroeting stapten ze in een motorbootje met giga buitenboordmotor om vervolgens over de rivier de Musi naar hun eindbestemming Pladjoe te vliegen.

Later, verhaalde Sjoerd, hebben vader en zoon met diezelfde boot een aantal tochten stroomopwaarts op de Musi gemaakt en als er geen rommel in het water dreef, draaide de stuurman het gas helemaal open. Het oude mormel kwam dan in plané en stoof met een ontzaglijke snelheid over het water. Met Lenie erbij konden ze het op hun buik schrijven want zij was veels te bang om op  een obstakel te knallen en overboord te worden gegooid. Er zaten vrij grote krokodillen in de Musi, dus haar bezorgdheid was wel enigszins terecht. Haar zoon herinnert zich dat ze vaak ’s avonds met sterke zaklantaarns vanuit de soos in de Musi schenen en soms zagen ze dan dat zo’n ogenschijnlijk dode boomstam opeens over twee opflikkerende ogen beschikte.

Hun nieuwe huis was een grote villa en toen ze de oprijlaan naar de garage op reden, kwamen de bediendes er al aan lopen. Onze huisstaf bestond uit kokkie Isa en tevens het hoofd van de huishouding, leeftijd ongeveer 35; baboe, naam ben ik even kwijt, leeftijd ca. 25; jongos, leeftijd ca. 28 jaar; hij had geen vaste functie maar fungeerde als bedgenoot van Isa, onderhield de tuin en deed daarnaast allerlei klusjes; Njatini, leeftijd 15 of 16, de dochter van een nicht van Isa die na het overlijden van haar moeder onder de hoede van Isa kwam; en Netty, leeftijd 3. Netty was een dochter van een zus van Isa, maar aangezien die zus al vier andere kinderen had en Isa geen, had de familie besloten dat Netty werd toegewezen aan Isa. Dat was in Indonesië heel normaal, vooral als het kinderrijke familielid arm was en het kinderloze in verhouding rijk.

Ons huis in Pladjoe met rechts de huishoudelijke staf, v.l.n.r. Njatini, baboe, kokki Isa en op de voorgrond kleine Netty.

Het huis stond op een redelijk centrale plaats in de compound, met rechts de school en richting de rivier het zwembad, de soos, het ziekenhuis en de toko. Het probleem was wel dat er meer eigenlijk niet was te beleven in het dorp. Het leven in Pladjoe was totaal anders dan wat ze hadden meegemaakt in Curaçao en Punta Cardon. Zoals Dietert zijn broer schreef: “Je verhalen geven niet alleen een kleurrijke inkijk in het ‘Shell kampleven’ in die tijd, maar ook een goed van de politieke situatie. Of je wilde of niet, als Shell man, vrouw of kind kreeg je daar mee te maken.” Pladjoe was een afgegrendeld gebied met twee bewaakte in- en uitgangen. Verder grensde het aan twee desa’s – dorpen – maar er werd afgeraden om via de desa’s naar buiten te gaan. Kortom, ze leefden op een vrij klein oppervlak, dat uiteraard wel was voorzien van alle Shell voorzieningen: school, soos, zwembad, ziekenhuis en toko.

“Als kind wende je daar gauw aan’, zegt Sjoerd. In Pladjoe begon de werkdag voor de mannen tussen de 06.00 en 06.30 uur. En dan waren ze rond 13.00 uur klaar. De mannen kwamen thuis, de school was uit en er werd geluncht. “Tussen 13.00 en 15.00 uur verdwenen alle volwassenen voor hun siësta in de slaapkamer met airco. Dan hadden wij, de jeugd, vrij spel.” Natuurlijk waren er wel een aantal spelregels, zoals niet het dorp uit gaan en ook niet het eerste uur naar het zwembad. Tegelijk hadden ze veel minder speelruimte dan Sjoerd gewend was in Curaçao en Punta Cardon. Eigenlijk had je alleen het zwembad en dat was maar een paar uren per dag geopend.

Ik trok voornamelijk op met 3 meisjes. Als eerste was dat Babs van Oudgaarden. Nadat de ouders zich hadden terug getrokken ging ik op bezoek bij Babs. Nu was  zij een behoorlijke rauwdouwer en niet zelden kwam ik bont en blauw thuis, omdat ik weer eens een zinken emmer met water over me heen had gekregen. Dus uit lijfsbehoud stopte  ik met bezoekjes aan Babs en ging ik naar nr 2, Marina Hommes. Die was totaal anders als Babs. Meestal kwam ik rond 13.15 uur bij Marina en gingen we naar haar kamer. Ze had  een mooie kamer met een grote kapspiegel. Rond de tijd dat ik kwam ging zij altijd douchen (mandiën). Het was vanwege het drukkende klimaat noodzakelijk om dat elke dag te doen. Voor de kapspiegel had ze voor mij een stoel neergezet. Ze kleedde zich helemaal uit en begon om mij heen te dansen terwijl ze zong: Spiegeltje, spiegeltje aan de wand wie is het mooiste meisje van het land. Uiteraard moest ik Marina zeggen en dan kon zij zich gaan douchen. Maar het was leuker om eerst een andere naam te noemen want dan begon ze opnieuw. Nu zal je al gauw denken was dat niet helemaal verkeerd, grens overschrijdend, jongen en meisje van 11 jaar waarvan 1 naakt. Nee, dat was het niet. Leven in een Shell compound betekende beschermd leven en waren de kinderen kan je wel zeggen vrij naïef en niet zo bij de wereld als in Nederland. Maar goed, ik dwaal iets af. Dit ritueel ging zo een paar weken goed totdat ik een beetje in de war raakte. Waarschijnlijk begonnen toch wat hormonen op te spelen. Ik had ooit een keer gehoord dat als je dood ging  dan werd je helemaal stijf. En nu werd al een onderdeel van mijn lijf stijf, dus was dit een voorbode dat ik binnenkort de pijp uit zou gaan? Het beste leek mij om dat aan pa of ma te vragen. Dus op een avond – tijdens het eten – , ma had net een grote slok rode wijn genomen, gooide ik het eruit: “Als ik aan blote meisjes denk dat wordt mijn p…… helemaal stijf, ga ik nu dood?  Ma spoot de rode wijn die nog in haar mond aanwezig was over, zowel pa als mij. Pa kuchte even en zei: “Nou Lenie vertel het hem maar. Toen wist ik zeker dat mijn einde nabij was. Aan seksuele voorlichting deden pa en ma van der Baan niet. Terwijl dit natuurlijk een uitstekende ingang was om hun jongste iets bij te brengen. Maar nee hoor, na veel moeite kwam ma met de volgende oplossing. “Sjoerd het lijkt mij goed dat je niet meer over blote jonge meisjes gaat nadenken en dan gaat het vanzelf over”. Dus ik ga niet dood?? Nee , zodra jij stopt met daar aan te denken komt  alles goed. Ok, het was in ieder geval waard te proberen. Dat hield wel in dat ik niet meer naar Marina kon gaan. Dus ging ik nu ’s middags naar nr 3: Rietje Hartenhof. En dat is zo gebleven totdat wij – ma en ik – weer naar Nederland vertrokken. Het klikte zelfs zo goed dat onze beider ouders het een echte verkering noemden. Nu ik toch een beetje op een zijpad aan het uitweiden ben ga ik daar even nog mee verder, voordat ik de originele draad van het verhaal weer ga opstarten. In 1966 was ik in een erg nostalgische bui en besloot ik of ik de 3 dames kon traceren om te kijken hoe het met hen is verlopen. Als eerst kwam ik in contact met Rolf Hommes, de  broer van Marina, Helaas  was zij net 3 maanden daarvoor aan longkanker overleden. We hebben wat ervaringen met elkaar uitgewisseld, waaronder het verhaal van de spiegel. Rolf vertelde dat zijn zuster dat – als ze nog zou leven – prachtig had gevonden en zeker mij nog een keer had willen ontmoeten. Vervolgens maakte ik contact met Babs en dat werd een deceptie. Zij had wat slechte ervaringen met mannen gehad en wilde daarom alle schepen achter zich verbranden. Ik mocht geen contact meer met haar opnemen. Als laatste vond ik ook Rietje Hartenhof online en daar hebben Tanny en ik  een afspraak mee gemaakt om haar en haar man te ontmoeten in hun woonplaats ergens in de binnenlanden boven Hellevoetsluis. Alles ging goed totdat Rietje en ik iets te gretig in een album van haar doken  Ik boog me helemaal naar voren en hoorde – en voelde – KNAK. Ik wist direct wat er aan de hand was: een luxatie, zeg maar een heup uit de kom, van de rechterheup. Nu was dat al de 3de keer dat me dat overkwam, dus erg schrikken deden Tanny en ik er niet van. We wisten precies wat we moesten doen: 112 bellen, een ambulance laten komen, Ik zou een shot Ketamine krijgen waardoor ik direct van de wereld was, gevolgd door een tegendosering om mij weer snel bij kennis te laten komen. Daar zat een tijdsverloop van circa 20 minuten tussen. Dat was precies genoeg om mij van mijn benarde positie aan de eettafel op een brancard te tillen en in de ambulance te stoppen. Rietje en man Hans waren helemaal in paniek. Maar goed ik lag in de ambulance en we reden heel voorzichtig richting het ziekenhuis van Hellevoetsluis. Halverwege de rit kwam ik weer bij en dacht even in de hemel (of hel) te zijn. Bij mij in de ambulance zat een verpleegster en achter haar brandde een lamp waardoor ik haar in een stralenkrans zag en leek ze op een engel. Gelukkig kwam al gauw het besef dat ik in een ambulance lag. Op dat moment moest de chauffeur een haakse bocht maken die wij niet voorzien hadden en hoorde ik weer klak en wist dat de heup weer terug zat in de kom. Uiteraard zijn er toch voor alle zekerheid foto’s gemaakt en kon ik na een uurtje alweer naar het huis van Rietje. Toen we haar belden om ons op te halen was ze stom verbaasd dat we alweer het ziekenhuis uit mochten. We hebben nog wel een kop soep bij haar gedronken en vervolgens zijn we – met Tanny aan het stuur – weer richting Gaanderen gegaan. We hadden afgesproken dat we binnen een half jaar een hernieuwde poging zouden ondernemen om elkaar te ontmoeten, maar daar is het nooit van gekomen. Zo nu hebben we genoeg zijpaadjes gehad en gaan we weer verder met het leven in Pladjoe.

Ondanks de wat mindere mogelijkheden vermaakten de kinderen zich prima. Dat lag voor de volwassenen wat anders. Lenie ging zich in Pladjoe helemaal toeleggen op het golfen. In Venezuela had ze dat al opgepakt, maar daar wisselde ze dat af met tennissen en zwemmen in zee. Vlak buiten Pladjoe was een mooie Amerikaanse golfclub en daar mochten ook Shell mensen lid van worden. Vader Sjoerd was niet zo’n golfer en zeker geen tennisser. Zijn liefhebberij had alles met water te maken: zeilen en vissen. Hij is wel een paar keer op de Musi en verder stroomopwaarts wezen vissen, maar vergeleken met het zeevissen in de West was dit maar behelpen. Zeilen was op de drukke Musi geen optie.

Het sociale leven speelde zich vooral af in de soos, aan de Musi gelegen. Verder werden er wel activiteiten ontplooid, zoals betjak racen. Erg veel lichamelijke inspanning kwam daar niet bij kijken want de toean blanda’s – blanke heren – namen plaats voorop de driewielers en de arme eigenaars werden aangespoord om zo hard mogelijk de pedalen rond te peddelen. Meestal was er wat moed ingedronken dus ging het er verbaal hard aan toe. Een soortgelijke activiteit was het om races te houden met de kleine bootjes die normaal mensen de Musi overzetten. Die bootjes hadden geen buitenboordmotor maar gewoon een paar riemen.

Het zwembad.                                                   Moderne betjak.

Bovendien was het een exotische omgeving met soms onvoorspelbare uitwassen. Voor het huis was een open veldje en daarachter was een kleine kampong, afgescheiden door prikkeldraad van onze compound. Normaal bleven de inlanders keurig achter de omheining, maar één of twee keer per jaar kwam er een uitbarsting en werd er amok gemaakt.

De Sumatranen voelden zich achtergesteld door de Javanen en in het jaar dat zij er woonden is het voorgekomen dat de desa-bewoners helemaal mataklap – buiten zinnen – werden. Doodeng om mee te maken, maar al gauw bleek de opgekropte woede niets met de Nederlanders te maken hebben, maar zich veeleer te richten tegen de regering in Jakarta en de Chinezen. Aangezien geen Javaan zich liet zien, probeerden ze hun woede te koelen op Chinezen en honden. Zodra de Chinezen in Pladjoe in de gaten kregen dat er weer mataklap gemaakt zou worden, zorgden ze voor bescherming, vaak door het inhuren van bewapende Molukkers. Als de meute te opdringerig werd, dan werd er wat over de hoofden geschoten en dropen ze al gauw af.

Mataklap was prima, maar om daar voor te sterven ging de opgehitste menigte net iets te ver. Dan maar op zoek naar een paar ongelukkige honden. Honden binnen houden was niet altijd genoeg. Nu hadden wij een kokkie, Isa genaamd, en laat die nou een jongere vrijer hebben met een heel groot geweer. Sjoerd laat geen twijfel bestaan: “Daar bedoel ik dus een echt groot ouderwets, maar zeer vervaarlijk ogend geweer mee.” Hij ging daarmee uitdagend op onze porch zitten. Aan het uiteinde van de loop zat een groot glanzende bajonet. Eén blik op hem deed de meute besluiten ons huis te mijden en op zoek te gaan naar huizen met honden die minder bewaking hadden. Zo plotseling als de heisa begon, was hij ook over. Als ze een onfortuinlijke hond te pakken hadden gekregen, dan werd het karkas achter een auto door de compound gereden om te tonen: kijk uit, de volgende keer is het jullie hond die we te pakken krijgen. Het rare was, zegt Sjoerd, dat inlanders nooit boos werden op ons, de blanke kinderen.   

Na een jaar zat Sjoerd’s jaar in de zesde klas van de lagere school er op. De Indonesische regering stond er op dat alle zesde klassers een eindexamen deden. Om de Nederlanders een beetje te treiteren was het standaard dat van een klas maar één of twee kinderen een voldoende kregen en de rest een dikke onvoldoende. De onderwijzers op school hadden van te voren ook onze examens bekeken en dan bleek het tegenovergestelde: meestal kregen één à twee een onvoldoende en de rest ging met goede cijfers over naar het middelbaar onderwijs. Sjoerd koestert nog onlustgevoelens: “Ik was ook gezakt voor het examen en dat had wel de vervelende consequentie toen we in Nederland kwamen dat ik eerst toelatingsexamen moest doen alvorens op het Coornhert Lyceum in Haarlem te worden geaccepteerd.”

Rond begin juli 1957 vertrokken moeder Lenie en hij naar Nederland, met de bedoeling dat zij een dikke maand later weer terug zou vliegen naar Indonesië. Jouke had inmiddels in 1957 zijn eindexamen HBS-B gedaan en die zomer wachtte weer het lonkend perspectief van een lange boottocht met Mees Toxopeus op de UNIE. Vader Sjoerd zou nog drie maanden blijven en daarna doorgaan naar Balikpapan op Kalimantan (Borneo). “Gingen we heen met het mooiste passagiersschip uit de Nederlandse historie, de terugtocht ging dit keer per vliegtuig en weer was het geluk met ons, we vlogen met het mooiste passagiersvliegtuig ooit gebouwd: de Super Constellation.” In Holland aangekomen had Lenie twee keuzes: of een gastgezin vinden waar plaats was voor al haar vier kinderen of een huis kopen en een gouvernante in dienst nemen.

Ze koos voor optie 2 en zo kwamen de kinderen in Bennebroek te wonen in een mooie twee-onder-één-kapper aan de Rijksstraatweg, schuin tegenover café Leenen. Als gouvernante – volgens een der zonen bedoeld om hun in het gareel te houden tijdens haar afwezigheid – werd benoemd Mevrouw Wijsenbeek. Ze was een grijsharige dame van een jaar of zestig, weduwe van een oud Shell-personeelsman. Ze had een studerende zoon – “een soort eeuwige student” in Leiden – die regelmatig zijn moeder kwam opzoeken “maar ons niet erg kon boeien”, zoals een andere zoon fijntjes samenvatte. Vanaf eind september of begin oktober 1957 woonde mevrouw Wijsenbeek al bij ons in. Had Lenie dat niet gedaan, dan was mw Wijsenbeek niet meer beschikbaar en had ze op zoek moeten gaan naar een andere gouvernante. Dat zou vertraging kunnen opleveren bij vertrek naar Indonesië en dat wilde ze ten alle tijde voorkomen.

Recente foto van de twee-onder-één-kapper aan de Rijksstraatweg in Bennebroek. De rechter woning was het familiefort.

De kinderen hervonden de volgende maanden hun draai. Jouke ging aanvankelijk naar de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam. Dietert en Sjoerd hadden dagelijks een flinke fietstocht naar het Coornhert Lyceum te Haarlem. Renske deed gymnasium op het Jacques P. Thijsse Montessori Lyceum, van oorsprong een regionale afsplitsing van het Kennemer Lyceum in Haarlem die gehuisvest was in een fraai gebouw op het landgoed Elswout in Overveen. Haar tocht naar school was nog langer, maar zij had als compensatie een serieuze NSU Quickly brommer ter beschikking. 

Twee maanden na het vertrek van Lenie en zoon Sjoerd toog Sjoerd Senior naar Balikpapan op de Oostkust van Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Binnen Shell was het een fameuze raffinaderij, die tijdens de Tweede Wereldoorlog navrant in beeld kwam door de Japanse aanval met bijbehorende verwoesting. In het tweede deel van de jaren vijftig waren de installaties weer geheel op orde. Engelsman Fred Gray was klaarblijkelijk destijds directeur van de raffinaderij en Sjoerd was plaatsvervangend directeur.

Locatie en raffinaderij van Balikpapan.

Het was de bedoeling dat Sjoerd Junior in Nederland zou blijven, maar dat Lenie zich na een maand in Nederland bij hem zou voegen, maar daar kwam wat tussen om het voorzichtig uit te drukken. Een groep Indonesische opstandelingen – de Permesta, een opstandige beweging oorspronkelijk ontstaan in Sulawesi met communistische ideologieën – kwam in verzet tegen de regering van Soekarno. De beweging werd heimelijk gesteund door de Amerikaanse CIA die hen voorzag van wapens, munitie en zelfs twee gecamoufleerde vliegtuigjes. De Shell olie-installatie op Kalimantan was de grootste van het land en de rebellen hadden het daar op voorzien. Alle vrouwen en kinderen van de (blanke!) Shell employees werden geëvacueerd uit Balikpapan en de mannen bleven alleen achter. Ook de voorgenomen terugkeer van Lenie ging de mist in. Ze moest in Bennebroek blijven totdat het groene licht kwam dat ze weer “veilig” naar Indonesië kon afreizen.

Het waren ondertussen spannende tijden op Kalimantan. Jaren later zat Sjoerd, na twee goede glazen wijn, op z’n praatstoel. Wat hij vervolgens vertelde sloeg in als een bom bij zijn nageslacht. Pa Sjoerd vertelde dat het niet veel had gescheeld of hij was miljonair geweest. In het voorjaar van 1958 was Gray met verlof en Sjoerd fungeerde daarom niet alleen als hoofd van de raffinaderij maar ook als baas van de brandweer.

Op de avond van maandag 28 april verzamelde de meeste mannen zich na het werk in de soos voor een welverdiend glas bier. Verder was er toch niets te doen, geen vrouwen en ze mochten niet van het terrein af. Na een tijdje was de feestvreugde – als je dat tenminste zo kan noemen – al flink op gang gekomen en op dat moment hoorden ze boven de baai van Balikpapan een zwaar ronkend geluid van een vliegtuig. Vanwege de verplichte verduistering was er niet veel te zien, tot op een gegeven moment er in de baai een explosie te horen was en kon je in de lichtflits nog net een zwart vliegtuig zien.

Later bleek het om een oude Douglas B-26 bommenwerper te gaan, geheel zwart geverfd en zonder herkenningstekens, die de haven bestookte met vier 500 pondsbommen. De eerste beschadigde de landingsbaan van het vliegveld van Balikpapan, de tweede plaatste een voltreffer op de Engelse olietanker s.s. SAN FLAVIANO, de derde kaatste zonder verdere schade van de tanker DARONIA en de vierde zonk het Indonesisch marinekorvet HAN TUANG waarbij 18 bemanningsleden de dood vonden en nog eens 28 werden gewond. Voorafgaand aan het bombardement had het vliegtuig ook de oliepijpen aan wal met machinegeweer beschoten.

De regering had een mitrailleurnest bij de raffinaderij neergezet en na de aanval wisten zij het vliegtuig te verjagen. Maar in de haven lag een brandend schip, dus moest de brandweer er wel op uit om met hun blusboot om te kijken of ze de bemanning konden redden en in tweede instantie proberen de brand te blussen. Door de drank en de verveling waren er meer dan genoeg vrijwilligers om met Sjoerd mee te gaan. Alleen de lokale bemanning was op de machinist na er vandoor gegaan. Geen nood, na enige pogingen lukte het om de blusboot annex sleepboot te ontmeren en ging het richting de SAN FLAVIANO.

Onderweg kwamen ze een reddingsboot van de tanker tegen en daar bleek de totale bemanning in te zitten. Eerst op veilige afstand zijn de dappere brandweerlieden de brand gaan bestrijden met de twee spuiten die het schip rijk was. En zowaar na enige tijd doofden de vlammen en leek het brand meester. Er klonk een luid hoezee en werd besloten dat er een paar vrijwilligers via de door de in paniek gevluchte bemanning neergegooide touwladders aan boord te gaan om te kijken of alles echt gedoofd was. Vanwege het alcoholpercentage lukte het helaas niemand om de gammele touwladder te bestijgen. Dus werd er besloten om voor alle zekerheid nog wat water aan dek te spuiten en daarna werd de terugtocht ondernomen.

Dat ging in een nog betere stemming dan op de weg naar de brandhaard. Want het was zo dat bij een geslaagde brandoperatie de brandweer veertig procent van de lading en de waarde van het schip kregen. Van die veertig procent was de helft voor de commandant, dus voor Sjoerd. Hij begrootte dat toen op $ 2.000.000. Eenmaal weer terug op de basis – kortom de soos – werd even op het succes gedronken en daarna zouden ze zich gaan bemoeien met de tankerbemanning. Op dat moment volgde een geweldige explosie gevolgd door een enorme steekvlam en ontplofte de tanker. De dappere heren waren op slag nuchter. Vanwege het gevaar op herhaling werd besloten om voorlopig de raffinaderij te sluiten. De onbeschadigde tanker nam het grootste gedeelte van de SAN FLAVIANO-bemanning mee en verliet hals over kop de baai. Na twee dagen kwam er nog een tanker om de laatste bemanningsleden mee te nemen.

Brandende schepen in de baai en het wrak van de SAN FLAVIANO.

Later onderzoek wees uit het vliegtuig en de piloot onderdeel uitmaakten van de CIA, die in het diepste geheim probeerde Soekarno’s regering te ondermijnen. Een aantal maanden tevoren bleken de Engelse Eerste Minister Harol Macmillan ingestemd te hebben met het Amerikaanse beleid dat erop gericht was buitenlandse handel te bemoeilijken en daardoor de Indonesische economie van Soekarno te verzwakken. Op 6 mei bevestigde de Engelse minister van Buitenlandse Zaken Selwyn Lloyd in een geheim gesprek met zijn Amerikaanse collega John Foster Dulles dat zijn regering dit standpunt nog steeds huldigde. Het beleid was in die zin succesvol dat Shell inderdaad zijn werkzaamheden op Borneo tijdelijk staakte. Twee maanden later was de opstand echter de kop in gedrukt en kon de raffinaderij weer aan het werk. Toen mochten ook de vrouwen en kinderen terugkomen en een paar dagen later zat Lenie al op het vliegtuig richting Indonesië.

Kop in Haarlems Dagblad, 29 april 1958

Nadat Lenie weer naar Indonesië was afgereisd om zich te herenigen met Sjoerd, moesten de kinderen zich bovendien hervinden. Het werd een tijd aftasten die Sjoerd zich nog scherp voor de geest kan halen. “Volgens mijn oudste broer was ik duidelijk veel te verwend en daar zou hij wel verandering in brengen. Dat zijn in het begin heftige tijden geweest, want ik voelde er bitter weinig voor om mee te gaan in zijn spartaanse levensstijl. Dat hield onder andere in met de lunch een bruine boterham met heel oude kaas, gevolgd door nog een bruine boterham met Marmite. Ik heb me met hand en tand verzet en na een tijdje gaf broer Jouke zijn pogingen op. In zijn ogen was ik niet meer te redden. Later is het gelukkig helemaal goed gekomen tussen ons, alhoewel bruin brood, oude kaas en zeker Marmite komen er bij mij nog steeds niet in.”

Over de tijd die Lenie en Sjoerd samen hebben doorgebracht in Balikpapan, werd eigenlijk in familiekring nooit gepraat. Eerder haalden we Jouke al aan: het was er “niet leuk”. Sjoerd heeft er regelmatig op zee gevist en als er een golfterrein in de buurt was, zal Lenie zeker haar balletje hebben geslagen. Maar de ouders misten hun kinderen en de opgroeiende pubers misten hun ouders. Bovendien was Sjoerd’s vooruitzicht op $ 2.000.000 met een daverende klap letterlijk in rook opgegaan.

Begin 1958 liep ook zijn driejarig contract af en Shell bood hem twee opties: hij kreeg het aanbod om voor 2 jaar fabrieksdirecteur te worden van een nieuwe Shell raffinaderij in Nieuw Zeeland. Dat aanbod had een aantal voordelen, meer salaris, later een hoger pensioen en hij kon 3 jaar eerder met pensioen. Als nadeel betekende het weer 2 jaar gescheiden te zijn van zijn kinderen. Optie 2 was om naar Nederland – Den Haag – te  gaan en daar op het Nederlandse Shell hoofdkantoor te komen werken. De keuze was heel gemakkelijk, ze kozen natuurlijk voor hun kinderen. Zo kwamen Sjoerd en Lenie rond eind eerste kwartaal 1958 naar Nederland waar ze meer dan hartelijk welkom werden geheten door hun kroost. Ma Wijsenbeek en haar zoon konden eindelijk wieberen en het gezin was na zoveel jaren weer herenigd.

Terug in Nederland; 1959-1960

Eind zomer 1958 bracht een positief keerpunt toen Sjoerd definitief uit de tropendienst van Shell terugkwam en op het hoofdkantoor te Den Haag (Carel van Bylandtlaan) te werk werd gesteld. Na lange tijd was het gezin Van der Baan weer herenigd in het vaderland. Die eerste jaren waren overgangsjaren; ze moesten weer wennen aan het leven in gezinsverband en ook de vestigingsplaats Bennebroek, ten zuiden van Haarlem/Heemstede, was verre van ideaal. Jouke en Renske waren de deur uit naar hun studentensteden; Dietert en Sjoerd waren nog niet zo ver en voor hun bleef Bennebroek de thuishaven. We treffen echter wel onmiddellijk vader Sjoerd en zoon Jouke met Oma Anna op een foto van de tewaterlating van de PIETER WINSEMIUS.

Jouke, Sjoerd en Oma Anna verenigd bij de tewaterlating van de PIETER WINSEMIUS; 30 mei 1959.

Jouke kon zijn draai niet vinden op de Kweekschool voor de Zeevaart omdat er geen enkele relatie was met de door hem zo bewonderde Groninger kustvaart. Vervolgens maakte hij een moeizame start met de studie Werktuigbouwkunde aan de, destijds geheten, Technische Hoogeschool Delft (nu TU-Delft) en ging op kamers in Delft. Renske vertrok na haar eindexamen Gymnasium-ß richting Leiden om daar medicijnen te gaan studeren. Ze ging wonen op in een klassiek meisjeshuis, Witte Singel 94, waar ook Ankie en later Aukje en haar vriendin Jeannette van ’t Spijker, een straatgenote van de familie Winsemius, huisden.

Wat is er over die tijd te zeggen? Vader Sjoerd ging ’s ochtends vroeg met z’n  Citroën ID naar Den Haag en moeder Lenie zorgde voor het huishouden, maar had daarnaast nog genoeg tijd over om regelmatig een balletje te slaan op het golfveld. Als transportmiddel had ze de beschikking over een mooie Citroën 2CV. Later werd hij ook vaak gebruikt door de kinderen en het eendje heeft daardoor veruit de meeste kilometers afgelegd van alle auto’s die hebben toebehoord tot het gezin. Van origine was hij keurig neutraal grijs van kleur, totdat Jouke vond dat hij een facelift verdiende. Als inmiddels erkend Delftenaar heeft hij het vehikel overgeschilderd in een ondefinieerbare kleur, ergens tussen rood en oranje in.

De beroemde 2CV ZT-81-14 voor het huis in Bennebroek.

De verhalen die uit deze periode worden doorverteld, veranderen van toon. Het lijkt alsof er een achterstand werd hersteld. Gevleugeld is bijvoorbeeld Lenie’s oproep: “Zet Sjoerdtje de suikerpot even in ‘t gat, dan kan hij hem bijvullen.” Hij zorgde altijd voor dikke pret bij bezoekers – “Wij lagen dubbel”, zei Aukje -, terwijl de gezinsleden het heel normaal vonden. Het verbindingsluik tussen keuken en eetkamer in Bennebroek was altijd handig om iets door te geven, zonder dat je zelf hoefde om te lopen.

Er is ook sprake van huisdieren. De jongste hadden twee een schildpad, Dietert had Deuk en Sjoerd had Hobbel, Ze lieten ze soms wedstrijden tegen elkaar lopen, die volgens Dietert Deuk meestal zou hebben gewonnen, ware het niet dat zijn broer aardappelen strooide in het pad van Deuk. De winnende eigenaar verkondigde dan triomfantelijk dat Dietert’s schildpad veel dommer was dan de zijne, want hoe dom moet je als schildpad zijn om over aardappelen heen te willen klimmen. Sjoerd had op zijn kamer ook mieren, muizen en goudhamsters.

De hoofdrol als huisdier was echter ongetwijfeld weggelegd voor hond Rollsje – een Dobermann met de officiële naam: ‘Rolls Royce van den Heydenpark’, dit omdat één van zijn nestgenoten ook naar een automerk genoemd was. Vele jaren later beschreef Sjoerd Jr met kleurrijke inzet – en een sterk geheugen – zijn bijdrage aan het gezinsleven in Bennebroek:

De situatie was als volgt. Jouke studeerde in Delft, Renske studeerde en werkte (co assistent) in Leiden. Pa werkte in Den Haag, ma was thuis en Dietert en Sjoerd Jr (ik dus) zaten op het Coornthert Lyceum in Haarlem. Op een dag kwam Renske thuis met een hond. Het was een Dobermann Pincher (reu?) genaamd Rolls Royce en nog 2 adellijke namen erachter. Roepnaam Rollsje. Ze had hem gekocht als afleiding voor haar stille leven op haar studentenkamer. Alleen dat bleek niet zo praktisch te zijn in verband met haar studie en werk. Rollsje was te vaak alleen en liet dat regelmatig horen. Dus dan maar Rollsje stallen in Bennebroek. Nu zijn de Van der Banen gek op dieren dus dat was geen groot probleem en binnen de kortste keren was Rollsje goed ingeburgerd. In principe werd er vijf maal per dag met Rollsje gewandeld. Vier kleine rondjes (blokje om) en 1x een grote ronde. Tegenover ons huis was de ingang van de psychiatrische inrichting Vogelenzang. Daar zat een park bij en er werd gedoogd dat je er met een hond liep, mits goed aangelijnd.

Als een terzijde: het uitlaten van Rollsje vereiste bijzondere kwaliteiten. Nicht Ankie herinnert zich hoe de Dobermann letterlijk de hakken van haar schoenen trok. Zij zette zich schrap toen de oersterke hond een drukke straat wilde oprennen en haar hakken bleven achter tussen de stenen.

Twee keer in de week had ma een huishoudelijke hulp. Nu dwing ik mijzelf om hier even weer een zijpad te creëren. Ma was op zoek naar een hulp in de huishouding, of zoals pa dat plastisch noemde een dienstmaagd. Nu bleek de huishoudelijke hulp van drie deuren verder een 17 jarige dochter te hebben die graag in haar moeders voetsporen wou treden en dus kwam ze, ik ben haar naam even kwijt, maar laten we voor het gemak haar Gemma noemen. Het was 1958, midden in de Rock & Roll  periode en de bijbehorende kleding: korte rokjes en petticoats. Volgens ma had ze wel drie petticoats over elkaar aan en dat gecombineerd met een kort rokje. Dietert, en dat had ik nooit van hem verwacht, kwam op het lumineuze idee van als Gemma bij ons in de buurt was om iets te laten vallen en dan zielig aan Gemma te vragen of ze dat kon oprapen. En dat wilde Gemma maar al te graag doen. Laat ik het voorzichtig zeggen, volgens ons – Dietert en ik – kregen wij dan een blik op de hemel te zien. Ma was daar allerminst van gecharmeerd en verbood haar om dingen voor haar zoons op te rapen. Wij waren capabel genoeg om dat zelf te doen. Als ma Lenie in de buurt was hield Gemma zich er aan.

Maar zo nu en dan vroeg ma aan Gemma of ze ook  even een rondje met Rollsje kon lopen. Alleen de korte ronde. Zo ook die bewuste dag en aangezien ik niets te doen had (nou ja op huiswerk na en dat was niet een favoriete bezigheid van mij)  en bood ik aan om met haar mee te lopen. Rollsje was heel enthousiast dat hij door twee mensen werd uitgelaten. Normaal deden we hem eerst de riem om voordat hij naar buiten mocht, maar dat vergaten we even. Rollsje stoof de deur uit en rende naar buiten. Voor ons huis liep een ventpad, dan een lage (60 cm hoog) heg en dan de drukke provinciale weg van Haarlem naar uiteindelijk Den Haag. Rollsje rende het ventpad over nam een mooie sprong en werd aangereden door een snel rijdende auto. Hij zeilde minstens 20 meter door de lucht en plofte daar bewegingloos op het wegdek neer. Eerst was er grote stilte en toen kwam iedereen en alles in beweging. De bestuurder van de auto stapte uit en keek eerst of hij schade had. Dat viel dus mee en begon  daarna – waarschijnlijk van de schrik – Gemma en mij uit te kafferen. Gemma liet dat niet over haar heen komen en die gooide daar een aantal verwensingen naar die vent toe dat die direct z’n mond hield.

Op dat moment kwam Rollsje wankel overeind en deed een paar stappen. Een chauffeur van een andere auto die pakte Rollsje voorzichtig op en legde haar op het ventpad neer. Een minuut later reed het verkeer alsof er niets was gebeurd. Gemma en ik hebben voorzichtig Rollsje richting huis verplaatst. Ma had niets van het ongeluk meegekregen en schrok zich rot. Zij heeft direct een dierenarts gebeld en die constateerde dat Rollsje er goed van af was gekomen. Slechts een lichte hersensschudding.

Dit voorval was volgens ma te wijten aan Gemma (wat dus niet zo was) en zij ging in gesprek met de moeder van Gemma. Er werd besloten dat Gemma en moeder van werkplek gingen ruilen. Dus ma Gemma bij ons en Gemma bij de andere familie. Dat zelfde jaar op 4 december werden Dietert en ik naar onze kamer gestuurd want Pa en Ma hadden wat met elkaar te bespreken en daar konden ze ons niet bij gebruiken. Vier december, één dag voor Sinterklaas en ik was 14 of 15 jaar en geloofde uiteraard niet meer in Sinterklaas. Maar was dat wel zo?? En tot mijn schaamte moet ik bekennen dat zo vlak voor Sinterklaas ik toch een beetje begon te twijfelen. Want waar kwamen al die cadeaus vandaan en al die surprises en gedichten.

Maar goed, ik ging naar mijn kamer en Rollsje volgde mij. Hij plofte op mijn bed en binnen een minuut was hij volledig onder zeil. Het was ons allemaal opgevallen dat Rollsje na de aanrijding snel in slaap kon vallen en daarbij begon hij hard te snurken. Meestal als je dan zijn naam riep dan stopte het gesnurk om een paar minuten later weer te beginnen. Dus Rollsje lag luid te snurken op mijn bed. Ik dacht hem te laten stoppen met snurken door hem te laten schrikken. Dus ik plof naast Rollsje op mijn bed doe mijn hoofd vlak bij zijn kop en roep heel hard BOE!!! Rollsje schrok zich inderdaad te pletter, deed z’n ogen open, ziet wazig iets – mijn gezicht – en van schrik bijt hij keihard in mijn gezicht. Daarna kroop hij weg omdat hij dondersgoed wist dat hij iets verkeerds had gedaan.

Ik schrok natuurlijk ook, maar voelde in het begin geen pijn. Totdat ik met mijn hand over mijn mond ging en daar drupte het bloed van af. Toen kwam de pijn. Ik rende naar beneden en beukte op de afgesloten deur waar pa en ma bezig waren. Rollsje heeft me gebeten en ik bloed erg !!! Binnen 10 tellen vloog de deur open en stond ma heel verschrikt in de deuropening. In een flits van een seconde zag ik een tafel met allemaal cadeautjes, pakpapier en surprises. En ik had nu zekerheid: Sinterklaas bestaat niet. Met z’n 3’n zijn we per auto naar een ziekenhuis gegaan en daar bleek ik een gescheurde bovenlip te hebben en 2 gaten (door en door) in mijn kinnebak. Dat betekende drie kleine hechtingen en een Tetanus B  prik. Ik heb wel tien keer aan pa en ma moeten uitleggen wat er was gebeurd. Hun conclusie was dat de schuld bij mij lag en Rollsje niets te verwijten viel. Vanaf die datum was ik een stuk voorzichtiger in de omgang met Rollsje.

Het werd 1961 en we waren inmiddels verhuisd van Bennebroek naar de Adriën Moonenweg 11 in Den Haag. Jouke, Renske waren zo nu en dan nog thuis, Dietert was of net begonnen met een studie of was in militaire dienst. Sjoerd Jr was als enig kind nog volledig op huis aangewezen. Dat hield in dat ma regelmatig met Rollsje moest wandelen. Op een middag, het was volgens mij begin november, koud en er lag wat sneeuw, ging ma Rollsje uit laten. Ze had haar vrij nieuwe dikke winterjas aangedaan, een met een lekkere warme en dikke nep bontkraag. Op 5 minuten lopen afstand van ons huis was een klein parkje en daar ging ma heen. Er was zelfs een bankje en nadat ze Rollsje’s riem had losgemaakt ging ze daarop zitten. Rollsje ging er als een speer vandoor, maar dat gaf niet, hij kwam na een korte tijd altijd weer terug. Na een paar minuten kwam hij inderdaad weer te voorschijn en racete met een noodvaart haar richting uit. Ma voelde dat er iets niet in orde was en stond op. Dat heeft waarschijnlijk haar leven gered. Toen Rollsje vlak bij ma was vloog hij haar aan en probeerde haar bij de keel te pakken. Door de dikke jas en bontkraag lukte dat gelukkig niet direct. Na een paar minuten, maar voor ma leek het een eeuwigheid, stopte Rollsje opeens en ging keurig naast haar staan.

Moeder  was helemaal in shock. Strompelend is ze naar huis gelopen met Rollsje naast zich. Thuisgekomen heeft ze direct Pa gebeld. Die schrok natuurlijk geweldig en is direct naar huis gekomen. Daar heeft hij de dierenarts gebeld. Die kwam al binnen een kwartier. Zijn diagnose was dat Rollsje door de aanrijding enige jaren geleden een zware hersenbeschadiging had opgelopen en geen lichte hersenschudding zoals er toen gedacht werd. Volgens de dierenarts was de kans op herhaling meer dan reëel aanwezig en hij raadde aan om Rollsje te laten inslapen. Daar waren pa en ma het helemaal mee eens. Ter plekke heeft hij Rollsje een spuit gegeven en na het overlijden heeft hij het stoffelijk overschot meegenomen. Zo kwam er een eind aan het verblijf van Rollsje bij onze familie.

Er voltrokken zich ook andere schokkende gebeurtenissen binnen het gezin, die zelfs nu nog – meer dan een halve eeuw later – levendige discussies oproepen onder het toen opgroeiende kroost. Verteller Sjoerd Junior verhaalt bijvoorbeeld van de “10de hands bromfiets”, die zijn oudste broer op de kop had getikt. “Nou ja, bromfiets is iets te rooskleurig gezegd. Het was een  fiets met een mosquito-hulpmotor. Met een handeltje duwde je een rol van het motortje tegen de achterband en dan hard lopen of fietsen. De kleplichter los laten en dan was het de bedoeling dat hij luid knallend aan sloeg. Ik kan me herinneren dat dat wel eens lukte, maar vaker niet.” Jouke was daarna zijn liefhebberij voor gemotoriseerde tweewielers vele jaren geheel kwijt, totdat hij in Delft studeerde en het daar in zwang kwam om als student een oude motorfiets te berijden.

“Zo kwam Jouke op een dag trots aanzetten met een prachtige motorfiets van Belgische makelij: een echte Sarolea. Niets meer, niets minder. Ik geloof dat het zelfs een zijklepper was van zo’n 350cc. Aangezien wij een prachtige ruime garage onder ons huis hadden, was dat een soort uitnodiging voor een hoop studentenvriendjes, die eveneens een gemotoriseerde stalen ros bezaten, om bij ons te komen sleutelen, al of niet onder het genot van een flesje(s) bier. Al gauw bleek dat Jouke, en later ook ik, over een speciaal gen beschikte dat er voor zorgde dat men vaak rijdend de garage binnenkwam, maar even vaak weer lopend naar huis kon gaan met of zonder motor. Het gen waar ik het over heb is het zogenoemde ontstekingsgen. Het was niet dat je daar fysieke pijn van kreeg, nee zodra onze vingers de ontstekingsspoel of de contactpuntjes beroerden, weigerde er daarna een vonk op het juiste moment naar de bougie gestuurd te worden met het gevolg dat het vehikel wel luid knalde maar weinig zin in trekkracht vertoonde.” Na enige tijd dropen de motorvrienden af en bleef Jouke alleen achter met zijn Sarolea. Na enige tijd had hij er genoeg van en heeft hem verkocht. Het is niet geheel duidelijk of de nieuwe eigenaar lopend met dat zware ding het huis heeft verlaten, of dat het monster op dat moment net één van zijn goede buien had en luid protesterend ‘s Heerens weg onveilig kon maken.

De Sarolea van Jouke in de achtertuin in Bennebroek.

Sjoerd Junior vertelt het met gepaste weemoed: “Dat was het einde van de Sarolea…… dachten we. Niet dus. Ruim tien jaar later viel er in Den Haag, onze nieuwe woonplaats, een brief op de deurmat, gericht aan broer Jouke. Die bleek van een rijwielstalling uit Haarlem te zijn met het verzoek of Jouke nou eindelijk na 10 jaar zijn motor uit de stalling wilde halen, uiteraard tegen betaling van een aanzienlijk bedrag aan stallingskosten. De nieuwe eigenaar had hem nooit  overgeschreven op zijn naam en nadat hij in de gaten had dat hij een kat in de zak had gekocht, had hij hem achtergelaten bij een rijwielstalling. Jouke heeft de brief in stukken gescheurd en dat was echt het einde van de Sarolea. Het noemen van de naam Sarolea stond daarna in onze familie synoniem met een totale, faliekante mislukking.”

Ook vader Sjoerd was die jaren betrokken in een familiedrama-in-zakformaat. Zijn drukke baan liet hem ook weinig tijd voor ontspanning; om de twee weken moest hij voor een dag of drie naar het Engelse hoofdkantoor van Shell in London. In Bennebroek had hij daarom niet veel hobby’s, hooguit lezen. In de zomerperiode ging hij echter graag met vrouw en kinderen zeilen met de tweemastsloep MOBY DICK die later is opgevolgd door de LUTJE, het Wild Duck-ontwerp van de bevriende Ben Bouma. Dit schip lag in de jachthaven “De Westeinder” aan de Westeinder plassen, eigendom van hun oude jeugdvrienden Johannes en Gynie Botje. Gedreven door die zeillust besloot Sjoerd een oude liefhebberij weer op te pakken, namelijk het maken van een bootje via een bouwpakket.

Rond die tijd had de Waterkampioen in samenwerking met de Hiswa een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerpen van een klein, eenvoudig zelf te bouwen jeugdbootje waarmee geroeid en gezeild kon worden. Het mocht ook niet meer dan f 100,- kosten om het zelf te maken. De winnaar werd de Piraatjol, een klein stabiel zeilbootje van hechthout. Al gauw kwam er een op maat gezaagd bouwpakket beschikbaar en dat heeft Sjoerd toen gekocht. Het bootje zou voor Dietert en Sjoerd zijn. Dat die beide zonen inmiddels 15 en 13 jaar oud waren, en richting twee meter groeiden, en dat het scheepje ontworpen was voor kinderen van 5 tot 7 jaar oud, suggereert dat het vader destijds meer ging om het eigen plezier bij het bouwen dan om het plezier van zijn zoons bij het varen. Omdat eerstgenoemde zich bovendien meer met kanoën bezig hield, zou kleine Sjoerd de gebruiker worden. Vanwege de vele mogelijkheden –  zeilboot, roeiboot en volgboot voor de MOBY DICK – noemde de aanstaande gezagvoerder zijn boot al gauw de COMBI. De beide Sjoerds zouden het bootje gezamenlijk in elkaar zetten, beter gezegd Pa deed het werk en zoonlief mocht gereedschap aanreiken en toekijken.

Nu had Senior al wat ervaring in het bouwen van bootjes vanuit een bouwpakket. In Venezuela heeft hij een degelijk roeibootje gemaakt voor zijn twee jongste zonen. Na bestudering van de bouwbeschrijving besloot hij twee wijzigingen door te voeren. Ten eerste vond hij de constructie van de bodem met aan de romp met slechts vier schroeven en de rest spijkertjes te licht, maar zijn grootste bezwaar betrof de lijm. Bij het bouwpakket zat een grote tube witte houtlijm in een knijptube. Zijn zoon hield het nauwkeurig in de gaten: “Dat vond pa totaal niets. Hij vertrouwde veel meer op zijn zelfgemaakte houtlijm van visgraten. Het klopte dat visgratenlijm veel sterker is dan tubelijm maar er zaten ook meerdere beperkingen aan. Ten eerste moest er de dag voordat er geknutseld ging worden, overvloedig vis gegeten worden. Gelukkig was dat voor ons gezin geen straf en daarbij was de prijs van de vis een fractie van wat hij nu is. Maar dan moesten de graten uren lang helemaal stuk gekookt worden en nadat het eindelijk klaar was, had je maar een paar uur tot je beschikking om het te gebruiken, want anders werd het te hard en onbruikbaar.”

De preparatie van de lijm en het vele reizen van vader Sjoerd zorgden er voor dat de bouw tergend langzaam ging. Optimistisch stond er in de beschrijving dat het bootje binnen een week vaarklaar kon zijn. Na ruim drie maanden was alleen de romp klaar. Verder had de heer des huizes verordineerd dat alleen onder zijn supervisie gewerkt mocht worden. “Elke keer als Jouke een weekendje thuis kwam uit Delft of militaire dienst, dan zag hij dat er sinds zijn vorig huisbezoek nauwelijks voortgang was gemaakt en dat begon hem vreselijk te ergeren, maar Pa was duidelijk: handen af van de boot als ik er niet bij ben. Op een gegeven moment moest Pa voor vier dagen naar Shell UK. Toen hield Jouke het niet meer en samen gingen wij naar de garage en begonnen voortvarend aan het verder in elkaar zetten van de COMBI. Geen vislijm meer, maar de bijgeleverde tube werd aangesproken. In het begin stribbelde ik wat tegen, maar toen ik zag dat er nu flinke stappen gezet werden, werd ik ook enthousiast.”

Binnen twee dagen was de COMBI klaar en konden we hem drie maal lakken. Het volgende generatieconflict was voorspelbaar: “Toen Pa eindelijk thuis kwam, was hij zacht gezegd not amused toen hij de Piraatjol helemaal klaar in de garage zag staan. Jouke’s bezweringen dat we ons honderd procent aan de bouwtekeningen hadden gehouden, konden hem niet overtuigen. Het alternatief zou echter zijn de boot helemaal te slopen en bijna van voren af aan weer te beginnen met het opbouwen.” Dus kregen de zoons het voordeel van de twijfel en een paar dagen later konden we de boot te water laten in de Westeinder. Met gevoel voor nuance bouwt Sjoerd zijn relaas op: “Het weer was ons goedgezind, straalblauwe lucht, een licht briesje en bijna 30 graden Celsius. Er werd een paardendeken op het dak van de Citroën ID gelegd, daarop voorzichtig de COMBI. De auto ramen half open en iedereen hield een stuk touw vast en zo konden we de tocht ondernemen naar Kudelstaart. Zonder brokken kwamen we op onze bestemming aan en mochten Jouke en Sjoerd het bootje de steiger opsjouwen. Aan het eind aangekomen ging hij voorzichtig te water.”

Het laatste deel van het drama brengt onze verteller scherp in beeld. “Aan Jouke werd de eer gegeven om als eerste er in te gaan. Zo gezegd, zo gedaan en een paar tellen later stond mijn oudste broer met een stralende grijns over zijn hele gezicht midden in mijn bootje. Hij keek vol verwachting richting Pa in de hoop op een minstens zo brede grijns terug als teken dat pa akkoord ging met het vakwerk van zijn beide zonen. Maar voordat Pa een reactie kon geven, gebeurde er iets bizars. De grijns bij Jouke maakte plaats voor een verbijsterde uitdrukking en tegelijkertijd werd hij kleiner en kleiner en binnen een paar tellen verdween hij met bodem en al onder water. Alleen de romp bleef drijven. Ma begon hysterisch te lachen, maar dat verbleekte helemaal bij het drieletterwoord – maar dan voluit gezegd – dat donderend uit vaders mond kwam.”

“Anderhalve kilometer verder bij Aalsmeer sloegen diverse mensen een kruisje want het leek of het einde der wereld was aangebroken. Nadat de rust weer keerde, draaide Pa zich om en verdween richting de auto. Ma en Sjoerd hebben met vereende krachten eerst Jouke uit het water gehaald en daarna de beide delen van de COMBI. In ijzige stilte werd de thuisreis afgelegd. Daar ging de COMBI in de garage en die werd vervolgens afgesloten. Pas een paar weken later wilde Pa er weer aan werken. Het duurde nog vervolgens bijna twee maanden voordat we een tweede doop konden houden. Uiteraard was de COMBI nu honderd procent waterdicht.”

Sjoerd Junior heeft er vele jaren met plezier in gevaren, maar met het ouder worden werd hij steeds minder gebruikt en uiteindelijk hebben we hem verkocht. Dat leek het einde van onze COMBI. Het lot beschikte echter ook ditmaal anders. Ruim zestien jaar later woonden Sjoerd, inmiddels al lang gehuwd met vrouw Tanny, met hun drie kinderen in Alphen aan den Rijn en hadden zij hun eigen schip, een Albin 25 motorboot. Hij wilde een Piraatjolletje kopen voor de kinderen zodat ze spelenderwijze konden leren roeien en zeilen. “In mijn strooptocht kwam ik ook terecht bij onze oude jachthaven De Westeinder. Uiteraard al lang niet meer het eigendom van Botje, die hem had verkocht aan een knecht. Maar bij het letterlijk nostalgie opsnuiven in de vertrouwde loods zag ik in de hoek een oude, redelijk verwaarloosde piraatjol liggen. En wat bleek: het was mijn oude COMBI. Nog mooier ik kon hem ook kopen. Voor een paar tientjes meer dan waarvoor wij hem verkocht hadden, heb ik hem weer teruggekocht. Na een grondige schoonmaakbeurt kon hij weer gebruikt worden.” Helaas werd hij weinig gebruikt; zijn nazaten waren niet echt behept met het zeilvirus van hun vader, opa en ooms. Na drie jaar plaatste hun vader een speurder in De Telegraaf. De COMBI was binnen een week verkocht en verdween dit keer voor goed uit het leven van de Van der Baan’s.

Binnen familiekring wordt ook nog veel gesproken over de fameuze vakantiezeiltocht in 1959 met de zalmschouw PIET HEIN, het schoenertje MOBY DICK en de COMBI. Weer heeft Sjoerd Junior zijn waarheid op papier gesteld en zonder verdere tegenspraak is dit de zuivere waarheid. Na zo vele jaren gescheiden van elkaar geleefd te hebben verheugde vader Sjoerd zich er enorm op om nu eens met de gehele familie samen op vakantie te gaan. En dat betekende een enorme boot huren, zonder schipper, om daarmee door Nederland te varen. Jouke wist zijn vader er van te overtuigen dat het beter was om weliswaar met z’n allen de reis te aanvaarden maar dan wel in twee boten: de huurboot van vader en de MOBY DICK met aan het roer kapitein Jouke. Aangezien hij dat niet helemaal in z’n eentje kon klaren, zou hij een paar goede vrienden die over zeilervaring beschikten meenemen. Dat werd zijn vriend

Peter Bakker, terwijl ook Renske’s vriendin Jeannette van ‘t Spijker aan boord was. 

Na enig zoekwerk was Sjoerd’s oog gevallen op een prachtige houten zeeschouw, voorzien van alle gemakken zoals genoeg slaapplaatsen, zeilen, een doos, maar helaas geen motor. Er was wel ergens achteraan het hek een bun met plek voor een buitenboordmotor, maar die bleek op dat moment kapot te zijn. Sjoerd vond dat als echte zeiler geen al te groot bezwaar, temeer daar de MOBY DICK mee zou varen en daar zat een geweldige 20pk Universal benzinemotor in. Zijn sceptische zoons vermoedden heden ten dage dat de motor in nieuwstaat het wellicht kon opnemen tegen twintig paarden, maar in zijn nadagen hooguit gelijkgesteld kan worden aan twee veulens, zeg maar een 2CV.

Op een gegeven moment was de dag aangebroken dat de grote reis zou aanvangen. Van waaruit de reis begon is irrelevant voor het verhaal – misschien is het verteller Sjoerd even ontschoten – maar het was prachtig weer en ze hadden een flinke stroom mee. We laten hem het woord: “Met wat zeil erbij schoten we aardig op. De MOBY DICK moest werkelijk alle zeilen bijzetten om de PIET HEIN bij te houden. Na een tijd varen bereikten we een prachtige spoorbrug, alleen één ding was minder. De brug was dicht en dat hield in dat we moesten wachten, dus midden op het kanaal werd op ruime afstand van de brug het anker over boord gegooid en kwam de PIET HEIN tot stilstand. Dat gaf de MOBY DICK de gelegenheid om bij ons aan te klampen. Volgens de oude, dus niet al te betrouwbare openingstijden zou het nog een flinke tijd duren voordat hij open zou gaan.”

Het nieuwe drama begon zich te ontvouwen als ware het beschreven in een filmscript. “Nu vond Jouke dat we op vakantie waren gegaan om te zeilen en niet om voor een brug in een bruinig kanaal uren voor anker te liggen wachten. Hij kwam toen op het lumineuze idee om met de MOBY DICK naar een pijler van de brug te varen, die te beklimmen en vervolgens in het spoorhuisje de beambte daar vriendelijk te vragen of hij hem – uiteraard tegen een kleine illegale vergoeding – even voor ons open te doen. Nu waren de salarissen van spoorbruggenwachters niet al te hoog, dus de beste man had er wel oren naar, maar dan moesten we wel als de sodemieter (niet mijn woorden) ons klaarmaken om direct na opening erdoor heen te gaan, want binnen een klein half uur kwam de plaatselijke boemel eraan. Dus Jouke is binnen een mum weer aan boord van de MOBY DICK en geeft vol gas richting het ten anker liggende moederschip. Daar heerste op dat moment een heerlijke stilte en iedereen genoot van het buitenkansje om een bruine teint op te doen. Vader Sjoerd bedacht dat hij nog wel tijd om een bezoek af te leggen aan de doos.” Even voor de niet-varensgezellen, een doos is een plek waar een mens zich even rustig kan terugtrekken, sommigen om een leuk boek te lezen, anderen om er wat serieuzere zaken achter te laten.

Sjoerd eiste zich een hoofdrol op. “Hij merkte pas dat er wat aan de gang was toen hij Jouke hoorde schreeuwen dat we als een speer het anker moesten ophalen en dat we de brug onderdoor gingen. Tevens hoorde vader nog iemand anders hard schreeuwen, in de trant van: opschieten, opschieten, anders gooi ik hem weer dicht.” Zijn zoons waren paraat, maar dat gold niet de vader. “Dietert en Sjoerd waren geharde scheepsgezellen dus wij storten ons op het binnenhalen van het anker en Jouke had ondertussen de sleeptros overgebracht. Hij gaf vol gas richting brug, maar toen bleek dat we wel verrekte dicht bij de brug lagen, waarschijnlijk was het anker wat gaan krabben en stond er iets meer stroom dan we voorzien hadden. Vader had direct door dat er iets helemaal fouts ging gebeuren en probeerde met een paar stappen van de doos aan dek te komen.”

De Oscars lagen gereed en zijn zoons bewieroken nog immer de invulling die hun vader gaf aan zijn karakterrol. “Met de broek nog niet helemaal op navellengte opgesjord was dat geen gemakkelijke opgave en zeker niet toen hij uit het roefluik kwam en zijn arme hoofd keihard stootte aan de giek. Vader is normaal den rust zelve, behalve als er dingen gebeuren zoals toentertijd met de tewaterlating van de COMBI en ik meen dat hij zijn geliefde drieletterwoord nog iets krachtiger over het water liet schallen. Maar het was al te laat. De MOBY DICK ging keurig midden door de geopende brug, met de nog niet in goede positie verkerende PIET HEIN op sleep. Die knalde met een donderend geweld eerst tegen de ene pijler en daarna tegen de andere. De sleeptros kwam plotseling strak te staan en met een akelige knal – kon er nog wel bij – knapte hij, waardoor de MOBY DICK naar voren werd gekatapulteerd, daarbij sloeg de motor ook nog eens af. Onze trouwe volgboot, de COMBI, verkoos om het via een andere pilaar te proberen en zoals te verwachten was brak ook daarvan de verbindingstros met de PIET HEIN.”

Dietert zat aan boord van de ‘rebelse’ kapitein (Jouke) en kon dus niet zien welke taferelen zich in de kuip van de PIET HEIN afspeelden. Maar met de dubbele aanvaring van de brugpijler zat hij eerste rang. “Eerst probeerde een brutaal zeiljachtje nog voor te dringen vóór onze vloot – die mensen wilden natuurlijk ook profiteren van de onverwacht open brug – maar hun boot werd zonder pardon opzij geschoven door de gezamenlijke massa van onze boten, en toen het allemaal erg ruig en boem boem werd, maakten ze gillend dat ze weg kwamen, schreeuwend dat wij niet konden zeilen. Nou ja, zeg!! Ik ervoer die episode als heel surrealistisch, had ook een sterk gevoel van ‘hier wil ik even niet bij horen!’ Ooit wel eens een steile helling am Schuss af geskied, en halverwege ontdekt dat je te hard ging om nog te kunnen afremmen of bijsturen? Met recht vóór je een groep argeloze skiërs? Zoiets was dit ook….” 

Zoon Sjoerd hernam de draad van zijn relaas. “Uiteindelijk kwamen de drie schepen aan de andere kant van de brug terecht. Nageroepen door een boze brugwachter. Gelukkig hadden wij vader aan boord en die diende de beste man van stevige repliek. Direct ging het anker weer overboord bij de PIET HEIN en werd er eerst krijgsraad gehouden. Hierin moest iedereen beloven dat er maar één kapitein was en dat die van nu af aan onherroepelijk gehoorzaamd moest worden. Als eerste moest de MOBY DICK de op hol geslagen COMBI achternagaan en daarmee terugkomen. Zo geschiedde, daarna werd een nieuwe, sterke sleeptros uitgebracht naar de MOBY DICK en konden wij onze reis in een iets minder uitbundige toestand vervolgen.”

Dietert heeft het ‘krijgsberaad’ niet bijgewoond, want hij was toen bezig hard achter zijn kano aan te zwemmen. “Tijdens het gestoei met de brugpijlers was het sleeplijntje gebroken, en mijn kano er vandoor gegaan.” Met de wijsheid van de terugblik is hij echter doordrongen van de betrekkelijkheid van de toenmalige besluitvorming: “Tja, vader had dan wel de senioriteit om admiraal van de vloot zijn, maar met vier mannelijke Van der Baans aan boord – elk met een eigen vaartuig – was het natuurlijk onvermijdelijk dat er vier kapiteins waren! Strikt genomen  – met moeder en Renske erbij – waren er zelfs zes kapiteins aan boord, want moeder was ooit kapitein op haar eigen kleine BM geweest, en ook Renske wist prima met zeilboten om te gaan.”

Lenie besloot kennelijk tot een afleidingsmanoeuvre, want anders zijn de volgende dagen niet te duiden. Sjoerd: “Bij de eerstvolgende haven, mijn feilloos geheugen zegt me dat het Drimmelen was, werd er aangelegd. Hoe weet ik dat het Drimmelen was, omdat moeder Lenie de volgende dag boodschappen ging doen bij de plaatselijke middenstand en thuis kwam met echte streekproducten. Waaronder koeienuier als vlees voor die avond. Daar kwam haar op redelijk wat verzet van een aantal familieleden te staan en ik weet niet of iemand er van gegeten heeft. De volgende dag werd het nog erger, toen kwam ze thuis met weer zo’n plaatselijke lekkernij: een complete koeientong, waaraan nog het raspige eind.”

Was dat het nu, dan was het al voldoende geweest om een bladzijde uit een familiekroniek te vullen. Echter de saga kreeg een vervolg dat buiten zeer kleine kring nog steeds in nevelen is gehuld en dat moet zo blijven. Zo veel is duidelijk dat diezelfde tocht de MOBY DICK schipbreuk heeft geleden waarbij – wil Dietert wel onthullen – zijn kano een heroïsche rol heeft vervuld als reddingboot. “Dankzij mijn LANGOSTA bereikten alle opvarenden veilig de haven van Drimmelen. Aangehecht een foto van de PIET HEIN in Drimmelen (met mijn kano langszij), en een foto van MOBY DICK kort na de schipbreuk. De tweede foto werd genomen vanuit mijn kano met de oude box camera van vader.”

Zalmschouw PIET HEIN in Drimmelen; 1959.

MOBY DICK in de Amer; 1959.

Het was een memorabele vakantie die bovendien op waardige wijze werd afgesloten. Op de laatste dag, na terugkeer in Den Briel, kreeg het ouderstel bezoek en was het zeer welkom dat er een bioscoop was waar de kinderen naar toe konden. Dat bleek echter 18+ te zijn met, nota bene, BB in de hoofdrol. Sjoerd was toen nog maar 14, maar in Den Briel keken ze niet zo nauw en hij mocht mee naar binnen. Jouke: “Toen het er in de film op een zeker moment spannend aan toe ging, loeide Sjoerd keihard door de zaal OOOEEEIII !!!!! en de hele zaal (ongelogen) keek in plaats van naar het witte doek in onze richting! Enfin, wij mochten met zijn allen blijven zitten maar ik dacht even dat wij er uit zouden worden gehaald.”  

De MOBY DICK heeft jaren de familie trouw gediend en toen hij uiteindelijk plaats moest maken voor een modernere boot, de knikspant LUTJE, heeft menigeen een traantje gelaten.

Nog jaren later kwam vooral Jouke hem nog wel eens tegen in Zeeland, maar toen was het echt klaar. Dacht de familie, maar ook dit verhaal kreeg een onverwacht staartje. Jouke had een prachtig motorjacht in bestelling bij een degelijke jachtwerf in Werkendam. Op het buitenterrein van die werf lag een hoop rotzooi en ook een paar afgepeigerde bootjes. Toen Jouke en broer Sjoerd er eens een ronde deden, trok één boot onze speciale belangstelling, een vervallen schoener getuigde sloep. “Bij nadere inspectie sloeg ons hart over van pure nostalgische vreugde. Honderd procent zeker lag daar onze oude MOBY DICK, niet meer in het zwart maar nu blank gelakt of wat er voor door ging.” Informatie bij de werfbaas leerde dat de oude MOBY DICK van een liefhebber was die van plan was om haar helemaal op te knappen. Helaas is dat nooit gelukt daar de goede man ziek werd en niet lang daarna overleed. Via de erfenis was het schip nu in handen gevallen van zijn dochter. Een lerares Nederlands, maar zei de werfbaas: ik heb haar nog nooit hier gezien.

Vervuld van warme gevoelens kwam Sjoerd thuis in Waddinxveen en vertelde het verhaal van het weerzien van de MOBY DICK in geuren en kleuren, onder andere aan zijn toenmalige schoonzoon. “Patrick werd direct helemaal enthousiast en vertelde dat hij net op zoek was naar een opknapper bootje om daar mee te kunnen gaan vissen. En dit was precies wat hij zocht. Ik nam contact op met de werfbaas en die had het idee dat ik het schip voor f 300,- zou kunnen kopen. Dat was namelijk precies het bedrag wat openstond aan stallingsgelden. De waarde van het schip lag aan de motor – niet meer de trouwe Universal, maar een kleine 1 of 2 cylinder Albin diesel. Daarnaast zat er redelijk wat  roestvrij staal op en dat tezamen kwam op zo’n 300 gulden. Hij gaf mij het telefoonnummer van de erfgename en vol goede moed belde ik haar op. Dat viel niet goed, want ze was net een ingewikkelde lasagna aan het klaarmaken en ik stoorde haar daar vreselijk bij. Na duizendmaal excuus – altijd beleefd blijven als je iets goedkoop wil hebben – vertelde ik waarvoor ik belde. De boot van haar vader en dat ik daar wel belangstelling voor had. Oh ja die boot, was haar reactie, en wat wil je er voor betalen. Van mijn moeder had ik geleerd om nooit het uiterste van je tong te laten zien, er moet altijd ruimte voor onderhandeling overblijven, dus ik zei f 250,- (Lenie zou zijn begonnen met f 150,).”

“Haar reactie had ik nooit verwacht. Ze werd boos en betichtte me er van om te proberen het schip van haar te stelen door zo’n prijs te noemen. Totaal verbouwereerd vroeg ik waaraan zij dan dacht en dat bleek rond de 2500,- tot 3000,- te zijn. En toen smeet ze de hoorn op de haak. Dat mens spoorde duidelijk niet. Dus maar weer de jachtenbaas gebeld of hij wel de goede naam had doorgegeven. Dat bleek wel zo te zijn en hij zou haar wel wat rede in praten, dus hij raadde aan om over een dag of drie nog eens met haar te bellen. Dat heb ik gedaan, maar madam de lerares Nederlands was nog steeds overtuigd dat ze een kloon van het jacht van Onassis had geërfd. Met andere woorden, haar uiterste bod lag op f 1800,- en geen cent minder. Toen heb ik de telefoon er op gegooid. Later stond er een advertentie in de Vaarkrant van de Telegraaf waar een prachtig zeiljacht werd aangeboden voor f 1500,-  Uiteindelijk is hij verkocht voor een fractie van die prijs aan een liefhebber die haar helemaal wilde restaureren. Maar goed, voor ons lag het nu definitief achter ons.”

“Totdat broer Jouke ergens een artikel las over een liefhebber die een oude reddingssloep helemaal had opgekalefaterd en haar in haar originele had teruggebracht. Aan wat er vermeld stond, kon Jouke direct zien dat het om onze goede oude MOBY DICK ging. De boot was nu te huur voor tochtjes op het Snekermeer en dergelijke. Jouke zou Jouke niet zijn als hij niet direct in de telefoon is geklommen en heeft gebeld met de nieuwe eigenaar. Dat resulteerde eerst in een kennismaking van Jouke en later heeft hij haar afgehuurd met een paar oude vrienden. Wie weet, komt daar nog een vervolg op.”

Familiefoto met de Van der Baan’s: v.l.n.r. Hennie, Sjoerd, Hessel, Aukje en Jan Lucas; Oegstgeest, rond 1960.

De ‘aangetrouwde familie’: v.l.n.r. Mannie (vrouw van Hessel), Herman Dijkstra (man van Hennie), Peta (vrouw van Jan Lucas), Frits Mulder (man van Aukje) en Lenie; Oegstgeest, rond 1960.

Na 1960

In 1960 vond vader Sjoerd de dagelijkse afstand van Bennebroek naar Den Haag te belastend worden, temeer daar het verkeer in intensiteit begon toe te nemen. De kinderen mochten het schooljaar nog afmaken, maar ondertussen werd er naar een nieuw huis gezocht in de omgeving van Den Haag.

Niet het gehele gezin was daar blij mee. Jouke en Renske waren al de deur uit maar de jongste twee waren nog in huis. Met veel verdriet herinnert Sjoerd Jr. zich het Café Restaurant zo’n 150 meter verderop in Bennebroek, vernoemd naar de uitbater: Café Leenen. Hij was best aardig en hing het katholieke geloof aan. Dat uitte zich onder andere in de acht kinderen die hij samen met zijn vrouw had. Zes meiden en twe jongens. “Al gauw was ik heel goed bevriend met zoon Frankie die van mijn leeftijd was. Het had zeker een aantal voordelen. Zo snaaiden Frankie en ik regelmatig overheerlijke leftovers uit de keuken. En ook frisdrank was zeer in trek. Allen dat moest buiten het zicht van Pa Leenen genuttigd worden want hij lette graag op de kleintjes. Ik bedoel niet de kinderen maar de ping ping. Als tegenprestatie nam ik Frankie vaak mee naar onze boot de MOBY DICK die aan de Westeinder Plassen in een jachthaven lag. Vaak bleven we dan ook aan boord slapen. Frankie kookte dan voor ons en dat kon hij goed.”

Op een gegeven dag had ik weer met Frankie afgesproken om naar de boot te gaan en toen had hij een van zijn vele zussen meegenomen. Jantine. Alhoewel ik haar uiteraard al een paar keer had gezien viel me nu pas op dat ze wondermooi was. Het was voor mij liefde op het eerste gezicht. Hij vroeg of ze mee mocht en natuurlijk had ik daar geen enkel bezwaar tegen. Jantine was 14 en Frank en ik 15. Helaas gooide ma Jantine roet in het eten. Toen ze hoorde dat wij met z’n 3’n naar de boot gingen, sprak ze haar veto uit. Dat was een domper, maar ik had nu wel verkering, want Jantine zag het ook met mij wel zitten.

Die avond en nacht aan boord van de MOBY DICK zat ik Frankie helemaal uit te horen over zijn zus en keek ook al verder: eventueel trouwen. Tja, zei Frankie, dat kan een probleem worden. Pa wil dat al z’n dochters trouwen met vrome katholieke mannen en daar val jij niet onder. Dat leek mij geen groot probleem, ik zou naar een pastoor gaan en zeggen dat ik katholiek was geworden en of hij mij een briefje kon geven om dat te bevestigen. Helaas werkte dat niet zo. Catechismus, misdienaar enz, enz. Maar goed ik was verliefd en zag geen beren op de weg.

Een week later vertelde pa en ma (van der Baan) dat we binnen 3 maanden zouden gaan verhuizen naar Den Haag. Toen zakte letterlijk de vloer onder mij weg. Met mijn prille geliefde zochten wij naar mogelijkheden om dit grote onheil te attaqueren. We dachten er op de verhuisdag zelfs aan dat we met ons 2’n zouden weglopen. Helaas kende ma Lenie haar jongste veel te goed dus ging dat plannetje niet door. Snikkend hebben we afscheid van elkaar genomen en vertrok ik uit haar en zij uit mijn leven. Dit was de eerste keer dat ik te maken kreeg met Luddefudut. Arme ziel niet wetend dat dit pas een voorproefje was van alle keren die nog zouden volgen.

Met pijn in Sjoerd’s jongenshart en een tussenstop in een pension aan de Badhuisweg in Scheveningen streek het gezin eind 1960 neer op de Adriën Moonenweg 7 in de Haagse nieuwbouwwijk Duttendel neer te strijken, op ruim een kilometer van het Belgisch Park waar Aly al een vijftien jaar woonde. Het was daar goed wonen, maar in de zomertijd reeds bijzonder druk. De hoofdaanvoerweg naar die wijk was de Van Alkemadelaan en dat was ook de aanvoerweg naar boulevard en strand van Scheveningen waar destijds, vooral in de zomer, de Duitse badgasten een zeer intensief gebruik van maakten.

De Adriën Moonenweg 7 is links met een pijltje aangegeven op de ansichtkaart die Jouke op 1 juli 1964 verstuurde aan zijn vriendin Anneke.

In die laatste jaren op het hoofdkantoor van Shell bouwde Sjoerd op zijn brede praktijkervaring die hij vastlegde in een publicatie ‘The Petroleum Refinery’ in het handboek MODERN PETROLEUM TECHNOLOGY  van The Institute of Petroleum.  Binnen de Shell organisatie was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de Shell raffinaderijen in Oostelijk en Zuid Afrika. Dat hield in veel op reis, meestal naar Londen maar ook regelmatig naar Zuid Afrika. Om al die stress aan te kunnen had hij een systeem ontwikkeld wat in het gezin bekend stond als: VNB!!. Vrij vertaald voor de onwetenden: vroeg naar bed. Elke avond ging hij klokslag 21.30 naar boven en elke avond kondigde hij dat aan: “Schat, ik ga naar boven. Kom je ook?” en steevast antwoordde Lenie dan: “Dat is goed, ik kom zo”, om vervolgens rustig bij haar kroost beneden te blijven en als laatste het licht uit te doen.

Het handboek Modern Petroleum Technology met daarin een bijdrage van Sjoerd.

Het vele reizen was zwaar werk maar bood hem ook de gelegenheid om zijn grote hobby verder uit te diepen. In de periode Punta Cardon was hij reeds zeer intensief met sportvissen bezig geweest en dat werd, hoewel op een iets lager pitje, ook in Indonesië voortgezet. Definitief terug in Nederland kreeg hij volop mogelijkheden. Hoewel hij langs de kust met beroepsvissers in diverse kustplaatsen is mee geweest, kwam het echte werk tijdens de vakanties en bij zijn zakenreizen naar Afrika. In Europa werd verder nog gevist in Helgoland (klein soort haaien), de Bretonse kust en, zijn grote voorkeur, Ierland. Soms vergezelde Lenie hem op die tochten, maar het gebeurde ook dat hij in het gezelschap van zijn kinderen ging. Zo is Renske met vriendin Cor een keer mee geweest op een reis naar Helgoland, een ruige vistocht met een stampende sloep. Bretagne viel enigszins tegen, maar daarentegen was Ierland helemaal bingo. Vooral het vissen op de kust was spannend vanwege de grote variëteit aan soorten vis; van handzame schelvisachtigen (leng en pollack) tot vissen waarmee je uit moest kijken; de  blue sharks  en grote congers, de enorme zeepalingen die geweldig konden vechten. Jouke (2 x) en Sjoerd (1 x) hebben dit meebeleefd en het heeft een onuitwisbare herinnering bij hun achtergelaten. Ook de Shell-gemeenschap leefde mee.

Sjoerd in Kinsale, Ierland met een flinke conger, die hij ving met als getuigen Jouke en Sjoerd Junior; 1965

Tekst uit felicitatiebrief van Ierse Shell: “we hebben het Esso logo maar gefotoshopt”; 7 oktober 1965

Voor Sjoerd was echter Afrika de absolute top. Tijdens zakenreizen nam hij vaak enkele dagen extra verlof om zijn hobby te kunnen uitoefenen en zijn grootste vangst heeft hij daar gedaan. Voor de kust van Mozambique heeft hij destijds een record marlin gevangen waar hij zelfs uitgebreid zowel de locale als later de Nederlandse pers mee heeft gehaald. Het ondier woog 380 lb, ruim  meer dan het oude record van 241 lb. Het was daarmee de grootste zwarte merlijn ooit in Afrikaanse wateren gevangen met middenzwaar visgerei. Wellicht met een knipoog kondigde Sjoerd in één moeite door aan dat hij nu ook op leeuwen wil jagen met een speer. In zijn latere jaren in Hilversum heeft hij zijn ambities geleidelijk afgebouwd tot hij genoegen nam met de voorntjes en ander klein spul die in Hilversumse vijvers nog te verschalken waren. Overigens verklunsde De Telegraaf de foto die hij bij zijn sterke visverhaal had opgestuurd, geheel buiten hun schuld, dat wel.

Bericht over recordvisvangst in de Rhodesia Herald; 19 oktober 1961.

Ontvangstbriefje van de redactie van De Telegraaf; 12 februari 1971.

Ook Lenie zat vanzelfsprekend niet stil. Het was duidelijk dat zij na haar verhuizing naar Duttendel een regionale golfclub zou gaan opzoeken. Na een uitgebreide screening viel haar keus op de club in Noordwijkerhout, niet geheel naast de deur, maar de sfeer stond haar daar het meest aan en ze werd spoedig captain van het damesteam. Merkwaardigerwijs schijnen we slechts één actiefoto te hebben van haar passie die uiteindelijk culmineerde in twee holes-in-one. Geheel vreemd is dat echter niet want Sjoerd had niets met golf, en hij was lange tijd de enige met een fototoestel.

Lenie aan het golfen in een duinachtig landschap, vermoedelijk na 1958.

Ze had haar tijd daar volledig mee kunnen vullen, maar er was ook nog iets anders bijgekomen. Tijdens de koop of de verkoop van het huis in Bennebroek waren er onregelmatigheden opgetreden die haar dusdanig intrigeerden dat zij een cursus makelaardij is gaan volgen en aan het eind van die cursus in 1960 examen heeft gedaan en is geslaagd. Vervolgens wilde zij voor vrienden, kennissen en relaties wel met dat vak aan de slag gaan. Echter, de bond van makelaars was mordicus tegen, aanvankelijk wegens gebrek aan ervaring en traineerde waar mogelijk. Ze heeft toen stage gelopen bij een kantoor dat werd gerund door een paar oudere, Indische dames die het natuurlijk mooi vonden dat zij in het voormalige Indië had gewoond. Na die stage kon ze niet meer worden geblokkeerd en is ze – pas in maart 1964! – beëdigd als makelaar. Ze heeft ook inderdaad bij de koop/verkoop van een aantal huizen bemiddeld. Er waren soms spannende momenten en bezichtigingen werden vaak ook tijdens etenstijd uitgevoerd, zodat de maaltijd nogal eens werd geïmproviseerd.

Diploma en beëdiging als makelaar; respectievelijk 1960 en maart 1964.

Nu was de planning van de maaltijden sowieso niet Lenie’s sterkste kant. De vele Shell-vrienden in Den Haag die vanaf 17 uur langskwamen voor een borrel  (tropengewoonte), moesten eerst een hypothetisch-betere raffinaderij bouwen, alvorens ze opstapten en dan waren wij wel wat verder in de tijd.  Ook met verjaardagen, waarbij na de maaltijd een bioscoop werd bezocht, lukte het maar zelden om op tijd de tweede voorstelling van de film te halen.

De gezinsleden bleven elkaar in Duttendel met regelmaat verrassen. Zo was er de onverwachte waarneming – letterlijk – van een Meteoor. Moeder Lenie en zoon Sjoerd hadden boodschappen gedaan per 2CV en wilden de auto in de garage parkeren, zodat als vader Sjoerd met een uurtje thuis zou komen hij zijn auto op de oprijlaan kon parkeren. Zoonlief vertelt kleurrijk en met gevoel: “Ik stap uit en loop naar de garage en doe één van de deuren open en versteen te plekke. Heel voorzichtig doe ik een pas naar achter en sluit de deur zorgvuldig en loop min of meer in shock naar de 2CV. Ma sloeg het raampje van de auto omhoog en vroeg: ‘Wat is er? Het lijkt wel of je een geest hebt gezien.’ Het kostte wat tijd voordat ik eindelijk kon antwoorden: ‘Er staat een paard in de garage.’ Ma had een onbegrensd vertrouwen in al haar kinderen, maar nu dacht ze even dat ik ze niet helemaal meer op een rijtje had. Dus ze stapt uit en gaat resoluut naar de garage. Ze opent de deur en doet hem direct weer dicht. Ze kijkt me aan en zegt: ‘Er  staat een paard in de garage.’ Ik had kunnen zeggen: ‘Dat zei ik je toch’, maar kon alleen maar ja knikkend haar opmerking bevestigen.”

Dit kon maar één ding betekenen, beseften zij zich beiden al snel: Renske had in een opwelling, zonder vooraankondiging, besloten een paard te kopen. Daar drie paarden in de garage te veel was, werd de 2CV noodgedwongen op de oprijlaan geparkeerd en moesten moeder en zoon via de voordeur naar binnen. Renske zat met een grote grijns op haar gezicht hun op te wachten. Een uur later kwam vader Sjoerd thuis en zijn jongste zoon gaf een gevoelvol ooggetuigenverslag van de oplopende spanningen in het gezin Van der Baan. Tot z’n ergernis moest de heer des huizes de auto op de stoep voor parkeren. “Begrijpelijk was hij niet in z’n allerbeste bui toen hij binnenkwam en enigszins gramstorig vroeg hij waarom ma die verrekte 2CV niet binnen had gezet.  ‘Dat kon niet’, antwoordde ma. ‘Waarom kan dat niet?’ ‘Tja. Ga maar kijken.’ Dus pa via de trap naar beneden en kwam even later weer boven en zei: ‘Je hebt gelijk, dat kan niet.’ Renske kreeg één week om een stalling te regelen voor Meteoor zoals haar nieuwverworven paard bleek te heten. Haar broer meent zich te herinneren dat het er uiteindelijk twee werden, maar toen verkaste het edele dier naar een weiland dat eigendom was van de Bloemendaalse of Zandvoortse bereden politie.

Renske heeft Meteoor nadat hij in Wassenaar hersteld was van een soort eiwitvergiftiging, kort voor het geduchte kandidaatsexamen geneeskunde moeten verkopen. Ze moest zelf het onderhoud – borstelen, zorgen voor voldoende beweging, etc. – doen waarvoor ze een paar keer per week een halve dag met de tram en benenwagen naar Wassenaar ging. Dat werd een te zware belasting. Het lukte vrij vlot om voor hem – een ruin die vroeger op de renbaan had gelopen – een koper te vinden en de verkoopsprijs was ongeveer dezelfde als de aankoopprijs. Met na de verkoop van Meteoor nog slechts een paar weken te gaan tot het kandidaats, kon ze zich volledig op de studie toeleggen, en ze haalde het kandidaats cum laude. Met een gniffel gaf ze toe dat Meteoor inderdaad een korte tijd in de garage in Duttendel gestald is geweest. Lenie durfde in die tijd amper de garage in, want ze zei: “Hij kijkt mij met die grote hongerige ogen aan”, waarop Renske haar verzekerde dat Meteoor zoals verreweg de meeste paarden een strikte vegetariër was.

Volgens haar broers specialiseerde hun zus zich overigens in het bij wijze van overval huisvesten van wilde dieren. De gehele familie herinnert zich de grijze roodstaart papegaai Thomas, die bovenop het hoofd van Lenie placht te zitten. Die droeg dan ook vaak uit zelfbescherming een hoed in huis. Vader Sjoerd was niet erg van Thomas gecharmeerd, ze waren volgens Sjoerd Junior gezworen vijanden. Jouke was daarom stomverbaasd dat zijn liefhebbende moeder met één van haar zoons samenspande bij de aanschaf van de geel-groene amazone papegaai Japie – nota bene zogenaamd voor Sjoerd’s verjaardag. De twee hadden trouwens behoorlijk verschillende karakters. Thomas was schuw en erg op Lenie gericht, terwijl Japie een allemansvriend was maar je – opeens – toch behoorlijk kon pikken. Tamelijk onbetrouwbaar dus. Vader Sjoerd verklaarde de verschillen uit het feit dat de ene soort uit Afrika afkomstig was en de andere uit Zuid Amerika. De één was wantrouwend en de andere onbetrouwbaar. Uiteindelijk zijn ze beide geschonken aan een dierenwinkel in de periode Ommen.

Weer toverde Sjoerd Jr. met een kleurrijke terugblik het gezinsleven op het netvlies: “Op een gegeven moment kwam Renske thuis met een grote stalen vogelkooi met daarin een prachtige grijze papegaai luisterend naar de naam Thomas. Ze had hem gekocht om dezelfde reden als toentertijd hond Rollsje: een beetje gezelligheid op haar studentenkamer.  Maar in haar afwezigheid ging hij zo te keer dat haar medehuisgenoten er horendol van werden. Dus de papegaai moest weg, terug brengen naar de dierenwinkel of meenemen naar Bennebroek. Dat hoefde geen probleem te zijn want we hadden al eerder een papegaai (in Punta Cardon) gehad.

Pa kwam thuis van een drukke dag werken en het trotseren van een drukke weg naar huis. Hij zag de kooi met de papegaai, haalde zijn schouders op en vroeg: “Kunnen we al eten”. Dat kon. Na het eten mocht Thomas uit zijn kooi. Dat deed Renske en ze zette hem boven op de kooi. Thomas vloog  direct op pa af, landde op zijn hoofd en begon pa te bijten waar hij maar kon, in z’n oor, z’n bril en wang. Tegelijk verwondde hij pa z’n hoofdhuid door de scherpe klauwen aan z’n poten. Iedereen schrok zich een pukkel, dit had niemand verwacht. Met veel moeite kreeg Renske Thomas weer in z’n kooi.

Was dit eenmalig? Of was dit de toekomst voor de komende 40 jaar. Het bleek het laatste te zijn, dus hadden we een probleem. Er is nog geprobeerd of Thomas toch terug kon naar waar Renske hem gekocht had, maar daar trapte de dierenhandelaar niet in. Nu hoorden we dat er van de grijze roodstaart bekend was dat hij altijd in een gezin iemand eruit pikte waar hij een bloedhekel aan had en ook iemand die alles met hem kon doen. De rest werd gedoogd. Dat hield bij ons in: Pa werd aangevallen, ma kon er alles mee te doen en wij kinderen werden gedoogd. Maar ja hoe gaan we dit oplossen. Een half jaar later op 10 februari was de verjaardag van pa. Altijd een moeilijke dag, wat geef je aan een man die eigenlijk niets wil hebben. Twee weken voor zijn verjaardag kreeg ma opeens een geweldige ingeving en deelde die direct met mij (haar jongste spruit).Wat als wij nog een papegaai zouden kopen, maar nu een groene amazone papagaai. Die staan bekend om hun rustige natuur. Thomas zou een kameraadje hebben en zou pa helemaal vergeten.

Volgens mij was dat een lumineus idee, dus op een middag wij per 2CV (de onvolprezen Citroen van ma) naar een dierenzaak in Haarlem en die hadden een paar groene amazone papegaaien staan. Ma legde uit wat wij van plan waren en volgens die handelaar was dat een geweldig idee. Hij zag natuurlijk business en zou tegen alles gezegd hebben dat het een geweldig idee was. Ma vroeg nog wel of als het niet lukte wij de vogel weer terug mochten brengen. Daar gaf hij geen duidelijk ja of nee op. Maar goed, een ander cadeau-idee hadden we niet, dus werd de koop gesloten. We mochten zelf een naam verzinnen want die had hij nog niet. Dat was gemakkelijk, dat werd Japie naar onze papegaai uit Punta Cardon. Het werd 10 februari, pa ging naar z’n werk en ik naar school.

Na schooltijd reden ma en ik naar Haarlem en haalde daar Japie op in een vergelijkbare kooi als die van Thomas. En nu maar wachten op pa en hoe blij die zou zijn. Eindelijk kwam hij thuis en werd hij naar de kamer gebracht. Daar zag hij 2 kooien staan, allebei met een lap erover heen. Waarschijnlijk kreeg hij al een gevoel wat daaronder zat. Ma en ik trokken de beide doeken eraf en pa zag zijn ergste nachtmerrie werkelijkheid worden. Hij begon te hijgen, piepend druk aan het opbouwen en stoom afblazen en toen kwamen er wel 4 GVD’s op geluidsniveau 10 uit. Op dat moment dachten ma en ik beiden, dit gaat fout aflopen. Dit wordt een echtscheiding: minimaal!! Wat nu, ma heeft pa iets kunnen sussen door te zeggen dat we Japie morgen weer terug zouden brengen. Dat hebben we nog wel geprobeerd, maar die handelaar beriep zich op allerlei rechten en plichten en nam Japie niet terug.

Een lang verhaal kort houden. Het bleek dat Japie een kalmerende invloed op Thomas had, dus de aanvallen op pa werden minder en ook minder heftig. Uiteindelijk wenden pa en Thomas zelfs aan elkaar. Echte vrienden zijn ze nooit geworden, maar de aanvallen stopten voor bijna honderd procent. Thomas en Japie zijn mee verhuisd naar Den Haag, daarna mee naar Ommen. Ommen beschikte ook over een dierenwinkel en daar mochten tijdens vakantie van pa en ma de vogels voor een gering bedrag logeren. Het bleek dat er meer klandizie was elke keer als de vogels er logeerden, dus hij zei voor de grap als jullie van de papagaaien af wil, dan mag je ze bij mij achterlaten. Toren pa en ma een jaar of 2 later naar Hilversum verhuisden hebben ze Thomas en Japie aan hem geschonken. Uiteindelijk is het dus toch goed gekomen met Thomas (en Japie).”

Sjoerd en Lenie poseren in de tuin van het dierenasiel op de Adriën Moonenweg…

…en Lenie oefent er haar swing; rond 1968.

Onbetwist heeft Renske ook “die agressieve Hollandse herder” – we citeren Jouke –  ingebracht. De Hollandse herder korthaar reu Aram, legde zijn zus uit, is bij Lenie en Sjoerd ‘gedropt’ omdat zij door de veeleisende studie geneeskunde niet de benodigde minimumtijd per dag voor een huisdier had. Aram, roepnaam: Ramsje, was echter niet agressief, corrigeerde zij, maar “had wel last van een soort voedselnijd, waardoor hij als Moeder met zijn eten bezig was in de keuken, niemand anders in de keuken wilde toelaten. Qua hondenras was het een slechte keuze van mij aangezien het ras nog een pure werkhond was/is die werk en bezigheid nodig heeft om zich goed te ontwikkelen.”

Haar  broers bewaarden een andere herinnering aan Ramsje. “Ramsje duldde niemand anders in de keuken. Kwam er toch iemand binnen, dan begon hij gevaarlijk te grommen en ontblootte zijn tanden. In het begin vonden we het wel apart, maar gaandeweg werd het beangstigend.” Met Rollsje in ons achterhoofd besloten pa en ma om Ramsje naar het asiel te brengen. Alleen die zat of vol of wilde geen hond met gebruiksaanwijzingen binnen halen. Dan maar  een advertentie in De Telegraaf gezet. Daar kwam één reactie op. Iemand van de hondenbrigade van vliegveld Ypenburg. Zij zochten nog een paar goede waakhonden en daar viel de categorie Hollandse Herder zeker onder. Hij kwam bij ons langs en vond op het eerste gezicht Ramsje een goede kandidaat. Hij vroeg of hij Ramsje voor een dag mocht meenemen om hem uit te testen. De volgende dag bracht hij Ramsje terug. Voor waakhond was Ramsje gezakt – hij bleek niet schotvast te zijn. Als wij echter van Ramsje af wilden, dan had hij er als privé persoon wel heel veel belangstelling voor.  Daar zijn pa en ma mee akkoord gegaan en zo was het exit Ramsje.

Rond zijn laatste werkdag, in 1968, kreeg Sjoerd een geweldig feest aangeboden en daarna was het over. Lenie en hij hadden een goed sociaal leven, maar ze vonden het er ook erg druk zodat voor Den Haag en omstreken vaak de term het Wilde Westen werd gebruikt. Bijgevolg gebruikte Lenie haar vaardigheden als makelaar om een leuk rustig huisje te zoeken in de middle of nowhere. Dat vond ze op de Arriërvlierweg 11A in het buurtschap Arriën, net buiten Ommen. Daar stond een prachtige villa te koop van een stel Groningers, die er een nertsfarm hadden. Er zat een gigantisch perceel land en bos bij. De oude nertsenschuur, een meter of tien van de villa, werd omgebouwd tot een apart verblijf voor eventueel logerende kinderen en vrienden.

Hun kroost merkte al spoedig dat de verhuisbeslissing één van Lenie’s weinige inschattingsfouten is geweest. Ommen was toentertijd niet zo groot, hooguit 9000 mensen, met alle buurtschappen meegeteld. Lenie en Sjoerd kwamen er wonen midden in de zomerperiode en vanwege de vele campings, jeugdherbergen en dergelijke, was in die periode van het jaar de bevolking meer dan verdrievoudigd. Dus best gezellig. Maar toen kwam de winter en werd Ommen een stil dorp en was er niets te beleven. Er woonden Shell-vrienden uit Punta Cardon in de buurt met wie ze wekelijks bridge speelden maar dat was alles. Lenie had daar weinig last van want die ging zeker twee maal per week golfen in Hattem en was dan een groot deel van de dag weg.

Lenie slaat een hole-in-one op de 8e hole in Hattem; 25 november 1972.

Een tijdlang was er nog gezelligheid omdat Sjoerd Junior op dat moment bezig was aan zijn pilotenstudie. Hij kwam in het “schuurtje” te wonen, niet lang daarna gevolgd door vriendin en latere vrouw Tanny. Voor de gezelligheid hadden zij ook een hond genomen, een Tatra oftewel een spierwitte Poolse berghond, genaamd Tasja. Tasja werd binnen de kortste keren de lieveling van alle huisgenoten. Misschien was de band tussen Tasja en pa het allersterkst. Pa was eigenlijk aan het vereenzamen en of Tasja dat aanvoelde, wie weet, maar ze trokken vaak samen op. Tasja was helemaal gek van Pa en dat was wederzijds. Zolang zij in het schuurtje woonden, had Sjoerd Senior genoeg afleiding aan zijn zoon en aanstaande schoondochter en aan het gezelschap van Tasja. Na een jaar of vijf verhuisden zij echter naar Alphen aan den Rijn en namen spijtig genoeg zijn vriendin en toeverlaat mee. Ook voor Tasja deed de overgang naar hun rijtjeshuis niet veel goeds. Geen 2 tot 3 uur per dag door de bossen, maar een goed half uur door wat straatjes. Na 2 jaar Alphen hebben we helaas Tasja moeten laten inslapen.

Tanny voor de villa in Ommen; 1972.                Sjoerd’s vriendin Tasja.

Het heeft er overigens schijn van dat het ouderpaar een korte tijd inwoning heeft gehad van de rode Eireen, een van de twee bullterriërteven die Renske in Friesland had. Aangezien deze honden die ooit als vechthonden gefokt werden, soms forse gevechten leverden, moest ze met pijn in het hart besluiten om voor een van beiden een nieuw onderdak te vinden.

Het werd in de herfst en winter stil in huis, te stil voor Sjoerd. Tel daarbij dat hij voor zijn hoge bloeddruk, naar later bleek, verkeerde pillen kreeg voorgeschreven en hij dreigde er aan onderdoor te gaan. Hij las er de plaatselijke bieb leeg, maakte een praatje met de plaatselijke boeren – zijn buren – en raakte overspannen vanwege het niets doen. De familie zag het aankomen en heeft stevig op hun ingepraat om weer meer tussen de mensen te gaan wonen. In 1981 heeft Lenie toen besloten te verhuizen naar een prachtige flat aan de Utrechtseweg in Hilversum, in de nabijheid van een aantal Punta Cardon-vrienden.

Met betere medicatie knapte Sjoerd in zijn nieuwe omgeving onmiddellijk op en op hun flatje hebben zij vrij stellig het prettigst gewoond na hun terugkeer uit Indonesië. Redelijk centraal voor de kinderen, dus die zagen ze regelmatiger dan toen ze nog in Ommen woonde, met uitzondering van Dietert natuurlijk want die verbleef op dat moment in Brunei. Er was altijd wel een gelegenheid te verzinnen waarop de kinderen, met inmiddels ook al wat kleinkinderen, werden uitgenodigd om op bezoek te gaan naar Hilversum en vaak werd zo’n bezoek afgesloten met een diner in het pannenkoekenrestaurant De Rading op de kruising van de Utrechtseweg en de Noodweg. Dit was voor alle nazaten altijd een doorslaggevend succes, niet alleen vanwege de overheerlijke pannenkoeken maar ook het gigantisch grote aquarium dat zo’n beetje de hele breedte van het restaurant in beslag nam.

In Hilversum hebben ze het goed gehad. Sjoerd werd lid van een plaatselijke herensociëteit. Dat was wel even wennen want hij behoorde niet tot het old boys network van het Gooi, maar het lukte. Er waren meerdere oud-Shell employees en ook met oudgedienden van de KLM kon Sjoerd het in het algemeen goed vinden. Wel waren er veel lieden lid die vanaf hun babytijd tot hun laatste snik tot de plaatselijke upperclass hadden behoord en daar had hij toch wat minder mee. Maar hij vond wel een nieuwe hobby: kegelen en na een tijdje sloot Lenie zich bij hem aan. Daarnaast bridgeden ze redelijk fanatiek en uiteraard golfde Lenie twee maal in de week. Ze perfectioneerde ook een nieuw tijdverdrijf dat gasten altoos in hoge mate verbaasde: het pijproken.

Gouden Bruidspaar; voorjaar 1988.

Met de vier kinderen.

Met alle familie, v.l.n.r. op voorste rij: Anneke, Mathilde (dochter Sjoerd), Catalina (dochter Sjoerd), Lenie, Stella (dochter Dietert) en Maxim (zoon Dietert); middelste rij: Nella (opgetild door Pappa Jouke), Wiesia, Tanny, Chris (vriendin Renske) en Renske; achterste rij: Jouke, Dietert, Sjoerd, Sjoerd met Robert op de arm.

Na hevig spitten wist Renske alsnog drie foto’s op te duiken die Lenie toonden met haar vertrouwde pijp.

Lenie met pijp: linksboven op 19 maart 1986 in Renske’s portocabin huisje in Al Ain, UAE, ter viering van haar Amerikaanse FMGEMS examen van R. Rechtsboven in Hilversum met Nella, de dochter van Jouke en Anneke. Onder tenslotte voor het portocabin huisje, met Renske’s  vriendin Chris.

Die jaren hebben Sjoerd en Lenie nog tamelijk veel per auto gereisd. Aanvankelijk waren de Engelstalige landen populair; Engeland, Ierland en de Kanaaleilanden Jersey en Guernsey hebben zelfs een tijdlang gefunctioneerd als mogelijke pensionado-woonplaats. Uiteindelijk waren het Duitsland (vooral) en Oostenrijk die hun belangstelling hadden en waar zij logeerden. Hun vreedzame geluk kreeg wel een klein deukje door een inbraak in hun huis. Afgezien van de spullen die waren meegenomen, vonden ze het tien keer erger te weten dat iemand in hun spullen had lopen snuffelen. Er werd direct een smeedwerk tegen de deuren en ramen aangemaakt, want nog een keer zoiets meemaken wilden ze pertinent niet. Maar eindelijk zakte de woede en frustratie wat af en konden ze hun rustgevende leventje weer oppakken.

Dat ging goed tot die ene fatale avond. Ze zouden met vrienden samen ergens wat gaan eten en om de tijd daarvoor te doden had Lenie een pakje kaarten gepakt om even te gaan patiencen, ook een van haar grote hobby’s. Tijdens dat spel viel ze plotseling neer op tafel en was het duidelijk dat er serieus iets mis was. Met spoed is ze naar het ziekenhuis gebracht en daar werd een hersenbloeding geconstateerd. Hun wereld stortte op dat moment totaal ineen. Altijd in goede gezondheid samen geweest, soms wel tijdelijk apart, zoals de periode in Indonesië, maar voor de rest altijd samen en dat zonder een echte grote wanklank. In veel dingen waren ze verschillend, soms echte tegenpolen, maar als het er op aan kwam dan was het één stel: mensen die zielsveel van elkaar hielden.

Zodra je als kinderen hoort dat er iets met één van je ouders is gebeurd, dan schiet je te hulp, al het andere is op dat moment niet belangrijk. Zeker in het begin leunde Sjoerd heel veel op Renske en daarna kwamen Jouke en Sjoerd nadrukkelijk in beeld. En niet te vergeten hun wederhelften, Anneke en Tanny. Eens in de zoveel keren kwam Wiesia ook van Brunei naar Europa en ook bovenaan haar lijstje stond een bezoek aan haar schoonouders. Na een tijdje kwam moeder Lenie weer thuis wonen, dit op haar uitdrukkelijk verzoek en vader Sjoerd vond dat vanzelfsprekend. Er werd een soort gezelschapsdame in huis genomen en de kinderen kwamen nog steeds elke dag een paar uurtjes naar de flat in Hilversum.

Helaas was door de stroke het karakter van moeder Lenie wat veranderd en deed ze een te groot beroep op haar man. Die probeerde haar zoveel mogelijk te steunen, maar als je al 80 bent geweest, valt dat zwaar. Lenie is twee keer opgenomen in het Christelijk Verpleeg Huis, zowel in Hilversum als Loosdrecht, en Sjoerd bezocht haar dagelijks tot hij niet meer kon. Dan kwam hij voor een aantal dagen logeren bij de gezinnen van Jouke en Sjoerd, maar had dan nauwelijks rust en wilde weer naar huis terug. Moeder Lenie is opgenomen in een verpleeghuis en vader Sjoerd belandde in het ziekenhuis in Hilversum. Na een paar dagen was het al duidelijk dat hij totaal op was. Binnen een week na zijn opname is hij kalm in zijn slaap overleden.

Sjoerd: “Als familie hebben we toen besloten om dit niet aan moeder te vertellen, maar dat pas na de begrafenisdienst te doen. We wisten niet hoe ze dat zou oppakken. Na de begrafenisdienst kwamen Tanny en ik met een lint die we van één van de kransen hadden afgehaald naar moeder. We hoefden niets te zeggen. Toen ze het lint zag, zei ze twee dingen: ‘Hij is dood, hè?’ Niet als een vraag maar een constatering. Daarna zei ze: ‘Hij was een goede man en het is goed zo.’ Vanaf dat moment wilde ze maar één ding en dat was om zo snel mogelijk weer met hem herenigd te worden, maar nu in de hemel. Na een goede twee weken kwam haar wens in vervulling.”

Sjoerd van der Baan overleed op 23 april 1997. Lenie van der Baan-Schreiber overleed op 8 juli 1997.

Een jaar na haar overlijden stuurden haar kinderen en kleinkinderen een prachtige kaart. Lenie zweeft daar, zoals we haar uit de jaren dertig kennen, hoog boven ons. Sjoerd zei het namens de anderen: “Ik heb zeer veel respect voor mijn beide ouders, om wie ze waren, maar ook om de liefde die ze voor elkaar en hun kinderen hadden.”

In memoriam voor Lenie; juli 1988.

De kinderen waren reeds toen al alle kanten uitgewaaierd en hebben hun eigen levens ingevuld.

Jouke ging eind 1957 bij de Technische Hoogeschool – Delft (nu  TU – Delft) werktuigbouwkunde studeren. Vanwege een valse start aan de zeevaartschool kwam die studie zeer moeizaam op gang en werd ook nog eens onderbroken door twee jaar militaire dienst bij de Koninklijke Landmacht, onderdeel Veldartillerie. Eind zomer 1963 zwaaide hij als 2e luitenant af bij de parate troepen in Legerplaat ‘t Harde (Veluwe). Vervolgens terug naar Delft waarna de studie aanzienlijk vlotter ging. Afgestudeerd in de richting Verbrandingsmotoren & Gasturbines met als specialisatie scheepsvoortstuwing.

In de zomer van 1962 tijdens zeilwedstrijden in Delfzijl (als bemanning aan boord bij Oom Jan & Tante Peta van der Baan) leerde hij Anneke de Grooth kennen. Anneke kwam uit Delfzijl en haar ouders hadden een schip in de haven. Het ene deel van de familie was enthousiast voor zeilen (pa en Anneke) het andere deel (ma en zus Ina) zag het niet erg zitten. Dus was er plaats aan boord voor ‘een opstapper’. Het werd serieuze verkering en in november 1968 zijn Anneke & Jouke getrouwd, nadat laatstgenoemde was afgestudeerd. Zijn eerste werkkring was bij de Machinefabriek Thomassen International in De Steeg en zij gingen in Didam wonen. Thomassen was een schitterend bedrijf met bijzondere producten (o.a. gasmotoren) maar de markt was de petrochemische industrie en dat kon Jouke niet erg bekoren. Daarom volgde in 1971 een overstap naar Motorenfabriek Smit & Bolnes (onderdeel IHC Holland) te Zierikzee. Vergeleken met Thomassen was dit een ‘klompenwinkel’ met slechts 220 man personeel voor de productie van forse scheepsdiesels die veel in de grote kustvaart en de baggerschepen van IHC terecht kwamen.

Jouke voelde zich hier, als chef ontwikkeling, als een vis in het water. Interessant technisch werk, veel vrijheid, wonend in het schitterende Zierikzee met haven en jachthaven en een plaats met een zeer actief verenigingsleven. Na enige tijd lieten zij er in het nabij gelegen Schuddebeurs een semibungalow bouwen waar zij daar tot en met hun pensioen wilden wonen. De zaken liepen echter anders. Smit & Bolnes werd door IHC gesloten en de daaropvolgende baan was die van algemeen bedrijfsleider bij een technische handelsfirma in Dordrecht. De slechtste baan in een moeilijke setting; één van de aldaar werkzame verkopers noemde de zaak dan ook de  BV List & Bedrog.    

Wat nu?! Anneke werkte met veel plezier als gediplomeerd apothekersassistente in de apotheek te Zierikzee, had haar eigen uitgebreide, sociale netwerk, maar het zag er toch naar uit dat zij van het eiland weg moesten. Na enige tijd de markt afstropen werd het tenslotte een baan voor Jouke als projectleider bij het Nederlands Scheepsbouwkundig Proefstation in Wageningen. In die periode was verkoop van een huis in Zeeland een probleem zodat zij ongeveer vier jaar min of meer een weekend huwelijk hadden voordat het huis eind 1982 werd verkocht en in vrijwel dezelfde tijd dochter Nella werd geboren (1982). In begin 1983 verhuisde het gezin naar de Langhoven 30 in Bennekom, waar Anneke en Jouke nog steeds wonen. Ook het NSP reorganiseerde enkele malen, werd vooral groter onder andere door overname van een deel van het Nederlands Maritiem Instituut, waarbij de naam veranderde in Maritiem Instituut Nederland, MARIN.

In 1989 ging het daar toch een keer fout en moest een-derde deel van het personeel er uit. Jouke kreeg een ‘gouden handdruk’ en begon voor zichzelf; richtte een consultancy op (Seahorse Wageningen BV), werd non-exclusive surveyor bij een maritieme classificatie maatschappij (RINA) en deeltijd-leraar voor het vak Theoretische Scheepsbouwkunde aan de HR&O (HTS) te Rotterdam. Met een oud collega van MARIN werd tenslotte het ontwerpbureau voor scheepsbouw Seahorse Marine Design opgetuigd dat met totaal acht man personeel goed wist te presteren. Hij heeft dit in 2004 op de leeftijd van 65 jaar aan twee van zijn medewerkers verkocht. Anneke deed daar jarenlang de boekhouding.         

Jouke overleed in 2020; Anneke volgde hem na een lange periode van achteruitgang in 2025.

Dochter Nella had een actieve jeugd en trad, met haar lidmaatschap van de atletiekvereniging CLIMAX, in de voetsporen van haar oma en kon deelnemen aan de nationale selectie voor speerwerpen. Ze deed dat echter niet omdat het teveel beslag zou leggen op haar vrije tijd, maar ging wel na haar eindexamen havo naar de CALO (Christelijke Academie voor Lichamelijke Opvoeding) te Zwolle waar ze haar diploma behaalde. Ze kreeg een baan op een middelbare school in Almere waar ze ook ging wonen. Intussen was ze ook reeds een aantal jaren zeilinstructrice van de Zeilschool Oer ‘t Hout in Grouw, waar zij haar levenspartner Ale Couperus, als Gronings jurist werkzaam in de advocatuur, leerde kennen. Na een paar jaar trok Nella in bij Ale, die in Utrecht woonde. Zij onderbraken hebben beiden hun loopbaan voor een wereldreis van circa 9 maanden en zijn aansluitend in Amsterdam-Amstel neergestreken. Ale ging aan het werk bij het hoofdkantoor van ING en Nella kwam weer in het onderwijs terecht.

Het lesgeven bevredigde Nella echter niet meer en aansluitend is zij naar de Universiteit van Amsterdam gegaan voor een opleiding orthopedagogie die zij in 2013 voltooide. Vrijwel in dezelfde tijd is zoon Jidde (2013) geboren en nog geen twee jaar later volgde een tweeling, dochter Doutze en zoon Pepijn (2015). Daarmee was hun kleine flat nabij het Amstel Station een serieus probleem geworden en volgde een uitgebreide zoektocht naar een ruimere woning. Dat werd een comfortabel koophuis in de plaats Muiderberg; Hobbemalaan 1. Gezien de rigoureuze inkrimpingen bij het bankwezen had Ale er inmiddels voor gekozen om ZZP-er te worden en is Nella met een inzet van vier dagen per week weer aan het werk gegaan, dit keer bij een instelling voor de begeleiding van autistische kinderen in de wijk IJburg.

Toen Renske – toen nog Renneke genoemd – 6 jaar oud was, las zij in Curacao het boek De scheepsjongens van de Bontekoe. Zeer geïnspireerd door dit boek wilde zij zelf later ook een avontuurlijk leven leiden, met veel avonturen en ook tegenslagen zowel als triomfen, en vreemde landen bezoeken. En dit is haar gelukt.

In 1966 behaalde zij haar artsexamen aan de Leidse Universiteit, en in 1973 werd zij medisch specialist in de gynaecologie en obstetrie. Nadat zij in 1979 haar baan als gynaecoloog in het Heerenveense Tjongerschans ziekenhuis has opgezegd, lag de weg naar een avontuurlijk leven voor haar open. Eerst terug naar het Caribische gebied van haar kinderjaren, daarna naar volkomen nieuwe onbekende gebieden.

Tijdens haar rondzwervingen als gynaecoloog belandde zij onder meer in een jungle hospitaaltje nabij de Rio Coco in noordelijk Nicaragua, en in prinselijke paleizen en woestijntenten en universitaire ziekenhuizen op het Arabisch schiereiland.

Als SNV-vrijwilliger in Nicaragua.

In het Nicaragua van net na de Sandinistische revolutie leerde zij tot haar verbazing dat het martelen van tegenstanders (“tortura”) niet iets was uit het verleden, maar, helaas, nog steeds op ruime schaal werd toegepast door sommige regeringen en/of geheime diensten. Ook ondervond zij daar wat werkelijke armoede is, en waarom een goede basis gezondheidszorg, beschikbaarheid van medicijnen en vooral ook schoon drinkwater van essentieel belang zijn voor de gezondheid van de bevolking.

Door de loop der omstandigheden, of dankzij een goedgunstige Vrouwe Fortuna, belandde zij een paar jaar later op het Arabische schiereiland, waar zij in de loop van vele jaren in 4 ziekenhuizen in 3 verschillende landen werkte. Toen zij in 1983 voor het eerst naar het Arabisch schiereiland vertrok, naar de UAE, had zij geen idee wat zij daar, als vrouwelijk arts uit een christelijk georiënteerd land in een islamitisch land, zou kunnen verwachten. Zij was voorbereid om in geval van een tegenvallende kennismaking, na een paar maanden haar eigen terugreis te betalen. Echter, de kennismaking met dit islamitische land viel zeker niet tegen, maar bleek een verrassende openbaring. Wat vroeger wel ‘Arabia Felix’ werd genoemd, werd voor haar een ‘Arabia Magica’. Uiteindelijk heeft zij bijna 9½ jaar geleefd en gewerkt in de UAE, Oman en Saudi Arabië.

In Abu Dhabi.

Deze jaren van werken en leven in een multinationale en multiculturele omgeving waren een uiterst leerzame en geestelijk verrijkende periode, en het ex-patriate bestaan beviel haar even goed als indertijd haar ouders tijdens hun overzeese jaren. Om een enkele relevante ervaring er uit te lichten: wat betreft de verschillen en overeenkomsten tussen het Christendom en de Islam, daarover heeft Renske meerdere boeiende gesprekken gevoerd met Arabische moslim gesprekspartners. Een redelijk Engelssprekende Arabische hogere militair in de UAE vatte het het kortst samen: “God and Allah, they are the same. So what is the problem?” Ik zag, en zie, ook geen wezenlijk probleem. De contacten met de bedoeïen, als patiënten, was een verrassend plezierige ervaring. Hoewel de oudere generatie vaak analfabeet was en alleen Arabisch sprak, bleken zij gezegend te zijn met gezond verstand en intelligentie, een goed gevoel voor humor, gastvrijheid en met wederzijds respect als uitgangspunt voor sociale ontmoetingen.

De taal was natuurlijk een potentiële hindernis. De omgangstaal tussen de multinationale stafleden in de betreffende ziekenhuizen (iemand telde 40 verschillende nationaliteiten in een ervan) was Engels, maar het merendeel van de patiënten kwam uit het betreffende land of andere Arabisch sprekende landen, en sprak vaak geen of slechts gebrekkig Engels of een enkele keer wat Frans. Terwijl in het tweede tot en met vierde Arabische ziekenhuis waar zij werkte, een informele tolk aanwezig was, vaak een Jordaanse of Palestijnse of Libanese verpleegkundige, om te tolken tussen Arabisch sprekende patiënten en westerse of Indiase artsen, ontbrak een tolk in het eerste, kleine ziekenhuis in Ruwais. Aangezien haar kennis van de Arabische taal in die begintijd beperkt was tot een hooguit tiental woorden, nodigde Renske meestal een van de 2 Libanese administratieve krachten in de polikliniek, broers, uit om te tolken bij Arabische patiënten op het spreekuur. Dat werkte redelijk goed, en bleek bovendien ook heel informatief voor beide nog ongehuwde broers.

Ook wat het medische werk betreft, was dit een leerzame tijd waarin veel gebeurde. Van de gynaecologische oncologie verlegde zij haar aandacht naar fertiliteitsproblematiek, en naar high risk zwangerschappen en recurrent pregnancy loss. Tijdens een fellowship in de USA werd zijdelings kennis gemaakt met de wijze waarop in de USA de geneeskunde werd beoefend. Gemengde indruk; kwaliteit van verloskunde niet zo goed als in Nederland. Of zo goed als in verscheidene goede ziekenhuizen in het Midden Oosten.

Renske was blij weer terug te kunnen keren van de USA naar het Midden Oosten. Aan het eind van haar carrière heeft Renske, wederom door enige sturing door het lot, nog ruim 4 jaar als ‘sociaal geneeskundige’ bij de MOA gewerkt, in asielzoekerscentra. Het werk van de MOA artsen had in die tijd weinig te maken met sociale geneeskunde, maar voornamelijk te maken met psychische en psychiatrische begeleiding van door oorlogsgeweld en martelingen getraumatiseerde vluchtelingen. Plus soms een medische verklaring schrijven voor hun advocaat voor gebruik in hun asielaanvraag bij de IND. Dit laatste traject in haar loopbaan was opnieuw uiterst leerzaam.

Ook was hiermee als het ware een cirkel in haar loopbaan rond, omdat Renske toen zij begon met de studie geneeskunde, verwacht had psychiater of eventueel internist te zullen worden. Wat zij van de getraumatiseerde vluchtelingen leerde over de aard en impact van hedendaagse martelingen, was bovendien een soort antwoord op vragen ontstaan in Nicaragua in 1980 toen zij tot haar verbazing vernam dat martelingen helaas nog van deze tijd zijn. Het is een nogal onthutsende ontdekking, hoe ontzettend en onvoorstelbaar wreed individuele mensen en regeringen en instanties jegens andere mensen kunnen zijn.

Gezien Renske’s keuze voor een fulltime carrière, waarin gedurende de meeste jaren een werkweek van 80 tot 100 uur de norm was, plus hierbij nog 1 op de 2 of 3 nachten en weekends dienst (al dan niet in het ziekenhuis), bleef er onvoldoende tijd over voor eigen kinderen of een echtgenoot. Dit was geen offer, maar een simpel gevolg van een gemaakte keuze. Er bleef überhaupt veel minder tijd over voor een normaal persoonlijk leven, buiten het werk, dan de meeste mensen hebben, en ook voor de meeste hobbies. Maar met de talrijke aspecten van de menselijke voortplanting heeft zij zeer uitgebreide en veelzijdige ervaringen opgedaan.

In 2005 ging zij met pensioen. Het leven blijft een avontuur en een leerzame reis, in het goede gezelschap van vrienden, en allerlei dieren (met name ook honden). Hoewel Renske een voorkeur heeft voor de rustige stranden en kustgebieden in warme landen en voor de magie van de woestijn, gebieden waar zij zich thuis voelt, is zij geleidelijk aan ook de natuur en de rust van het Drenthse platteland gaan waarderen.

Haar hobbies zijn/waren: o.a. paardrijden, schilderen, zeilen, fluitspelen, zilversmeden.

Paardrijden…,                               schilderen…               en fluitspelen.

Dietert deed in 1961 eindexamen HBS-B op het 1e VCL aan de Van Stolkweg. Zeventien jaar oud had hij geen idee wat te doen dus koos hij ervoor om vervroegd in dienst te gaan. Van februari 1992 tot augustus 1993 diende hij het vaderland, na allerlei verwikkelingen bij de regimenten Garde Grenadiers en Genietroepen. Hij leerde bruggen bouwen, mijnen leggen, mijnen ruimen, boobytraps zetten, per aanvalsboot een peloton infanteristen over een rivier zetten. Als je van padvinderij houdt dan houdt je van de genie. Zijn parate tijd diende hij bij de Inspectie der Genie in Den Haag, waar zijn kazerne nationaal in het nieuws kwam vanwege een eetstaking die een groep ontevreden dienstplichtigen had uitgeroepen wegens de ‘slechte kwaliteit van de koffie’ – voor zover bekend de enige dergelijke staking ooit in Nederland.

Na zijn afzwaaien ging Dietert geologie studeren in Leiden. Zijn studie begon direct met veldwerk, zelfs nog vóór het officiële begin van het academisch jaar. Het bleek zijn ‘ticket to paradise’, hij vond het geweldig. De staf sprong bij als je wetenschappelijke vragen had, en hield de algemene coördinatie, maar eigen initiatief was het belangrijkst. Als er iets fout ging, dan werd je geacht om zelf de problemen op te lossen. Duidelijk is dat beschermengelen van geologiestudenten tijdens veldwerk overuren maakten, met name in Spanje: wijn en gemotoriseerd vervoer verdragen elkaar slecht.

Dietert als veldwerker in Bretagne; zomer 1964.

Na de zomer van 1966 vonden drie grote veranderingen plaats: de verhuizing naar een ruime kamer op de Kennedylaan 10; de kennismaking met de biologe Miekemarie Hoogendoorn; en zijn kandidaatsexamen met de daaropvolgende aanstelling als student-assistent – hij had nu, naast het maandgeld van zijn ouders, eindelijk beschikking over ‘eigen geld’. In het najaar 1968 verloofde hij zich met Miekemarie en in april 1970 huwden zij, zoals dat hoorde onmiddellijk na zijn afstuderen. Zij vestigden zich in Leiderdorp van waaruit Dietert aardrijkskunde les ging geven aan het Rembrand Lyceum in Leiden.

In april 1974 werd zoon Maxim geboren, in 1980 gevolgd door dochter Stella. Hij was na tijdelijke dienstverbanden bij de Leidse subfaculteit Geologie en een verhuizing naar Leiden in 1975 in dienst getreden bij het KSEPL (Shell Research Lab in Rijswijk) en vervolgens in 1980 aangesteld bij Petroleum Development Oman (PDO) in het Geologisch Lab. Nadat hij al zomer 1979 apart van het gezin op kamers ging wonen, volgde in juni 1983 de formele scheiding van Miekemarie. Op zijn verjaardag, 3 november 1983, trouwde hij in Warschau met Wiesia (Wiesława) Kubiatowicz, eveneens geologe van beroep. Het volgend jaar verhuisden zij naar Oman om in september 1985 weer over te stappen naar de NAM in Assen. Een tweede posting bij PDO in Oman volgde in 1990; ze nemen dan ook twee wadihonden in huis.

Wiesia en Dietert op hun Hobie 16 catamaran, na het winnen van de ‘Fokker Trophy’ zeilregatta in Oman.

In 1993 verbleven ze tijdelijk in Nederland (Hilversum, Holten, Den Haag), in afwachting van een werkvisum voor Sarawak (Oost Maleisië) dat in april 1993 doorkwam. Tot zijn vervroegde uittreding in april 1999 was Dietert daar werkzaam bij SSB in Miri, Na terugkeer in Nederland vestigden Wiesia en hij zich in Hasselt. Formeel ging hij bij Shell met pensioen in 2003.           

Dietert van der Baan overleed op 10 september 2023.                                                                                  

Zoon Maxim studeerde economie in Rotterdam waar hij ook woont. Zijn zus Stella studeerde rechten in Utrecht. Met haar partner Philip Vloet kreeg zij de tweeling Felia en Levi (2014) en daarna nog Tirza (2017). Zij wonen in Amsterdam.

Sjoerd ging in eerste instantie naar het 1e VCL maar schakelde in de vierde klas over op het Haags Lyceum. Nadat hij voor de derde keer op de middelbare school bleef zitten, vonden Lenie en Sjoerd het welletjes en zonder enige inspraak werd hij ingeschreven op een streng internaat in Haren bij Groningen. Dit was een drilschool waar nog tikken op de hand werden uitgedeeld met een bamboestok. Groningen blijft evenwel in zijn geheugen de gezelligste stad en het werd een meer dan schitterende tijd, zoals hij het zelf omschrijft. Met hulp van zijn Oom Jan kreeg hij zijn ouders zo ver dat hij op kamer mocht bij een strenge doch rechtvaardige bovenmeester van het Gemeentelijk Gymnasium. Fluitend haalde hij zijn HBS diploma.

Zijn droomwens was om piloot te worden maar hij was te lang: het straaltrainertje van de RLS (Rijksluchtvaartschool) in Eelde was alleen toegankelijk voor personen tot 195 cm. Hij moest dus overschakelen naar plan B: de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam. Met het diploma op zak kwam hij aan boord van de tanker ARCA met het Caribische gebied als thuisbasis. Na hooglopende ruzie met de kapitein trad hij in dienst bij Dirkzwager international shipdeliveries, een onderdeel van Smit Internationale sleepdienst, en vervolgens bij Nordfriesische Reederei, een onderdeel van Beck’s bierbrouwerij.

Sjoerd als aflosstuurman op de TRITON van rederij Beck; 1970/71.

Het was het allemaal net niet dus werd het tijd voor plan C: terug naar de schoolbanken op de ATS (autotechnische HTS) in Apeldoorn. Dat werd niks maar hij ontmoette wel verpleegster in opleiding Tanny met wie hij in 1972 in het huwelijk trad. In recordtijd haalde hij zijn papieren op een particuliere opleiding tot piloot, maar het was crisis in de luchtvaart. Het schrijven van meer dan 500 sollicitatiebrieven over de hele wereld leverde een schamele drie sollicitaties op.

Tijd voor plan D dus: vrachtafhandelaar op Schiphol. Sjoerd werkte exact 10 jaar min 1 dag bij Saudi Arabian Airline; die ene dag was ze te duur vanwege een bonussysteem dat elke vijf jaar een vette premie kende. Na een tussenstop als luchtvrachtmanager bij Philips in Acht (Eindhoven) werd hij vrachtinkoper bij Gist brocades uit Delft, een wereldwijde grootmacht op het gebied van gist en antibiotica. Het werden twaalf mooie jaren, genieten met een grote G. In 1999 fuseerde Gb echter met het tien maal zo grote DSM uit Geleen, waarbij aan de kant van Gb 40 man (van de 5500 wereldwijd) in Delft overtallig werden. Numero uno zou Sjoerd worden; hij kon in mei 2000 met een prachtige afvloeiingsregeling met pensioen.

Datzelfde jaar werd echter een agressieve vorm van reuma geconstateerd, die in eerste instantie verkeerd is behandeld. Na een aantal operaties kon hij, voorzien van twee nieuwe heupen en knieën, medio 2003 beginnen met revalidatie. Na verhuizing naar een gelijkvloers huis zonder trappen in de mooie Achterhoek, schijnt het licht aan de tunnel weer helder.

Tanny op de sturdy SJOERD tijdens een vakantie/annex sollicitatiepoging op Curacao; 1973.

Het bleef echter niet bij de operaties aan heupen en knieën. Net of zijn lijf tropenjaren had gedraaid en zei: nu ben ik aan de beurt. “Ik heb ze eens geteld en ik kwam uit op minimaal 24 operaties. De meeste kleine (zoals liesbreuken), maar ook grote (middenrif, prostaat en schouder). Ik heb met al die operaties wel een fout gemaakt. Normaal moet je je lijf en gestel tijd gunnen om te herstellen, maar bij mij was: ok, ik kan weer lopen, wat gaat er nu weer onder het mes. Dat was stom, dat weet ik nu en ik zou nu ook meer tijd er voor nemen.”

Tanny en Sjoerd lieten drie prachtige kinderen achter op deze van tijd tot tijd mooie wereld. Dochter Mathilde (1975) – Til – werkte bij een bouwbedrijf totdat het failliet ging. In 1995 huwde ze Patrick Looiestijn en dik tien jaar later opnieuw met de Rotterdamse brandweerman Peter Teijn. Helaas heeft dat maar slechts een half jaar mogen duren. Tijdens een oproepdienst kreeg hij een hartaanval en was op slag dood.

Na ruim een jaar kwam ze haar huidige man Patrick Wilderom tegen. Hij heeft een eigen drukkerij in Zoetermeer, samen hebben ze dochter Sita (2009). Sinds 2017 is Mathilde gediplomeerd om te kunnen werken in de kinderopvang.

Dochter Catalina (1981) – Lina – is geboren in Medellin, Colombia en werd door Tanny en Sjoerd in 1983 geadopteerd. Ze werkte als verpleegkundige in Gouda, Haarlem, Amsterdam, Woerden en nu alweer een tijd in het St Antonius Ziekenhuis in Utrecht. Ze woont al jaren samen met haar grote liefde Ivo, oorspronkelijk ook uit Colombia en nu eigen ondernemer in de digitale advertentiemarkt. Samen hebben ze drie prachtige kinderen, Faye Luna (2011), Cas (2013) en Roos (2014). Lina en familie woonden in een mooi ruim huis aan de rand van Nijkerk. Helaas kwam er een eind aan hun samenzijn en zijn ze uit elkaar gegaan. Zoon Robert (1985) werd na een tussenstop piloot bij AirAsia Indonesia en heeft daar uiteindelijk ruim drie jaar gevlogen en – belangrijker – kennis gekregen aan de knappe stewardess Andien Chairani uit Jakarta. In 2015/2016 is hij vanuit Singapore gaan vliegen voor Qantas dochter JetStar Asia. Nadat Andien een jaar vloog voor Emirates in Dubai, zijn ze gaan samen wonen in Singapore. Robert en Andien zijn getrouwd zowel in Rotterdam (2017) als in Phuket, Thailand (2018). Robert vliegt nu voor Qatar Airways, uiteraard uit Qatar. Daar wonen ze ook met dochters Sophie en Sansa.