De familiegeschiedenis en genealogie van de familie Winsemius
Zoeken

7d Met verkoopkracht door Friese wil gedreven

De Unilever jaren; Leeuwarden, 1932-1947 (bijgewerkt 4 september 2025)

De jaren direct na de zilveren bruiloft van Pake Piet en Beppe Aukje werden overschaduwd door de economische rampspoed die ook de Leeuwarder middenstand trof. Er moest bezuinigd worden en er kwam een reddingsplan dat volgens kantoorbediende Klaas Faber een aantal onderdelen kende. Het kantoor dat nog in het bovenhuis was gevestigd, zou worden verplaatst naar het kleine bedrijfskantoortje achter in het magazijn. De woning waarin het gezin vroeger zelf woonde, zou worden verhuurd en kon misschien een gulden of zes per week opbrengen. Boekhouder Siksma moest helaas verdwijnen; dit was de moeilijkste beslissing omdat hij nog maar zo kort in dienst was. Het loon van Omke Albert werd met twee gulden per week verlaagd en dat van Faber twee kwartjes. Hij wist het zeventig jaar later nog precies: “Inleveren noemen ze dat nu, maar toen betekende het wel of geen margarine op je brood en wel of niet een klein stukje vlees op zondag.”

Omke Albert.

Ook de vrachtrijders kregen het voor de kiezen. De waren werden door de firma franco gestuurd. Achter de enveloppe met de factuur werd een vrachtbon gehecht en de vrachtrijder kwam zo nu en dan op het kantoor om deze vrachtbonnen te verzilveren. Hij kreeg per collo meestal een dubbeltje, dat betekende dus voor het bestellen, vervoeren in de provincie en het afleveren aan huis van een pakket van meerdere kilo’s. “De baas” – voor Klaas Faber was dat meneer Albert –  “vond nu dat de vrachtrijder of schipper ook maar wat moest inleveren. Hij liet op de vrachtbon stempelen 7½ cent.“ De vrachtrijders waren furieus. “Als er maar de helft van wat ze de baas toewensten terecht was gekomen, dan was hem een kort leven beschoren geweest. Een enkele woeste vrachtrijder die de baas wilde ‘spreken’ bleef posten voor de deur, nadat wij hem gezegd hadden dat de baas er niet was. Die durfde zijn kantoor niet te verlaten en liet mij bij Lamsma een paar kadetjes halen om in zijn schuilplaats niet te verhongeren.” Het is een mooi verhaal, maar speciaal deze ‘herinnering’ valt slecht bij de dochters van Pake Piet. Het betreft hier wat hen betreft een broodje aap, Klaas Faber was niet alleen gezegend met een sterk geheugen maar ook met een rijke fantasie.

Hoe dan ook, om het met Beppe Aukje te zeggen: zoals het geknipt is, moet het genaaid worden. Siksma ging heen en zus Corrie werd gevraagd om de administratie te versterken. Ook Klaas Faber verliet korte tijd later het pand. Toch bleef hij op een merkwaardige wijze betrokken bij het bedrijf. Toen het bovenhuis inderdaad vrij kwam, praatte hij zijn ouders om en zij verhuisden daarnaar toe. De trap van het achterste kamertje naar het magazijn bleef echter intact. “Bernard was een echte koffieleut en ook Corrie kwam graag even tegen tienen naar boven”, zei hij. “Moeder rekende er al op dat zij tegen die tijd een flinke pot versgezette koffie had.” Vanuit zijn positie bij Unilever hield hun vader echter sterk betrokken. Elke avond werden Albert en Corrie streng ondervraagd over hun handelingen overdag.

Bovendien werd in die crisisjaren de familie in Minnertsga niet vergeten. Hun inkomsten stonden onder sterke druk en Pake Piet regelde daarom dat zijn neef Anne Gaukes Reitsma, garnier (tuinder) van beroep, als bijverdienste vet kon verkopen. Dat deed hij zo succesvol dat de Firma Smilde hem een vaste rol wilde geven. Gelukkig trik de economie toen weer wat aan en heeft Anne het bij zijn stiel gehouden.

De Firma Winsemius was die jaren aan grote verandering onderhevig. Op een foto uit het begin van de jaren dertig is van de gevel aan de Nieuweburen alleen de verwijzing naar de Firma Gebr. Smilde overgebleven. Het winkelraam is verdwenen, de stoep geëffend. Feit is ook dat Albert eind 1934 de zaak verliet en naar Den Haag verhuisde om een ambtelijke loopbaan na te streven. De samenwerking van de twee broers was geen succes geweest, ze waren daarvoor te verschillende types. “Ik was nog maar een kind”, herinnerde zus Jel zich later, “maar ik voel de spanning nog. Ze communiceerden met een briefje.” In 1934 besloot Corrie tijdens het lopen van de Vierdaagse dat ook zij de zaak zou verlaten. Pake Piet droeg de dagelijkse leiding van zijn zaak over aan zoon Bernard en broer Albert. Die jaren werd ook de oorspronkelijke handel teruggebracht en werd de zaak omgebouwd naar het Friese hoofddepot van de Firma Gebr. Smilde. 

De vennootschap onder firma van Bernard en Albert is ontbonden en wordt door eerstgenoemde onder eigen naam voortgezet; 11 juli 1935.

Links: De winkel na de ombouw. Het kantoor was gevestigd op de verdieping, het pakhuis was beneden. Rechts: Het subdepot van de N.V. De Nieuwe Margarine Fabrieken in Heerenveen wordt geopend; het hoofddepot voor Friesland is gevestigd op de Nieuweburen 120. Tweede van rechts: Pake Piet.

Bernard en zijn oom Albert dreven de volgende jaren de zaak. Weer waaien flarden over uit de verhalen van derden. Deels zijn het geen vrolijke verhalen; het waren geen rijke jaren en de zaken liepen niet goed. De Firma Winsemius is eind 1935 opgeheven. De jongste van de twee bazen, Albert, was een paar jaar tevoren gaan studeren en werd later een van de knapste koppen van ons land, zo herinnerde Faber zich. Zijn warmste gedachten gingen echter uit naar “de tweede baas, Bernard, met wie wij meer te maken hadden, vooral toen wij later boven de zaak woonden, en met wie ons gezin een erg prettige relatie had.” Dezelfde warme plaats heeft Bernard ook in het geheugen van buurjongen Gem Kempenaar, die zich – 85 jaar oud – herinnerde:  “Lieve man, lieve man.” Jel bevestigde: “De mensen vonden Bernard aardig.”

Positievere berichten kwamen van het huiselijk front. De ‘normale’ prenten tonen Mem Aukje met haar opgroeiende dochters, waarbij – een opvallende verandering – de alpino is vervangen door een dophoed. Er verschijnen ook afbeeldingen van Tine als jonge moeder. In 1930 zag Doedetje het levenslicht, in 1932 Maaike. In 1933 trouwde Jelle Bultsma; een paar jaar later stond hij aan het hoofd van een mooi gezin.

“Op stap mei de beide famkes!”: met Corrie en Dieuwke en met  een volgende generatie: Jel en Dieuwke.

Tine als jonge moeder.

Trouwfoto van Jelle Bultsma en Anny de Jong 1933; en wat jaren later met hun gezin.

Juist de jaren 1931 en 1933 brachten ook grote verandering binnen het eigen gezin. “Ook de familie Van Dijk – hij was schoolhoofd in Oudega – was toen met vakantie op Hollum”, meldde Jel. Ze behoorden tot de kleine kerngroep waar Pake Piet en Beppe Aukje tijdens de vakantie veel contact mee hadden. Inmiddels een jeugdige tiener ontwikkelde Jel een scherp oog en, gepaard aan een fenomenaal geheugen, leverde dat nader inzicht. Zo wist zij te melden: “Eigenlijk was Albert bestemd voor Hester, dat was algemeen bekend.” Het liep anders, zijn oudere broer onderkende de specifieke kwaliteiten van de jongste dochter van het grote gezin Van Dijk. Hij liep de deur van de vakantiewoning plat en meldde zich daarna ook in Oudega.

Laatste couplet van het feestlied van de familie van Hes bij het zilveren huwelijk; 1951.

Het voorbeeld van Tine was kennelijk besmettelijk of had Corrie haar kraamverpleging – haar ‘ooievaartje’ – gehaald? Al in 1932 poseerde zij met Hes op Ameland op liefderijke wijze. De foto leidde bij het schrijven van deze tekst tot grote verwarring: wie o wie waren de jonge vrouwen en met welk kind lieten zij zich vereeuwigen? Dochter Nely kon helderheid verschaffen: dit was een grap, kinderen waren er toen nog niet! Dus in hun armen lag niets! Met een vertraging van driekwart eeuw voldoet de grap dus nog steeds, het zou de dames grote vreugde hebben verschaft.

Hes (links) en Corrie, poserend met lege armen; 1932.

Ook Albert besteedde zijn vakantie op Hollum op zinvolle wijze. Het eiland gold sinds jaar en dag als ontmoetingsplaats van Friezen en Groningers en zo maakte hij kennis met zijn aanstaande Aly Schreiber uit Groningen – het zal even slikken zijn geweest onder de Stânfriezen. Vermoedelijk had zij met vriendinnen domicilie gekozen in het veel wereldser dorp Nes en ging Albert daar stappen. Zo is het ooit gekomen. Aly was zeer welkom in de familie en op zich was dat opvallend. Alles was immers “fout”: Ze sprak geen woord Fries, was typisch “stads” en nauwelijks kerkelijk. Bij een van de eerste kennismakingsbezoeken poederde ze tijdens het kerkbezoek ook nog haar neus, dit tot enige consternatie van de “gemeente”.  Het heeft geen merkbaar spoor gelaten, zelfs toen Albert was enige van het gezin vrij kort daarna ‘ontkerkelijkte’.

Albert en Aly, Ameland, ca. 1933.

Hun zoon Pieter herinnerde zich later een vaag verhaal dat zijn vader met een glimlach vertelde over paardrijden op Nes. Albert had als vroegtijdige macho – en extreem onervaren ruiter – het wildste paard beklommen en was tijdens een overmatig wilde ren door de duinen door het edele ros erafgegooid. Na langdurig tevergeefs zoeken naar het ontsnapte dier was hij vernederd teruggelopen naar de stal. Waar het paard al lang en breed was gearriveerd. Zelfs als de herinnering vaag is, is de boodschap helder: wie hoog wil zitten om vrouwen te bekoren, kan diep vallen. Of zoiets.

Ridders te paard op het strand van Ameland.

Begin 1932 waren Albert en Aly – enigszins onopgemerkt door de andere familieleden – op het liefdespad voorafgegaan door de vijftienjarige Dieuwke. Met instemming van Pake Piet en Beppe Aukje mocht zij naar het jaarlijkse grote schoolfeest. Nieuwe jurk en kousen, geen nieuwe schoenen: de zondagse waren goed genoeg en hadden zelfs, als je je fantasie een beetje liet spelen, iets wat op een heel klein hakje leek, het zogenoemde queenie-hakje. Een echt jaren-dertig schoolfeest, zonder drank natuurlijk, maar wel met een échte band, met precies de juiste muziek:  The Leovardian Syncopators.

Vanaf het eerste moment viel vooral de violist behoorlijk bij Dieuwke in de smaak: lang, slank, met bijna zwart haar. Hij kon niet alleen goed spelen, maar minstens zo goed zijn diepdonkerbruine ogen laten blikkeren achter zijn moderne randloze bril. Dat hij vijf jaar ouder bleek te zijn, intelligent en vol gevoel voor humor maakte hem hogelijk interessant. Zijn naam kwam ze dezelfde avond nog te weten wanneer een paar vriendinnen en zijzelf in de pauzes rond de bandleden zwermden. Cor heette hij en nog dezelfde avond zorgde dat zij op een niet al te opvallende manier net een beetje extra opviel. Binnen twee weken was het ‘aan’.

Djoeke en Cor.

In eerste instantie moest dat wel wat stiekem. Een zeer oplettende vader, drie oplettende broers en niet te vergeten een best wel jaloerse oudere zus vormden een drempel voor grote openbaarheid. Toen Dieuwke het haar ouders na een dik jaar verkering vertelde, was Pake Piet aanvankelijk mordicus tegen want Cor was van huis uit hervormd. Maar ‘t is goed gekomen, zeker toen Cor goede vooruitzichten (b)leek te hebben en een eerlijk en goed mens bleek, en bovendien Dieuwke weinig ruimte liet.

Van Pake Piet vernemen we in die tijd weinig nieuws. We weten dat hij onverminderd betrokken was bij de Christelijke zijde van Friese beweging en De Stim. Een enkele keer zijn er nog krantenberichten. Op 8 december 1932 gaf hij bijvoorbeeld namens de vrienden uit Leeuwarden een ets van de Oldehove aan ds. S. van der Wal ter gelegenheid van het feit dat hij 40 jaar eerder het ambt mocht aanvaarden. Dik 37 jaar daarvan stond hij in Minnertsga. In november 1933 hield hij een lezing voor de Kring Leeuwarden van het Kristlik Frysk Selskip over het nog steeds actuele onderwerp van de verhouding tussen onze taal en onze ambtenaren. In 1934 werkte hij mee aan het opstellen van een Plan van eisen vanuit het Kristlik Frysk Selskip, en wel aan de paragraaf Maatschappij en Economie (Nationaal Programma van Wensen). Men kwam daarin op voor de kleine boeren.

Bericht in het Leeuwarder Nieuwsblad, 9 november 1933

In huiselijke kring waren er belangrijke ontwikkelingen. In het voorjaar van 1933 studeerde Jan aan de V.U. af als meester in de rechten, ongetwijfeld een zeer trots moment binnen de familie: hij was de eerste van de afstammelingen van Jan Douwez. die sinds de zeventiende eeuw een academische graad behaalde. In mei 1932 verhuisde het gezin naar de Wijbrand de Geeststraat 16. Omdat het pand recent verkocht is, weten we dat het ongeveer 230 m2 besloeg en zeven slaapkamers telde plus een diepe, zonnige stadstuin. Rond die tijd Jel zakte na zes jaar voor het toelatingsexamen van de middelbare school. Ze werd daarna met extra ondersteuning gedurende een zevende klas op de klompenschool op 8 september 1933 “alsnog toegelaten” tot de 1e klas van de Chr. HBS toegelaten.

Bericht in het Nieuwsblad van het Noorden; 27 maart 1933.

Bericht in het Leeuwarder Nieuwsblad; 8 september 1933.

Bernard was steeds dieper betrokken bij zijn vrijwillige Landstorm. Twee fraaie foto’s geven een beeld van zijn activiteiten, met name ook waar het de motordienst betreft.

Het onderschrift bij deze foto luidt: “Klasse B, Haarlem 1934”. Tweede van rechts is Bernard.

Bernard bij de motordienst

In de werksfeer ging het hem minder voorspoedig. Nadat de Firma Winsemius in 1935 was opgeheven, begon hij een autoverhuurbedrijf annex stalling en rijschool maar ook dat wilde in de moeilijke economie van die jaren niet vlotten. Het zijn de niet-blije achtergronden bij de kleine advertentie van juni 1936: “Te huur Pakhuis (ook met bovenwoning). Nieuweburen 120, waarin thans garage, voor velerlei doel geschikt. Inmiddels ook te koop. Te bevragen Winsemius, Groningerstraatweg 1g.” Een paar jaar later blijkt het pand onder nieuwe eigenaren, K. Tamminga en Zoon, de oude bestemming te hebben hervonden: de verkoop van kaas. Nog weer later, in maart 1940, staat het echter alweer te koop of te huur: bevragen bij Winsemius aan de Groningerstraatweg.

Twee advertenties in het Leeuwarder Nieuwsblad, 30 november 1935.

 Advertenties van het autoverhuurbedrijf van Bernard; Leeuwarder Courant, 14 november 1935 en 14 april 1936.

Advertentie in het Leeuwarder Nieuwsblad, 18 juni 1936.

Autostalling/-verhuur Bern. P. Winsemius, in het oude pand van de kaas- en vetwarenhandel.

Om ook dit deelverhaal met een positieve noot te beëindigen: op 6 januari 1939 blijkt Bern. Winsemius, wonende op de Groningerstraatweg 35, de 5e prijs ter waarde van f 2,- te hebben gewonnen bij de Letterprijsvraag van de Leeuwarder Courant. Het was een van de eerste van vele in latere jaren; Bernard “specialiseerde” zich in de slagzinwedstrijden die veel bedrijven eertijds organiseerden. Zo won hij nog in 1965 een prijs in de landelijke Pehoda prijsvraag “Paasbest ‘65”.

Jan stortte zich na zijn afstuderen via een korte tussenstap in Amersfoort in oktober 1934 op de advocatuur in Sneek. Bovendien nam hij als lid van de volgende generatie het Friese stokje over van zijn vader. Al in december 1925 washij “skriuwer” (secretaris) geworden van de nieuw opgerichte Fryske propaganda- en stúdzjekrite “War dy”. Op 14 april 1933 plaatst de Leeuwarder Courant een ingezonden stuk van Mr. J. P. Winsemius, waarin hij uitlegt dat, na de gruwelijke belediging door het Delftse Willem van Oranje Herdenkingscomité dat niet in de nationale huldiging wilde laten blijken dat het hier ging om “in hildiging fan de twa folken: it ‘Dietsch’ en Fryske.” Dat was voldoende reden om in Leeuwarden een eigen bijeenkomst te organiseren onder leiding van de Groninger – dat wel – ds. Van Dijk.

Jan en Hes.

Albert volgde een zeer verschillend spoor. Hij was diep gelovig in de wijze les die hij van huis uit meekreeg – elk diploma koopt je een stukje vrijheid – en slaagde op 21 januari 1929 voor het diploma Engelse handelscorrespondentie Vereeniging van Leeraren. Klaas Faber vertelde dat hij tijdens zijn jaren als “baas” op de Nieuweburen ook een schriftelijke L.O.I.- cursus M.O. economie volgde. Volgens Faber had hij haast: “In plaats van een les per week, kreeg hij er iedere week twee. Ik wist dat omdat ik de dikke gele enveloppen met het ‘huiswerk’ naar het postkantoor bracht.” Rond de jaarwisseling 1934/35 verhuisde Albert van de Wijbrand de Geeststraat 16 in Leeuwarden naar de Laakkade 80 in Den Haag. Via relaties had hij een baan als boekhoudkundig controleur bij de Nederlandsche Sierteeltcentrale weten te bemachtigen.

Op 4 februari 1936 schreef hij zich in als student aan de Handelshogeschool in Rotterdam, de voorganger van de Erasmus Universiteit. Toen hij een jaar later zijn kandidaats deed, stapte hij over naar het Departement van Handel en Nijverheid, de voorloper van het huidige Ministerie van Economische Zaken. Geadviseerd door Piet Lieftinck volgde hij geen colleges maar studeerde wel af en promoveerde vervolgens, beide keren cum laude en in recordtempo. Pake Piet werd door een collega bij Unilever gefeliciteerd na zijn doctoraal examen eind december 1937, maar wist volgens de overlevering niet dat zijn zoon studeerde.

Corrie ging in maart 1935 in Utrecht in de verpleging. Zij verdiende toen negen gulden in de maand en herinnerde zich vele jaren later met warmte hoe broer Albert financieel bijsprong als zij met haar Leeuwarder vriendinnen Tettie Metz of Amanda van Es ergens wilde stappen. Hij haalde haar ook wel eens op van haar werk en omdat de hoofdzuster meende dat het om een vrijer ging en dus stennis maakte, kalmeerde hij haar met een bos bloemen: groot succes. In januari 1938 ontmoette Corrie haar aanstaande, Marinus Hamer, tijdens straatfeesten ter gelegenheid van de geboorte van kroonprinses Beatrix.

Marinus bewaarde bijzondere herinneringen aan het eerste bezoek aan zijn latere schoonouders: “We kwamen met de trein hier aan en we werden afgehaald door Pake. We werden naar de Groningerstraatweg gereden waarbij vader en dochter een eigen gesprek hadden. Pa nam de krant en ging erbij zitten. Dat kon je aanvankelijk wat vreemd vinden maar naderhand heb ik dat toch wel leren waarderen als een poging om de ander wat op zijn gemak te stellen. Wat dan ook min of meer gelukt is. Minder gelukkig was ongetwijfeld dat me toen een sigaar aangeboden werd wat mijn eerste sigaar was dus met gemengde gevoelens heb ik die toen verorberd.”

Corrie; Utrecht, 1935.

In huiselijke kring werd het stiller. Het gezin verhuisde in mei 1935 naar de Groningerstraatweg 1g, later hernummerd als Groningerstraatweg 35, dat de volgende kwart eeuw de thuisbasis werd. Weer werd ook een andere kerk bezocht, de (Tweede) Oosterkerk die was gebouwd op de plaats van de gelijknamige voorganger waar Pake Piet en Beppe Aukje elkaar voor het eerst hadden ontmoet.

Staatsieportret ter gelegenheid van het 30-jarig huwelijk; 1936.

Groningerstraatweg met watertoren, rond 1930.

De tweede Oosterkerk aan het Hoeksterpad.

Het gezin van Neef Bernard en Tine werd in deze periode verrijkt met dochter Maaike (1932) en zoon Albert, geboren in 1936. Nog weer later, in 1940, volgde Johanna.

Neef Bernard en Tine met Doetje en Maaike, en rechts de meisjes met Albert.

Na 1934, toen de jongens en ook Corrie waren uitgevlogen, werd ook de gezinsvakantie beperkter van omvang. Uit 1935 stamt nog een badfoto waarop we geheel rechts de forse gestalte van Piet Hondema herkennen met naast zich Albert. Nog steeds zien we in de latere jaren de huisjes, maar de prenten zijn minder uitbundig en zelfs het weer lijkt kouder wanneer Dieuwke en Jel het huisje aan het water in Oostermeer bewaken. Er zijn ook nog de uitstapjes, bijvoorbeeld de ontmoetingen – een of twee keer per jaar – met Pake Piet’s Groningse collega in Beetsterzwaag. Tekenend voor die tijd spraken de mannen elkaar aan met de achternaam: “Winsemius” c.q. “Bakker”,  maar de dames hielden het netjes: “Mevrouw Winsemius” c.q. “mevrouw Bakker”.

Ameland, 1935 (uit fotoalbum Albert). Geheel rechts Albert en Piet Hondema.

Jel met Aukje Filarski.                     Jel en Dieuwke in Oostermeer.

Met de familie Bakker in Beetsterzwaag. Linker foto: Eppo en Dick met Djoeke en Jel.

In 1936 is het groot feest als Jan en Hes in Groningen in het huwelijk treden. Het weerhoudt hem er niet van om rond de Kerst, ongetwijfeld tot tevredenheid van Pake Piet, een gloedvolle rede voor het Frysk studintecongres in Franeker af te steken. “Hûndert jier hat de Fryske biweging fochten inkeld for de tael. Lit ús nou it swiertepunt earne oars lizze en stride for nije bisteansboarne.” (Honderd jaar heeft de Friese beweging gevochten alleen voor de taal. Laat ons nu het zwaartepunt ergens anders leggen en strijden voor nieuwe bestaansbronnen.) Zijn boodschap – Fryslân moet werk maken van werk – staat ook heden ten dage nog recht overeind. Er verschijnen in de krant echter ook berichtjes die getuigen van zijn juridische activiteiten.

Jan en Hes; Groningen 1936.

Voordracht van mr. J.P. Winsemius tijdens het Frysk studintecongres in Franeker. In het bijnummer – geheel onderaan het artikel – speelt de latere PvdA-voorman Anne Vondeling een rolletje; Leeuwarder Courant, 24 december 1936.

Faillissementsverklaringen in de Leeuwarder Courant waarbij Jan Winsemius, dan nog advocaat te Sneek, als curator optreedt.

Rond die tijd volgt ook Dieuwke een opleiding als huishoudkundige en kan Beppe Aukje trots poseren met beide dochters in kostuum. De liefde met Cor had een grote vlucht genomen. Dieuwke verhuisde in april 1937 naar de Leuvenumseweg 91 in Harderwijk. Ze werkte in het tbc-sanatorium Sonnevanck; een aantal foto’s brengt haar huishoudkundige domein dichterbij.

Beppe Aukje met haar “verpleegdochters”.

Dieuwke en Cor: van wanneer zijn deze foto’s? Is rechts op Ameland?

Oprit en achterzijde van sanatorium Sonnevanck in Harderwijk; eind jaren 30.

Eetzaal en keuken

Pake Piet met zijn dochters op de Hoge Veluwe; welk jaar?

Aan het liefdesfront moet zich rond deze tijd een “spannende” ontwikkeling voorgedaan die de nodige consternatie opleverde binnen het gezin. Bernard die zich eerder verloofde met Ytje Kooi, kwam onverwacht thuis met een nieuwe vriendin, Gouda ten Hoeve. Klaas Faber maakte het van dichtbij mee: “Toen wij later in het voormalige kantoor van de Firma Winsemius kwamen te wonen, bleef de binnentrap naar het magazijn intact. Ongevraagd kwam Bernard via die trap onze woning binnen, klopte even aan, ging op zijn gemak aan tafel zitten en vroeg aan mijn moeder: ‘Buurvrouw, is de koffie klaar?’ Hij kreeg verkering met het dienstmeisje van de fietshandelaar Velleman, aan de overkant. Op een keer kwamen ze samen de trap op. ‘Buurvrouw, ik kom mijn meisje even voorstellen, ze heet Gouda.’”

Gouda ten Hoeve

Veel is in de nevelen van het verleden verhuld, maar we weten dat Gouda in 1911 is geboren als middelste van de vijf kinderen van houtstekknecht – knecht in een houthandel – Douwe ten Hoeve en Septje Stienstra. Ze is van Ned. Hervormde huize en werkte onder meer bij Meijer Velleman en zijn vrouw Judikje van Leer, die een fietsenzaak dreven op Nieuweburen 115. Waarschijnlijk kende ze de familie vanuit die rol; volgens het receptieboek was ze in 1931 aanwezig op de receptie bij het zilveren huwelijk van Pake Piet en Beppe Aukje. Vaag komen de geruchten over de onvree die het verbreken van de eerdere verloving veroorzaakte. Ongeacht de voorgeschiedenis tekent Gouda als partner van Bernard op de menukaart bij het huwelijk van Albert en Aly op 20 juni 1938.

Fragment uit het receptieboek bij de zilveren bruiloft van Pake Piet en Beppe Aukje; juni 1931.

Zomer 1938 trouwen Albert en Aly, nog geen twee maanden later gevolgd door Dieuwke en Cor. In een stapeling van vreugdevolle gebeurtenissen slaagde ‘tussendoor’ Jel voor haar eindexamen HBS.

Huwelijk Albert en Aly; Groningen, 20 juni 1938.

Bericht in het Leeuwarder Nieuwsblad, 11 juli 1938 (links) en de Christelijke H.B.S. aan de Kanaalstraat.

Het huwelijk van Dieuwke en Cor voegde weer een komische noot toe in de familiegeschiedenis toen op de trouwdag zelf het dure bruidsboeket van Cor nog niet was gearriveerd. Omgeven door gierende zenuwen schoot broer Albert met een schaar de tuin in, waar op 1 augustus daar onder andere Beppe’s innig geliefde gladiolen bloeiden, ook witte. Ergens werd een wit lint weggeroofd – naar verluidt van de kat z’n feeststrik – en klaar was Dieuwke´s bruidsboeket. In de vele hervertellingen werd steevast benadrukt hoe het bruidspaar van het niet-betaalde bruidsboeketgeld een nacht in een hotelletje kon doorbrengen! Na hun trouwen vestigden Dieuwke en Cor zich overigens aan de Bredalaan 75 in het verre Eindhoven.

Het gezelschap is bij die trouwerijen fraai uitgedost. Voorop gaan steeds de trotse ouders, bij het huwelijk van Dieuwke gevolgd door hun jongste in het gezelschap van een vriendin van Dieuwke. Daarna volgt in wisselende volgorde een soort defilé van de keurtroepen dat zeker de goedkeuring van Beppe Aukje zal hebben gekregen. Bernard met een vrolijk stralende Gouda, Jan en Hes wat meer gesettled, Albert en Aly en Corrie en Marinus elegant – let op de scheve plaatsing van de hoedjes .

  Huwelijk Dieuwke en Cor; Leeuwarden, 1 augustus1938.

Pake Piet en Beppe Aukje.                           Jel met vriendin van Dieuwke.

Bernard en Gouda.                                       Jan en Hes.

Aly en Albert.                                                Corrie en Marinus.

Dieuwke en Cor.

De eerste kleinkinderen dienen zich aan. Op 25 september 1937 al Nely bij Jan en Hes in Sneek, op 13 mei 1939 Bart bij Dieuwke en Cor in Eindhoven. Eind van het jaar – op 2 december 1939 – kregen Jan en Hester ook dochter Aukje. Zij overleed echter een kleine drie weken later op 21 december in Leeuwarden. Jel schreef zich in voor de studie medicijnen in Groningen en verhuisde in november 1938 naar de H.W. Mesdagstraat 65A ter plaatse. De zomer en het vroege najaar werden gekort met de traditionele autotochtjes met de moikes. De familiebezoeken werden in toenemende mate uitwedstrijden om de volgende generatie te bewonderen.

Zakelijk – het is maar een voetnoot – kreeg Pake Piet opnieuw intensief te maken met zijn oude “vriend”Hendrik Sipkes uit Dokkum. Toen hij in ’29 benoemd werd tot adjunct inspecteur van de Margarine Unie, was Sipkes weer in zijn arbeidsveld beland, maar hij wist dat te ontlopen door over te stappen naar een vrije margarine- en vetfabriek, Pasman in Steenwijk. Rond die tijd liep ook dat pad dood, toen de Margarine Unie Pasman overnam. “Omdat ik ondertussen inspecteur was (na vele ‘omvallingen’ met Frans v.d. Baumen), moest ik met lood in de schoenen naar Sipkes. Als het even wilde met Dingemans of Mackay.” Pake Piet had het niet zo met zijn toenmalige Unilever-chef Von den Baumen, “daar hield hij niet van”, zoals Jel het later uitdrukte.

Albert promoveert in juni 1939 aan de Handels Hogeschool in Rotterdam op een proefschrift over “De economische aspecten der internationale migratie”. Een paar maanden tevoren schrijft zijn promotor, de na de Oorlog als minister van Financiën zeer bekende Piet Lieftinck, hem een bemoedigend briefje: ene prof Boermans had kennelijk problemen met een bepaalde passage maar, zegt Lieftinck, dat lost zich vanzelf op. “De economische aspecten der internationale migratie vormen een nog weinig ontgonnen terrein, zoodat het misverstand bij Prof. Boermans zeer begrijpelijk is.” Het proefschrift kreeg het predicaat cum laude, maar Aly kon de festiviteiten niet meemaken. Een week later beviel zij van haar eerste kind, Ankie. Een aantal cummetjes en maagproblemen rijker had Albert zich in recordtempo door de economiestudie heen gewerkt zonder ooit collegezalen te hebben gezien. Avondstudie en repetitoren vormden het recept. Na zijn promotie sprak Lieftinck hem naar verluidt toe: “Wij staan verbaasd: hoe kort van duur was toch uw studietijd! Binnen drie jaar waart Gij met alles kant en klaar! Gij zijt de eerste, die ‘m dat heeft gelapt maar ook de laatste. Want de Senaat trapt daar niet meer in.”

Bemoedigend briefje van prof. Lieftinck, 19 april 1939.

Het was overigens weer hetzelfde verhaal als bij zijn afstuderen toen Pake Piet dat nieuwtje van een collega moest vernemen. “Wij wisten niets van zijn promotie”, zei Jel. Twee denkbare verklaringen zijn zoveel jaren na dato denkbaar. Albert vond economie eigenlijk “een studie van niks” Je kon alle theorie die je nodig had opschrijven in 85 bladzijden, meende hij. Later was daar nog wat bijgekomen, maar het was nog steeds niet veel. Hij had liever medicijnen gestudeerd om chirurg te worden, maar Leiden en ook Delft hadden hem afgewezen omdat hij slechts HBS-A had. Waarom dan toch economie in de avonduren? In het spoor van Pake Piet ging hij uit van de gouden regel van de verheffing die in die tijd de maatschappij fundamenteel veranderde: elk diploma koopt je een stukje vrijheid. Met en pak diploma’s op zak kon je desgewenst tegen je baas zeggen: je wordt bedankt. De doctor’s titel was dus niet iets om speciaal te vieren, maar veeleer een middel op weg naar ‘hogere  doelen’. Dus – de tweede verklaring – haalde je zo’n diploma gewoon op en daarmee was de kous af.

Staatsieportret, met eeuwige sigaret, in Albert’s promotiealbum; 1939.

Het leven ging door en die zomer werd voor de laatste maal een familievakantie op Ameland gevierd, in het huisje De Duinroos in Hollum.

Strandvertier met links v.l.n.r. Marinus, Corrie, Pake Piet, Beppe Aukje in stoel, Jel en Hes plus Nely in het zand, en rechts Pake Piet, Jel, Marinus, Corry, Hes, Beppe Aukje en Nely; Ameland, 1939.

Strandwacht: Jel en Nely.                            “It waait hwat”; Ameland, 1939

Jan met de kleine Nely en Beppe Aukje in de tuin in Leeuwarden. De onbekende dame in het midden is mogelijk Hiltje, Beppe Aukje’s inwonende hulp; 1939.

Bramenplukken met Moike Anna; 1939.

Eindhoven op bezoek: Pake Piet met Dieuwke en Cor; rechts: “Bart al in hiele fent”; 1939.

Aan het eind van de jaren dertig, toen het economisch tij weer ten goede was gekeerd, bezette Piet een stevige positie binnen de firma Jurgens, die na de fusie met Van den Berg ons daarna beter bekend is als Unilever. Een oud-medewerker, Huub van Ewijk, haalde later herinneringen op met meer dan historische waarde voor de familie. Hij beschrijft hoe hij in oktober 1939 een aanstelling kreeg als souschef in Leeuwarden.

“Door de heer P.B. Winsemius, verkoopleider van de provincie Friesland, werd ik per luxe auto van de trein afgehaald wat niet niks was in de vooroorlogse crisisperiode! Op kantoor werd ik voorgesteld aan mevrouw Gien de Ridder – de enige vrouwelijke chef van de negen verkoopkantoren (VK’s) in den lande – en aan de andere personeelsleden.” Het kantoor was gelegen aan de Emmakade ZZ 150 naast de vroegere Vetfabrieken van Rolf von den Baumen, die in Jurgens-Van den Bergh was opgegaan. De gebouwen waren verkocht aan een stremselfabriek en het pand ernaast (ZZ150) werd het verkoopkantoor van Unilever Verkoopcentrale N.V. Anton Rolf von den Baumen werd directielid bij Jurgens en zijn broer Frans verkoopleider van Friesland. Na diens pensionering werd hij als zodanig opgevolgd door Pieter Bernard Winsemius.

Links: Huub van Ewijk tijdens zijn Leeuwarder periode; 1943. Rechts: de Coöperatieve Stremsel- en Kleurselfabriek aan de Emmakade ZZ te Leeuwarden in de jaren 30.

Al spoedig beleefde de immigrant zijn eerste avontuur. “De heer Winsemius liet me al spoedig merken dat ik het Fries enigszins diende aan te leren omdat ik veel te maken zou krijgen met dorps-Friezen die ons voor zaken bezochten. En ook al met het oog op de vergaderingen ‘s zaterdags met vertegenwoordigers, die ik nu en dan zou bijwonen en waarop veelal Fries werd gesproken.” Bij de introductie van een Unox-product kreeg hij zijn vuurdoop: “Eén der vertegenwoordigers en ondergetekende zouden elk op eigen wijze de vergadering verslaan. En omdat er vrijwel uitsluitend het Fries werd gehanteerd moest ik soms uit zinsverbanden opmaken wat bedoeld werd.” De Friese vertegenwoordiger had het natuurlijk een stuk makkelijker en kon alles strikt naar de letter in het Nederlands opschrijven. De heer Van Ewijk herinnerde het zich, zelfs een dik vijftig jaar later, met blijvende opluchting en verwondering: “Maar toen we beiden met ons rapport op de proppen kwamen, zei P.B. Winsemius dat hij het mijne naar Rotterdam zou sturen omdat het andere … te letterlijk was. Dit bevreemdde me aanvankelijk, te meer nog daar ik wegens mijn geringe kennis van het Fries er een sterk gekleurd verhaal van gemaakt had. Maar juist dat mooier voorstellen dan het was (à la sommige huidige t.v.-spots) scheen de doorslag te hebben gegeven.”

Het was een vreemde combinatie van gebeurtenissen die rond e jaarwisseling 1939/40 de familie beroerde. De Duitse dreiging was inmiddels groot en het leger werd gemobiliseerd. Aan het thuisfront speelden zich echter ook belangrijke ontwikkelingen af. Jan en Hes hadden na Nely een dochtertje Aukje dat werd geboren met een open rug. Jan huurde tijdens de mobilisatie een huis aan de Spanjaardslaan in Leeuwarden waar het kindje elf weken oud op 21 december overleed. Op 9 januari sprak de luitenant Winsemius echter alweer zijn troepen krachtig toe en die honoreerden dat met een driewerf hoera. Een paar weken later kreeg hij verlof om een enkele dag zijn kantoor in Sneek te openen.

De plicht roept en luitenant Winsemius houdt een inspirerende toespraak over het Friesche regiment; Leeuwarder Courant, 9 januari 1940; en krijgt vervolgens verlof om zijn kantoor een dag te openen, 30 januari 1940.

Op 7 februari trad Bernard in het huwelijk met Gouda ten Hoeve. Weer zijn er vele onduidelijkheden. Gouda liet zich op 12 mei 1939 uitschrijven in Leeuwarden en verhuisde naar het toenmalige hotel De Pool op Damrak 42-43 in Amsterdam. Ze woonde tot dat moment op de Harlingerstraatweg 59 in Leeuwarden ten huize van Anne Roelof Deibel, aannemer van grondboringen waar zij vermoedelijk een dienstje had. Echter op 12 januari 1940 schrijft ze zich opnieuw in op Singelstraat 16 in Leeuwarden; waarschijnlijk het woonhuis van haar ouders (Singelstraat 15). Op 27 januari gaan zij en Bernard in ondertrouw. Het huwelijk is gesloten op 7 februari 1940. Ze is dan zonder beroep en was “de laatste zes maanden mede woonachtig te Amsterdam”. Getuigen zijn haar zussen en haar ouders geven toestemming tot de echt en ondertekenen de akte eveneens. Bernard is handelsreiziger van beroep en is kennelijk zonder getuigen of familie.

Trouwfoto en trouwakte van Bernard en Gouda; Leeuwarden, 7 februari 1940.

Het huwelijk werd wat overhaast gesloten, hun zoontje Douwe is geboren in midden mei 1940. Weer waaien geruchten over die getuigen van onvree binnen huize Winsemius. Wellicht lag die snelle geboorte gevoelig in huize Winsemius, in het kleine, steile Leeuwarden was dat niet best. Hoe dan ook, alleen Pake Piet en Corrie gingen naar het huwelijk om te feliciteren. Pake Piet waarschuwde zijn zoon ook nadrukkelijk: een eventuele kleinzoon mocht niet naar hem worden vernoemd.

“Ze zei niet veel…ze keek hem maar aan, met van die prachtige, donkere ogen,” mijmerde toenmalig buurjongen Gem Kempenaar ruim een halve eeuw later. “Ze hielden veel van elkaar.” Gouda en Bernard hadden in de bovenwoning op de Groningerstraatweg mogen wonen, maar wilden niet en vonden een schamel onderdak in de Afrikaanderbuurt. De vrede binnen de familie was overigens vrij snel weer hersteld; al in de zomer staan Gouda en Bernard weer op de familiefoto’s.

Bernard en Gouda.

Een week later, op 15 februari, vierde mevrouw De Ridder haar 25-jarig jubileum bij de zaak. Zij was ‘de baas’ op kantoor, Jel herinnerde zich later dat haar vader “een beetje bang” was voor Gien de Ridder maar tegelijk zeer op haar gesteld. Al in 1931 zat zij aan bij het diner rond de zilveren bruiloft van Pake Piet en Beppe Aukje. Het werd een groot feest waarvoor Van Ewijk op verzoek liedjes schreef. “Het personeel kreeg zo de smaak te pakken dat ik die schrijverij tot een revuetje liet uitgroeien.” Het is een mooie herinnering. “’s Avonds als mevrouw De R. thuiszat, gingen we met het hele kantoor in de bovenzaal repeteren. In een verder gevorderd stadium kwam er de piano aan te pas, waarmee de vrouw van Herman Swart ons begeleidde.” De viering van het jubileum in Hotel Amicitia, waaraan ook de buitendienst en het magazijnpersoneel deelnamen, was blijkens hun speeches voor P.B. Winsemius en de feestredenaar namens het hoofdkantoor, “J. Both uit Rotterdam,“een “oase in de woestijn van de zorgelijke malaisetijd.”

Gien de Ridder met Huub van Ewijk en rechts het zangkoor.

Hotel Amicitia aan de Wirdumerdijk, dicht bij het station.

Op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. In de vroege ochtend wordt heel Nederland opgeschrikt door het geronk van tientallen Duitse vliegtuigen en overschrijden de Duitsers op enkele plaatsen de grens van Noord Nederland. Hun opmars verloopt vlot. Er zijn anekdotische verhalen, versluierd in de nevelen van de toen warrige geschiedschrijving, over de betrokkenheid van Bernard’s Landstorm bij parachutistenlandingen en schietpartijen waarbij een duopassagier op zijn motor het leven liet, maar de berichten bleven onbevestigd.

Vast staat dat de 15.000 sterke 1.Duitse Kavallerie Division – de latere 24.Panzer Division – onder bevel van generaal-majoor Kurt Feldt snel op rukte naar de kop van de Afsluitdijk (de dagorder van generaal Feldt luidt: ”naar voren kijken, naar voren denken en naar voren rijden”). Een dag later, op 11 mei, trekken de eerste Duitsers al door Sneek en de eerste Duitse verkenners op motorfiets met zijspan bereiken Pingjum onder prachtige weersomstandigheden om 4 uur ’s middags.

Zoals vaak onder oorlogsomstandigheden zijn er nu twee verhalen. De officiële lezing benadrukt de uitstekende voorbereiding van de vaderlandse verdediging rond de kop van de strategisch belangrijke Afsluitdijk, een van de poorten naar Holland immers. Ten zuiden van Pingjum werd aan de weg naar Wons een legerbarak gebouwd voor legering van vaderlandse militairen in hun onpraktische uniformen met stijve, opstaande, knellende uniformkraag, poeties om de onderbenen en zware ‘kistjes’ aan de voeten. Speciaal de stelling Kornwerderzand werd met de bouw van moderne kazematten van gewapend beton in gereedheid gebracht om een aanval in de rug van de marinehaven Den Helder en de ‘vesting Holland’ te blokkeren. Daar was over nagedacht, zo blijkt uit een verslag uit die tijd.

“Voor de ligging van de kazematten is als uitgangspunt aangenomen dat van alle kanten artillerievuur kan komen, zij het het meest waarschijnlijk uit de NO tot ZO richting (de Friese kust dus). Voor de bovendekkingen is een betondikte aangenomen van 2 meter; de muurdikte bedraagt 2½ tot 3 meter, de binnenmuren tenslotte hebben een dikte van 1½ meter gekregen. Hiermee kunnen de kazematten weerstand bieden aan een voortgezette beschieting met geschut tot een kaliber van 21 cm en aan incidentele treffers tot kaliber van 28 cm. De kazematten liggen in twee linies en bestrijken beide kanten van de afsluitdijk. De stelling is bewapend met 21 zware mitrailleurs type Schwarzlose kaliber 7.9 mm., drie kanonnen van het kaliber 5 cm en een marine anti-tankkanon van 5 cm.”

Er zijn belangrijke toevoegingen. De organieke bezetting van Kornwerderzand bestondt uit 7 officieren en 220 onderofficieren en manschappen. De kanonbedieningen waren afkomstig van het Regiment kustartillerie. Het zoeklicht werd bediend door het Regiment Genietroepen. Commandant van de stelling was kapitein C.F.J. Boers. Kortom, de onzen waren er klaar voor om de vijand een warme ontvangst te bezorgen.

De Duitsers gebruikten het dorp als bivak, nestelden zich in de boerderijen in het stro van waaruit een Nederlands detachement was verdwenen, deden zich te goed aan ‘Eiercognac’ (advocaat) en ‘Bohnenkaffee’ en joegen hun paarden in de wei om te grazen. De Duitse legerleiding besloot in de namiddag van 13 mei (pinkstermaandag) met de versterkte gevechtsgroep van Reichsfreiherr luitenant-kolonel Von Edelsheim de stelling Kornwerderzand aan te vallen. De aanval werd met ca. 600 man uitgevoerd, verdeeld over vijf stootgroepen. Op een afstand van 800 meter liet kapitein Boers het vuur openen met brisantgranaten uit het 5cm-geschut van kazemat II en VI. De aanval mislukte volkomen, de Duitsers voerden hun gewonden en gevallenen zo snel mogelijk af. De overmacht was echter te groot en de overgave van de Nederlandse troepen heeft later tot felle discussies geleid.

Jan die de Duitse inval en de gevechten rond Wons van dichtbij meemaakte, had echter een andere lezing. De verschijning van het boek “Afsluitdijk 1940” van E.H. Brongers en speciaal “de stelselmatige verzwijging van mijn activiteiten in de stelling” van Wons wekte zijn woede en begin 1981 ging hij er echt voor zitten. Zijn oorspronkelijke rapport van 4 juni 1940 – kort daarna nogmaals herhaald – was naar zijn stellige overtuiging onder de tafel geveegd dus deed hij het in een lange brief aan de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht dunnetjes over. Het is een lang verhaal maar het schetst het beeld van de enorme verwarring en bedreiging van die dagen.

Op 7 mei 1940 kreeg hij opdracht een detachement zware mitrailleurs bestaande uit 10 manschappen en 2 onderofficieren alsmede een zware mitrailleur in gereedheid te brengen ter bewaking van de telefooncentrale in Emmen. Op doortocht werd het detachement in Steenwijk versterkt met een groep tirailleurs met lichte mitrailleur. De sterkte bedroeg toen 1 officier, 3 onderofficieren, 3 korporaal en 26 soldaten, waarvan 11 zware mitraillisten. Op 8 mei om 3 uur in de middag werd Emmen bereikt waar onmiddellijk werd begonnen met het in stelling brengen van de wapens en het verschansen van het postkantoor. In de avond werd de troep ondergebracht op de zolder van het postkantoor.

Op 10 mei werden om 3 uur op 200 meter afstand verdachte burgers gesignaleerd: “Alarmstellingen betrokken. Volledige strijdvaardigheid. Te 3.30 Duitse vliegtuigen boven Emmen. Te ongeveer 6.00 bevel terug te trekken.” Op dat moment was op 300 meter afstand een Duitse motorpatrouille gesignaleerd. Mede als gevolg daarvan geraakten de soldaten in “een soort van paniek … en men sprong ongeordend in de auto’s.”Jan had de wagens doen ontruimen en de manschappen laten aantreden en model appel afgenomen. “Niet slechts de rust werd daardoor hersteld, maar ook het vertrouwen.”  

Na een avontuurlijke tocht met veel improvisatie vanwege afgefakkelde bruggen, mitrailleurs die op kruiwagens over voetgangersbruggen moesten oversteken en gevorderde auto’s werd Sneek bereikt. Te 16.00 werd bevel ontvangen op Harlingen terug te trekken en de mitrailleurs in stelling te brengen tegen luchtdoelen. Het detachement werd ter plaatse versterkt door een vergelijkbare eenheid uit Franeker. De bevelvoerend officier aldaar, kapitein Van der Linde, verzocht “mij met de mijnen” daar te blijven ter versterking van de luchtverdediging. “Ik weigerde dat omdat de detachementen uit ongeoefende recruten bestonden die voor een zeer beperkte taak waren geselecteerd.” Op verzoek van Van der Linde bekeek Jan de kazematten en hij was “diep onder de indruk van de slechte voorbereidingen.” Het moreel was ook onder nul gezakt. Hij heeft toen een moeilijke beslissing genomen en onder stringente voorwaarden te blijven: hij zou worden aangewezen tot waarnemend compagnies commandant en de zware mitrailleurs onder zijn rechtstreeks commando houden plus de rugdekking krijgen van majoor Bischoff.

De eerste weigering plus vervolgvoorwaarden; 10 mei 1940.

Op 11 mei werd in de ochtend het bericht ontvangen dat er geen Hollandse troepen meer voor de linies waren en dat op iedere militair moest worden geschoten, onverschillig in welk uniform. Het bleek een vergissing. Op bevel van Jan werd een naderende colonne wielrijders beschoten met één stuk, “met dien verstande dat het vuur vòòr de colonne moest worden gelegd.” Dat trof goed want het bleken wel degelijk vluchtende Hollanders en er viel gelukkig slechts een enkele gewonde. Kort daarna arriveerden de Duitsers ter plaatse en raakten de eerste manschappen in paniek. Omstreeks 17.00 kwam de opdracht van de commandopost B.C.: standhouden tot de laatste man en de laatste patroon. Aan dit bevel werd evenwel toegevoegd dat als verder verzet hopeloos was en het nog mogelijk was de troepen in veiligheid te brengen, dit laatst gewenst was. Jan weigerde de order met die toevoeging, die vervolgens werd geschrapt.

De tweede weigering; 11 mei 1940.

Het bevel bracht grote ontsteltenis teweeg onder kader en manschappen. Een groep onderofficieren protesteerde tegen de “krankzinnige” order, maar kapitein Van der Linden nam met het pistool in de vuist een zeer krachtig standpunt in. Een dappere soldaat, Berend Fokkema, bood aan om – zeer schaars – voedsel te halen in Den Helder en klaarde de gevaarlijke klus ondanks beschietingen op de open Afsluitdijk. Zelfs dik veertig jaar later is het Jan nog steeds een raadsel waarom Fokkema nooit enige erkenning heft gekregen voor zijn manmoedige daad.

Protest der onderofficieren en de onderdrukking daarvan; 11 mei 1940.

In de ochtend van 12 mei ging het los met luchtaanvallen. Een vliegtuig verloor onder rookontwikkeling plotseling hoogte maar stortte niet neer. Een ander daalde bij Wons met voltreffers in de benzinetank. Een der onderofficieren knapte af onder de druk en werd door Jan van zijn bevel ontheven. Ook de Leeuwarder Courant bericht dat tijdens de eerste dagen van de ‘Blitzkrieg’ een toestel van de Deutsche Luftwaffe – vanuit de stelling Wons door het 9e Depôtbataljon onder commando van 1e lt. J.P. Winsemius geraakt door twee voltreffers in de benzinetank – een noodlanding maakt langs de weg naar Wons.

Luchtaanvallen met neergeaald vliegtuig; 12 mei 1940.

Een neergestort Duits gevechtsvliegtuig nabij Pingjum; Leeuwarder Courant, mei 1940.

De Duitsers naderden de flank van de Wonsstelling tot ongeveer 200 meter en in front tot 500 meter toen op één ogenblijk “een hel van vuur” losbarstte. Na de afgeslagen aanval werd van alle kanten gemeld dat de munitie opraakte. De reservemunitie lag op de kop van de Afsluitdijk, die door de Duitsers was afgesneden. “Bevel tot terugtrekken.”

Een hel van vuur en munitietekort; 12 mei 1940.

De opzet van Van der Linden om in Makkum aansluiting te zoeken bij de daar gelegerde compagnie ging de mist in omdat de plaatselijke commandant zonder enig overleg met de, ook voor Wons bestemde, schepen over water de oversteek naar Noord-Holland had gemaakt. Met de wielrijders voorop toog de eigen compagnie dus verder richting Workum. Aangekomen bij Ferwoude meldden verkenners echter dat het stadje al was ingenomen door 1500 man. Jan en zijn mannen zaten als ratten in de val en werden door pantserauto’s gevangen genomen.

De overgave bij Ferwoude; 12 mei 1940.

Op 13 mei werden de krijgsgevangenen afgevoerd naar Groningen, waar ze werden opgesloten in een schoolgebouw. Mooie voetnoot: Dieuwke zocht hem daar op voor het hek als ze buitenliepen op het schoolplein. Vrijwel onmiddellijk moesten de Hollanders echter aantreden voor een boze Hauptmann, die bericht had ontvangen dat het Nederlandse leger in strijd met de conventie van Genève op parachutisten had geschoten. Als hem weer en dergelijk bericht ter ore kwam, zou een aantal krijgsgevangenen doen executeren. “Ik zat in een moeilijk parket”, herinnerde Jan zich. De man begreep kennelijk de Geneefse conventie niet en omdat Van der Linden niet reageerde, was Jan uit het gelid getreden om bijles te geven.

Uitleg over de Geneefse conventie; Groningen, 13 of 14 mei 1940.

“Ik geef toe dat ik met lood in de schoenen naar voren ben gekomen”, schrijft Jan. Hij besefte een groot risico te hebben gelopen, te meer omdat de Duitse commandant kwaad en dus onberekenbaar was. Van der Linden was ook “zeer ontstemd” omdat je nooit een bovenliggende partij moet prikkelen. Dat wierp een schaduw over de verhoudingen die echter daarna onder zeer hoge druk kwamen te staan toen Van der Linden c.s probeerden een aantal onderscheidingen te “regelen” voor hun heldhaftigheid en ook manschappen ronselden om een petitie in die zin te ondertekenen. Met uitzondering van Berend Fokkema had Jan daar echter geen kennis van genomen en hij weigerde zijn medewerking. Het was “een onaangename beëindiging van een samenwerking, waarop ik met voldoening terug kon zien.”

Schaduwen over de verhouding met kapitein Van der Linden.

Het muisje kreeg echter veel later nog een onaangenaam staartje toen in Delft door kapitein Van der Linde verhalen werden rondgestrooid over “die lafaard Winsemius”, die niet wilde voldoen aan zijn bevelen. Behalve een – kennelijk adequate – tegenactie met hulp van twee predikanten besloot hij zijn relaas daarom nogmaals aan de militaire geschiedschrijvers toe te sturen in de hoop dat ze het verhaal van de stelling van Wons in de toekomst wat evenwichtiger konden opstellen.

De “zuivering” van Van der Linden.

Tijdens het vervoer van Ferwoude richting Groningen deed zich overigens een merkwaardig voorval voor, dat Jan zelf annoteerde in het memoriaal dat Pake Piet in het laatste oorlogsjaar bijhield voor zijn kinderen: “Toen ik in Duitse handen viel, heb ik een nacht in Sneek gestaan voor ons eigen huis. Hes was niet thuis. De volgende dag op transport naar Groningen. Wij reden door Leeuwarden. Aan het begin van de Groningerstraatweg zei ik tegen de Duitse soldaat, die de leiding had: Ik zal je aanstonds aanwijzen, waar je de auto stil houden moet. Ik moet even afscheid nemen van mijn ouders. Ik kreeg hem zover op voorwaarde dat de anderen in de bus toezeiden, dat ze niet zouden proberen om uit te ‘naijen’. Dat zeiden ze toe en ik de auto uit. Tableau vanzelfsprekend! Toen ik weer instapte, zei Mem tegen de Duitser: zal je goed op hem passen?”

Vreemde verhalen uit een chaotische omgeving. Albert eigende zich op het ministerie van Handel en Nijverheid – de voorloper van het ministerie van Economische Zaken – de asbak toe waarin een deels panikerend kabinet de sigaretten uitdrukte tijdens de laatste vergadering vòòr het overhaaste vertrek naar Engeland. Het heeft iets van een avonturenroman, maar Hes had angstdromen over de Afsluitdijk en wilde er nooit over praten. Hoe het ook zij, Jan werd vrij snel weer vrijgelaten, op 22 juni al treedt hij weer op als curator bij een faillissement in Balk. Een paar weken later lijkt hij echter afwezig te zijn bij het huwelijk van Corrie en Marinus. Het is een prachtige trouwfoto van het gelukkig stel, veruit de mooiste van de serie, met stralende mensen.

Snel terug aan het juridische front.

Corrie en Marinus; Leeuwarden, 7 augustus 1940. Rechts van Marinus zijn ouders, links van Corrie de hare met erachter Dieuwke. Achter Corrie: Jel en Hes met daarnaast (???). Op de grond Annie – de enige zuster van Marinus –  en haar partner, eveneens Marinus genaamd en werkzaam bij de marechaussee; rechts van hun Albert en Aly. Geheel links: Gouda(???) en Bernard; 7 augustus 1940.  

Diezelfde zomer nog gingen Pake Piet en Beppe Aukje met vakantie naar Oostermeer, waar het Amelandse strandzitten werd vervangen door vissen en zo nu en dan roeien of zeilen. De oorlog werd echter ook op een andere, bijzondere manier thuisgebracht. Sommige Friezen dachten voordeel te hebben bij de komst van de Duitsers, die naar hun idee de Friese Beweging vanuit een Groot-Germaanse gedachte kon opstuwen in de vaart der volkeren. Direct aan het begin van de bezetting kreeg Pake Piet bezoek van mevrouw Anne van der Minne-Buma – een belangrijk middelpunt van de Friese collaboratie – die zich opgetogen toonde over de nieuwe perspectieven. De reactie van Pake Piet was: “Ik sil Jo mar efkes útlitte, frou Van der Minne”.

Er breekt daarna een merkwaardige fase aan in de familiegeschiedenis. Veel onttrekt zich aan ons oog of we begrijpen het niet vanuit de geborgenheid van onze hedendaagse samenleving. De beelden die ons overwaaien van de eerste oorlogswinter vormen een toonbeeld van huiselijke rust. Pake Piet achter het harmonium, besneeuwde straten en tuinen, theedrinken met Corrie en Marinus.

”Winter 1940-’41: Marinus en Corry – Hûslike winter fekansje By Pa en Moe.”

Als een soort contrapunt zijn er ook de foto’s van zomer ’41 die eveneens een grote rust en vredigheid suggereren. Met de (klein-)kinderen in de tuin; te oordelen naar de foto van een kleine Ankie kon Albert met zijn gezin zelfs vanuit Voorburg op familiebezoek. Er arriveerden ook nieuwe kleinkinderen: Corrie kreeg op 9 juli 1941 in Lobith dochter Aukje, Dieuwke beviel van Piet.

Bijna compleet: alleen Bernard en Harry ontbreken nog; zomer 1941. Naast Pake op de voorste rij Gouda met Douwe. Dieuwke draagt Bart, amper twee jaar oud, op de arm en als je goed kijkt een 8-maandse buik waarin Piet. Daarnaast Aly met Ankie, Hes met Nely, en Beppe Aukje. Op de achterste rij Albert, Jel, Jan, Cor en Marinus.

Links: Jel, Gouda, Bernard en – net zichtbaar op de grond – Douwe. Rechts: Jel met Doetie en Maaike van Neef Bernard; zomer 1941.

De Oude Vier: v.l.n.r. Nely, Douwe, Bart en Ankie; zomer 1941.

Ankie Alberts; zomer 1941                           Dieuwke met Piet; zomer 1941.

Cor met Bart plus Dieuwke met Piet; zomer 1941

Ook die zomer gingen Pake Piet en Beppe Aukje met vakantie naar Oostermeer, dicht bij Aukje’s geboorteplaats aan het Bergumermeer. Zij deden dit overigens de twee volgende jaren ook; pas in 1944 werd verblijf gekozen in Veenwouden. Hun verblijf wordt gekenmerkt door vissen en zeilen. Later herinnerde kleindochter Aukje Corries zich dat tijdens bezoeken in haar studententijd Pake Piet steevast vertelde over het bootje, vissen, roeien en de grote gevaren die werden doorstaan op de meren.

Vissen en zeilen tijdens een vakantie in Oostermeer, alleen het vervoer naar huis is wat minder; zomer 1941.

Aan het thuisfront werd het gezin gecompleteerd toen jongste dochter Jel haar medestudent en jaargenoot Harry Lettinga in de familie bracht. Er resten ook de familieportretten op een mooie zondagmiddag in de tuin van zus Metje in Minnertsga.

Beppe Aukje met de drie zussen: v.l.n.r. Jantsje , Metje en Anna.

Familieportret met v.l.n.r. boven de broers Jan, Piet en Albert; zittend hun zusters Metje en Anna; augustus 1941.

In een tijd van toenemende schaarste – met als gevolg grootschalig hamsteren en de bijbehorende woekerprijzen – werd Albert in Den Haag belast met de prijsbeheersing. Er werden bijvoorbeeld in de groentesector winsten gemaakt die 50 tot 100 procent lagen boven de normale. De oprichting van de nieuwe dienst veroorzaakte forse wrijving binnen bestaande departementen die immers werk en bevoegdheden verloren zagen gaan. Ook het bedrijfsleven zag zich een ideale kans ontnomen om extra winsten te maken. Dat werd versterkt omdat vooral het industriële bedrijfsleven op grote schaal collaboreerde. In de eerste twee oorlogsjaren was minstens een kwart, later oplopend tot de helft, van de omzet in opdracht van en ten behoeve van de Duitsers, voor een groot deel de Wehrmacht.

Al op 1 september 1941 wordt hij als “leider van de afdeling prijsvorming van de dienst van de gemachtigde voor de prijzen” in de Leeuwarder Courant aangehaald: “Achteraf ben ik verbaasd dat we de zaak zoo lang hebben laten loopen. Maar we willen met ingrijpen altijd liefst zoo lang mogelijk wachten.” Door een uiterst scherpe controle op de kwekers werd paal en perk gesteld aan hun woekerwinsten en een door ongure elementen bevorderde “groente-psychose”. Zoals de directeur-generaal onzer voedselvoorziening, ir. A. Louwes, het treffend uitdrukte: “Tusschen ons en den honger staat alleen de organisatie der voedselvoorziening.” Op 6 oktober bleek evenwel dat ook de textielprijzen schrikbarend waren opgelopen. In zekere zin was het dweilen met de kraan open, maar het was wel hoogst noodzakelijk dweilen om het schip drijvend te houden. Albert’s inzet zal ook binnen de familie niet door een ieder op waarde zijn geschat. Al op 30 oktober 1940 wordt de winkelier Pieter Winsemius uit Minnertsga – zijn achterneef Piet Bernardus dus, met het winkeltje tegenover de kerk – veroordeeld tot het betalen van een boete van 20 gulden vanwege hamsteren.

Het systeem werkte totdat zijn baas Mr. Schokker – “een zwak man. Zo iets van: wie het laatst bij je bureau zit, heeft gelijk” – lid van de NSB, de Nationaal Socialistische Beweging, werd. Dat leidde vanaf augustus 1941 tot een nazificering bij de Dienst van de Gemachtigde voor de Prijzen: NSB-ers kregen voorrang bij sollicitaties. Goede mensen verdwenen in die fase uit de ambtelijke dienst en werden opgevolgd door lieden met een veel lagere kwaliteit. In voorjaar 1941, nadat de Duitsers Rusland waren binnengevallen en daar op onverwacht veel tegenstand stuitten, werden de bezetters bovendien zenuwachtig en gingen zich steeds meer bemoeien. “Het werd op de dienst ook een twee-frontenoorlog”, schreef hij in een terugblik in 1983. “Tegen de Duitsers, met in de rug uitholling door de NSB.”

Prenten uit Duits propaganda-album over de Nederlandse prijspolitiek; ca. 1941.

In de loop van het najaar krijgt Pake Piet – “inspecteur margarineverkoopcentrale” – een nieuw persoonsbewijs.

Persoonsbewijs van Pake Piet; 9 oktober 1941.

Op 7 december 1941 overvallen de Japanners Pearl Harbor en verenigen de Amerikanen zich achter de Geallieerden. Rond die tijd zijn er weer die verrassende huiselijke taferelen ten huize van Beppe Aukje en Pake Piet. Met Pasen 1942 zit de kleine Aukje van Corrie op schoot bij haar beppe.

Links: familiebezoek Dieuwke en Cor, Albert en Aly; najaar 1941. Rechts: winteravond 1942.

Met Aukje van Corrie; Pasen 1942.

In mei is Albert met zijn hele gezin – uitgebreid met de twee maanden oude Pieter – weer in Friesland. Ankie poseert even buiten het dorp Bergum op de poppesteen, een reusachtige zwerfkei waaronder, zoals algemeen bekend, de lytse popkes vandaan komen en die daarom geldt als bedevaartsoord voor kinderloze vrouwen.

Jan, Bernard (achter) en Albert met Ankie; mei 1942.

Aly met Pieter, twee maanden oud…           …en Ankie op de poppesteen; mei 1942.

Nely en Ankie; mei 1942?

Nely met de magische poppenwagen.

“Pinkster 1942, met Heiti naar de trein.” Cor met Bart op weg naar het station in Breda. Links is de watertoren bij het Wilhelminapark te zien.

Corrie en Dieuwke met tussenin Bart en in het wagentje Piet en Aukje Hamer; juni 1942

Rond die tijd kwam de oorlog veel dichterbij huis. De kinderen waren verspreid en verkeerden soms in groot gevaar. Bernard werd te werk gesteld in Duitsland (wanneer?), terwijl Gouda met de kleine Douwe in Leeuwarden bij haar moeder onderdak vond. In 1943 moest Jan zich melden voor de tewerkstelling in Duitsland en omdat hij weigerde moest hij zijn gezin in Sneek achterlaten om onder te duiken op het Noord-Friese platteland. Albert woonde in Voorburg waar de voedseltekorten allengs groter werden. Corrie en Marinus betrokken direct na hun huwelijk de pastorie van Lobith waar hij was aangesteld als predikant. Jel en Harry volgden nog colleges in Groningen, maar ook dat was een aflopende zaak.

Eind februari 1943 vroeg Albert ontslag; zijn positie was te ver uitgehold. Zijn vertrek leidde bij zowel zijn baas als de Duitse prijsbeheerder wrok. De laatste deelde mee ervoor te zorgen dat hij in de Arbeidseinsatz terecht zou komen, maar dr. Hirschfeld, de secretaris-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, en van Landbouw en Voedselvoorziening, slaagde erin het Reichskommissariat zo ver te krijgen dat ze hem met rust zouden laten mits hij verder in een “unwichtige Stelle”zou gaan werken bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vrij spoedig kwam er echter toch een oproep voor de Arbeidseinsatz. “Met behulp van een dokter met ervaring op dit gebied kreeg ik een maagkwaal en de daarbij behorende dieetvoeding van de distributie. … De keuring constateerde een maagzweer, dank zij een doorgeslikt zilverpapier dat de röntgenstraling niet doorliet.”

De verhalen rijgen zich aaneen als flarden van een uiterst onzekere tijd. Cor zat al vroeg – in 1941 – in het verzet. Met zijn kennis van radio en telefonie maakte zijn groep een versleutelde berichtencentrale voor contact met de Nederlandse regering in ballingschap in Engeland. Dat was een linke boel in bezet gebied en Cor werd eind 1941 door iemand van zijn zaak verraden en – waarschijnlijk – ter dood veroordeeld. Dieuwke mocht niet op bezoek in het Noord-Brabantse Haaren waar hij gevangen was gezet,  maar ze mocht wekelijks wel kleren brengen. Tijdens zo’n wasbezoek nam Dieuwke de kleine Bart, ruim twee jaar oud mee op de fiets, op een merkwaardig kinderzitje dat leek op een klein metalen tractorzadel, zoals haar zoon zich later herinnerde. Cor heeft haar stijfgevloekt: nooit, nóóit meer een kind mee waar naartoe ook. Als kanttekening mag gelden dat hij nooit vloekte, ook later niet.

Maar buiten de poort ging Dieuwke wel in actie. Samen met broer Albert bezocht zij een heer R. (Rompa, zo ver onze huidige herinnering reikt), de commissaris van onder andere de Weegwerktuigenfabriek Molenschot waar Cor werkte voor hij opgepakt werd. Albert kwam hiervoor per trein uit Den Haag en had Dieuwke opgedragen twee fietsen bij zich te hebben. Daarop reden ze samen naar het dorp Terheiden benoorden Breda waar ze R. ontmoetten. Deze (zeer rijke) heer was behalve commissaris ook ernstig bevriend met de SS-er die directeur was van de Polizeigefängnis. Deze R. zei, ten antwoord op Alberts vraag, niet te weten dat Cor gevangen en ter dood veroordeeld was. In elk geval wist hij niet dat Dieuwke Alberts zuster was.

Nadat de heren langdurig over koetjes en kalfjes (lees oorlog, bombardementen, etc.) hadden gepraat, kwam het er op neer dat Albert duidelijk maakte dat indien er van zijn zwager ook maar één haar op zijn hoofd gekrenkt werd, hij niet wist of hij zou kunnen voorkomen dat bekend werd waar een partij staal, bestemd voor een munitiefabriek in Dresden, gebleven was, evenals een voorraad leer uit de Langstraat, alsmede waar de schilderijen uit kasteel Duivenvoorde nu hingen. Direct daarop liet Albert Dieuwke en zichzelf vertrekken. Daarbij siste hij haar toe: “Net omsjen!” (Niet omkijken!) Volgens het familieverhaal zoals doorverteld door haar dochter Aukje voegde Albert nog toe: “denk aan de vrouw van Lot!” Voor de gehele waarheid kunnen we niet instaan, maar de mirakels waren ook toen de wereld niet uit: het vonnis werd omgezet en Cor werd op transport gesteld naar een concentratiekamp Sachsenhausen.

De details ontgaan ons, maar Bernard is in 1942 op eigen verzoek door het Arbeidsbureau Leeuwarden als auobuschauffeur naar Duitsland gezonden. Jan aan de andere kant dook onder om te ontkomen aan de Arbeidseinsatz en ook dat leidde tot – veel – spanningen. Jel werd om zes uur ‘s ochtends door de bezetter van huis opgehaald om ondervraagd te worden over haar broer. Het was buitengemeen spannend, Jan was de vorige avond langs geweest en Harry was in huis. “Ze hebben de hele dag over Jan gepraat … komt hij wel eens thuis? Jan moest onderduiken. Hij had zich moeten melden en dat had hij niet gedaan. Hij zat diep in het verzet. Hun huis in Sneek werd doorzocht en daarna is Hester met het hele gezin schuilgegaan.” Ook op de Groningerstraatweg liep de spanning die dag hoog op. Dieuwke wist – met haar Haarense ervaring – toegang te krijgen tot Jel door met een pak maandverband onder de arm de ondervragers te verzekeren van de vrouwelijke vertrouwelijkheid die toch wel geboden was bij het intieme gesprek waaraan haar zus een dringende behoefte had. Het liep uiteindelijk met een sisser af. Jel kon weliswaar weer huiswaarts keren, maar Beppe Aukje was sindsdien doodsbang voor de deurbel.

Hes zat met haar drie kinderen op onderduikadressen in Groningen, Overschild, Schildwolde en tenslotte bij een boer in Ternaard. Jan was daar bijna nooit, als hij kwam, was het onverwacht en heel vluchtig, anders was het te gevaarlijk. Klassiek is het familieverhaal over de boer die niet alleen meerdere onderduikers in huis had, maar ook goede contacten onderhield met de Duitsers zodat er geen verdenking op hem zou rusten. Toch werd Jan een keer met de kleine Piet aan de hand verrast door een Duitse soldaat. Piet keek hem nieuwsgierig aan en stelde de prangende vraag: “Gaat u mijn vader nu doodschieten?”Jan wist volgens de familiefolklore door hevig lachen het vege lijf te redden. De Duitser, een vriendelijke, oudere man, lachte met hem mee en zei: “Ach, ja, van je kinderen moet je het hebben.”

Jan, Piet, Nely, Hes en de kleine Jan Dirk op onderduikadres; 1943.

Van eind augustus 1942 tot begin februari woedt aan het Oostfront de infameuze Slag om Stalingrad, die een keerpunt zou betekenen in de Tweede Wereldoorlog. De Kerstdagen werden weer gevierd met Dieuwke en haar kinderen – zonder Cor – terwijl Harry voor het eerst zijn opwachting maakt. Pasen ’43 wordt gekenmerkt door een zonnige wandeling in het nabijgelegen Rengerspark, in het goede gezelschap van Corrie en Marinus met hun Aukje. In de loop van het jaar 1943 zag Jan Dirk het levenslicht in Sneek en weer een Aukje in Voorburg.

“Krystiid ’42.”, met Dieuwke en zoons Bart en Piet plus Jel en Harry.

Nederlandsche Staatscourant, 12 februari 1943.

Pasen ’43 in het Rengerspark in Leeuwarden, met Corrie, Marinus en hun Aukje.

Te midden van alle duisternis was het ongetwijfeld een blijde gebeurtenis, toen in 1943 de Friese Bijbelvertaling uitkwam. Pake Piet  heeft als adviseur van vertaler Folkertsma actief meegewerkt. Folkertsma – een wat wereldvreemde vrijgezel – kwam tenminste eens per week bij Pake en Beppe aan. Vanaf dat moment werd twee keer per dag gebeden en voorgelezen uit de Friese Bijbel. Hij heeft een keer of tien de hele Bijbel gelezen en elke keer gaf hij dan met balpen (meestal blauw of zwart, maar ook wel rood) met een rondje aan dat hij een bepaald stuk weer gelezen had. Helemaal achterin werd dat met jaar en dag aangegeven, bijv. dan en dan in dat en dat jaar Genesis 1 (dus weer opnieuw begonnen).

Het titelblad van de Friese Bijbel.

Deze totaal beschreven pagina laat zien dat Pake Piet de Friese Bijbel meteen na de verschijning is gaan gebruiken en dat hij er binnen het jaar door was. Daarna geeft hij elke keer dat hij weer met Genesis begint aan op welk tijdstip dat geschiedt. Of wat hij ’s morgens, ’s middags en ’s avonds op 4 juni (?) las.

Zeer bijzonder zijn de kanttekeningen die Pake Piet in de loop der tijd plaatste. Opmerkingen bijvoorbeeld over vertalingen waar hij het niet mee eens was (alles met balpen zomaar waar hij het nodig vond). Als hij iets niet duidelijk voor zich zag, bijvoorbeeld bij een veldslag waar diverse stammen aan deelnamen, dan tekende hij midden op de bladzij een verhelderend schema. Het is buitengewoon vreemd dat hij met die Friese Bijbel zo ‘eigen’ omging. De huidige bezitster Aukje Corries kan het alleen maar verklaren uit het feit dat hij voortdurend met Folkertsma over deze Friese Bijbelvertaling heeft zitten discussiëren.

Kritiek van Pake op de vertaling. In plaats van had moeten worden gebruikt juster en earjuster. In de tekst wordt dat in vers 3 (jister en earjister) en vers 5 (foarige en foarfoarige) inconsequent gedaan. Let op de met balpen getekende rondjes, die aangeven dat hij bij hoofdstuk 31 voor de zoveelste keer was aangeland.

Een fout in de vertaling. Het moet niet zijn ‘fyftich tuzen’, maar ‘fyftig op ‘e tuzend’, wat door Pake onderaan de pagina wordt doorberekend. In de moderne Nederlandse vertaling staat inderdaad 50 op de 1000.

Op een los inliggend blaadje achterin nog weer kritiek op de vertaling van Folkertsma-Wumkes betreffende de uitdrukking ‘voor dag en dauw’. Pake noemt de vertaling zoals Folkertsma-Wumkes die geven – namelijk ‘Foar dei en foar dage’- een ‘útfynsel fan de fortaler (-s)’.

Dit is een heel merkwaardige tekening (balpen) waarbij Pake Piet voor zichzelf inzichtelijk wilde maken op welke plek in de stoet de verschillende stammen van Israel zich moesten opstellen wanneer het volk in de woestijn onderweg was richting het Beloofde Land (mei de sinne om). Dat werd direct na de uittocht uit Egypte zo vastgesteld.

In september 1944 mislukte de oversteek van Montgomery naar Arnhem. De Geallieerden zaten bezuiden de grote rivieren, terwijl de Duitsers het noorden beheersten. De aanvoer van voedingsmiddelen uit Friesland en Groningen in het nieuwe frontgebied liep sterk terug en de Hongerwinter was aanstaande. Via een medewerker van de prijsbeheersing wist Albert – nog steeds op non-actief op zijn departement – een stempel te regelen op zijn persoonsbewijs dat hij was vrijgesteld van arbeidsinzet. De ondergrondse waarin zijn contactpersoon actief was, ‘leende’ het stempel ’s avonds van de Sicherheitsdienst en legde het ’s morgens weer terug. Het stempel was dus echt, de paraaf nagemaakt.

Ook in huiselijke kring stapelden de veranderingen zich. Omke Albert en Muoike Maaike werden 65 jaar en verhuisden naar een rusthuis, waar ze naar verluidt op slaapzalen werden ondergebracht. Nog dichterbij werd Beppe Aukje in dat laatste oorlogsjaar ernstig ziek. Ze was niet langer opgewassen tegen de angst, bezorgdheid en onzekerheid, vooral over alle kinderen. Dat uitte zich in malaise op allerlei vlakken en om uit de hectiek van Leeuwarden – de bombardementen vooral – te ontsnappen verhuisden ze naar de rust van het dorp Veenwouden, een kleine twintig kilometer ten oosten van Leeuwarden en een kilometer of vijf ten noorden van Bergum. Marinus en Corrie verhuisden in juni 1944 van hun standplaats Lobith naar Muntendam. Kort tevoren, op 10 maart 1944, was hun tweede dochter Annemarie geboren.

In Veenwouden heeft Pake Piet een aantal zaken die hem ten zeerste bezighielden, op papier gezet in de vorm van een schrijven aan zijn kinderen. Zijn aantekeningen, in zijn precieze handschrift, werd later van kanttekeningen voorzien door zoon Jan. Ze zijn ook ver na dato het lezen meer dan waard. Hij vertelt kleurrijk over zijn jonge jaren en de diensttijd en ook over de eerste jaren samen met Beppe Aukje; wij citeerden daaruit al eerder. In zijn aanhef excuseert hij zich: het is geen lopend verhaal maar veeleer een soort memoriaal waarin hij met sprongen in de tijd aspecten van het leven raakt die hem belangrijk toeschijnen.

“Aan de kinderen.

Veenwouden, 24 september 1944:

In dit boek zal aangetekend worden D.V. korte herinneringen uit een familieleven, die zo nu en dan mij in het zin komen. Een volgorde in tijd zal daarom niet mogelijk zijn. Allereerst zal ik beginnen met de tegenwoordige tijd wat op te tekenen, de verschrikkelijke oorlogstijd. Ook hierin zal de volgorde wat ontbreken en moet ik alle vrijheid houden.”

De eerste inbreng, van september 1944, spreekt voor zich: “Wij zitten sinds 18 april al in Veenwouden. Jullie Mem moest de hele winter al bed houden. Zwaar ziek geweest en met de bombardementen boven onze hoofden, was dat een groot lijden. Zodra ze in een taxi vervoerd kon worden, is dat gedaan. Er liggen in Veenwouden, Noordbergum, Bergum, Hardegarijp en Tietjerk een hoop Duitsers. Vandaag 26 september zijn ze allemaal weggegaan. Djoeke is hier ook in Veenwouden. Met haar beide kleine jongetjes in een huisje aan de ‘nieuwe weg’. Wij zitten midden in de buren, vlak voor de opslag.” Nadere informatie leert dat ‘de opslag’ de haak in de vaart is waar schepen in het dorpscentrum konden laden en lossen.

Nieuweweg Veenwouden, jaren dertig.             Gereformeerde kerk in Veenwouden; 1936.

De Hoofdstraat in Veenwouden.

Dorpshistoricus Klaas Wielinga[1] liet ons aan de hand van drie foto’s, die vanaf de Buorren zijn genomen, zien wat onze familie in ‘44-’45 heeft gezien en ervaren. Op de eerste prent zien we de haven, destijds voor de scheepvaart hier zowel begin- als eindpunt van de Veenwoudster vaart naar het noorden. Op de tweede foto zien we, een kwartslag naar rechts gedraaid, het oosten in; op de derde zien we, een kwartslag naar links gedraaid, het westen in.

De Haven, naar het Noorden.                                            Oosteind, het Oosten in.

Het Westen in.

De Opslag is de ruime plek rechts op de foto, goed bereikbaar vanaf de Hoofdstraat en eveneens vanaf de aangemeerde schepen. Op deze plek konden schippers hun meegebrachte goederen deponeren en de belanghebbenden, de geadresseerden dus,  konden die dan naar eigen inzicht ophalen. En het gold ook andersom: dorps- en streekbewoners hier konden hun goederen enz. op de Opslag kwijt tot de bodedienst – die was er ook, op Leeuwarden en op Dokkum – ze kwam halen.

Naast deze vrachtschepen was er veel boerenverkeer op het water, dat dé toegang was voor de talrijke stukken en stukjes weiland in het ‘buitenveld’. Dat vervoer ging per praam, een platbodem die veel vracht kon hebben. Denk aan vrachten gras en hooi. Maar ook aan vee als schapen en koeien, dat in het voorjaar naar buiten werd gebracht en in het soms natte najaar weer thuis werd gehaald. De boeren moesten de koeien daar ’s zomers soms wel drie keer verweiden om ze voldoende gras te geven. En de koeien moesten ook daar elke dag twee keer worden gemolken. Om het dagelijkse ‘heen en weer’ over water te maken gebruikte men schouwen, meestal gebouwd op de plaatselijke scheepswerf.

Soms liep het ‘halve dorp’ uit om in de haven de aankomst van de kermisattributen mee te maken. Het lossen ervan in voor- en najaar bracht voor de jeugd genoegelijke uurtjes van vertier, want zweefmolen, draaimolen, knikkerbakken, schiettenten en dergelijke werden pas op het kermisterrein gemonteerd. Als de havenfoto iets wordt vergroot, is rechts op de achtergrond te zien hoe vrachten hooi, turf en riet liggen opgeslagen. Het gebouwtje rechts is een cichoreidrogerij. De Haven is in de naoorlogse jaren beetje bij beetje verdwenen, de vervoersfunctie over water was intussen al lang overgenomen door de vrachtauto.

Dinsdag 6 juli 1944 ging de geschiedenis in als D-Day: de dag van de geallieerde landingen in Normandië. Ruwweg van die tijd dateert de foto van Piet en Nely Jans, die we troffen in het album van Pake Piet en Beppe Aukje. Ook de twee foto’s van Dieuwke’s zoons Bart en Piet in Veenwouden stammen van deze periode.

Nely en Piet op hun onderduikadres in Nes; 1944.

In die periode is ook Jel verhuisd naar Veenwouden. De universiteit was gesloten en toen na Dolle Dinsdag – 5 september 1944 – de treinverbindingen uitvielen, was ook Harry – inmiddels voorzien van een vals paspoort en bij razzia’s ondergronds verblijvend – “gedwongen” om zich met Jel op het zoldertje te vestigen. “Heit vond het maar niks dat die jongen bij ons in dat kleine huisje was”, herinnerde ze zich met een glimlach. Hij moest als beginnende toetreder tot de familie de gastvrijheid kennelijk ook niet overdrijven. Toen Pake Piet, doordrongen van de waarschijnlijkheid van een langdurig verblijf in Veenwouden, zijn harmonium per vrachtschip uit Leeuwarden had laten overbrengen en Harry enkele stukken speelde, wierp de heer des huizes hem toe: “Je moet niet denken dat je er de hele tijd op kan spelen.”

Bart en Piet van Dieuwke, rechts spelend met Jel; Veenwouden, 1944.

Pake Piet spande zich in toenemende mate in om levensmiddelen naar Holland te sturen, bruine bonen, vet, suiker. In mei ’46 herinnert hij zich een mooi voorval – hij spreekt van een “vrolijke noot” – met zijn oude vriend / tegenstrever Hendrik Sipkes, dat zich afspeelde in de herfst van ’44. Sipkes deed in die tijd vanzelfsprekend ook mee met de sluikhandel, vertelde hij. Hij had volgens de verhalen in Driesum een schip liggen met levensmiddelen en pakken vol Cadeau-artikelen. “De Duitsers kregen daar de rook van en Sipkes kwam in de cel en zijn voorraden werden in beslag genomen. Dat werd al gauw bekend bij ons in Veenwouden en ook dat hij weer op vrije voeten gekomen was.” Het zat hem dwars. “Uit wrevel tegen de bezetter en uit meeleven met een oude man als Sipkes, reed ik op de oude transportfiets naar Dokkum. Sipkes vroeg mij in de voorkamer en ik betuigde hem mijn deelneming en belangstelling. Hij werd daar ontroerd van. Ik heb hem toen ook gezegd, dat hij een van de mensen was die die ’t mij in zaken het meest en het gevoeligst geplaagd had. Hij had dat nooit zo gezien, zei hij.’

“Om een lang verhaal kort te maken: ‘Heb je ook een lekkere Goudse kaas voor mij?’ Ik had wel een paar goede relaties, Jelle Bultsma bijvoorbeeld, en ik beloofde het onder voorwaarde dat ik twee dozen met elk twintig pak havermout krijgen zou. ‘Nee! Dan gaat het over.’ ‘Een doos.’ En het ging over. Wij scheidden als vrienden en ik stapte op. Voordat ik zowat bij het pakhuis van Roolvink was (Boterstraat) ging de voordeur bij Sipkes open: ‘Hé, Piet, kom eens even terug! ’t Moet toch maar doorgaan.’Zo ging er een grote Goudse kaas naar Dokkum en twee dozen havermout van Dokkum naar Veenwouden. Men zou verwachten kunnen dat de vrede nu getekend was, maar het was nog maar ’44 en de zaken wachten nog op stabiliteit ook op het gebied van de margarine.”

Met een goede kans ging een deel van die havermout naar Albert en Aly in Holland. Dagelijks moesten Dieuwke en Jel keurige postpakketjes met getypte adressen brengen naar het postkantoor dat gevestigd was in De Stins, het laatste minikasteel dat in Fryslân aanspraak mocht maken op die benaming. De plaatselijke kantoorhouder had een technisch probleem: hij kon de “w” niet zeggen. Dat leidde tot komische momenten als hij bijvoorbeeld vertelde heduwnaar te zijn. Hij leefde echter ook zeer mee met zijn vaste klanten en hun verre families. Op een dag raadde hij aan dat mijnheer Hinsemius de adressen maar niet meer moest typen. De Duitsers konden er achter komen wie nog een schrijfmachine had.

Schierstins in Veenwouden; 1940.

In 1944 voer ook een schip vanuit Leeuwarden naar Amsterdam om daar ondervoede kinderen op te halen. Ze werden daarna op het land ondergebracht. Hoewel het precieze verhaal wat onduidelijkheden bevat, stak het Piet, die de crisisjaren ten volle had meegemaakt, dat het schip in de omgekeerde richting leeg was. Hij kreeg het gedaan dat de suikerfabriek in Vierverlaten, dichtbij Hoogkerk in Groningen, het ruim vulde met bruine suiker. Hiermee kwam een einde aan het lokale suikertekort op de plaats van bestemming.

Naast het zoet vroeg ook het zout aandacht. In navolging van zijn zoon Albert schoot Pake Piet op 18 november 1944 zijn verre neef Albert Winsemius aan, de zoon van Thomas Wensemius en Grietje Kamminga, die in Amsterdam in het zout zat: kan je me vier pond zout zenden? In zijn verheugde dankbrief van Sinterklaasdag 1944 meldt hij de ontvangst van het zout. Op zich hebben ze het in Veenwouden beter dan in Leeuwarden. De aardappels zijn zelfs niet meer op de bon en – hoewel door de barre omstandigheden de melkgift van de koeien wel minder wordt – is er ook nog voldoende melk. Even verderop in de brief meldt hij dat de pakjes naar Voorburg nog steeds goed doorkomen. En hij houdt zich ook aanbevolen voor verdere zoutzendingen uit Amsterdam.

Pake Piet schiet zijn verre neef Alb. aan: kan je me helpen aan 4 pond zout?; 18 november 1944.

In een volgende brief, van 21 januari 1945, is er sprake van mogelijk zoekgeraakte pakketjes, maar op 17 februari – hartje Hongerwinter – blijkt een zending van 2 februari te zijn gearriveerd. Dat trof bijzonder want Pake Piet had de dag tevoren “een flinke kist kleiaardappelen” per boot via Harlingen naar Amsterdam verstuurd. En passant meldt hij: “Hier is verder alles goed, ook mijn vrouw is flink tegenwoordig.” De winter nadert zijn einde en op afzienbare termijn zullen de weersomstandigheden beter worden. Ze maken zich wel grote zorgen over de kinderen. “Bernard zit reeds lang in Duitschland te werken, maar heeft het tamelijk goed getroffen. … De schoonzoon die al 2½ jaar gevangen zit, is denkelijk ook in Duitschland. We hopen vurig dat we elkaar levend terug zien.”

Twee fragmenten van een brief van Pake Piet aan “Neef Alb.”; 5 december 1944.

Brief van Pake Piet aan zijn verre neef Albert en diens familie; 17 februari 1945.

In februari 1945 schrijft hij ook weer in zijn memoriaal: “De Duitsers al lang weer in het dorp gelegerd (openbare school). Ze waren maar een week of zes, zeven weg en waren toen oostelijker gelegerd.” Wat volgt is kenmerkend voor de kerkelijke rariteiten zelfs van die tijd: “Wij zitten tegenwoordig ook middenin de jammerlijke strijd die de Gereformeerde kerk teistert.” Je moet er niet te veel gewicht aan toekennen maar het meer zien als een blijk van grote domheid, legt hij uit, dat een van onze melkleveranciers (Willem Wiersma), die wij kennen omdat hij met onze jongens destijds in de stad uitging, ons de levering opzei, omdat wij (Jel en ik) naar Prof. Schilder geweest waren, die in Murmerwoude sprak en hij (Wiersma) met bezwaarden niets van Schilder hebben moest.”

Wat was er aan de hand? Een vleugel van de Gereformeerde Kerk onder leiding van professor Klaas Schilder splitste zich af en ging de Gereformeerde Kerken (onderhoudende art. 31) vormen, later de ‘vrijgemaakten’ genoemd. De aanleiding was onder meer de onenigheid over de precieze betekenis van de doop. Was de doop alleen geldig als de gedoopte de rest van zijn/haar leven gelovig bleef, en doopte je op grond van een veronderstelde wedergeboorte (de synodalen)? Of is de doop een teken van Gods belofte dat je Zijn kind mag zijn, waarbij de dopeling geroepen wordt om ook als kind van God te leven (de vrijgemaakten)? Daarnaast speelden kerkrechtelijke zaken een belangrijke rol, vooral of kerken synodebesluiten moesten goedkeuren (vrijgemaakten) of moesten accepteren en bij volgende synode bezwaar maken (synodalen, ook wel bezwaarden genoemd).

Professor Klaas Schilder als rector van de Theologische Hogeschool in Kampen; 1941.

De Vrijmaking kwam op een uiterst ongelukkig moment. In 1944 was de Duitse bezetting op zijn ergst en het was dan ook niet eenvoudig een synode bijeen te roepen. Openbaarf vervoer was er nauwelijks en liep het risico bestookt te worden door de geallieerde luchtmacht. Een aantal kopstukken waaronder Schilder was ondergedoken vanwege hun aandeel in ondergrondse activiteiten. Op de synode van 1944 zijn de vrijgemaakten – zo beweren zij zelf – niet netjes behandeld, maar ook de koppige houding van Schilder heeft bijgedragen aan de kerkscheuring. Schilder was een polemisch gezind man – volgens velen een querulant – die zijn opponenten nogal eens tegen zich in het harnas joeg. De synode besloot om Schilder te schorsen en uiteindelijk te schorsen als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken te Kampen.

De kerkscheuring van 1944 veroorzaakte veel leed in de ooit zo hechte gereformeerde kring. Het klinkt nu mal – Jel noemt het “krankzinnig”- om in het moeilijkste jaar in onze vaderlandse geschiedenis een kerktwist zo op de spits te drijven. Pake Piet was een principieel mens die over dergelijke zaken zijn gedachten had. Jel legde uit: ‘bezwaarden’ wilden Schilder kwijt, Pake hoorde daarbij maar wilde Schilder niet kwijt. Het rukte families, soms gezinnen uiteen maar dat gold niet de familie Winsemius.

Pake ademde door: we slaagden er desondanks melk te krijgen bij een boer wat verder op, maar dat hinderde niet. En dan vatte hij zijn positie samen: “Ik heb wel bezwaren, maar ben niet ‘bezwaard’. Jel staat ook onder invloed van Groningen en daardoor…. Het gaat over zeer moeilijke dingen. Dominee is er niet van, laat staan een leek.”

Op 1 maart 1945 twijfelt Pake Piet aan de goede afloop. De onzekerheden zijn enorm. Bernard zit in Hamburg; hoe het gaat, is onduidelijk. Cor zit vermoedelijk in een concentratiekamp in Duitsland; nadere berichten ontbreken. Jan zit ondergedoken maar de geprangde bezetters zijn genadeloos. Bij al die spanning is ook het groeiende besef dat Gouda zeer ernstig ziek is, getroffen door een kanker die haar lichaam steeds verder aantast.

In Holland werpt de Hongerwinter een zware schaduw over het gezin van Albert en Aly dat nu ook de kleine Aukje omvat. Pake Piet sombert: “De oarloch durret mar troch” (de oorlog duurt maar door). In Holland dreigt hongersnood. Wij doen ons best om er van alles naar toe te sturen. Tarwe, rogge, erwten, vet, aardappels. Maar de gelegenheid is krap. Auto’s zijn niet te krijgen. Tarwe, rogge, erwten worden ook zo duur betaald. Als er een vergunning komt voor een auto, kost het samen f 700,- vracht.” Hij rekent voor dat de auto van Hofstra uit Ureterp 2½ ton kon hebbenwegen. De eigenaar wou 1 ton zelf hebben dus er bleef 1½ ton over voor Unilever. De retourvracht zou bestaan uit waspoeder in zakken. De heenreis moest f 500,- vracht doen en de terugreis f 275,-. Bij navraag is gebleken dat de auto 5 ton kon dragen en dat de heer Hofstra dus 2½ ton voor zichzelf wilde houden. Wij moesten dus de vracht betalen en daarvoor kregen wij 1½ ton ruimte. Dat was ons te bar. Zijlstra slaagde er in voor f 200 een vracht van 14 mud aardappelen maar het kantoor Den Haag te krijgen. Ze hebben thuis de noodvoorziening weer aan, een “been(?)”met een lamp erop gefabriceerd. Elektrisch licht is er alleen nog bij de boeren en bij zieken (en bij de Duitsers vanzelfsprekend) en dat nog maar enkelen uren per dag.

Zijn memoriaal beschrijft de diepte van de ellende en de speciale rol van vrouwen: “Het land wordt plat gelopen door Hollandse vrouwen, die om eten vragen bij de boeren. Zij kunnen het meestal beter krijgen dan wij. Wij kunnen voor een daalder geen kop tarwe meer kopen. Corry is uit Muntendam een paar dagen bij ons geweest. Gisteren weer naar huis gefietst.” Een fietstocht vanuit Amsterdam naar Veenwouden besloeg toch gauw 200 kilometer en dan moest je nog terug met – hopelijk – zware bepakking. Er is ook sprake van ‘hongertrekkers’ die gedreven door de schaarste kozen voor een onzeker bestaan zonder vast domicilie, maar dan nog gaat het om grote afstanden. Overigens mag ook Corrie’s familiebezoek niet worden onderschat, 75 kilometer enkele reis is onder maartse omstandigheden geen kleinigheid. Bovendien was ze vier maanden zwanger. Opvallend is wel dat zowel Pake Piet als Corrie nog over fietsen beschikten.

Door de nood gedwongen bedreef ook Pake Piet zelf – goed 60 jaar oud – een vorm van topsport door vanuit Veenwouden zijn Unilever-werk te blijven doen: “Ik fiets de hele winter, als het wat weer is, wekelijks drie keer naar de stad. Ons kantoor is maandags, woensdags en vrijdags open. Een week of wat geleden moest dat op de thuisreis in een sneeuwstorm. Om de Engelse luchtaanvallen te ontlopen nu en dan schuilen tegen een boom aan. Het laatste eind van Hardegarijp af wilde het niet meer fietsen, dus maar lopen.”

Zelfs op halve kracht werkend was het binnen het Friese Unilever niet gemakkelijk. Veel werd door de bezetter weggesleept. Zo kreeg V.K. Leeuwarden – Pake’s verkoopcentrale – een telefoontje van V.K. Groningen dat de Duitsers hun voorraad Diamantvet hadden weggekaapt en dat ze op weg waren naar Leeuwarden om dat ook leeg te halen. Van Ewijk beschreef de reactie: “Na deze waarschuwing vormden wij met kantoor- en magazijnpersoneel een soort estafette en hadden in de kortste keren onze hele voorraad Diamantvet verborgen onder pakpapier en archiefstukken op de grote zolder staan, waar de rovers gelukkig niet zijn gaan zoeken …”

Van Ewijk herinnerde zich ook hoe op gegeven ogenblik een aantal vertegenwoordigers ziek was en hij de provincie werd ingestuurd. Vooral aan Paessens bij Moddergat aan de Wadden bewaarde hij een merkwaardige herinnering: “Daar heeft Unox in de oorlog een ‘nederzetting’ gehad om op kokkels – eetbare schelpdiertjes – te vissen. Ze werden ter plekke gekookt, in grote vaten gedaan en via V.K. Leeuwarden naar Oss gezonden. Unox deed ze daar in glazen potten.” Omdat het artikel zonder bon verkrijgbaar was ging het vooral in Noord- en Zuid-Holland vlot van de hand. “In Friesland zelf heb ik wel eens mensen gesproken, die van kokkels moesten … kokhalzen.”

Improviseren werd een door nood gedreven kunst. Pake Piet: “Op een keer lag er een schip in het kanaal met grote balen melasse, een soort van dikke bruine suiker. Wij ruilen daar wat van in, maar dat pakte raar uit. Dat goed werd op het laatst ranzig en wij moesten gauw zien dat het verdeeld werd.”

“Ik heb een oude transportfiets en het paard met de wagen mee naar Veenwouden genomen. Er zitten op de fiets nog goede banden, maar zwaar rijden?” Het paard is kennelijk ondergebracht bij de vervoerder (karrerider) Ulbe de Vries, die zijn auto al kwijt was. “Het paard is gelukkig al een paar keer afgekeurd, wegens ‘platvoeten’. We konden laatst nog een wagenvol elzenwalhout uit Oudkerk halen en dan maar zagen. Onze kachel wil met alles branden.”

Op Paasmaandag 2 april 1945 begint hij met een zucht van hoop: “De vijfde Pasen in de oorlog. Er wordt gezegd dat de Engelsen Oldenzaal en de Gelderse Achterhoek hebben. Dagen aaneen was het bulderen van de kanonnen hier te horen. ’t Is bar slecht weer, alle dagen storm uit het noordwesten.” Hij vertrouwt hij een levensbeschouwelijke tekst aan het papier toe: “Pasen heeft de mensen vertrouwd gemaakt met dood en graf. Het laat ons nadenken over de plaats waar we graag beaardigd worden willen en over meer dat daarmee in verband staat. Van onze kant van de kerk hebben wij, Mem en ik, vorig jaar twee graven gekocht.” Daarna volgt een hele uitleg hoe de stenen er uit moeten zien en het onderhoud wordt geregeld. Bij het graf van zijn schoonouders is een en ander mis gegaan en is er ook sprake van een spanning met Omke Doede.

In een krabbel uit 1959 meldt hij dat deze zaak later in orde gekomen is. Ze hebben nu de eigendomsbewijzen van het graf. Zoon Albert heeft de steen betaald. Zoon Jan annoteert echter: “Er zit wel eventjes wat meer achter. Heit dacht wel over een grafkelder voor de hele familie, maar gaf dat idee op. Er kwam een liggende steen aan de orde, maar, jonge, zei hij, ik zit daar over in. Want als ik dan ‘opwekke’ word, en de bazuinen hoor, dan ben ik bang dat ik met zo’n zware steen niet zo gauw uit dat graf komen kan.” De opstanding die belemmert zou worden door een te zware grafsteen was een serieuze gedachte, benadrukte Jel vele jaren later. Pake Piet zag de opstanding als een fysiek gebeuren. Hij vertelde ook dat kerken altijd naar het oosten staan evenals de graven, weer vanwege de opstanding. In die richting moet je kijken, daar zou Jezus waarschijnlijk vandaan komen.

“Het versturen van eten wordt met de dag onmogelijker”, schrijft hij op 4 april, “wij weten ook niet of alles wel aankomt.”Hij heeft een tip van Bakker uit Groningen, dat er een boot naar Holland zou varen en dat die wel wat mee kon nemen. “De boot zal om die en die tijd op Bergumerdam zijn. Op de oude transportfiets erheen, het kistje op de bagagedrager, goed verzegeld met bandijzers en zo. Nu maar afwachten of het aankomt.” Er was ook een schrik: er was een Duitse soldaat langsgekomen om de transportfiets weg te halen. Pake Piet had geprobeerd hem te bepraten: “ik kan de fiets niet missen voor mijn fouragering, maar hij zei: ik ben ook bakker. De volgende morgen om vijf uur klopte Akke (onze huisbazin) op de deur: de fiets is er weer”. Hij sluit af: “De frijheid komt tichterby.”

Aan het oorlogsfront waren de geallieerden in maart 1945 de Rijn over gestoken en de langverbeide bevrijding kwam dichtbij. Op 8 april werden er Franse parachutisten bij Appelscha gedropt, iets meer dan vijftig kilometer van Veenwouden. Ondertussen trokken de Canadezen vanuit Drenthe richting Friesland. Op diezelfde achtste april klonk er een boodschap via radio Oranje: “De fles is leeg”. Dit is het teken voor de BS – de Binnenlandse Strijdkrachten oftwel het georganiseerde verzet – om met sabotagedaden te beginnen. Om de troepenverplaatsing van de Duitsers te belemmeren werden bruggen opengedraaid, spoorwegen geblokkeerd, wegen met bomen versperd en richtingsborden verwijderd. Op vrijdag 13 april reden de eerste Canadezen Appelscha binnen, een dag later bewogen hun tanks zich via Drachten richting Veenwouden. Om tien uur loeit in Veenwouden nog de sirene; er werd geschoten tussen Duitsers en de BS. ‘s Middags reed een groep van zo’n 40 Canadezen Veenwouden binnen om vervolgens door te trekken naar Damwoude en dezelfde avond nog naar de markt in Dokkum.

Pake Piet beleefde het ten volle, op 14 april 1945 schrijft hij: “De Heer heeft grote dingen voor ons gedaan. Anno Domino 1945 de 14e van de grasmaand (“Gersmoanne” oftewel april). De tanks van de Canadezen rollen bij ons het dorp in. Vanmorgen hebben we een grote schietpartij gehad, vlak bij ons huis, tussen de zwarte landwacht en de bevrijdingsstrijders van eigen volk. Een kogel kwam door de ruit en in een balk. De hele morgen is er al schieterij geweest op Burgerheide en verderop naar Kootstertille en toen kwam Djoeke aanvliegen op de fiets: ‘een hele boel tanks bij de overweg’ en jawel, daar stonden ze, de bruine feargie(?) Canadezen. Het volk was niet te houden. Kinderen klauterden bij de tanks en …. op. Op de terugreis naar het dorp bij ons huis, vlak voor onze deur, rolden ze ons allemaal voorbij, op naar Dokkum.”

Canadeze tanks in Friesland; april 1944.

De volgende dag[2] schrijft hij: “Zondagmorgen. Vrij!!! Na vijf jaar (sinds 10 mei 1940) onder de gemeenste en op zijn uiterst geraffineerde wijze onderdrukt te zijn. Bijna vijf jaar geleden dat onze Jan als krijgsgevangene afgevoerd werd.

              Dizze ellenden.

Gaan volenden.

Vanmiddag gingen de eerste Duitse krijgsgevangenen ons voorbij …..”

Duitse krijgsgevangenen worden afgevoerd in Friesland; april 1945.

Twee dagen later, op 16 april, is hij echter weer in mineur: “Vandaag vijfenveertig jaar geleden is onze Mem gestorven. Over de glans van onze blijdschap ligt een schaduw. Van Gouda is bericht gekomen dat zij dodelijk ziek is en geen hoop op beterschap. Djoeke is vandaag bij haar geweest in het ziekenhuis. Bernard is nog in Duitsland bij wie wij geen boodschap kunnen krijgen.” De kleine Douwe vond die dagen onderdak bij Gouda’s familie in Leeuwarden.

Op 30 april is er goed nieuws uit Ternaard: Bernardus Pierius  Winsemius is geboren. Jan stuurde een briefje met een auto mee, met het nieuws. Hij was op maandag 23 april weer uit Veenwouden naar zijn eigen huis gereisd. Op 3 mei ia Cor jarig, maar we hebben uit Duitsland niets gehoord. Waarschijnlijk zit hij in Oraniënburg(concentratiekamp Sachsenhausen). Oraniënburgis al door de Russen bezet. Van Bernard ontbreekt elk bericht. Hij zit waarschijnlijk in Jever (Oldenburg). “Gouda leit slim siik yn’t sikenhus. Hjoed ek de beste dei fan Mem.” Er worden duizenden tonnen etenswaren door vliegtuigen boven Holland uitgesmeten.

En dan komt 5 mei 1945: “Hjoed is it feest yn è sted.” Nederland is bevrijd, de Duitse legers hebben wapens neergelegd. “Vijg jaar op vijf dagen an hebben wij onder een zwaar en wreed juk moeten gaan. Vrijdag 10 mei ‘40, ’s morgens om 7 uur kwamen zij de stad in, het Herenvolk met de Germaanse cultuur, dat een klein vreedzaam volk omver liep; vrijdag 4 mei ’45 zijn zij smadelijk verslagen.”

Twee korte mededelingen in zijn memoriaal getuigen van de geestelijke nood van Pake Piet:

“15 mei 1945: Gouda vanmorgen vroeg gestorven. Van Bernard geen bericht.”

“19 mei 1945: Heden haar begrafenis.”

Jel herinnert zich hoe Pake Piet de halve provincie heeft afgefietst om in het feestende Friesland hout te vergaren voor haar kist. Hij wist uiteindelijk een deur op de kop te tikken. Hoe groot kan een contrast zijn tussen geluk en verdriet? Douwe was ondergebracht bij Gouda’s moeder Septje, die een overlijdensadvertentie liet plaatsen namens Bernard en zijn zoontje. Haar vader Douwe was in 1943 overleden.

Rouwadvertentie in het Friesch Dagblad, 5 juni 1945. Singelstraat 15 is het adres van haar ouders.


[1] Wij zijn de heer Klaas Wielinga, dorpshistoricus van Veenwouden, erkentelijk voor het lichten van een deel van de sluier over het verblijf van Pake Pieter en Beppe Aukje en ook hun dochter Dieuwke in Veenwouden.

[2] Pake Pieter moet van de emotie de datum fout hebben ingeschreven: zondag was het geen 14 maar 15 april.

Verdriet en vreugde in het memoriaal van Pake Piet, bevrijdingsmaand 1945.

Briefkaart van 21 mei 1945 (Pinksteren): Cor is weer in het land!

Op 27 mei komt Cor weer thuis uit Duitsland; hij bleek geïnterneerd te zijn geweest in concentratiekamp Oranienburg , in feite het beruchte Sachsenhausen en later nog in het subkamp Rathenau. Hij heeft het overleefd, misschien wel door zijn anders denken dan anderen. In het kamp was twee maal daags appel. Op een dag werd daar geroepen: “Is er ook een horlogemaker?” Er was een Duitser met een kapot horloge. Toen het een seconde of zo stil bleef, riep Cor: “Ja, ich bin Uhrmacher!” Hij had nog nooit iets met horloges gedaan, maar voelde in een flits dat dit een kans was om zijn leven te rekken. Hij kon niets met het horloge, wist er niets van en had geen gereedschap. Hij had een oogloupe nodig, een klein tangetje, schroevendaariertjes. Dat nam tijd. Hij had ook geen reserveonderdeeltjes, gen andere horloges om te slopen voor onderdelen. Ook dat nam tijd. Al die tijd werkte in zijn voordeel. Zijn broer Siebe, van wie hij zielsvol hield, kwam niet terug uit Indië.

Een maand na de bevrijding publiceert Albert in zijn functie van Hoofdambtenaar van het Ministerie van Handel en Nijverheid een boek over “De opbouw van het bestuursapparaat”, dat  in grote lijnen nog steeds hout snijdt. Het is moeilijk voorstelbaar hoe hij in het laatste oorlogsjaar vooruit heeft kunnen kijken naar de modernisering van het ambtelijk apparaat en de wisselwerking met de politiek in een vrij Nederland. Hij had zich al op 16 mei aangemeld voor actieve inzet op zijn oude ministerie, maar ontving eind juni een zogenoemd stakingsbevel: wanneer onzekerheid bestond ten aanzien van iemand’s gedrag tijdens de bezetting, kon je worden gestaakt. Je moest dan zijn werkzaamheden beëindigen, maar behield je salaris totdat een zuiveringscommissie uitspraak hadden gedaan,

Dat was voor hem “een diepe teleurstelling”. Je kon er ook niets tegen doen, moest afwachten tot je aan de beurt was en dat kon gezien de vele gevallen wel eens lang duren. “Ik was uiteraard des duivels om deze beschamende gang van zaken.”Hij nam zich voor “de zaak tot het eind uit te vechten, en de aansprakelijke, indien ik deze zou kunnen vinden, een afdoende rekening te presenteren.” Na allerlei avonturen met een zwakke Minister Vos en rancuneuze ambtenaren kwam de zuiveringscommissie in oktober 1945 tot de conclusie dat de staking ongedaan moest worden gemaakt: de ingediende klachten hielden geen steek, Integendeel houding en beleid waren doorlopend in ’s lands belang geweest. Zoals dr. Hirschfeld, de secretaris-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, en van Landbouw en Voedselvoorziening, met een lachje zei: “Jij bent de enige ambtenaar die met een bewezen onbevlekt blazoen uit de bezetting is gekomen.” Hij kon op dat moment niet bevroeden dat de strijd om rechtsherstel, met inbegrip van het vergoeden van de geleden schade en het terugkrijgen van een wezenlijke positie, nog tot februari 1948 zou voortduren (zie sectie 7e).

Het gewone leven hernam vorm. Al in juli 1945 staat Muntendam op de agenda van Pake Piet en Beppe Aukje; Corrie is acht maanden zwanger en op 8 augustus meldt Pake Piet de geboorte van zijn naamgenoot Pieter Bernardus. De auto verschijnt ook weer op de foto tijdens een uitstapje met de muoikes uit Minnertsga. Kort daarna worden ook blije familieportretten gemaakt van de froulju en de manlju.

Muntendam, 10 juli 1945: Aukje, Hans en Annemarie.

Autotochtje naar Muoike Anna en Metje, rechts met onbekende man.

“Cor en Djoeke mei beide jongens bij us.”; zomer 1945.

Bijna compleet; alleen Bernard en vanzelfsprekend Gouda ontbreken. Bovenste rij v.l.n.r.: Jan. Hes, Jel, Cor, Albert; midden: Pake Piet, Aly, Dieuwke, Harry en Beppe Aukje; onder: Marinus en Corrie. Zomer 1945.

Links: De froulju, v.l.r. Aly, Dieuwke, Hes, Beppe Aukje, Jel en Corrie; rechts: de manlju, v.l.n.r. Cor, Albert, Jan, Pake Piet, Marinus en Harry.   

Hes met hun Bernard en Corrie met hun eerste Pieter; 1945???

De vrolijkheid wordt wel gedempt door de blijvende zorgen over Bernard. Op 16 augustus vermeldt het memoriaal: “Bernard syn jierdei. Neat fan him heard noch. Wy binne tige ûngerust.” Om te vervolgen – alweer die enorme sprongen van verdriet naar vreuge – dat vandaag een feestdag is omdat de oorlog voorbij is: Japan heeft zich ook overgegeven. Na zes jaar spanning en ellende is het nu vrede. “’t Is ús in wûnder.”

Op zondag 9 december is er het lang verhoopte nieuws: “Van de week bericht van Bernard gekregen. Wij hebben, door een advertentie te plaatsen, al wat van hem gehoord. Heeft Marinus die advertentie verzorgd? Het antwoord kwam altheast uit Groningerland. Nu kwam er ook een brief van hem. Volgens dat schrijven wist hij niet eens van het overlijden van Gouda. Hij is in Jever en heeft een tijd in het ziekenhuis gelegen.” Jever is een provinciestad ten westen van Bremerhafen, dicht bij de Waddenkust, die bij naoorlogse beschouwing verrassenderwijs onbeschadigd is gebleven. Met hernieuwde moed wordt ook gezocht naar een nieuwe auto, een schaars goed in die eerste periode na de bevrijding. Als oudste kleinkind herinnerde Nely Jans zich hoe zij als heel klein meisje autoritjes met haar pake mocht maken: “Ninne manlan, mus op, pake auto sitte” (Nely mantel aan, muts op en bij pake in de auto zitten) vond nog vele jaren later weerklank in de familie.

Links: advertentie in het Friesch Dagblad, 14 december 1945. Rechts: Piet, Douwe en Nely in Pake’s Fordje.

[2] Wij zijn de heer Klaas Wielinga, dorpshistoricus van Veenwouden, erkentelijk voor het lichten van een deel van de sluier over het verblijf van Pake Pieter en Beppe Aukje en ook hun dochter Dieuwke in Veenwouden.

Naschrift

Voorjaar 2024 publiceerde Bart Bakker, de oudste zoon van Dieuwke en haar Cor, een terugblik op de oorlogsjaren van zijn vader. Wij nemen zijn inbreng hierna onverkort over:

Bedoeld voor Ysbrant en familieleden in de meest brede zin.

door Bart Bakker, maart 2024

Cor Bakker in de oorlog.

In het najaar van 2023 zei Ysbrant tegen mij: ‘Ik zou graag meer van Pake en zijn kampverleden willen weten.’ Pake was zijn grootvader en mijn vader: Sipke Cornelis Bakker 1911- 2000, met roepnaam Cor.

Mijn antwoord was: ‘Ik weet daar weinig van. Hij zat in het verzet, werd in 1942 verraden, opgesloten in Haaren en later in het concentratiekamp Sachsenhausen. Ik kende hem alleen als een uitvergrote pasfoto die op het dressoir stond. Voor mij begon hij pas te leven bij zijn terugkeer op 25 mei 1945, ik was toen zes.’

‘Jammer’, zei Ysbrant, ‘ik had graag meer van hem willen weten. Kunnen wij een keer samen naar Sachsenhausen?’

Zelf had ik die behoefte niet. De oorlogsjaren waren het domein van Cor geweest. Hij wilde er nooit over praten. Met niemand. Aan de andere kant wilde zijn kleinzoon er nu meer van weten. Wij overlegden en besloten te gaan zoeken wat er nog over Cor te vinden was. Dit verhaal vertelt chronologisch wat we vonden, met in de voetnoten achteraan wat meer details.

Er bleken maar weinig bronnen te zijn:

  • het Gedenkboek over mijn grootouders ‘In de Oosterkerk ontmoetten onze ogen elkaar’,
  • de romans van mijn moeder Dieuwke Winsemius,
  • een aantal anekdotes in de familie, in het bijzonder bij nicht Kim Middel, die goed met Cor kon overweg kon.

Maar weinig verifieerbaars. (zie voetnoot 1)

In het Gedenkboek staat: ‘Cor zat al vroeg – in 1941 al – in het verzet’ (pag 286). ‘Hij bleek geïnterneerd te zijn geweest in concentratiekamp Oranienburg, in feite het beruchte Sachsenhausen en later nog in het subkamp Rathenau.’ (pag 310)

In de boeken en verhalen van mijn moeder Dieuwke (Mem), staan – literair verhuld – dingen over Cor. Bijvoorbeeld in ‘Wak in de Wolken’ het verhaal dat Cor thuis werd opgewacht door 3 soldaten. Mem kon hem dat via de bakker laten weten, waarop hij onderdook. Mem werd 14 dagen gegijzeld met 3 soldaten in huis en later met politie-agenten. Na een maand werd het opgeheven. Cor dook onder ‘ergens in de buurt van het slot Loevestein’. (zie voetnoot 2)

Op het Internet vonden we Cor in de namenlijst van het Verzet in Eindhoven: ‘Eindhovense personen die door Anton van der Waals in Duitse handen zijn gekomen. Merendeel van deze personen werken bij Philips.’ Cor werkte bij ‘Philips E.T.F. (Electro Technische Fabriek) Ing. bureau P.T.T.’ Hij zat in de verzetsgroep van Van Moorsel, die al in augustus 1940 was opgericht. Cor werd op 20 augustus 1942 door de SD gearresteerd in Breda, verdacht van medewerking aan ID en OD. (zie voetnoot 3)

Op 24 augustus 1942 werd hij vastgezet in de Polizeigefängnis in Haaren bij Breda. In het inschrijfboek in Haaren staat hij – heel merkwaardig – tweemaal ingeschreven: op 25aug42 en op 9sep42, maar nergens als uitgeschreven. Hij was een poliLek gevangene. Er werden in Haaren ook gijzelaars vastgehouden. (zie voetnoot 4)

In de winter van 1943, (gok: maart/april 43) is er een interventie door oom Albert Winsemius. Die bezoekt op zijn initiatief samen met Dieuwke de fabrikant Rompa in Terheijden, die goede maatjes was met de kampcommandant van Haaren, SS-Obersturmführer Heinrich Wacker. Albert stelt, dat als maar één haar gekrenkt zou worden aan Cor, hij er niet voor kan instaan dat bepaalde met name genoemde zaken, die hij van Rompa weet, geheim zullen blijven. zie ‘Uit het dagboek van een Beschermengel’ p. 25 ev , (2001) Dit is een plausibel verhaal, meerdere malen door oom Albert zelf verteld. (zie voetnoot 5)

 2 october 1943 is de datum op een van de twee doeken, die in Gedenkplaats Kamp Haaren in een vitrine liggen, met geborduurde handtekeningen van gevangenen. Op beide staat de handtekening van Cor. Op één doek staat ook die van Pim Boellaard. [Boellaard werd op 7oct43 op transport gezet naar Amersfoort met andere Todeskandidaten. Zij verdwenen naar concentratiekamp Natzweiler. Hij overleefde. Cor zat niet bij dat transport].

In november 1943 heeft Van der Waals een bezoek aan Dieuwke gebracht, zich voordoend als een celgenoot van Cor. Om te proberen info los te krijgen. Cor zat toen nog in Haaren. (zie voetnoot 6)

Maar dan stopt het qua tijdsaanduidingen. Het enige wat we verder hadden was de zin uit het Gedenkboek: ‘Hij bleek geïnterneerd te zijn geweest in concentratiekamp Oranienburg, in feite het beruchte Sachsenhausen en later nog in het subkamp Rathenau.’ p. 310

In october 2023 zijn Ysbrant en ik met de trein naar Sachsenhausen getogen. Daar vonden wij in het archief niets over Cor, maar we zagen wel wat mensen elkaar kunnen aandoen. Hoe onmenselijk de gevangenen werden behandeld. En hoe moeilijk overleven onder die omstandigheden moet zijn geweest. Het Subkamp Rathenow werd in de zomer van 1944 geopend, om vleugels te produceren voor de Arado vliegtuigfabriek. Van kamp Rathenow is niets over, het blijkt een voormalig DDR-industriegebied te zijn geworden.

In Holland gingen wij zoeken in de collecties van het Nationaal Archief in Den Haag. Daar bleek een archiefstuk te berusten: 2232 Namenlijsten van de Nederlanders die zich bij de bevrijding op 27 april 1945 te Rathenow bevonden, 1945. 1 omslag. Mogelijk/hopelijk kwam Cor daarin voor. Wij dienden een verzoek in die te mogen inzien. Maar daar bleek een screening voor te moeten gebeuren, want de openbaarheid is beperkt tot 01-01-2046.

Wel ontvingen we van het Nationaal Archief een viertal persoonskaarten over Cor, waar wij een tijdlijn uit konden afleiden:

  • 4 september 1944 overgebracht van Haaren naar KZ Vught (bunker)
  • 6 september 1944 op transport naar Sachsenhausen
  • 8 september tot 20 september 1944 in SachsenhausenHeinkelfabrik (Germersdorf)
  • 20 september 1944 tot 26 april 1945 in Subkamp Rathenow.

De omstandigheden van het transport per trein van Vught naar Sachsenhausen (met 85 man in een veewagen) en in de kampen (brute willekeur en honger) zijn uitgebreid gedocumenteerd in het project ‘Retourtje Sachsenhausen’ met interviews met kampoverlevenden. Dat is wat Cor ook heeft meegemaakt.

Cor werd van Sachsenhausen naar Rathenow overgeplaatst. Dat was een voetmars van 75 kilometer. Vanwege zijn technische achtergrond werd het dwangarbeid voor de Arado Vliegtuigfabriek. (zie voetnoot 7, verwijst ook naar een video)

Uit die tijd is één voorval bekend, dat Cor zelf verteld heeft. Tijdens een appèl werd omgeroepen: ‘Gibt’s auch ein Uhrmacher?’ Een van de SS’ers hield een kapot horloge in de lucht. Cor heeft toen geroepen: ‘Ich, ich bin Uhrmacher’ Dat redde vermoedelijk zijn leven. Hij won tijd, want wat kan een horlogemaker zonder gereedschap? En leerde zichzelf horloges repareren. Toen hij in 1945 terugkwam bezat hij een doosje met een pincet en wat aandoenlijke schroevendraaiertjes. Zijn zelf gemaakte gereedschap is nu bij Ysbrant. – zie ‘Uit het dagboek van een Beschermengel ‘p. 44/45. (aangehecht)

Eind januari 2024 kregen wij toegang tot het Nationaal Archief om de beperkt toegankelijke stukken met betrekking tot S.C. Bakker in te zien.

Zijn naam komt inderdaad voor op de lijst van gevangenen die bij de bevrijding door de Russen op 26 april 1945 in Rathenow aanwezig waren. En daarmee was voor ons de zaak rond.

In de familie gaat het verhaal, dat toen de Russen kamp Rathenow bevrijd hadden, Cor – als een van de eersten, samen met een Belgische priester – westwaarts naar de Elbe is gelopen en aan de andere kant door de Amerikanen werd opgevangen. Daarna is hij met een lege kolentrein richting Luik vervoerd. Vanuit Maastricht heeft hij op 21 mei een briefkaart naar Leeuwarden kunnen sturen; mijn zus Aukje heeft die nog. Op 27 mei zette een legertruck hem af aan de Groningerstraatweg in Leeuwarden. Ik was daarbij. ‘Ik sjoch syn kop’, zei mijn Pake, de oude Pieter Winsemius. Cor droeg een wijde legerjas en had twee speelgoed treinwagons in zijn koffer, spoorbreedte 1.

We wisten dus nu waar hij gevangen gezeten heeft:

⁃ Ruim 2 jaar in Haaren, als politiek gevangene

⁃ 8 maanden in KZ Sachsenhausen en subkamp Rathenow

Maar qua inhoud bleven die jaren en ook de verzetsLjd er voor een leegte. Cor heeT daar nooit over gepraat en ook nooit over willen praten. Met niemand. En – dat concludeer ik nu – zelfs niet tegen Dieuwke. Dat moet voor haar heel zwaar zijn geweest. ‘Het zwarte weggetje’ is daar de weerslag van. Het weinige wat zij wist heeft zij (moeten) verhullen in verhalen.

Het echte sleutelstuk is het ‘Uhrmacher verhaal’ op pag 44/45 van ‘Uit het Dagboek van een Beschermengel.’ Door Dieuwke geschreven in 2001, dat wil zeggen pas na de dood van Cor’s op 11 aug 2000. Het is aangehecht op pag. 15 van dit verslag. Ik was er bij toen Cor die woorden sprak op zijn sterfbed.

Ook Dieuwke had levenslang. Met een man waar zij van hield, maar die als een ander iemand uit de oorlog was gekomen. Haar roman ‘Romance in f-dur’ (1998) beschrijft hoe zij daar mee is omgegaan. Mijn eigen exemplaar bevat haar handgeschreven aantekening op het schutblad: ‘Roman of document?’. Het is beide. Het was haar manier om zich te kunnen uiten. En eigenlijk dringt dat nu pas tot ons door.

Op 16 januari 2024 heb ik samen met Loes Köhler de dossiers in het Nationaal Archief kunnen raadplegen. (Loes is een vriendin van ons die wij al 40 jaar kenden; Rozemarijn is overleden en haar man Paul ook en wij doen veel dingen samen.) Men mag in het Archief geen foto’s of copiëen maken van beperkt toegankelijk materiaal, alleen maar aantekeningen (met potlood, zonder gum). Hier vonden wij een verrassing. Een ons onbekende brief:

Wassenaar 12 okt 1945

Bureau Inlichtingen der Nederlandse Regering

WU/2551/Sch./vH

De heer S.C. Bakker

Wilhelminapark 144

Breda

Namens de Nederlandse regering dank ik u voor de waardevolle diensten, die u voor mijn Bureau verricht hebt tijdens de Duitse bezetting.

Uw werkzaamheden die veel moed en inspanning vergden, stelden ons in staat, tezamen met andere inlichtingen die wij ontvingen, een compleet overzicht te krijgen van den toestand in Nederland tijdens de bezetting.

Het is mij een groot genoegen dat U na Uw Duitsche gevangenschap, gezond bent teruggekeerd in Nederland.

het Hoofd B.I.

(dr.J.M.Somer)

Luit Kol der Inf K.N.I.L.

Verzonden op 12 oktober 1945, slechts 5 maanden na de bevrijding, mag met dit beschouwen als een serieuze bedankbrief. Wat die waardevolle diensten waren wordt helaas niet vermeld. (zie voetnoot 8)

Maar in het dossier zat nog een onverwachte vondst: een proces verbaal uit december 1947, dus 2 1/2 jaar na de bevrijding.

Politie Eindhoven

Politieke Recherche Afdeeling

Dossier 4366 24 nov 1947

Proces verbaal no 4366 dd 17-9-47

Proces verbaal no 4366a dd 22-10-1947

Iemand beschuldigde Cor van verraad. Het daartoe opgerichte Bureau Bijzondere Rechtspleging onderzocht dat soort aantijgingen. In totaal zijn 310.000 Nederlanders nagegaan op eventuele collaboratie met de Duitsers.

Het bleek dat iemand – om wat voor reden ook – heeft geprobeerd Cor erbij te lappen. Van de aanklacht bleef geen spaan heel en het dossier sluit met een akte van ‘Onvoorwaardelijke buiten vervolgingstelling. Verdenking ongegrond.’

Er is iets vreemds omtrent de aangever. Het dossier vermeldt dat hij verdwenen is naar Indië en ook dat er nooit een klacht van deze man bij de Politieke Recherche Afdeling binnen schijnt te zijn gekomen. Ons ontbrak de tijd om het PV verder door te pluizen, maar mogelijk duikt iemand daar nog een keer in.

Dit proces verbaal was voor Ysbrant en mij zeer interessant, omdat Cor daar zelf vertelt waar zijn rol in het verzet uit bestond en omdat getuigen vertellen hoe zij Cor hebben ervaren.

Hierbij enige citaten dat proces verbaal van 22-10-47.

Cor zelf: ‘Mijn werkzaamheden in de verzetsbeweging was het opdoen van inlichtingen ten dienste van de oorlog voering der geallieerden, het verzamelen van wapens en het coördineren van verzetsgroepen, het laatste is er later afgevallen en er bleef alleen inlichtingen over.’

Getuige 1, 36 jaar: ‘Hij belastte zich o.a. met het bezorgen van verzetslieden van wapens en het in ontvangst nemen van berichten die via hem (werden) doorgegeven naar Engeland.’

Getuige 2, 72 jaar: ‘Dat hij door bewaking van belangrijke objecten, vervoer van wapens en dergelijke, als verzetsman veel goed werk heeft verricht. Ik was er persoonlijk bij aanwezig toen hij door de Duitsers werd gearresteerd in verband met het in ontvangst nemen van wapens. Volgens mij was Bakker absoluut betrouwbaar.’

Getuige 3, 61, gepensioneerd agent van politie: ‘S.C. Bakker, zoals door u bedoeld, heb ik in de bezettingstijd zeer goed gekend. Mede door zijn werkzaamheden in de verzetsbeweging en van welke werkzaamheden ik zeer goed op de hoogte was, heeft hij zich volgens mij gedragen als een goede Nederlander.’

Getuige 4, 42 jaar: ‘In gezelschap van Bakker heb ik o.a. wapens opgehaald en deze waren bestemd voor de verzetsbeweging. Volgens mij was Bakker absoluut betrouwbaar. Ik kan dan ook op generlei wijze iets ten nadele van hem verklaren.’

Verder wordt vermeld dat S.C. Bakker niet voorkomt in politieke kaartsystemen en dat bij de Zuiveringscommissie Philips N.V. niets over hem bekend is.

Kwitanties uit 1968 tonen dat hij een ‘Uitkering wegens vrijheidsberoving (politiek gevangene)’ van in totaal 4553 gulden heeft ontvangen.

  *   *   *

Hier eindigde voor ons de zoektocht naar Cor in de oorlog. Wij hadden een leemte opgevuld.

Ysbrant vat het als volgt samen:

Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik als jongen nooit de kans heb gezien om Pake naar zijn oorlogs- en kampverleden te vragen. In mijn herinnering een onbekend en onbereikbaar stuk zwarte geschiedenis dat als een last heeft gelegen op Pake’s schouders en daarmee op veel facetten binnen de familie. De reis die Bart in dit document omschrijft voelt voor mij dan ook als een lang uitgestelde zoektocht. Ondanks dat de ontdekkingen die we deden ongetwijfeld anders zijn dan het verhaal dat Pake zelf verteld zou hebben, zijn er voor mij dingen op hun plek gevallen.

Zou Pake mij ooit verteld hebben wat hij echt in het verzet deed? Ik denk het niet. Omdat hij enerzijds weg zou willen blijven van tot de verbeelding sprekende (helden)daden zoals geregel met wapens en (sleutel)communicatie. Maar anderzijds schat ik in dat zijn zwijgen erover voortkomt uit bescherming. Bescherming van in eerste instantie Beppe natuurlijk. Wat zij niet wist kon ze immers ook niet – per ongeluk- delen. Ik zie in het zwijgen hierover een diepgewortelde beveiligings- en overlevingsstrategie, die succes heeft gehad toen dat zo hard nodig was en daarna nooit meer is ‘uitgezet’.

Daarnaast snap ik nu ook beter waarom Pake nooit uitgebreid over het kamp heeft verteld. Ik heb in Sachsenhausen en via de verhalen van ‘Retourtje Sachsenhausen’ een glimp van de schaduw kunnen ervaren van de omstandigheden waarin Pake daadwerkelijk heeft moeten overleven. En die glimp alleen al vind ik moeilijk te begrijpen en lastig onder woorden te brengen. Hoe onmogelijk moet het voor Pake zijn geweest om zijn persoonlijk opgedane ervaringen te delen?

Sinds deze onderzoeksreis voelt Pake voor mij dichterbij. En Beppe ook, doordat ook haar rol en beleving meer ingekleurd zijn dan voorheen. Ik denk aan hen beide terug met liefde en heel veel respect. Dat onze ontdekkingen ook bij Bart zulke gevoelens teweeg hebben gebracht, maakt deze lang uitgestelde reis voor mij extra waardevol.

En Bart voegt daar aan toe:

Ik ben achteraf Ysbrant heel dankbaar voor zijn vraag. Het heeft ook mij verrijkt. Met meer begrip voor mijn ouders: Cor en Dieuwke.

 Voetnoten

  1. ‘In de Oosterkerk ontmoeten onze ogen elkaar’. Burgum, De saga van pake Piet en beppe Aukje. Op schrift gesteld door Pieter Winsemius en Jel Lettinga-Winsemius.
    1. Pag. 296 mid 1944 ‘Djoeke is hier ook in Veenwouden’
    1. Pag. 3 mei 1945 ‘Oranienburg is al door de Russen bezet’ Pag. 310 ‘Hij bleek geïnterneerd te zijn geweest in concentratiekamp Oranienburg, in feite het beruchte Sachsenhausen en later nog in het subkamp Rathenau.’
    1. Pag. 310 ‘Uhrmacher’-verhaal
  2. ‘Wak in de wolken’. (1987)
  3.  ‘Het zwarte weggetje’ p.14
  4. Aantekening van Mem op pag 14: ‘Dit verhaal speciaal voor jullie’.
  5. Het verhaal van de groep van Moorsel en het verraad door Van der Waals is uitgebreid te vinden op https://www.eindhoven4044.nl/50/boksclub.html.

De Ordedienst (OD) was een belangrijke illegale organisatie in het begin van de oorlog. Oorspronkelijk opgezet om na de oorlog het land op orde te kunnen brengen, werd de belangrijkste taak het verzamelen van inlichtingen over de vijand, om die naar het Engeland te kunnen sturen. De Inlichtingendienst (ID) was een daar nauw aan gelieerde spionagegroep, die tot maart 1942 actief was.

  • Het ‘Inschrijfboek Haaren’ vermeldt:

Bakker, Sipke Cornelis inschrijfnummer Ha-646

Komt in Haaren 25-8-1942 om 8.00 uur

Daad: Grensoverschrijder, voor onderzoek

Ondervragers Stöwsand en Kraemer

Wiedereingeliefert 9-9-1942 om 11.30 uur

Cel 112- 1ste etage en cel 118- 1ste etage

Er is geen ontslagdatum vermeld.

In Haaren zaten twee soorten gevangenen. Politiek gevangenen, meestal verzetsmensen zoals Cor, en gijzelaars (=gegijzelden): burgers die gevangen werden gehouden als wisselgeld en konden worden doodgeschoten als er bijv. een aanslag was gepleegd.

  • ‘Uit het dagboek van een Beschermengel’ p. 25 ev , (2001)

In mijn exemplaar zit een briefje bij van Mem: ‘Dit boekje begon ik tijdens Heits lange ziekte. Het is mij dierbaar. Ik hoop dat ik iets van mijn gevoel aan jullie overdraag, Mem.’

Merk op dat zij dit pas in 2001 heeft gepubliceerd, dus na de dood van Cor in 2000.

  • De datum valt af te leiden uit de eerste zinnen van het verhaal ‘Biecht’ in ‘Kom vanavond’ p.12 (1970)

Bij dat bezoek vertelde Dieuwke hem dat zij contact met Cor had door middel van kleine briefjes in het wasgoed, dat zij maandelijks naar Haaren bracht. Een week na het bezoek kreeg zij een ‘Wäschesperre, weil Kassieber im Butter versteckt waren’.

Een vergelijkbaar bezoek van Van der Waals wordt beschreven in https://www.eindhoven4044.nl/50/boksclub.html en wel aan mevr. Bruggen-Van Moorsel.

  • Op 5 en 6 september 1944 (Dolle Dinsdag) zijn alle mannelijke gevangenen (behalve de gijzelaars) van Vught naar Sachsenhausen gebracht. Veel Nederlandse overlevenden van het transport van september 1944 uit Vught naar Sachsenhausen zijn terecht gekomen in Rathenow.

Het project ‘Retourtje Sachsenhausen’ bevat 11 interviews met kampoverlevenden. hup://getuigenverhalen.nl/projecten/retourtje-sachsenhausen. Dit is een indringende serie, maar kost veel tijd (kies 01 van den Ende en 04 van Aalderen). Een samenvatting is te vinden op de video: https://timklok.stackstorage.com/s/Bk6mjLjt3JESxCh1.

Het Nationaal Archief gaf ons het door Cor ingevulde gele formulier van het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen van 16jul45. Daar noemt hij als overledene ‘H. Beukering – Marconist KLM ?’ Dit betreft Cornelis van Beukering, de marconist van de Fokker F.XVIII ‘Pelikaan’, die in 1933 in recordtijd naar Batavia en terug vloog. www.brabantsegesneuvelden.nl/persoon/cornelis-van-beukering-breda-1905.

  • De Nederlandse Inlichtingendienst in Londen werd op 28 november 1942 opgericht. Hoofd van dit bureau werd in 1943 majoor dr. J.M. Somer. https://nl.wikipedia.org/wiki/Bureau_Inlichtingen. Cor was in 1941 al actief in communicatie met Londen voordat dit bureau (voorloper van de AIVD) werd opgericht. Mogelijk via Wirix.

In het PV komt voor ‘het niet bekend mogen worden van het onderduiken van Wirix, contactman van de Secret Service’. René Paul Wirix werd op 16 dec 41 gedood. Daar hebben wij niet verder naar kunnen kijken. Evenmin als naar de ‘beraamde ontvoering van Rost van Tonningen door de groep Philips’. En het ‘waarschuwen van de Reserve Officieren in contact met de O.D. voor de a.s. internering’.

Bij de zogenaamde registratie van beroepsofficieren op 15 mei 1942 werden er ook nog eens 2.000 voormalige officieren krijgsgevangen genomen en bij de OD zorgde dit voor een grote leegloop. 70 van deze 2.000 militairen gaven geen gevolg aan de oproep zich te melden en doken onder.

Cor kreeg het Verzetsherdenkingskruis voor zijn werk in het verzet.

Dieuwke schreef ongeveer 100 boeken en werd Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor haar maatschappelijke betrokkenheid.

De volgende pagina bevat het genoemde Uhrmacher-verhaal ‘Uit het dagboek van een beschermengel’. ISBN90-76958-37-8.

7e. De na-oorlogse jaren

Leeuwarden, 1946-1973

Lief en leed bleven elkaar afwisselen, het memoriaal getuigt daarvan. Op 9 januari 1946 belde Jel uit Groningen. Corry en Marinus waren op vakantie in Lobith en terwijl hun dienstmeisje thuis was, overleed de kleine Pieter Bernardus plotseling. Het was een vreselijke thuiskomst, waar de toegesnelde Pake Piet en Beppe Aukje getuige van waren. “Corry wit har gjin rie.” Zij zoeken troost in God’s handen.

In Den Haag zette Albert onverdroten voort. De staking was weliswaar opgeheven, maar van rechtsherstel was nog geen sprake. Dat herstel moest inhouden een terugkeer in de laatste serieuze functie of iets vergelijkbaars en uitbetaling van misgelopen inkomen. Dat klinkt vanzelfsprekend maar was dat geenszins zolang het departement nog werd geleid door Vos, De Jong en consorten. Albert kreeg onverwachts steun van zijn promotor Piet Lieftinck, die inmiddels Minister van Financiën was geworden. In januari 1946 stelde die hem aan op een tijdelijke baan. Vos was furieus en het kwam zelfs in de Ministerraad. Minister-president Drees steunde de lijn-Lieftinck: als Winsemius recht heeft op eerherstel, dan had Vos voldoende tijd gehad om dit te regelen. Heeft hij geen recht, dan moet Vos niet zeuren als Lieftinck hem zinvol meent te kunnen inzetten.

Op 3 maart bevalt Djoeke van “in jonkje, Siebe Frans.” Vanmorgen kwam een telegram “Alles wel”. Aly zit zwaar in de “minnichheid” en is hier vrijdag gekomen voor wat rust. Als ’t mogelijk is, zullen we een pension voor haar zoeken in de Wouden of Gaasterland. Een paar maanden later plaatst Albert een advertentie in de krant om structurele ondersteuning te regelen; de tussenzin “Veel vrij” is opmerkelijk.  

Advertentie in de Leeuwarder Koerier, 11 juni 1946.

Het jaar 1946 wordt gekenmerkt door voortgezet herstel. Oude banden worden ook aangehaald. Beppe Aukje en Pake Piet krijgen bezoek van dominee Kuitert en zijn vrouw uit het verre Kalamazoo (wie is dat?) en ook van Pake’s nichtje Dieuwke die trouwde met Abe Stienstra en daarna emigreerde naar de Verenigde Staten. De vakanties in Oostermeer werden weer hervat; tot en met 1948 was dat de vaste stek, aanvankelijk aan het water, later in het dorp. Pake’s bootje de Pylger (Pilgrim) deed daarbij goede diensten, zoals tijdens een vaartochtje met “Leraar Bouma” – het was zijn aanspreektitel als leraar aan het gymnasium – en diens echtgenote.

“Ds. en Mevr. Kuitert ut Kalamazo U.S.A. in wike by us”, poserend in de achtertuin van de Groningerstraatweg 35.

Vaartochtje op de Pylger met “leraar Bouma” en diens vrouw bij Oostermeer.

Pake Piet begint zich ook steeds meer zorgen te maken over een nieuw dreigend gevaar aan de internationale horizon. Nu het fascisme is verslagen, lijkt het communisme (Rusland) gebruik te maken van de instabiele situatie. Onze regering ziet het dwaalpad niet en de ontbindende krachten worden als maar sterker. “Moat dat wer op in oarloch ûtrinne (Amerika-Rusland)? Om onszelf maar het meest om de kinderen … dat zal een bittere tijd worden. En het Christenvolk? De belijders van het Kruis? En midden in deze duistere tijden en duistere toekomst, is de strijd binnen de Gereformeerde kerken nog druk aan de gang. Terwijl de wereld in brand staat, probeert men goede mensen als Greidanus en Schilder eruit te gooien”.

Jan is weer volop aan de slag in Sneek. Op 1 maart houdt hij een gloedvolle redevoering bij de herdenking van de Slag in de Java-zee voor de leerlingen van de middelbare scholen in Sneek. Twee weken later spreekt hij een opwekkend woord bij de oprichting van een studieclub van de Antirevolutionaire Partij. Hij hervat ook zijn advocatenpraktijk.

Jan houdt een gloedvolle herdenkingsrede (Leeuwarder Koerier, 1 maart 1946 (links)) en spreekt een opwekkend woord (Friesch Dagblad, 13 maart 1946 (rechts)).

Advertentie in de Leeuwarder Koerier, 29 mei 1946.

Veel producten zijn nog op de bon en een paar maanden later is er grote consternatie binnen de Unilever Verkoop Centrale. “Er is een bonnenzwendel aan het licht gekomen bij de U.V.C.”, noteert Pake Piet in zijn memoriaal, “Da is ’t net bêst.” Minstens acht mensen – met naam en toenaam genoemd – zijn gearresteerd.

Distributie stamkaart van Pieter Winsemius; ca. 1946.

Tabaksbonnen van Bernard.

Op 6 mei 1946 plaatst Pake Piet een opvallend lang relaas in zijn memoriaal, we citeerden er al een aantal malen eerder uit. “Het wordt wel tijd om eens over wat anders te schrijven dan kerkelijke kwesties en dankfeesten vanwege de bevrijding en vandaag had ik de inspiratie aangaande mijn oude vriend Hendrik Sipkes te Dokkum.” Wel 40 jaar hebben we elkaar gekend, zegt hij, en steeds was er die curieuze combinatie van respect voor het vakmanschap van Sipkes plus de zekerheid dat hij je zou bedonderen als dat goed was voor zijn portemonnee. “Een en ander kwam mij in het zin toen vandaag de zaak behandeld werd van het aannemen van de Heer P.S. van der Meulen te Dokkum als onze vertegenwoordiger.” Van der Meulen werkte tot dat moment voor Sipkes en die wilde hem niet kwijt dus begon hij achter de schermen te ritselen. Pake Piet merkte het tot zijn schade. “In maart hadden Dingemans en ik deze man aangenomen en nu een paar maanden daarna heet het dat door de Heer Kolkman beloofd is aan de Heer v.d. Berg (uit de zeepwereld) dat wij v.d. Meulen niet zouden aannemen.” Pake Piet was het er niet mee eens. “Ik heb me er vol tegen verzet en weigerde het. Dan zou hij maar overgeplaatst worden naar Groningen, maar ook dat heb ik verhinderd. Het plan Sipkes slaagde niet.”

Weer werd bevestigd: onderschat Sipkes nooit. “Een week of wat geleden dacht ik dat de zaak uitgebloed was en dat Sipkes van zijn vervolgingsdrift bekomen was. De Heer v.d. Berg van de zeep vernam dat Sipkes de zeep- en zeeppoederbestelling inhouden zou. Een dag of wat later kwam er een brief dat de overplaatsing moest doorgaan. Een goede vriend van H.E.S. heeft destijds nog geprobeerd om v.d. Meulen af te brengen van zijn plan om bij Sipkes ontslag te nemen. Maar v.d. Meulen wilde er weg. Of dat nu waar is, weet ik niet, maar onder reizigers ging het verhaal dat een eerdere reiziger, een zekere Klein, die een baan gevonden had bij een grossier op ’t Veen, achtervolgd is door Douwe Sipkes.” Douwe was de zoon van Hendrik en verleende klaarblijkelijk hand- en spandiensten voor zijn vader. “Zodra Klein weg was, stapte Douwe de winkel in met veel lagere prijzen.”De moraal was duidelijk: vertrouw nooit op Sipkes: “Sipkes rust niet eerder dan wanneer hij zijn slachtoffers op de grond en ook hun leven in de grond heeft. Hoe vaak is het door hem niet geprobeerd in de tijd dat ik het agentschap van Smilde had, mij onmogelijk te maken. Dat ging om de aloude strijd tussen fabrikant-detaillist-grossier.”

In november 1946 trad dr. Van Moorsel, directeur van de Unilever in Nederland, in het Leeuwarder hotel Spoorzicht op voor een groot aantal Friese winkeliers en grossiers. Vooral zijn weerspreking van een aantal beschuldigingen tegen de onderneming trok aandacht. De liquidatie van het groot aantal Albino- en Uniewinkels, die door Unilever werden geëxploiteerd, legde hij uit, was ingegeven door de wens van vele middenstanders. Hij sprak de hoop uit dat daardoor de reserve ten opzichte van Unilever zal verdwijnen. “Deze uiteenzettingen,” zo meldt de Leeuwarder Courant, “lokten veel bijval uit.” Het is aannemelijk dat de geliquideerde winkeliers niet waren uitgenodigd. Pake Piet deed vervolgens een duit in het zakje door erop te wijzen “welk een moeite er steeds is gedaan om de verkoopprijzen der gevoerde artikelen te handhaven en de gerechtigde winst voor den winkelier veilig te stellen.”

Nicht Dieuwke, getrouwd met Abe Stienstra, komt logeren vanuit Amerika.

Pas kort voor de Kerst, op 22 december 1946, kan Pake Piet het ontbrekende nieuws in zijn memoriaal noteren: “Donderdag 12 december is Bernard Winsemius thuisgekomen uit Duitsland. Een telegram uit Enschede, dat hij daar ’s morgens om vijf uur wegging.” Ondanks een wat minne gezondheid werd het een mooie Kerst, met veel Bernard maar ook Jel en Harry en later, op Pake Piet’s 63e verjaardag, Corry en Marinus en onverwachts bovendien Djoeke over de vloer. Jan belde op. “In gesellige dei.” Na die tijd trok Bernard in op de bovenverdieping van de Groningerstraatweg. Zijn vrijwillge Arbeitseinsatz in Duitsland had echter nog een staartje. Volgens de Leeuwarder Courant van 30 juni 1946 werd hij door de Officieren-Fiscaal te Leeuwarden dan voorwaardelijk buiten vervolging gesteld mits hij zich tien jaar lang zou gedragen als een goed Nederlander. De kleine Douwe bleef in huis bij Gouda’s moeder op de Singelstraat. Haar vader Douwe was in 1943 overleden en Beppe Septje van der Hoeve verwende het jochie naar verluidt “verschrikkelijk”.

Januari 1947 begint met een bijeenkomst in Spoorzicht waarvoor alle kruideniers en slagers waren uitgenodigd. Dr. Van Moorsel, de voorzitter van de Directie Nederland van Unilever en bovendien een vermaard voetbalscheidsrechter, deelde mee dat alle Uniewinkels en Albino overgedragen zullen worden aan de filiaalhouders als ze dat tenminste willen. Het is weer een voetnoot in het levensverhaal maar nog eenmaal bevestigde Hendrik Sipkes de wijze constatering: met Sipkes ben je nooit klaar. Een half jaar tevoren besloot Pake Piet zijn lange verhaal, veruit het langste uit zijn hele memoriaal, met de woorden: “Dat was een hele mondvol over mijn belevenissen met Hendrik Sipkes.” Nu moest hij toevoegen: “In de pauze stond ik met v. Moorsel te praten en kwamen vader Sipkes en zijn zoon Douwe zich opdringen, v. Moorsel kreeg een hand, ik was lucht. Dat is het gevolg geweest van de instincten van Sipkes.” Het trof waarschijnlijk dat Van Moorsel – een lange, rijzige man met kolossale snorrebaarden – bekend stond om zijn rust en kalmte en een uitgesproken gevoel voor fair play. Hij heeft het kwalijke spel van vader en zoon Sipkes ongetwijfeld doorzien.

Het departement volhardde in het traineren, Huysmans moest persoonlijk ingrijpen opdat het verzoek aan Kan alsnog op 14 december werd verstuurd. Kan nam de opdracht vrijwel onmiddellijk aan, maar pas in februari 1947 werden hem, weer na expliciet ingrijpen door Huysmans, de – onvolledige – stukken toegestuurd. Kan werkte snel en kort daarna praatten ze een paar uur op de METS-banen in Scheveningen, waarna Albert de documentatie completeerde. In zijn advies van 6 maart 1947 was Mr. Kan duidelijk: de overheid had gefaald en dat wettigde een mildere toepassing van de bestaande wettelijke voorschriften. Het ministerie bleef difficulteren en op 3 mei zette Albert in scherpe bewoordingen de puntjes op de i.                           

De voorzomer van 1947 wordt gekenmerkt door grote pieken en dalen. Op 23 mei staat er een geïsoleerde kanttekening in het memoriaal: “Vandaag naar Amsterdam geweest. Jan is cum laude tot Doctor gepromoveerd. Wij hadden een mooie dag.” Jan voegde weer een mooie anekdote toe aan het familiearsenaal. Hij had zich na de bevrijding gemeld bij prof. Dooyeweerd in Amsterdam met de mededeling dat hij wilde promoveren. “Dat kan”, zei de prof en hij vervolgde: “Hebt u al een idee?” “Niet een idee alleen, ik heb het proefschrift al klaar”, antwoordde Jan. Hij bleek zijn onderduikperiode te hebben benut voor het betere schrijfwerk over “De historische ontwikkeling van het waterstaatsrecht in Friesland”.  Jan promoveerde – in uniform – in 1947, dit tot vreugde van een wakkere journalist: “Het plechtig zwart van de niet altijd even lange rij der hoogleraren werd Vrijdagmiddag verrassend opgefleurd door de verschijning van mr. J.P. Winsemius, advocaat te Sneek, Hoofd van de Indelingsraad Leeuwarden en lid van den Krijgsraad te velde Noord, in de uniform van kapitein der infanterie, gesierd met het oorlogsherinneringskruis met gesp, het lint voor twaalfjarigen dienst als officier en de herinneringsspeld van de B.S.” In die tijd schreven ze nog eens serieuze volzinnen!

Groepsportret bij de promotie van Jan; mei 1947.

Een mooie anekdote terzijde: In het leger ontmoette Abe Stienstra ook een jongeman, Pieter Sjoerds Gerbrandy, die in de oorlogsjaren rond 1940 minister-president van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen was. Abe, die toen met de oude familiekwaal t.b.c. in een sanatorium lag, schreef hem een brief. Het antwoord van Gerbrandy, ook verwijzend naar zijn leerling Jan Winsemius, de zoon van Dieuwke’s oom Pieter en dus een achterneef, is bewaard gebleven. De brief getuigt ook nu nog van een warme belangstelling voor mensen die, gezien het grote standsverschil, opmerkelijk mag heten. Gerbrandy was afkomstig uit Goënga bij Sneek en was na zijn promotie advocaat in Leiden geworden. Tijdens de mobilisatieperiode 1914-1918 was hij reserveofficier hoewel hij liever “gewoon soldaat” was gebleven: bescheidenheid bleef zijn leven lang een door vriend en vijand erkende deugd.

Brief van Minister-president Pieter Gerbrandy aan Abe Stienstra van 18 augustus 1943.

Links: Pieter Sjoerds Gerbrandy als luitenant bij de landweer (1915): rechts:  Kabinet Gerbrandy tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen. V.l.nr. Minister van Koloniën Welter, minister van Buitenlandse Zaken Kleffens, minister van Defensie Dijxhoorn, minister van Marine Fürstner en minister-president Gerbrandy.

Op 3 juni verwoestte een grote brand de hun zo vertrouwde kerk, het raakte hun hard: “De Minnertsgeaster toer en tsjerke forbarnd. Wy binne der daliks hinne riden. In greate doarps- en nasjonale ramp.” Er zijn daardoor ook twee panden in de brand geraakt, een op de Kleineburen en een op de Tilledijk.

Interieur van de Ned. Hervormde Kerk te Minnertsga vóór de brand en de ruïne na de ramp van 3 juni 1947.

Nog geen maand later, op 1 juli, volgde de viering van het jubileum van P.B. Winsemius, weer in Hotel Amicitia. Van Ewijk had vanaf de eerdere festiviteiten rond mevrouw De Ridder een koortje tot zijn beschikking voor verdere bruiloften en partijen dat zelfs zeven jaar later nog deels beschikbaar was. Een van de teksten, die vermoedelijk bij die gelegenheid over het voetlicht is gebracht, is bewaard gebleven.  Op de wijze van “Give me five minutes more, only five minutes more”, zong het personeel op gevoelvolle wijze:

 “Als de baas je soms vroeg
Is je band hard genoeg?
Ging een schok door je leden en lijf
Want de baas heeft het land
Aan een niet-harde band
Wee als je je daar tegen misdroeg
Niet alleen de banden
Van je auto op peil
Ook de banden van je fiets
Moesten zijn zonder feil”

Het was een groot feest, waarbij ook het feestdicht van de heer Van Ewijk de tand der tijds heeft doorstaan. “Aan het einde van mijn welkomstwoord citeerde ik een sonnet dat ik speciaal voor hem had geschreven. … Het luidde:

Met verkoopkracht door Friese wil gedreven
en leiderschap aan eigen geest gevoed
stuurt hij zijn mensen kalm, zo nodig ook verwoed
op Hermes’ veld, het lijfstuk van zijn leven.
Zijn strengere blik als commercieel iets moet
gebeuren camoufleert, niet steeds voor even,
‘t diep menselijk gevoel dat niet geschreven
staat op zijn strak profiel, doch in ‘t gemoed.
Zo stond en staat hij in het land der Friezen,
verknocht aan eigen taal en volk en grond
waar hij, naast vriend Mercuur, het vele vond
waarop zijn energie vrij baan kon kiezen.
En wijl hij staag bij ‘s levens diepten stond
zou hij zich niet aan ‘t oppervlak verliezen
.”

Het is voor de minder literair doorknede lezer wellicht niet allemaal gesneden koek maar mooi is het wel. Tot de betere anekdotes behoort ook het verhaal van Corrie, die het kort na de oorlog niet voldoende breed had om een nieuwe jurk voor het feest te kopen: “Zoiets vergeet je niet vlug meer!” Zij herinnert zich ook dat het dankbare personeel de jubilaris een fraai geschenk aanbood: een zilveren sigarettendoos, gevuld met sigaretten. Tijdens de partij werd de doos fier voorgehouden, maar de meisjes Winsemius hadden thuis geleerd dat je niet rookte. Corrie bleef in haar rol en bedankte. Haar vader merkte op: “Je bent ouderwets gebleven.” Licht verontwaardigd repliceerde zij: “Ik rook niet. We hebben thuis geleerd dat dat een zonde is.” Het feestvarken bleek zelf minder rolvast dan zijn dochter en bleek op de lange termijn toch een verderfelijke invloed te hebben gehad op zijn dochter die toen de kinderen al lang het huis uit waren, alsnog zo nu en dan rookte.

Gouden horloge ter gelegenheid van het jubileum bij de Unilever Verkoop Centrale; 1 juli 1947.

Rond die tijd kon Dieuwke na drie zoons trots poseren met dochter Aukje in haar armen. Het personeel van Unilever maakte een boottocht waarbij Pake Piet met de pet rondging ten behoeve van een nieuwe reddingsboot. Piet Corries en Aukje Dieuwkes werden in augustus 1947 tegelijk door Marinus in Muntendam gedoopt.

Dieuwke met Aukje; zomer 1947.

Boottocht personeel Unilever, ca. 1946.

Inzameling voor nieuwe reddingsboot, Leeuwarder Courant 21 juni 1949.

Op 31 december 1948 nam Pake Piet afscheid van Unilever. Hijzelf schreef daarover: “Mijn werk bij de Unilever is afgerond en daarmee mijn dagelijks werk. Vele duizenden gedachten houden je in zo’n tijd doende. De laatste tijd was het niet altijd even ‘fleurig’ om te werken met de directie. Vooral de Heer Selderbeek heeft het mij moeilijk gemaakt. Bij alle mooie woorden bij het afscheid in Rotterdam (vanzelfsprekend met dinertje) heb ik hem dat ook ronduit gezegd, dat hij mij maar min bejegend heeft de laatste tijd. De collega’s hoorden wat verbaasd op van zulk vrijmoedig spreken.” Een kanttekening met een ander handschrift dan dat van Jan, biedt nader inzicht: “U hebt mij gepest, waar u maar kon.” Het is voorstelbaar dat Pake Piet ook niet echt blij was met het aandenken dat Selderbeek als directeur van de Unilever Verkoopcentrale hem schonk: een ets van de haven van Rotterdam. Je had er bij willen zijn!

Gelukkig waren er vooral de goede herinneringen. Van Ewijk had al in mei 1948 een aanstelling op Verkoopkantoor Amsterdam gekregen. Nadien heeft hij Leeuwarden – voor hem de stad van “sizzen is neat mar dwaen is in ding” (zeggen is mooi maar doen is een ding) –  nog vaak bezocht, ook om met Pake Piet bij te praten. Dan hadden ze het over Jelle Zijlstra, die in 1939 als 19-jarige “uiteraard in mijn koortje had meegezongen” maar het later bracht tot directeur van Producten. Helaas is hij, net als Pake Piet’s oogappel Catharinus Glastra van Loon die landelijk verkoopleider van B. en J. werd, te vroeg overleden. In latere jaren solliciteerde volgens Jan Zijlstra ook zoon Bernard bij Unilever waar hij direct werd aangenomen vanwege zijn naam. ”Omdat ze nooit beter Inspecteur hadden gehad dan P.B. Winsemius en nu een B.P. Winsemius.”

Pake Piet kon slecht op zijn handen zitten. Na zijn pensionering zette hij een cursus op voor de leerlingreizigers “Forkeapers”. Hij richtte ook een eigen adviesbureau op maar, zoals hijzelf in de zomer van ’49 constateerde: “Het adviesbureau wordt niet veel. Loopt op niets uit.”

Links: briefhoofd van Pake Piet’s Bureau voor Commerciële- en Reclameadviezen; c.a 1948. Rechts: advertentie in Leeuwarder Courant, 12 oktober 1949.

Het huiselijk front werd gekenmerkt door een voortdurende instroom van nieuwe kleinkinderen, in het memoriaal bijna onveranderlijk opgenomen met de toevoeging “’t Liket goed”. Als bijzondere gebeurtenissen zijn er vooral het afstuderen van Jel in november 1947 en de daaropvolgende voorbereiding van haar huwelijk met Harry. Na haar afstuderen werd Jel, zoals toentertijd formeel vereist, aangesteld als tijdelijk vervanger van een arts die uitgezonden was vanwege de politionele acties in Indië, in haar geval een kleine huisartsenpraktijk in Gorredijk. In april 1949 treffen we haar daar als eerste-hulpverlener bij een curieus verkeersongeluk.

Kort bericht in de Leeuwarder Courant, 3 november 1947.

Bericht in de Heerenveensche Koerier, 19 april 1949.

Trouwfoto Jel en Harry Lettinga; Leeuwarden, 1949.

In 1950 besteedden Pake Piet en Beppe Aukje een laatste vakantie op Ameland, in hotel De Zwaan in het centrum van Hollum. Het Ameland-gevoel dat zij kinderen bijbrachten, heeft echter nog vele jaren zijn doorwerking gehad. Dieuwke kampeerde vele zomers op het tentenkamp in de duinen bij Hollum. In 1957 of 1958 verbleven Jan en Hes met hun gezin tegelijk in huisje “Ekgar” aan de bosrand  en Corrie en Marinus met de hunnen in (nu kampeer)boerderij “De Blieke” bij de vuurtoren. Lang daarvoor, in 1954 of zo, verbleven Jan en Hes c.s. in “Bellevue”, tegenover Castor en Pollux, dat er nog net zo staat. Kleindochter Aukje Dieuwkes herinnert zich met warme weemoed: “Vaak waren daar in het weekend bijeenkomsten aan het eind van de Badweg, waar werd gezongen en gitaar gespeeld. Ik zie nog mijn grote nicht Nely in een korte broek met stukje blote buik, haar bloespunten onder samengeknoopt. We zongen na-oorlogse liedjes ‘Seven lonely days make one lonely week’, en ‘It’s a long way to Tipperary’ en ‘All the boys love MaryAnn’. Ooo, toch al zo groot te zijn als Nely…!”

Hotel De Zwaan in Hollum, rond 1950.

Pake Piet en Beppe Aukje op Ameland; 1950.

De daaropvolgende jaren vond ook Bernard nieuw geluk aan de zijde van de altijd goedgezinde Annie Talen. Nieuw werk in een garagebedrijf bracht hem ook op de juiste werkplaats. De volgende jaren vond hij veel voldoening als organist in de kerk.

Links: Bernard en Annie. Rechts: Douwe naast opa Talen bij het huwelijk. Daarachter oom Joop Bücher, getrouwd met Annie’s zus Co, in zijn mooie marechaussee uniform; Leeuwarden, 8 april 1952.

Pake Piet en Beppe Aukje bij het trouwen van Bernard en Annie, 8 april 1952.

Ook de andere (schoon)zoons vonden die jaren nieuw emplooi. Per 1 januari 1948 werd de jonge doctor Jan benoemd tot secretaris-rentmeester van het hoogheemraadschap  Delfland. Later, in 1958, steeg hij tot dijkgraaf – hij had de grootste boezem van Nederland, plachten zijn neven en nichten tevreden te zeggen. Cor was na de oorlog hetzelfde maar anders, zoals zoon Bart het later uitdrukte. Hij heeft er eigenlijk nooit over willen praten. Hij zei de elektrotechniek vaarwel en werd Raadgevend Bedrijfseconoom, consultant zouden we nu zeggen, vooral op het gebied van onderhoud van machineparken. Marinus werd beroepen in Hengelo (in november 1947) waar Corrie als spoedig actief werd in de Chr. Vrouwenbond en vervolgens de gemeentelijke politiek, onder meer als raadslid. Albert tenslotte werd in 1948 benoemd als directeur-generaal voor de Herindustrialisatie, in welke functie hij als hoogste beleidsambtenaar binnen het ministerie van Economische Zaken belast was met het vormgeven van het naoorlogse industriebeleid. Misschien wel omdat hij na de verhuizing van Voorburg naar Scheveningen een groot huis had, kreeg hij het tijdelijk gebruik van de arrenslee. Pake Piet liet de slee – mooi groen met een gele bies – al op Nieuweburen 120 maken. “De jongens” hebben er volgens Jel nog in gezeten. In latere jaren werd het familiestuk overgedragen aan eerst Dieuwke en vervolgens Jel waar hij – een honderd jaar oud – nog op zolder stond en jaarlijks dienst deed als pakjesberging op Sinterklaasavond.

De familieslee in Scheveningen met aan boord Ankie en Aukje; ca. 1947.

De teksten in het memoriaal worden in die tijd steeds korter. Kleinkinderen worden geboren, generatiegenoten overlijden: Omke Alle, Tante Tjits. Eind november ’52 maakt hij een uitzondering: “Vanmiddag om 3 uur is Omke Albert de eeuwige rust ingegaan. 12 weken heeft hij in het Roomse ziekenhuis gelegen. Lange jaren heeft suikerziekte, een hartaanval en een beroerte hem geteisterd en zijn krachten opgeteerd.”Langzaam was de hoop op herstel weggeëbd. Pake Piet bewaart warme herinneringen aan zijn oudere broer met wie hij veel heeft gedeeld. “Hij is deze zomer nog één keer mee geweest te vissen bij Roptazijl. Hij moest stil zitten op een stoeltje dat wij meegenomen hadden en om de kou (in de zomer) mijn overjas om zijn schouders. It hat de leste fan sa’n mannige kear west. Mei in bliid útsicht op ‘e folsleine forlossing, is hy òfreisge.”

Beppe Aukje – met vosje – en Pake Piet Beppe Aukje – met vosje – en Pake Piet met Muoike Maaike en – mogelijk – haar nicht Jikke Nicolai.

Pake Piet had zichzelf een diepe kennis bijgebracht van de familiegeschiedenis en die van de omstreken van zijn geboorteplaats Minnertsga. Hij beschikte bovendien over een rijke fantasie en een goede pen waarmee hij vele verhalen aan het papier kon toevertrouwen. Vooral na zijn pensionering wierp hij zich met de overgave een goede zaak waardig op deze passie. In 1952 kwam zijn eerste boekje uit over de geschiedenis van Minnertsga, uitgegeven door de Fryske Akademy. Het hoofdstuk over het kerkelijk en boerenleven begint hij als volgt: “’t Is Alderheljensjoun fan it jier 1543. Op it tsjerkepaed rinne yn drok petear de pastoar Alla Abbes, de vicaris Johannis Harmens, de prebendaris Hessel Gaukes en de capellepreester Offke Offkez. Foar har út rint, mei in baernende fakkel, in jonge geastlike, de koster Knilles Sytses. Hy ljochtet by om de fjouwer preesters oer it brechje fan de tjerkhofsgreft to loadsen. Hja hawwe by him yn de kosterij in gearkomste hawn, hwer’t hja mei harren fiven it bifel bisprutsen hawwe fan de lânfâdesse Marije fan Hongarije. Der moat opjefte dien wurde fan de ynkomsten út it tsjerklik guod en it Hôf fan Fryslân hat op haest oanstien.” Zo zou, schrijft hijzelf, een historische roman, die speelt in het Minnertsga van 1543, kunnen beginnen.

Titelbladzij van boekje over Minnertsga.       Foto bij een krantenartikel.

Hij had een duidelijk verlangen naar inleving in vroegere tijden. Het andere hoofdstuk bespreekt onder meer het stemkohier van 1640.[2] Opmerkelijk is daarbij de geheel eigen conclusie van de “sneuper”, die hij toch was. De stemplaatsen, dat wil zeggen de stemgerechtigde grondbezitters, in de Friese dorpen waren genummerd. Het centrum van het dorp was het kerkhof, dus niet noodzakelijkerwijs de kerk. Van daaruit tellend kreeg elke stemplaats een nummer, beginnend vanaf de plaats waar de zon opkomt en met de zonneomloop doortellend. Verhuisde een grondeigenaar met afbraak van zijn originele pand, dan nam hij het nummer mee. Werd er een nieuwe stemplaats “tussenin” gevestigd, dan kreeg dat het eerstvolgende nummer aan het eind van de telling. Aan de stemvolgorde waren bepaalde bestuurlijke verplichtingen verbonden op het gebied van rechtspraak en vertegenwoordiging op de Landdag. Per jaar rouleerde daarom de functie van rechter en grietman. Om die reden werd gesproken van de rechtsomgang.

[2] Wij danken de heer Dooitse Zwart te Minnertsga voor het beschikbaar stellen van zijn correspondentie op dit gebied.

In afwijking van voorgaande theorieën veronderstelde Piet aan de hand van zijn onderzoek in Minnertsga, Tzummarum en Sexbierum dat dit stelsel, voortbouwen d op een middeleeuwse Friese gewoonterecht, ouder is dan de kerkelijke en staatkundige organisatie. “En de knoklúzje moat wêze,” stelt Piet in zijn originele, nooit gepubliceerde tekst van 1952, “Barradiel hat foar 1499 in bistjûrs- en rjochtsomgong hawn.” De jonge kerk maakte dus praktisch gebruik van de bestaande aanpak in plaats van andersom. Dit was een doorbraak en die ging de academici aan de Fryske Akademy te ver. Sneupen was goed maar je moest je plaats kennen. B&W van de toenmalige gemeente Barradeel waren zeer geïnteresseerd en wilden een publicatie steunen mits de Akademy daarvoor ook te vinden zou zijn. Directeur Spahr van der Hoek zette de amateur echter te kijk. In een brief aan B&W zegt hij: “Dit moat biwiisd wurde” want “dat hoecht bislist net it gefal to wêzen.” Hij vat samen: “Publikaesje fan it hânskrift yn dizze foarm en dan mei it fiat fan de Fryske Akademy liket my net forantwurde ta.” In een persoonlijk noot aan Piet schrijft Spahr van der Hoek: “It hânskrift soe mei alle wille útjown wurde kinne, as Jo de dingen, dy ’t forbân hâlde mei de rjuchtsomgong der út litte woene.”

Pake Piet’s rjuchtsomgang en de bijbehorende afbakening van stemkringen rond Tzummarum.

Piet was niet verheugd en betoont zich een oprechte Fries. B&W wordt voorgelicht: “Dat de Hear Spahr de konklúsje, dat Barradiel oan ‘t 1499 in rjuchtsomgong hawn hawwe soe net bigripe kin, kin ik net bigripe.” Maar hij ging ook door met zijn onderzoek. Zijn meest doorslaggevende illustraties vond hij in Roordahuizum en in het qua landgebruik redelijk ongerept gebleven Tzum. Daar bracht hij, met als gids zijn aangetrouwde achterneef Jan Zijlstra die hier op de Flearen een boerenbedrijf had, vele uren door om zijn theorie aan de praktijk te toetsen. Zijn visie verkreeg steeds meer aanhang, onder andere na een aantal publicaties in It Beaken.

Pake Piet haalt aan (en haalt uit naar) een citaat van Spahr van der Hoek in It Beaken; ….

Toch vertelde Pake Piet nog jaren later vol vuur en vol ergernis over deze affaire. Vooral dat Spahr van der Hoek stilletjes zonder bronvermelding de nieuwe visie verwerkte in een eigen artikel, stak hem ten zeerste. Erg was vooral dat iemand van de Fryske Akademy hem dit geleverd had. De gemeentesecretaris van Barradeel bleef hem actief steunen en moedigde hem in een brief van 27 maart 1957 aan om door te zetten: “Zij die geloven, haasten niet.”

Overigens getuigt Pake Piet’s uitgesproken stellingname van een karaktertrek die zowel Jan als Albert van hem overnamen. Zodra hun integriteit in het geding was, trokken zij onvervaard ten strijde, dit ongeacht de kosten die met een dergelijke inzet gemoeid waren. Pake Piet kende gezworen tegenstanders: Spahr van der Hoek, Selderbeek en – met een vorm van respect – Sipkes. Jan ‘zuiverde’ de ongepaste kwaadsprekerij van kapitein Van der Linden die hem betichtte van lafhartigheid. Albert schoonde enige leien met vage lieden die hem heimelijk betichtten van weinig vaderlandsliefde. De boodschap was duidelijk: don’t mess with Pake Piet en zijn zonen!

Een ander geval van goed historisch inzicht werd in het herdenkingsbericht in De Stim aangehaald: het ging over het klooster Lidlum op de Kapelleterp, gelegen aan een zeewaartse laan tussen Oosterbierum en Tzummarum. Volgens de kronieken was het klooster Lidlum in de middeleeuwen wegens de overstromingen verplaatst. Legende en overlevering, zelfs oudheidkundige geschriften wezen naar Koehool als locatie. Toen de juistheid hiervan betwijfeld werd, wees Piet persoonlijk de plek aan omdat hij heel goed wist dat er niet diep geploegd mocht worden omdat er dan oude stenen boven kwamen. Hij was nu eenmaal een geweldig kenner van Barradeel: “Der is binei gjin dyk of paed of der steane ûs fuotleasten”.

Kaartje van het gebied tussen Oosterbierum en Firdgum met daarin centraal de Kapelleterp.

Het kloostertje Mariëndal was gesticht in 1182 maar na de grootschalige overstromingen die dit deel van Friesland tussen 1219 en 1223 teisterden, verhuisden de monniken in 1234 naar het veiliger Klooster Lidlum. “’t Oude Dal” werd omgebouwd tot boerderij; alleen de versleten kloosterkerk werd hersteld en in 1268 opnieuw gewijd aan Sint Ursula en haar gezellinnen. In december 1287 veroorzaakte weer een enorme vloed zware schade, zelfs aan stenen gebouwen. ’t Werd allemaal teveel, zeker toen de Schieringers als onderdeel van hun twisten met de Vetkopers rond 1400 de kloosterkerk ook nog affakkelden.

Vele eeuwen later – in 1950 – werd een begin gemaakt met opgravingen. Wetenschapper H. Halbertsma van de Rijksdienst voor Bodemonderzoek geeft in een wetenschappelijk rapport van een werkgroep van de Fryske Akademy uit 1955 ere wie ere toekomt: “de heer P.B. Winsemius kon bovendien langs archivalische weg aantonen, dat hier eenmaal ‘’t Oude Dal’ gevonden werd.” De grondbezitters, de gebroeders Westra, vertelden dat het bouwland aan de overzijde van de huidige Kapelleweg juist tegenover het kloosterterrein de naam “Poartefenne” (Poortweiland) droeg. “Dit perceel nu, zo schreef de heer Winsemius in een lezenswaardig artikel, afgedrukt in het ‘Friesch Dagblad’d.d. 17 October 1950, was klaarblijkelijk het weiland, in ‘t ‘Register van den Aenbreng’ ‘poert fen’geheten en opgegeven als naastlegger van de 4 pondematen lands, waarop toen (1546) nog een kapel, ’t Lidlumer klooster toebehorende, verrees.” Piet kwam op grond van terreinstudie tot de slotsom dat de benaming ‘poert fen’ op een poort duidde, terwijl de ‘smidt fen’ ten zuiden van het kloosterterrein lag.

Uitspitten van het verleden van Barradeel: links opgraving op Zwaardeburen bij Tzummarum (met geraamte rechts op foto), boven: stemplaats 40 in Minnertsga,  met geheel rechts Goot-Lammema, midden het Hoge Wier van Sexbierum; ca. 1950

De opgravingen op instigatie van de door Pake Piet hooggewaardeerde prof. J.P. Bakker uit Amsterdam leverden onder meer een klein grafveld van omstreeks 1200 op, maar bewezen ook het gelijk van onze pake. De plaats van de poort werd bevestigd maar ook de verrassende ontdekking van de sporen van een ijzergieterij boden een verklaring voor de benaming ‘smidt fenne”. Vele vragen konden daarbij niet worden beantwoord. Waarom, bijvoorbeeld, werd zo’n unieke hoogoven op een dergelijke afgelegen plaats gebouwd? “Wij moeten er in berusten, het raadsel der kloosterlijke ijzergieterij niet te hebben kunnen oplossen,” besluit Halbertsma zijn verhandeling. De kloosterkerk zelf is vermoedelijk in het midden van de 18e eeuw geslecht. Het Oude Dal bezorgde Piet vele ingespannen maar bevredigende uren.

Bij opgravingen in Tzummarum werden zestien skeletten blootgelegd.

Verdere ontdekkingen van Pake Piet: de grafsteen van de Fernia’s.

Pake Piet kreeg eer voor zijn inzet. De grootmachten van de nationale opgraverij hadden grote waardering voor de Friese sneuper. Toen prof A.E. van Geffen in 1947 de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek – later herdoopt in Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – oprichtte, werd Pake Piet onmiddellijk tot “correspondent” benoemd. Wat later bracht de gemeente Barradeel een boekje uit over de straatnaamgeving dat sterk voortbouwde op zijn werk en eerde hem in 1963 door de naamgeving van de P.B. Winsemiusstrjitte in zijn geboorteplaats Minnertsga.

Pake Piet houdt lezing en neemt deel aan discussie op R.O.B., Amersfoort; 1953.

B&W van Barradeel besluiten een straat naar Pake Piet te vernoemen; 3 juli 1963.

Behalve voor de Friese taal en de Friese geschiedenis interesseerde Pake Piet zich in het bijzonder voor de familiegeschiedenis. Beginnend met de kerkhoven rond Minnertsga en daarna ook de vaderlandse telefoonboeken bracht hij de familiebanden in kaart en ontwikkelde een brede correspondentie met familieleden in Nederland maar ook de Verenigde Staten.

Inventarisatie van in Nederland wonende Winsemius-sen; lijst opgemaakt 1940-45.

Genealogische collage van Pake Piet met rechtsonder de vermelding dat hij is benoemd tot correspondent van het R.O.B.; ca. 1947.

Gelukkig had hij een veel betere relatie ontwikkeld met Reinder Roorda (1894-1965) – in Friese genealogische kringen beter bekend als R.S. Roarda, binnen de Fryske Akademy de leidsman van de sneupers en ook een belangrijk man in de Friese Beweging, ook binnen het Kristlik Frysk Selskip. Hij kwam veel aan huis, herinnerde Jel zich, en als kind ging ze ook mee uitbezoeken. Hij was de schrijver van een groot aantal nog steeds zeer lezenswaardige verhandelingen over de (familie)geschiedenis van Fryslân waaronder “Ut it selde skaei as Greate Pier” over de familie van Grutte Pier. In die tekst is een speciale bijlage opgenomen van de hand van Pake Piet die op basis van veldonderzoek waarover later meer, de originele woonplaats bepaalde van de Friese vrijheidsheld, net buiten Kimswerd. De aanhef van een brief van zijn hand, met kunstig overgetekende handtekeningen van vroegere Winsemiussen – uit een tijd dat er geen kopieermachines waren – getuigt van de bijzondere band die zij onderhielden.

De woonplek van Grutte Pier, net ten oosten van Kimswerd. Geheel rechtsboven op de prent Hitzum, met vlak daarnaast Westerhitzum waar de oudste wortels van het geslacht Winsemius liggen.

Brief van R.S. Roorda van de Fryske Akademy aan “Achte Heer en Freon Winsemius”, september 1949.

Pake Piet was lid van het Genealogysk Wurkforban van de Fryske Akademy en besteedde vele uren in de archieven in Leeuwarden en elders. In 1962 culmineerde deze buitengewone belangstelling in de doopceremonie van “De slachten Winsemius” op de Fryske Akademy. In een lezing vertelt hij dat jaar hoe hij aanvankelijk 15 geslachten – afzonderlijke families – Winsemius onderscheidde maar hoe ze allengs steeds vaker aan elkaar gekoppeld konden worden zodat er nu slechts 8 over zijn. Tot zijn spijt kon hij geen relatie vaststellen met de beroemde Friese geschiedkundige Pierius Winsemius die in het begin van de 17e eeuw samen met zijn broer, de medicijnman Menelaos een vooraanstaande rol speelde aan de Franeker universiteit. Daar stond tegenover dat tot zijn vreugde het eigen geslacht onomstotelijk uit de omgeving van het Friese Winsum stamde en niet uit het Groningse dorp met dezelfde naam zoals een aantal andere.

“De slachten Winsemius”, het trotse familieboek; 1962.

Pake Piet vond genealogisch onderzoek van wezenlijk belang. Hij zei ook waarom: “De waarde van de genealogie groeit naarmate het leven van de voorouders duidelijker voor de geest gehaald kan worden. Niet alleen leed en geluk, voorspoed en tegenspoed, ook het dagelijks leven.” Vanaf mei 1967 bracht hij die visie in de praktijk door zijn maandelijkse bijdrage aan de uitgave “Barradielster Meinoar ien” van de Middenstandsvereniging in de toenmalige gemeente Barradeel. Het waren met een combinatie van kennis en fantasie geschreven bladzijden uit het dagboek van zijn rechtelijnvoorvader Albertus Winsemius, die hem bij zijn sneupen – het mooie Friese woord voor amateuronderzoeken – ten zeerste had bezig gehouden omdat hij er jarenlang vastliep. Albertus, die schoolmeester en dorpsrechter was in Gaast en Ferwoude en daarna in Firdgum, leefde van 1725 tot 1782.

Eerste aflevering van het dagboek van Albertus Winsemius, met als ghost writer Pake Piet; Barradielster Meinoar ien, mei 1967.

Belangrijk is de rol van tante Johanna, die een levend archief genoemd wordt. Zij was de ongetrouwde gedienstige van de steenrijke familie Wielinga en wist op gepaste tijden haar neefjes en nichten te laten profiteren van hun patronage. Via haar kon Pake Piet allerlei wetenswaardigheden over de familie van vroeger in zijn verhaal kwijt. Het is in feite een historische roman in de vorm van een dagboek en samengesteld met gebruik van de genealogische gegevens, die hij zelf boven water had gehaald. Het kwam uit een jaar voor zijn overlijden en vormde een bekroning voor zijn inspanningen op dit gebied.

Het dagboek van Albertus Winsemius, dorpsrechter in Firdgum; 1972.

Vooral de verdwenen rijkdom van  tante Johanna hield hem bezig. Op enig moment verkocht zij een deel van een schip, de brigantijn Roordaburgt, aan de Wielinga’s en verkrijgt daarvoor in de plaats een legaat van 3000 guldens. Het schip – een barkentijn of kof van 144 ton – was echter niet zo maar een schip. In de familiebelevenis betrof het een kaperschip dat voor de kust van Turkije geld en goed ontnam aan de ongelovigen. Hoe de getrouwe hulp van een welgestelde Friese dame hierin een deel kon verwerven – vermoedelijk als een wat speculatieve geldbelegging, vergelijkbaar met goudmijnen of Russische spoorwegen in latere tijden – prikkelde op zijn minst de nieuwsgierigheid.

Blijkens een van die mooie documenten die de geschiedenis dichtbij brengen, incasseerde Johanna ieder jaar de rente op haar legaat. Pake Piet wist met zekerheid te vertllen dat het een jaarlijks terugkerend feest was wanneer de getrouwe Johanna werd uitgenodigd bij de zoon des huizes Epeus om haar handtekening te zetten en dat met een klein glaasje te vieren op diens voorname state. Het feit dat haar handtekening over de jaren steeds beveriger werd, zal er wel op duiden dat haar gezondheid achteruitging. In april 1774 – zij was toen de 75 gepasseerd – lukte het haar niet meer om de handtekening te zetten. Na een vergeefse poging die uitliep op een inktvlek door de eerste drie letters heeft iemand anders haar handtekening gecompleteerd. Na dat jaar ging het helemaal niet meer en wordt de rente zonder meer bijgeschreven. Johanna overleed in 1783. Alle nasporingen om het testament en daarmee de verdeling der erfenis te vinden, bleven tot heden vruchteloos, dit – een bron van enig liefhebbend vermaak onder zijn kinderen en kleinkinderen – tot verdriet van Pake Piet.

Handtekeningen voor ontvangst van rente van Johanna Winsemius op een obligatie van Epeus Wielinga.

Beppe Aukje en Pake Piet prezen zich gelukkig in een groot nageslacht. Het aantal kleinkinderen bleef ook in de naoorlogse jaren gestaag stijgen totdat in 1956 met magische getal 26 werd bereikt. Het familieportret dat werd vervaardigd tijdens de viering van hun gouden bruiloft in 1956, is van een voor hedendaagse begrippen formidabele omvang. Met een mooie knipoog werden ook speciaal foto’s gemaakt van de zes Pieten c.q. Pieters en de zes Aukjes. Alle zoons en dochters hadden de oude spelregels van de vernoeming gehanteerd. Pas twee generaties later verkregen die museale waarde.

Kleinkinderen tijdens gouden bruiloft; juni 1956.

Menukaart door alle kleinkinderen ondertekend; 1956.

“Trije Pieters en trije Pieten”: v.l.n.r. Piet Jans, Pieter Alberts, Piet Dieuwkes, Piet Corries, Pake Piet, Pieter Jels; 1956.

Plus nog eens zes Aukje’s: v.l.n.r. Aukje Dieuwkes, Aukje Jans, Beppe Aukje, Aukje Corries, Aukje Bernards en Aukje Alberts; 1956.

De festiviteiten in het kleine Olterterp werden door Albert vastgelegd op een film die pas recent weer onder het stof vandaan kwam. Zijn verslag roept beelden op aan een stralende Beppe Aukje en een genietende Pake Piet, die met warmte en voldoening hun nazaten gadeslaan en soms ook actief meeschommelen in een gedeelde vreugde. Er werden echter ook ‘harde’ noten gekraakt. Nely Jans had als oudste kleindochter groot succes met haar uitspraak over de opvoeding van haar vader: “Waar ik me soms vreselijk aan kan ergeren, dat is dat hoesten en lachen tegelijk als Vader iets leuks hoort of grappigs dat eigenlijk helemaal niet leuk is en waar niemand om moet lachen maar Vader dan echt gaat lachen. En ik heb al lang in de gaten dat Oom Albert precies in hetzelfde schuitje hoort.” De dag werd afgesloten met een voetbalwedstrijd van vaders tegen zoons. De uitslag is ons onbekend, maar het was voor velen ongetwijfeld een debuut op het groene gras. Opvallender nog was evenwel het enthousiasme van het juichende vrouwvolk langs de zijlijn.

Beppe Aukje en Pake Piet op filmbeelden uit 1956.

Zes maal Aukje op de schommel; filmbeeld uit 1956; v.l.n.r”Aukje Jans, Aukje Bernards, Aukje Alberts, Beppe Aukje, Aukje Corries en Aukje Dieuwkes.

Juichende dames bij de voetbalwedstrijd vaders-zoons op filmbeelden uit 1956, v.l.n.r Tine, Corrie en dochter Annemarie, en Annie; rechts: Dieuwke

Elk kleinkind wist zich bijzonder. Op hun verjaardagen wisten ze een gulden te ontvangen, in de jongste jaren een vorstelijk bedrag. Toen die papieren guldens uit de roulatie gingen, bleek dat Pake Piet en Beppe Aukje kennelijk een voorraad hadden aangelegd. We kregen ze nog een aantal jaren toen je er al niet meer mee kon betalen, herinnerde Aukje Alberts zich. Rond 1962, toen de oudste kleinkinderen al lang en breed studeerden, kreeg haar broer Pieter zijn laatste verjaarsgulden. Pake Piet had er bij geschreven, dat het de laatste zou zijn maar dat de boodschap hetzelfde bleef. Na het verdwijnen van de papieren gulden ontvingen de jongere kleinkinderen postzegels ter waarde van ƒ 1,00 en ook zij begrepen het.

Groningerstraatweg, rond 1958.

Het zijn gemengde herinneringen die de kleinkinderen bewaren aan de bezoeken aan de Groningerstraatweg. Het ‘amusement’ was beperkt tot het fameuze knikkerspel, een primitieve voorloper van de latere flipperkast. Met een stok duwde je een knikker naar boven in de scheefstaande bak waarna hij afzakte in een met kleine spijkertjes afgepaalde hokjes met elk een eigen puntenwaarde. Wie de meeste punten haalde, won de pot. Allengs, na vele jaren, werden de oudste kleinkinderen er goed in en de liefde voor dit bijzondere spel ging zelfs zo ver dat een achterkleindochter na een intensieve kennismaking op de flat in Nijlânstate het nauwkeurig natimmerde. De meisjes speelden bij Pake en Beppe ook met het schommelvoetenbankje – voor poppen omgetoverd tot een schommelwieg.

Pieter Alberts bij het knikkerspel; juli 1953.

Als je wat ouder was, was er ook het harmonium. De herinneringen lopen uiteen. Aukje Alberts herinnert zich met warmte hoe zij met haar dwarsfluit samen met Pake Piet psalmen speelde, voortdurend beangstigd door de gedachte dat ze hem niet bij kon houden: hij kende de psalmen uit zijn hoofd en hoefde de bladmuziek niet om te slaan. Maar mooi was ’t wel. Haar volle neef Bernard Jans, zelf een befaamd organist, vulde aan. “Pake nam plaats achter het harmonium (het ‘jammerhout’) vooral als hij in een sentimentele bui was. Wat er dan voor klanken uit het instrument kwamen was muziek die je op zijn best als gevoelig, op zijn slechtst als heel sentimenteel (‘swiet’) kon omschrijven. Een tegenwicht voor de rationele sfeer in de Gereformeerde kerk en het harde, zakelijke leven van alledag misschien? Het Frysk Lieteboek en de zangbundel van Johannes de Heer (Johannes ‘Meneer’) waren hoe dan ook het populairst.”

Pake’s orgelspel bleek overerfelijk. “De manier van spelen van oom Bernard leek op die van Pake (‘swiet’ en ‘swieter’). Hij speelde in allerlei kerkdiensten in de omgeving van Leeuwarden. Terzijde: tijdens een vakantie in Friesland heb ik eens twee maal voor hem waargenomen in de kerk van Wirdum; vader en moeder waren daar ook; het regende; de koster zei ‘U kunt het beste aan de linkerkant gaan zitten, maar als de wind draait, dan moet u wel naar de rechterkant verhuizen’.”

Als tweede terzijde: zijn vader Jan had soms van die buien waarin hij datzelfde repertoire op het harmonium ten gehore bracht. Moeder Hes kon daar absoluut niet tegen en riep dan al gauw “Hè bah, hou alsjeblieft op, Jan, ik word er akelig van; het is net alsof ik je vader hoor spelen…”

De geur van poffert met gesmolten boter en stroop waart nog door de geest, nooit roken floxen beter dan in de voortuin van Pake Piet en Beppe Aukje. De tuin was sowieso Pake Piet’s trots en glorie. Hij was niet groot maar in de goede tijd van het jaar een bloemenzee. Daar huisden ook Pake’s kippen. Eentje droeg een brilletje: dan pikte zij naast haar rivale in plaats van in haar, wist kleindochter Aukje Dieuwkes met zekerheid.

Pake Piet in de bloemenpracht achter het huis aan de Groningerstraatweg.

Het allermooiste waren echter de bezoeken aan het Friesch Museum met zijn vondsten uit terpopgravingen en de prachtige stijlkamers waar je je in  een andere wereld waande. Tot hilariteit van zijn pake sloeg Pieter Alberts steil achterover toen hij als eerste de prachtige Hindelooper stijlkamer in het Friesch Museum binnenliep en zich in het gezelschap van een compleet huisgezin in de zeventiende eeuw waande. De ’schuldige’, die hem met zijn vertelkunst op het verkeerde pad had geleid, heeft het verhaal vele jaren smakelijk uitgemeten. Wat is het spijtig dat moderne museumbouwers niet meer de essentie van romantiek doorgronden!

Friesch Museum aan de Turfmarkt.                 Hindelooper stijlkamer

Pake Piet wist ‘alles’ van terpen en nam zijn nazaten aan de hand mee bij het graven naar het verleden. Hij was ook VEEL kleiner dan het zwaard van Grutte Pier. Het was twee meter vijftien lang, als ik me niet vergis. Dat is heel lang als je een klein kind bent. Grutte Pier moet wel heel sterk zijn geweest. Met ontzag luisterde je telkens weer naar Pake Piet’s verslag over het ploegje soldaten dat rond 1415 een boer aanschoot, die op zijn land werkte. Ze vroegen hem waar Grutte Pier woonde. De boer pakte zijn ploeg bij het handvat, tilde hem op en wees naar een boerderij. “Daar woont hij, en hier staat hij.” Met de ploegstok in de hand rende hij achter ze aan. Ze vluchtten naar Leeuwarden. Daarom heet de Spanjaardslaan daar nog steeds zo, dat wist Pake Piet met zekerheid te vertellen en dus was het waar.

Grutte Pier en Koning Radboud volgens de “Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant” van Pierius Winsemius uit 1622.

Pake Piet was een geweldige verhalenverteller, zijn dochter Dieuwke die later een zeer succesvol schrijfster werd, had het van niemand vreemd. Dieuwke schreef vele boeken en haar ‘opvoeding’ straalde door in onder andere haar vertelling over Grutte Pier die in 1958 verscheen in het Hollands en in 1987 in een Friese vertaling. De reikwijdte van haar verhaalkunst werd recent prachtig geïllustreerd toen een medewerkster van It Fryske Gea haar ‘baas’ vertelde dat haar dochtertje Femke heette, net als zijn vrouw. Ze had die naam ontleend aan een mooi boek met die titel van Dieuwke Winsemius. Wat wil echter het geval. Toen Bernard Jans en zijn Ruth dochter Femke kregen, stuurden zij hun tante Dieuwke een geboortekaartje. Zij was toen net bezig met haar nieuwe boek, maar had voor de hoofdpersoon nog niet een goeie naam weten te verzinnen. Toen zag ze de naam Femke op het kaartje! Nou, dat is een leuke naam, vond ze. En zo verscheen het boek met de titel: “Femke”. Soms is de wereld klein en onze tante groot.

Recensie van het boek “Grutte Pier” van Dieuwke in Frysk en Frij, 19 september 1987.

Maar ook Pake Piet was begiftigd met een rijke fantasie die hij stutte met een passie voor geschiedenis. Bij slecht weer kon hij je vertellen dat je op de Waddendijk de grote Koning Radboud kon zien. Bij slecht weer kon hij je vertellen dat je op de Waddendijk de grote Koning Radboud kon zien. Die rijdt, als hij boos is, op zijn strijdkar aan de hemel. Hij laat dan de donder rollen en gooit met bliksems om de mensen te laten horen dat ze iets niet goed doen. Bij een vistocht naar de  Zwarte Haan, benoorden Minnertsga aan de Waddendijk, was het helaas goed weer. Dan kwam Koning Radboud niet langs, maar we vingen wel 28 vissen in een dik half uur, herinnerde Pieter Alberts zich.

Met de ouderdom kwamen ook de gebreken en in september 1961 verhuisden Pake en Beppe van de Groningerstraatweg 35 naar flat 125 van de nieuw gebouwde serviceflat Nijlânstate, aan de zuidzijde van Leeuwarden gelegen aan het druk bevaren Van Harinxmakanaal met vrij uitzicht over het groene land richting Huizum.

Nijlânstate aan Van Harinxmakanaal kort na de opening.

Tot op hoge leeftijd bleef ook vanuit hun nieuwe omgeving zijn geboorteplaats Minnertsga hem maar ook Beppe Aukje trekken en zij mochten graag – lange tijd met zijn hemelsblauwe Renault Dauphine – op familiebezoek gaan. In 1966 verlengde Pake Piet – bijna 83 jaar oud – zijn rijbewijs met vijf jaar! De Dauphine werd elke zaterdag gepoetst, zodanig dat hij uiteindelijk zijn hele glanslaag verloor. Aukje Dieuwkes herinnert zich de zaligheid dat ze een keer samen met Pake mocht poetsen. “Ik mocht een lichtbruinig vetterig goedje dik en lang op de bumpers van chroom in- en uitsmeren, met draaiende bewegingen. Flink laten intrekken en dan hard uitpoetsen, met steeds een schoon stuk doek en diezelfde draaiende bewegingen. Was hard werken maar o wat een eer en voldoening.” Pake Piet was tevreden: “Kreas dien, famke!” Ze wordt er nog steeds blij van.

Ook haar oudere broer Bart Dieuwkes bewaarde bijzondere herinneringen aan Pake Piet en zijn Dauphine. Eind jaren 50 vergezelde hij als student zijn pake een keer naar het Kantongerecht op het Zaailand. Hij moest voorkomen wegens een overtreding. Vanuit de garage in Nylanstate was hij namelijk zonder uit te kijken de uitrit afgereden en had bij iemand een schram veroorzaakt. “Oef! In de rechtbank bleek Pake Piet totaal niet onder de indruk. En voegde de magistraat toe: ‘De minsken witten dochs dat ik dêr woon.”  Ik hoor het hem nog zeggen. Volgens mij kwam hij, als keurige oude heer, er met een vermaning van af.”

Pake Piet had geen boodschap aan de nieuwlichterij met nieuwe kentekens. B betekende immers Fryslan en hij was 5517! Nou dan! De Dauphine werd voor en achter uitgerust met een klein bordje met zijn eigen persoonlijke kenteken: B-5517.

Hij hield ook van opschieten. Beppe Aukje vond dat Pake soms wel wat hard reed. Meer dan tachtig dus. “Net sa hurd, Piet”. zei ze dan. Pake legde gewoon zijn hoed op het dashboard van de Dauphine en zorgde dat de hoed over de snelheidsmeter zakte. Probleem opgelost.

Beppe Aukje met Annie, Bernard en hun dochters bij de Dauphine.  Het laatste rijbewijs.

Tot haar overlijden in 1957 stond een bezoek aan zus Metje op hun vaste programma. Al in november 1952 schreef hij in zijn memoriaal: “Muoike Met leit nou al in jier yn great lijen op bêd, machtleas en spraekleas.” Haar echtgenoot Freerk was al voor de oorlog overleden en rond de bevrijding werd zij getroffen door een beroerte. “Ze heeft daarna acht jaar lang gezeten in haar kamer”, vertelde Jel, “zonder spreken, zonder bewegen… het was verschrikkelijk.”

Rond 1957 overleden ook kort na elkaar Gauke Reitsma en zijn veel oudere zus Anna met wie zij vele uren hadden gedeeld. Niet altijd spanningsvrij – Gauke vloekte en was bovendien een voorstander van een staatspensioen, beide een gruwel voor de wakkere Christelijke middenstander – maar toch vooral dierbaar. De volgende jaren vonden zij echter een blijvend welkom bij hun zoon Anne Gaukes en zijn Klaske. Van de beide mannen is een foto bewaard gebleven waarop zij druk met elkaar in gesprek zijn onder het genot van een sigaar. Uit overlevering is bekend dat ze het vaak over de landelijke en lokale politiek hadden en over de geschiedenis van het eigen ‘gea’. Als de muren van de Meinardswei 36 konden praten, dan werd er nog veel meer bekend dan dat nu bekend is over de historie van Minnertsga.

Beppe Aukje met Muoike Anna in Minnertsga.

Pake Piet en zijn Omkesizzer Anne Reitsma in Anne’s huiskamer aan de Meinardswei 36.

Op dinsdag 27 oktober 1959 vroeg in de ochtend haalt Pake Piet dokter Pasma bij Beppe Aukje. De volgende dagen wordt zij in het Diaconessenhuis kort achter elkaar zes maal bestraald. Op 3 december wordt zij opgenomen en vijf dagen later geopereerd. Op 23 december – vlak voor de kerst – mag ze weer naar huis. Een goede maand later noteert Pake Piet: “Foar ’t earst togearre de Mar om west.” Daarna volgt pas dik zeven jaar later een laatste bladzijde in het memoriaal.

Het zijn flarden die hun nieuwe omgeving op het netvlies brengen. Tijdens genealogische speurtocht met zoons Jan en Albert en kleinzoon Pieter Alberts wilden de heren de lunch gebruiken in De Harmonie in Franeker waar direct bij de ingang een paar biljarttafels stonden. Zijn kleinzoon – 2e-jaarsstudent – grapte: “Pake, zullen we een potje biljarten?”, waarop Pake bevestigend knikte om vervolgens toen zijn pakesizzer  tevreden doorliep te zeggen: “Moet je dat laken er niet af halen?”Tot verrassing van zijn nazaten was hij al bezig met het uitzoeken van een keu. Wie er heeft gewonnen, is onduidelijk, maar de score was uiteindelijk iets als 21-20. Wat niet onverdienstelijk was, gegeven de sarcastische opmerkingen van beide zoons die als betere stuurlui de wal bemanden.

De volgende maanden kwam aan het licht dat Pake Piet in zijn Unilever-tijd regelmatig biljartte, maar er de voorkeur aan gaf daar thuis niet over te praten. Op Nijlânstate pakte hij dit spel weer op. Gewapend met een eigen demonteerbare keu en twee instructieboekjes van oud-Europees kampioen Piet van der Poll bereikte hij in de handicapcompetitie van Nijlânstate grote hoogte. Vermoedelijk is de kampioensbeker, die een jaar lang de schoorsteenmantel sierde, de grootste sportprijs die tot nu toe in de rechte lijn is behaald. Pieter Alberts herinnerde zich hoe hij mee naar boven werd getroond. Met gemiddelde van nog geen één was de biljartkunst nadrukkelijk niet aan hem besteed, maar een duidelijk trotse Pake genoot van het goedkeurend gemompel van zijn medebewoners als er een stoot lukte. Ook Beppe Aukje had een nieuwe ‘sport’ gevonden die zij met blijmoedige inzet maar op gepaste wijze beoefende.

Biljarten op Nijlân State in Leeuwarden. Vierde toeschouwer van links: Pake Piet.

Beppe Aukje met haar glaasje advocaat in het goede gezelschap van onder meer Bernard (links) en Annie (vijfde van links).

Het fenomeen ansichtkaart bereikte die dagen een grote hoogte. Kleinkinderen stuurden van hun steeds verdere vakantiereizen kaarten die Pake Piet zeer precies ophing. Hij maakte zich altijd ongerust als kinderen en kleinkinderen lange, verre reizen maakten en was verheugd als er weer iemand thuis kwam in Nederland. Dat merkte je, vertelde Aukje Corries, als je in vakantietijd bij hem langs kwam. Een bijzondere plaats had ongetwijfeld de kaart uit het Heilige Land die Dieuwke en Cor stuurden.

Ansichtkaart van het Meer van Galilei, door Dieuwke en Cor verstuurd.

Steeds vaker kwamen de kleinkinderen ook hun beoogde levenspartners voorstellen en ze werden onveranderlijk warm welkom geheten. Soms duurde het even, bijvoorbeeld toen Aukje Dieuwkes tot ontzetting van haar ouders en zeker ook Pake Piet met haar beoogde aanstaande, Berry, op de proppen kwam. Zoals ze het zelf samenvatte: “Langharig, werkschuw, net met een S5-je uit de militaire dienst, en volgens Pake ‘zo rood als een kraal.’” De aanvankelijke aarzeling verdween echter als sneeuw voor de zon, zeker toen Berry in zijn avonduren athenaeum, doctoraal sociologie en een promotie ‘scoorde’. Ook Aukje Alberts kreeg een ‘boodschap’ mee toen ze haar Hans voorstelde. Pake Piet liet geen twijfel: nu hij met mij ging trouwen, moest hij wel Fries leren. Haar broer Pieter had het makkelijker toen hij zijn lief Hannah – binnen de familie bekend met haar studentennaam Sah-Sah – voorstelde. Een tevreden Beppe Aukje paradeerde met haar aan de arm over de gang en verkondigde haar buurvrouwen: “Dit famke wil beppesizzer wurden.” (check Fries).

Beppe overleed in 1966. De herinnering aan haar begrafenis onder de kerk in Minnertsga is diep gegrift in het geheugen van allen die het meemaakten. Het was bitterkoud weer en de wegen waren spekglad. De traditionele ter aarde bestelling – drie maal de kerk rond met de kist – moest zelfs worden bekort tot een enkele rondgang. Het was na 60 jaar huwelijk een waardige afsluiting.

Overlijdensbericht van Beppe Aukje, 17 januari 1966.

In februari 1967 schreef Pake Piet een heel persoonlijk gedichtje in het poëziealbum van zijn jongste kleindochter, de toen tienjarige Gerda Bernards:

As t great bist, leave lytse
(dat soks dy barre mei)
tink dan faek oan beppe en pake
op dyn libbenswei

Versje van Pake Piet in het poëziealbum van kleindochter Gerda Bernards, februari 1967.

Op 12 september 1967 neemt Pake Piet na ruim zeven jaar onverwacht zijn memoriaal opnieuw ter hand. Er is niet veel terecht gekomen van mijn originele opzet van dit dagboek… korte herinneringen uit ons familieleven. In de eerste plaats is dat vanwege de kerkelijke kwestie. “Hoe de gereformeerde voormannen met hun aanhang zo het pad bijster konden raken, is mij nog vandaag de dag een raadsel….” Op zondag 10 september 1967 is van de preekstoel afgekondigd dat de Generale Synode schuld bekend heeft. Dat zal voor menigeen zwaar slikken zijn geweest. Schilder, Greidanus, Holwerda, de professoren met hun al overleden volgelingen, de afgezetten en “uitgesmetenen”, zullen wel postuum gerehabiliteerd worden. “Hwat in drama.” Toch is het een groot gebeuren. Ook de boer die ons in ’44 de melk weigerde omdat Jel en ik naar Schilder geweest waren, zal ons moeten rehabiliteren. Je ziet Pake Piet knipogen: “Maar dat zal er wel om spannen; hij is naar ik meen geëmigreerd naar Amerika.”

Er is een tweede reden dat het memoriaal nooit werd wat hij voor ogen had. Hij had te veel werk gehad aan het familieboek “De Slachten Winsemius” en de laatste jaren vooral ook het grote lijden van Mem. “En daarna het alleen blijven, met al die aandenkens, ook van deze herinneringen.”

De volgende jaren bleef Pake Piet genieten van zijn omgeving. Hij kreeg gezelschap van een papegaai die bereid was tegen geringe beloning koprollen te maken. Het beestje had overigens wel een handleiding: ’t was een kreng dat er op los beet! Om de papegaai te verzorgen deed Pake grote leren (bromfiets?) handschoenen aan, met kappen.

Pake Piet met papegaai op Nijlânstate (links) en bij Bernard en Annie op de Händelstraat.

Onveranderlijk goed in het pak gestoken – vaak met het gouden horloge zoals dat een heer betaamt aan een kettinkje in het vestzakje – genoot hij van bijzondere bezoekers zoals van Art Stienstra, de zoon van zijn nichtje Dieuwke (Dorothy) die al rond 1920 naar Amerika emigreerde. Zij was de dochter Gauke Annes Reitsma en Anna Bernardus Winsemius, de oudere zus van Pake Piet. Art is dus een neefje van hun zoon Anne met wie hij altijd contact had gehouden. Een enkele keer maakte hij nog verre reizen voor familiebezoek, maar het meest genoot hij van het bezoek van zijn kroost en hun kinderen. Op 16 april 1970 eindigt hij zijn memoriaal met een korte aantekening: “Hjoed is it 70 jier lyn dat ûs Mem forstoarn is.” (vandaag is het 70 jaar geleden dat onze Mem is overleden). Het kenmerkt de familiemens.

Familiebezoek uit Amerika: met Art Stienstra bij de Reitsma’s in Minnertsga. In het midden, staand: Hannah, getrouwd met kleinzoon Pieter Alberts; ca. 1970.

Links: Vier generaties: Albert, Albert, Piet, Pieter. Pake Piet wist: “Ik heb eigenlijk een hekel aan foto’s maar dit vind ik toch wel leuk.”; 1971. Rechts: Pake Piet met Jel en Esther en Kim Middel; ca. 1973.

Na het overlijden van Beppe Aukje werden de familiebanden nog belangrijker in het leven van Pake Piet. “Wij gingen elke zondag na de kerk koffiedrinken bij Pake”, vertelde Gerda Bernards.  Deels waren het opgewarmde herinneringen: “Door de week ging vooral mijn moeder ook vaak even langs. Dan kwam ze thuis met kliekjes die wij dan nog moesten opeten en ik herinner me vooral de doperwtjes met worteltjes. Heb je dat wel eens geroken? Overgare worteltjes en doperwtjes klaargemaakt in de keuken van een verzorgingshuis? Gatver. Daar zal mijn levenslange enorme afkeer van dat gerecht wel van zijn gekomen.” Maar het waren vooral warme herinneringen. “Op zondag dus altijd koffiedrinken daar. Dat werd lastiger toen we de weekenden naar onze stacaravan gingen. Dan reden we op zondagavond op de terugweg uit Oranjewoud, Kuikhorne, Grouw of Willemsoord nog langs. Maar als dat soms eens wat later werd dan normaal of als het er eens helemaal niet van kwam, werd mijn ouders wel duidelijk te verstaan gegeven dat dat niet zo gewaardeerd werd. Pake heeft zelfs een keer gezegd: ‘o, leven jullie nog?’“

Pake Piet op de koffie bij Annie en Bernard en met kleindochters Gerda en Aukje Bernards.

Pieter Alberts promoveerde in september 1973 in de natuurkunde. Pake was zeer tevreden met de ontvangst van het proefschrift en complimenteerde hem: dit was “het eerste echte proefschrift binnen het geslacht Winsemius”. Toen zijn kleinzoon hem verbaasd wees op de cum laudes van zijn Oom Jan en zijn vader en ook op de proefschriften van zijn schoonzoons Gert (van Ankie Alberts) en Gjalt (van Aukje van Corrie), verklaarde hij: “Dat was in die zachte vakken, rechten, economie en geschiedenis, maar dat van jou is échte wetenschap.” Om vervolgens die avond tot half twee door te vertellen over de rjuchtsomgang, de terpen, de familie. Dat zijn herinneringen die je niet vergeet.

Twee ‘late’ portretten.

Pake Piet met zoon Jan tijdens het huwelijk van Aukje Jans, 6 september 1969.

Kort voor zijn overlijden – op 16 juni 1969 – schreef Pake Piet in zijn memoriaal een ‘ode’ aan de regulateur-klok waarmee de broers van zijn bruid 63 jaar eerder naar de huwelijksinzegening in Oosterbierum fietsten. Wij citeerden zijn tekst al eerder: “Op 16 juni 1906 haalden de beide broers (handelsreizigers) Izaâk en Alle van der Werf ons in toen we nog met het zes-persoonsvoertuig van Rein Post op weg waren naar het grietenijhuis van Barradeel in Sexbierum. Piet en Aukje, bruidegom en bruid, Jan Abrahams van der Werf en Cornelia Hendriks Bonnema en Bernardus Alberts Winsemius waren de passagiers.

Tussen Mûntsjedyk en Oosterbierum fietsten zij ons achterop. Met de trein naar Franeker, verder met de fiets. De klok onder de arm. Die zal wel afgezet zijn geweest in het winkelhuisje waar de jongelui op de namiddag ‘har nei wensen sette soenen.’(?)”

De regulateur-klok.

De klok was getuige geweest van vele mooie jaren in een bijna voltooid leven. Naar een variant op Ritske Numan’s lied “De Ald fisker by de mar” zei Pake Piet:

“Als jij oude klok eens spreken kon,

Al was ’t ook alleen maar voor mij.”

Elke plaats waar de klok toekeek op het leven dat hij deelde met Beppe Aukje, bracht herinneringen, sommige pijnlijk maar de meeste goed.

“Op 12 mei 1907 verhuisde de klok met het andere huisraad (in een grote praam) naar Leeuwarden Nieuweburen 123.

In 1911 naar de andere kant op 120. Eerst beneden, later boven.

In 1926 naar Bleeklaan 125

In 1931 naar Wybr. De Geeststraat 16.

In 1935 naar Groningerstraatweg 35.

In september 1961 naar Nylânstate flat 215.

De eerste jaren in de woonkamer, later, bij ruimere behuizing, in de strijkkamer.”

Hij eindigt zijn terugblik “Nooit een slag geweigerd. ‘By lead en wille.’ Tot de dag-van-vandaag toe.”

Het levensverhaal van de regulateur-klok door Pake Piet; 19 juni 1969.

Pake Piet overleed in december 1973, bijna negentig jaar oud. Hij werd naast Beppe Aukje begraven onder de prachtige Meinardskerk in zijn Minnertsga. Bij zijn begrafenis werden op zijn verzoek de liederen in het Fries gezongen.

Graf van Beppe Aukje en Pake Piet onder de Meinardskerk in Minnertsga.

7f.3 Ab Winsemius en Aly Schreiber

Albert en Aly trouwden op 20 juni in Groningen (zie ook sectie 11b). Het was een mooi gezelschap dat zich verenigde aan het feestmaal, waaraan behalve de ouders en broers en zussen aan beide kanten ook nichtje Anneke van haar broer Henk mocht aanzitten. Twee mooie relikwieën bleven ons van het huwelijk: het trouwboekje en “ons enige familiejuweel” zoals Aly’s dochter Aukje dat later noemde. Helemaal zeker zijn we niet, maar met een goede kans werd het haar geschonken bij haar huwelijk. Het is volgens de familiefolklore van een oudtante geweest en hoorde bij de kap van een klederdracht. Aly had vele jaren vrijwel geen juwelen en was zeer op het sieraad gesteld. Ze droeg het vaak.

Het bruiloftsdiner; Groningen 1938.

Het huwelijksboekje, toentertijd het boterbriefje voor onder andere gezamenlijk hotelverblijf.

“Ons enige familiejuweel”.

De ouders van de bruid.

Henk, Adrie en hun Anneke, en Lenie en Sjoerd bij het huwelijk van Aly en Ab; Groningen 1938.

Aly en Ab vestigden zich in de Jacob Catsstraat in Voorburg, op de benedenverdieping van een keurige etagewoning met minieme voortuin en wat ruimere achtertuin. Van achter de sierlijk opgehangen gordijntjes kon ze het weinige straatleven in deze rustige woonwijk net buiten Den Haag gadeslaan en bij gelegenheid ook haar vleugels uitslaan om de nieuwe omgeving te verkennen. Hoogtepunten waren ongetwijfeld de familiebezoeken, zeker toen haar ouders langs kwamen.

Jacob Catsstraat 104 in Voorburg, toen en nu: veel is er, behalve wat groen, in negentig jaar niet veranderd.

Aly in de voorkamer van de Jacob Catsstraat.

Aly bij het verlaten van de Jacob Catsstraat en met, Oma en Opa bij tramhalte in Voorburg.

In juni 1939 promoveerde Ab bijna onopgemerkt op een proefschrift over ‘De economische aspecten der internationale migratie’. Een paar maanden tevoren schrijft zijn promotor Piet Lieftinck hem een bemoedigend briefje: ene prof Boermans had kennelijk problemen met een bepaalde passage maar, zegt Lieftinck, dat lost zich vanzelf op. “De economische aspecten der internationale migratie vormen een nog weinig ontgonnen terrein, zoodat het misverstand bij Prof. Boermans zeer begrijpelijk is.” Het proefschrift kreeg het predicaat cum laude.

Bemoedigend briefje van prof. Lieftinck, 19 april 1939.

Aly had een zeer actieve ondersteuningsrol gespeeld: ze pelde volgens doorvertellingen binnen de familie de heel dag pinda’s in de hoop hem met deze bijvoeding wakker te houden. Ab had zich in recordtempo door de economiestudie heen gewerkt zonder ooit collegezalen te hebben gezien. Avondstudie en repetitoren vormden het recept. Na zijn promotie sprak Lieftinck hem naar verluidt toe: “Wij staan verbaasd: hoe kort van duur was toch uw studietijd! Binnen drie jaar waart Gij met alles kant en klaar! Gij zijt de eerste, die ‘m dat heeft gelapt maar ook de laatste. Want de Senaat trapt daar niet meer in.”

Staatsieportret, met eeuwige sigaret, in Albert’s promotiealbum en een oorkonde, ongetwijfeld vervaardigd door zijn paranimfen; 1939.

Zeer onverwachts dook uit een vergeten doosje een pakje negatieven op van een minder goede maar wel uiterst creatieve fotograaf die – met een gepaste fantasie – een verrassend beeld boden van de promotieplechtigheid. Is ’t in werkelijkheid zo gegaan? Het zou kunnen; wie zou het weerspreken?

De zaal…                               De trap…                                    De kleed- en zweetruimte…  

De proffen verzamelen zich.     Staatsieportret van promovendus en paranimfen met laatste sigaret.

Belangstellenden roezemoezen.                            Promovendus en paranimfen dalen af.

De verdediging.                       

Het ademloze publiek.

Fluisterend gesprek in afwachting van de proffen die zich hebben teruggetrokken voor overleg.

Het oordeel wordt uitgesproken, terwijl de kantinedames klaar staan voor hun zegenrijk werk.

Gelukwensen aan de jonge doctor en nabespreking met zijn paranimfen.

De proffen doen waar zijn het best in zijn.

Tot in de latere uren de duisternis valt.

Het was overigens weer hetzelfde verhaal als bij zijn afstuderen toen Pake Piet dat nieuwtje van een collega moest vernemen. “Wij wisten niets van zijn promotie”, zei Jel. Twee denkbare verklaringen zijn zoveel jaren na dato denkbaar. Albert vond economie eigenlijk “een studie van niks” Je kon alle theorie die je nodig had opschrijven in 85 bladzijden, meende hij. Later was daar nog wat bijgekomen, maar het was nog steeds niet veel. Hij had liever medicijnen gestudeerd om chirurg te worden, maar Leiden en ook Delft hadden hem afgewezen omdat hij slechts HBS-A had.

Waarom dan toch economie in de avonduren? In het spoor van Pake Piet ging hij uit van de gouden regel van de verheffing die in die tijd de maatschappij fundamenteel veranderde: elk diploma koopt je een stukje vrijheid. Met een pak diploma’s op zak kon je desgewenst tegen je baas zeggen: je wordt bedankt. De doctor’s titel was dus niet iets om speciaal te vieren, maar veeleer een middel op weg naar ‘hogere  doelen’. Dus – de tweede verklaring – haalde je zo’n diploma gewoon op en daarmee was de kous af. Of had Jel, bijna tachtig jaar later, nog steeds gelijk met haar veronderstelling dat haar broer zijn diploma’s wilde hebben om niet een tweede keer de deur gewezen te worden door een klassenbewuste belanghebbende?

Aly kon de festiviteiten niet meemaken. Een week na de promotie – op 25 juni 1939 – beviel zij van haar eerste dochter, Anna Aukje oftewel Ankie. Een paar maanden eerder – op 2 maart 1939 – was ook Lenie moeder geworden van zoon Jouke. De volgende periode liepen de albums aan de Mauritsstraat vanzelfsprekend over van foto’s van de kleintjes met hun moeders in tal van bevallige poses.

Aly met Ankie; 1939, en met schoonzus Dieuwke en haar oudste Bart; augustus/september 1939.

De donkere wolken pakken zich echter. De oorlogsdreiging werd ook in huis voelbaar, sommige producten werden schaar en in het najaar van 1939 werd de Eerste Distributiestamkaart ingevoerd. De kaart uitwisselen met anderen (familieleden en anderen) was verboden. Om een eerlijke verdeling te bevorderen en hamsteren tegen te gaan gingen sommige producten ‘op de bon’. Ab had kort voor de oorlog op het ministerie opdracht gekregen om een Bureau Marktonderzoek op te richten, maar werd direct daarna omgeschakeld naar de nieuwe prijspolitiek. Die moest er voor zorgen dat de prijzen niet inflatoir stegen om zo de consument in staat te stellen de goederen die er nog op de bon te krijgen waren, ook werkelijk te kunnen kopen.

Distributiestamkaarten van Aly en Ankie; 12 oktober 1939.

Op 10 mei 1940 valt Duitsland Nederland binnen. De strijd barst los aan de grens, bij de Grebbeberg en rond de steden Den Haag, Rotterdam en Dordrecht. Tot de capitulatie op 15 mei zijn er hevige gevechten, in Zeeland duren de gevechten tot 17 mei. Toen de oorlog uitbrak verbleef Aly met Ankie in Groningen, terwijl Ab in Voorburg was. De verwarring en onzekerheid moet extreem zijn geweest, maar kennelijk slaagde Aly er op vrij korte termijn in om weer naar Holland te gaan.

[1]Na de Duitse inval was er niet veel meer te onderzoeken maar ontstonden er wel nieuwe taken waaronder de prijspolitiek. Die moest er voor zorgen dat de prijzen niet inflatoir stegen om zo de consument in staat te stellen de goederen die er nog op de bon te krijgen waren, ook werkelijk te kunnen kopen. Volgens Duits recept werd een speciale dienst in het leven geroepen, die zelfstandig naast de departementen stond. Mr. Schokker werd aangesteld als Gemachtigde voor de Prijzen, terwijl Ab werd benoemd tot hoofd van de Prijsvorming benevens hoofd van het Secretariaat dat onder meer de afdeling Personeelszaken omvatte. Ook in eigen huis werd de prijsbeheersing vrij snel voelbaar. Een aantal producten ging al in september 1940 op de bon.

Distributiestamkaart Aly; september 1940.

De organisatie ontwikkelde zich snel naar 3000 man personeel verspreid over het hele land en werd deels bemand vanuit grote ondernemingen zoals Shell en KLM die zonder werk zaten. De oprichting van de nieuwe dienst veroorzaakte forse wrijving binnen bestaande departementen die immers werk en bevoegdheden verloren zagen gaan. Ook het bedrijfsleven zag zich een ideale kans ontnomen om extra winsten te maken. Bijvoorbeeld in de groentesector werden winsten gemaakt die 50 tot 100 procent lagen boven de normale. Dat werd versterkt omdat vooral het industriële bedrijfsleven op grote schaal collaboreerde. In de eerste twee oorlogsjaren was minstens een kwart, later oplopend tot de helft, van de omzet in opdracht van en ten behoeve van de Duitsers, voor een groot deel de Wehrmacht.

De tegenspeler van de Gemachtigde voor de Prijzen was de Abteilung Preisbildung van het Reichskommissariat onder leiding van een dr. Trabold. De Abteilung was bezet met uit Duitsland overgekomen ambtenaren, maar Berlijn bemoeide zich aanvankelijk weinig met zaken in Nederland. Dit maakte een vrij goede verstandhouding mogelijk, dit te meer omdat Trabold geen nazi was. Naderhand kwamen er steeds meer richtlijnen uit Duitsland. Het ging er eigenlijk om de Duitsers voor te blijven door grotere voortvarendheid en een beter systeem. Dat lukte de eerste tijd goed, maar later ontstonden meer wrijvingen. Er gold echter maar één gedragslijn: nooit iets toegeven, want als je eenmaal over een bepaalde grens ging, verschoven de grenzen steeds verder.

De opzet die Ab koos, was in principe eenvoudig. De grote massa van de traditionele prijsvaststellingen werd gedelegeerd met een duidelijke spelregel: de beslissers waren verzekerd van absolute rugdekking. “Gevaarlijke prijsvaststellingen” kwamen voor rekening van hem zelf. Dat verzekerde hem van een loyale samenwerking. Het systeem werkte totdat Mr. Schokker – “een zwak man. Zo iets van: wie het laatst bij je bureau zit, heeft gelijk” – lid van de NSB, de Nationaal Socialistische Beweging, werd. Albert had hem tot die tijd “onder controle”, maar direct na aanvang van de bezetting werd de NSB ‘versterkt’ door een aanwas van profiteurs, van 27.000 leden in mei 1940 tot 85.000 in zomer 1942. Het merendeel van hen was incapabel en onbetrouwbaar maar zag grote carrièremogelijkheden. Dat leidde vanaf augustus 1941 tot een nazificering bij de Dienst van de Gemachtigde voor de Prijzen. Goede mensen verdwenen in die fase uit de ambtelijke dienst en werden opgevolgd door lieden met een veel lagere kwaliteit. In voorjaar 1941, nadat de Duitsers Rusland waren binnengevallen en daar op onverwacht veel tegenstand stuitten, werden de bezetters ook in Nederland zenuwachtig. “Het werd op de dienst ook een twee-frontenoorlog”, schreef hij in een terugblik in 1983. “Tegen de Duitsers, met in de rug uitholling door de NSB.” Hij maakt daarbij een enkele uitzondering: drs. Groeneveld, zijn voormalige repetitor en erkend NSB-er, was zowel zakelijk als moreel eerste klas. “De Richtlijnen voor de Prijsvaststelling komen grotendeels uit zijn pen.”

Prenten die Ab aan de muur had. Links: De Gemachtigde voor de Prijzen tegen het spook van de Ongemotiveerde Prijsverhoging: “Op uw aanwezigheid stel ik géén prijs!”; november 1940. Rechts: De mol over de baas van de prijsbeheersing: “Je moet wel zóó oppassen met hem…”; mei 1941.


[1] De bron voor het volgende, gedetailleerde verslag van de gebeurtenissen in de periode 1940-1947 is de tekst “Rechtsherstel” die Albert Winsemius schreef in 1983.

Aan het huiselijk front ging het in die tijd gelukkig nog voorspoedig. Ankie – met prachtig krulletjeshaar – groeide en bloeide, Aly had het naar haar zin in de Jacob Catsstraat en bleek in het najaar van 1941 weer in verwachting. Rond die tijd werden de persoonsbewijzen verplicht, waarmee de bezetters hun greep op het land verder vergrootten.

Ankie; zomer 1941.                                       Op de stoep van de Jacob Catsstraat.

Persoonsbewijs; november / december 1941.

Ab en Aly kregen een Duitse soldaat ingekwartierd; het was een aardige man die voor zijn nummer in Den Haag zat en zijn ‘thuis’ ernstig miste. Ankie herinnerde zich later: “Hij gaf me snoep.” “Zum freundlichen Erinnerung, Heinr. Tilleke”, schreef hij bij de foto die hij achterliet.

De ingekwartierde Heinrich Tilleke.

De kleine Pieter werd geboren op 7 maart 1942. Het was bitter koud weer en de straten waren overdekt met een ijslaag. Ab bond de schaatsen onder om hem op het gemeentehuis aan te geven. Naar verluidt stroomden de ambtenaren naar buiten om hem weer de schaatsen te zien onderbinden voor de thuisreis. Met een gloeiende breipen markeerde hij ze voor de eeuwigheid.

De oudere zus en de Friese doorlopers waarop Ab zoon Pieter aangaf in Voorburg; 7 maart 1942.

In mei 1942  kan het hele gezin – uitgebreid met de dan twee maanden oude Pieter – zelfs met een soort vakantie naar het Noorden. Ankie poseert even buiten het dorp Bergum op de poppesteen, een reusachtige zwerfkei waaronder, zoals algemeen bekend, de lytse popkes vandaan komen en die daarom geldt als bedevaartsoord voor kinderloze vrouwen. Er waren ook nog bruiloften en partijen zoals de promotie van zijn vriend Jan van den Brink, in die fase een veelvuldig bezoeker. Van den Brink, zoon van een Larense tapijtfabrikant, werd in 1940 ambtenaar op de afdeling economische voorlichtingsdienst van het ministerie van Economische Zaken en een jaar later adviseur bij de dienst tot regeling van prijzen. In 1942 werkte hij als chef van de afdeling prijzenpolitiek nauw samen met Ab.

Jan, Bernard (achter) en Albert met Ankie.   Met Nely en de magische poppenwagen van Beppe; mei 1942.

Aly met Pieter, twee maanden oud…           …en Ankie op de poppesteen; mei 1942.

Promotiediner van Jan van den Brink (tweede van links) met links staand achter de tafel zijn paranimf Ab Winsemius en daarvoor zijn Aly; Tilburg, 1942.

Ab en Jan van den Brink waren elkaar’s wederzijdse paranimfen. Jan, die later uitgroeide tot Ab’s minister van Economische Zaken en bestuursvoorzitter van de ABN- AMRO Bank,  kwam die jaren veelvuldig op bezoek. Hij was een meer dan verdienstelijk schilder; jarenlang sierden twee van zijn schilderijen de vestibule van de Winsemiussen. Een – voor hun – vermakelijke anekdote verhaalt van het bezoek waarbij hij behulpzaam wat uit een overvolle kast wilde pakken om vervolgens een fles levertraan over zich heen te krijgen, In een tijd dat pakken duur en goede wasmiddelen schaars waren, veroorzaakte dit een beduidende chaos.

Ankie; zomer 1941.

Bron: Leeuwarder Courant, 1 september 1941.

Prenten uit Duits propaganda-album over de Nederlandse prijspolitiek; ca. 1941.

Ging het thuis voor de wind, op het werk was dat steeds minder het geval. “Zo liep de zaak – af en toe erg onrustig – door. De prijspolitiek werd geleidelijk aan beter, ondanks de toenemende schaarste. Mijn invloed werd – eveneens geleidelijk – minder.” In de winter 1942/43 sloeg de vlam echter in de pan toen Schokker Albert’s plaatsvervanger , de Heer Pflitsch, op staande voet en zonder overleg ontsloeg. Daarmee was een bres geschoten in zijn laatste verdedigingslinie: de vertrouwde groep chefs van hoofdgroepen. Eind februari 1943 vroeg hij ontslag. Trabold probeerde hem nog om te praten, omdat de Nederlandse aanpak veel lof oogstte in Berlijn. De prijzen waren hier beter dan elders beheerst gebleven. “Stelt men ’39 op 100, dan was het indexcijfer van de groothandelsprijzen in  ’44 bijvoorbeeld in Frankrijk 265 tegen 151 in Nederland.”

Zijn vertrek leidde bij zowel zijn baas als de Duitse prijsbeheerder tot wrok. De laatste deelde mee ervoor te zorgen dat hij in de Arbeidseinsatz terecht zou komen. Albert riep de hulp in van dr. Hirschfeld, de secretaris-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, en van Landbouw en Voedselvoorziening. Hij was de feitelijke topman in het economisch beleid en Albert had daarom voor wat betreft het prijsbeleid contact met hem gehouden. Deze slaagde erin het Reichskommissariat zo ver te krijgen dat ze hem met rust zouden laten mits hij verder in een “unwichtige Stelle” zou gaan werken. Die baan werd gevonden bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vrij spoedig kwam er echter toch een oproep voor de Arbeidseinsatz. “Met behulp van een dokter met ervaring op dit gebied kreeg ik een maagkwaal en de daarbij behorende dieetvoeding van de distributie. … De keuring constateerde een maagzweer, dank zij een doorgeslikt zilverpapier dat de röntgenstraling niet doorliet.” Alsof er niets aan de hand was, mocht Ankie als seniore zus met haar broertje wandelen.

Bevel tot aanmelding voor de Arbeidsinzet, terwijl Ankie duwt Pieter in zijn wagentje; zomer 1943.

In augustus 1943 kwam er weer oproep, nu bij Duitse keuringsinstanties. Later bleek hij met een aantal medewerkers te zijn ‘aangemeld’ vanuit zijn voormalige ‘Abteilung Preisbildung’; vooral de onderste alinea van de tekst is opmerkelijk. Met de hulp van de laatste niet-NSB opsporingscommandant Beunder bleek de oproep direct terug te voeren op Schokker en / of Trabold. Gelukkig waren de oude foto’s voorzien van indrukwekkende stempels.

Ab wordt door de Abteilung Preisbildung ‘aangemeld’ voor de Arbeitseinsatz.

In het vroege najaar trof Aly de laatste voorbereidingen voor de geboorte van dochter Aukje die op 3 november het levenslicht zag. De adressen werden verzameld zodat de geboortekaartjes terstond op de post konden. Ongetwijfeld vanwege de krappe voorraden werd daartoe ook een brief hergebruikt, die een mooi beeld geeft van het leven op de bon: zelfs theeservies moest worden berekend hoewel je soms op enige clementie mocht hopen.

Voorbereiding op de geboorte Aukje: verzendlijst voor de geboortekaartjes.

Ook het theeservies is op de bon.

In de periode daarna stortte de prijsbeheersing in elkaar. De nood was hoog en brak dus de wet; de zwarte handel tierde welig. De Duitsers hadden bovendien een Tweede Distributiestamkaart ingevoerd om de duizenden onderduikers van voedsel af te snijden. Wie immers geen stamkaart had, kon geen bonnen krijgen en dus ook geen voedsel en andere goederen kopen. Deze maatregel werd door het Ambtenarenverzet zorgvuldig gesaboteerd. Tot irritatie van de bezetter bleken er uiteindelijk meer stamkaarten verstrekt dan de bevolking volgens haar groot was, zonder dat duidelijk was waar gefraudeerd was.

Tweede Distributie Stamkaart.

Op 3 november 1943 werd in het Evangelisch Luthersche Rustoord aan de Laan van Nieuw Oostindië, een dependance van de Frankenslag kraamkliniek, de kleine Aukje geboren.

De snapshots; november 1943.

Ab’s jongste zus Jeltje sprong een dag of tien in om het huishouden te runnen. Ze had tijd, vond haar hele omgeving. Ze studeerde medicijnen in Groningen, maar in april van dat jaar waren alle universiteiten gesloten. De treinen reden echter nog wel; die kwamen pas in september 1944 tot stilstand, dus ze kon Voorburg nog goed bereiken. Het was een mooie ervaring, herinnerde ze zich 97 jaar oud. De kleine Pieter – “je was een alleraardigst joch”, wist ze haar interviewer te melden – sprak alle vrouwen om strikt onduidelijke redenen aan met “Poeder”. Het was echter ook een uitdaging van de buitencategorie geweest. Jel had weinig ervaring met wassen en sopte alle wollen borstrokken van de baby in te heet water, waardoor ze verregaand krompen. Ze durfde het haar schoonzus niet te vertellen: “Het was vreselijk … was midden in de oorlog en wol was er natuurlijk niet.”         

Met Ab in het raam, Aly in een stoel en Jel in een ligstoel in de voortuin.

Een paar uur tevoren was Aly’s jongere zus Lenie bevallen van zoon Dietert. Lenie schreef een lange, spontane brief. Aukje en Dietert belden elkaar vele jaren op hun wederzijdse verjaardag.

Brief van Lenie; 8 november 1943.

Korte tijd later vonden de eerste staatsieportretten ongetwijfeld hun weg naar Groningen en Oegstgeest. Ankie lijkt zich diep bewust van haar verantwoordelijkheden als oudere zus en Pieter heeft een broek met zakken; hij kan het met beide handen. Aly’s ketting is – zo weten beide dochters met zekerheid – het eerste ‘grote cadeau’ dat Ab ooit kocht voor zijn lief. Overigens bevestigde Ab later Jel’s vrees. Wij droegen veelkleurig ondergoed, vertelde hij. Omdat er niets te koop was, haalde Aly alle gebreide hempjes en broekjes uit elkaar wanneer deze te klein waren geworden. Het garen werd op een soort doe-het-zelf haspel gewonden, het geheel werd gewassen, en daarvan werden nieuwe hempjes en broekjes gebreid. Omdat het garen voor de grotere maat meestal niet voldoende was, werden verschillende kleuren door elkaar gebruikt.

De staatsieportretten; eind 1943.

Het edele drietal in de tuin; zomer 1944.              

Aukje in door Opa Dietert getimmerd ledikantje; zomer 1944.

Op de stoep van de Jacob Catsstraat.

Ankie had het laatste oorlogsjaar veel leeftijdgenootjes waarmee ze speelde. Steeds weer zit de zandbak in de achtertuin, in de onmiddellijke nabijheid van de zelfgegraven schuilkelder, vol met vriendinnetjes. Dat werd sterk bevorderd door de kinderrijke bovenburen van Zijl. Ze zat met de oudsten ook op de katholieke kleuterschool waar ze bij luchtalarm onder hun tafeltjes schuilden en een schietgebedje moesten opzeggen: “Moeder Maria, bewaar ons. Moeder Maria, bewaar ons.” ‘s Avonds thuis greep zij terug op dit beproefde recept om vervolgens bij teruggekeerde stilte te vragen: “Is ie nou weg, Mamma?” Dan mocht ze gaan slapen. Haar vriendinnetjes deden ook communie. Dat wilde zij ook wel, zo’n mooie jurk en allemaal cadeautjes. Dus speelde ze met haar vriendinnetje “communie doen”, maar het is later nooit wat geworden met haar pragmatische geloof.

Ankie – de derde van links – met haar ene vriendje en vele vriendinnetjes.

De vijfde verjaardag van Ankie met Pieter vooraan en daarachter Ankie met Aukje op schoot; 25 juni 1944. Rechts: de communie van Ankie.

Zomer 1944 begonnen de voedselvoorraden in Holland te verminderen. In Voorburg trok Ab alle registers open. Zijn ouders steunden hem vanuit Friesland met regelmatige pakketten en hij schoot ook een zeer verre neef en naamgenoot Albert Winsemius, de hem persoonlijk onbekende zoon van Thomas Wensemius en Grietje Kamminga, te Amsterdam aan, die in de zout zat. Hun briefwisseling spreekt voor zich: binnen twee weken waren de zaken geregeld. Een paar maanden later volgt Pake Pieter zijn voorbeeld en weer komt “Neef Alb.” zeer snel door.

Correspondentie tussen Ab en A. Winsemius met betrekking tot een zending zout, juni 1944.

Vooral Albert’s laatste brief getuigt van het groeiend optimisme over de snelle afloop van de oorlog. De Duitsers hadden de slag om Stalingrad verloren en op 6 juni waren de Geallieerden geland in Normandië. In september 1944 mislukte echter de oversteek van Montgomery naar Arnhem. De Geallieerden zaten bezuiden de grote rivieren, terwijl de Duitsers het noorden beheersten. De aanvoer van voedingsmiddelen uit Friesland en Groningen in het nieuwe frontgebied liep sterk terug en de Hongerwinter was aanstaande. Het voedseltekort werd nijpend en dicht achter het huis bracht een lanceerinrichting van V2’s de oorlog wel erg dichtbij. Alle omwonenden leerden tellen: als er na zoveel tellen geen klap volgde, was de raket ‘veilig’ naar Engeland vertrokken.

Het mislukken van de slag om Arnhem temperde het aanvankelijk optimisme aanmerkelijk en de Arbeitseinsatz bleef een voortdurende bedreiging. Ab zocht, en kreeg, steun van verschillende klanten. In oktober 1944 schreef een arts bij de G.G.D. in Voorburg hem in verband met zijn maaglijden dieetvoeding voor. Ongetwijfeld was de voedende waarde van de extra levensmiddelen zeer welkom binnen het gezin. Via Beunder die in het verzet zat, bevestigde bovendien zijn vrijstelling van arbeidsinzet middels een indrukwekkend stempel op zijn persoonsbewijs. De ondergrondse ‘leende’ daartoe het stempel ’s avonds van de Sicherheitsdienst en legde het ’s morgens weer terug. Het stempel was dus echt, de paraaf nagemaakt.

Ab krijgt dieetvoorschrift; 19 oktober 1944.

Persoonsbewijs met stempel rechtsboven; 27 november 1944.

Het was de vooravond van de Hongerwinter. Een spotprent uit die tijd – groot favoriet van Ab die hem zelfs met waterverf inkleurde – schetst het beeld dat de geprangde Hollanders hadden. Duitsers die fietsen confisqueren (linksboven), omgeploegde plantsoenen in de hoop nog een eetbare knol te vinden, gaarkeukens met lange rijen hongerlijders, welgedane Duitsers met een sigaar in de mond en twee Moffenmadammen aan de arm (links), mensen die op alle manieren aan eten te proberen komen of aan hout om hun huizen te verwarmen, kaduke fietsen en kachels. Het was een barre tijd.

Favoriete spotprent van de Hongerwinter. De ingekleurde versie heeft zijn hele schooltijd in Pieter’s kamer gehangen.

Uit een lang verborgen kistje waaide de voedseladministratie naar boven die Ab die wintermaanden bijhield. Zijn vader stuurde vanuit Friesland voedselpakketten en Ab registreerde de datum van verzending zoals hij die uit brieven wist, de inhoud en de ontvangst inclusief de staat van de inhoud. Ook de belangrijkste voorraden – brandstoffen, aardappelen, rogge – werden nauwkeurig bijgehouden. Een bijzondere dimensie wordt gevormd door de planning: met of zonder eters. Volgens Aukje hield haar vader een schema bij van de min of meer vaste gasten: iemand hoorde bij bepaalde dag.

Ab’s administratie van voedselpakketten; oktober-november 1944.

Administratie van de voedselvoorraden; januari – februari 1945.

Planning van voedselvoorziening met en zonder eters; oktober 1944.

Echter ook Aly kon er wat van. Ze noteerde de meest belangrijke gegevens van haar kroost: het tijdstip van hun geboorte, wanneer ze konden staan en lopen – Ankie (met ‘y’ geschreven) met 13 maanden, Pieter drie maanden ouder –  en hun gewicht. Dat laatste vereiste waarschijnlijk bijzondere aandacht, ondanks alle goede zorgen dreigde steeds het spook van de ondervoeding. Ze had groot gevoel voor detail: op 1 september 1944 kreeg Aukje haar eerste tandje, op 10 september het tweede en op 4 oktober het derde.

Aly’s registratie van de kerngegevens van haar kinderen; juni 1944 – juli 1945.

Ondanks de goede (voor)zorgen ontstonden er problemen. Tijdens een razzia kwam Ab klem te zitten. Zijn ‘maagkwaal’ bood weliswaar het voordeel van wat extra melktoewijzing die de kinderen goed van pas kwam, maar de bescherming tegen arrestatie was gering. Niemand mocht zijn huis verlaten  dus ging hij met zijn attesten en ziekenhuisparafernalia op bed liggen. De Duitsers waren echter niet onder de indruk en namen zijn persoonsbewijs in beslag onder mededeling dat hij zich voor medisch onderzoek moest melden op een school. Dat betekende nagenoeg zeker transport naar Duitsland. Aly praatte zo op de betrokken militairen in dat ze – na controle of hun officier ook dichtbij was – de papieren teruggaven.

In 1984 vertelde Ab in een Singaporese krant ook hoe twee van de drie kinderen – Pieter en Aukje – de Engelse ziekte oftewel rachitis kregen: een botaandoening die ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium. Hun voeding bleef ook vele jaren na afloop van de Oorlog een voornaam aandachtspunt in huize Winsemius. Hun vader huurde een stuk land in het naburige Nootdorp om zo de voedselvoorraad aan te vullen, maar besloot al spoedig over te gaan op de tabaksteelt. De ruilhandel met ‘verslaafden’ bood grotere mogelijkheden. Hij werkte zich in en wist de kwaliteit van zijn product op te voeren onder andere door de verwerking deels onder te brengen bij de bevriende sigarenfabrikant Van Buul. “And that’s how we got through the war.”

Ankie in de tabak.                                 Interview met Singapore Monitor, 4 maart 1984.

Gedurende de oorlogsjaren hield Pake Piet een memoriaal bij waarin hij met regelmaat verhaalde wat hem bezig hield. Op 1 maart 1945 twijfelt aan de goede afloop. De onzekerheden zijn enorm. Bernard zit in Hamburg; hoe het gaat, is onduidelijk. Cor zit vermoedelijk in een concentratiekamp in Duitsland; nadere berichten ontbreken. Jan zit ondergedoken maar de geprangde bezetters zijn genadeloos. Bij al die spanning is ook het groeiende besef dat Gouda zeer ernstig ziek is, getroffen door een kanker die haar lichaam steeds verder aantast.

In Holland werpt de Hongerwinter een zware schaduw over het gezin van Albert en Aly dat nu ook de kleine Aukje omvat. Pake Piet sombert: “De oarloch durret mar troch” (de oorlog duurt maar door). In Holland dreigt hongersnood. Wij doen ons best om er van alles naar toe te sturen. Tarwe, rogge, erwten, vet, aardappels. Maar de gelegenheid is krap. Auto’s zijn niet te krijgen. Tarwe, rogge, erwten worden ook zo duur betaald. Als er een vergunning komt voor een auto, kost het samen f 700,- vracht.” Gelukkig, meldt hij, slaagde Zijlstra er in voor f 200 een vracht van 14 mud aardappelen naar het kantoor Den Haag te krijgen.

Op 3 maart 1945 werd Den Haag opgeschrikt door het noodlottige bombardement van het Bezuidenhout, op een paar kilometer van de Jacob Catsstraat. Het ging om een vergissing van de Engelsen. Het doel was het Haagse Bos, een park dat de Duitse raketeenheden al enige tijd gebruikten om hun V2-raketten op te slaan en eraan te werken, voordat ze werden gelanceerd. Door een fout in de opdracht die de vliegers hadden meegekregen, gooiden ze hun bommen echter uit op de dichtbevolkte woonwijk ten zuiden van het bos. Ruim 550 mensen lieten het leven onder wie de bekende dichter-zanger Koos Speenhoff.

Ab en Aly kregen zes weken lang een aantal ontheemden in huis; het was een bijzondere ervaring. Terwijl Aly thuis gespannen zat te wachten, ‘selecteerde’ haar echtgenoot een gezin met drie kinderen uit de lange stoet ontheemden die in een desolate toestand over de Laan van Nieuw Oost-Indië marcheerden. Qua samenstelling waren de gasten vergelijkbaar het eigen gezin, maar daar hield het ook wel mee op. Aly keek haar ogen uit toen de moeder de melkbonnen voor haar baby ruilde tegen sigaretten. Ze waren ook alles kwijt. Ab ging met de vader naar Bezuidenhout om te kijken of er wat te redden viel, maar ze kwamen terug met verbrande handen. Het vuur was weliswaar gedoofd maar alle resten van wat eens hun huis was, gloeiden nog. En zoals Ankie zich later herinnerde, namen ze aan het slot ‘onze’ kinderwagen mee.

Verwoesting van het Bezuidenhout.

Maar toch… de bevrijding naderde. Pieter rende een week te vroeg met een Hollandse vlag naar buiten en moest als de bliksem van de straat worden geplukt om problemen met de overspannen bezetters te voorkomen, maar op 8 mei 1945 reden de Canadese legervoertuigen de stad binnen: een nieuwe tijd begon.

De Canadezen trekken Den Haag binnen; 8 mei 1945.

Een maand na de bevrijding publiceert Albert in zijn functie van Hoofdambtenaar van het Ministerie van Handel en Nijverheid een boek over “De opbouw van het bestuursapparaat”, dat  in grote lijnen nog steeds hout snijdt. Het is moeilijk voorstelbaar hoe hij in het laatste oorlogsjaar vooruit heeft kunnen kijken naar de modernisering van het ambtelijk apparaat en de wisselwerking met de politiek in een vrij Nederland. Hij had zich al op 16 mei aangemeld voor actieve inzet op zijn oude ministerie, maar ontving eind juni een zogenoemd stakingsbevel: wanneer onzekerheid bestond ten aanzien van iemands gedrag tijdens de bezetting, kon je worden gestaakt. Je moest dan zijn werkzaamheden beëindigen, maar behield je salaris totdat een zuiveringscommissie uitspraak hadden gedaan,

Dat was voor hem “een diepe teleurstelling”. Je kon er ook niets tegen doen, moest afwachten tot je aan de beurt was en dat kon gezien de vele gevallen wel eens lang duren. “Ik was uiteraard des duivels om deze beschamende gang van zaken.” Hij nam zich voor “de zaak tot het eind uit te vechten, en de aansprakelijke, indien ik deze zou kunnen vinden, een afdoende rekening te presenteren.” Hij kon op dat moment niet bevroeden dat het hem, geconfronteerd met een vertragingstactiek van zowel politici als topambtenaren, 2½ uiterst frustrerende jaren zou kosten om zijn volledige gelijk te halen.

Een nieuw soort persoonsbewijs; 10 mei 1945.

De opening was niet best. Albert maakte een afspraak met drs. De Jong, de nieuwe chef bedrijfsorganisatie en tevens chef van het Kabinet van SDAP-minister Vos. Hij drong aan op een snelle behandeling maar De Jong liet hem weten dat, ongeacht de uitkomst, hij niet weer op het departement zou kunnen komen: “de sfeer zou volkomen worden verpest.” Het algemene gevoelen was volgens De Jong dat hij zich niet goed had gedragen. Albert was getergd om het eufemistisch te zeggen en dat werd er niet beter op tijdens een vervolggesprek met de minister zelf.

Volgens zijn achteraf gemaakte notities verliep dat als volgt, “nadat hij mij geen hand had gegeven”: (V) Wat hebt U mij mee te delen? (W) Naar ik meen, hebt U mij hier uitgenodigd. – pauze – (V) U hebt mij een brief geschreven. (W) Inderdaad. (V) Wat staat daarin? (W) Ik neem aan, dat U die brief hebt gelezen. (V) Ja, en U komt nimmer weer op dit departement.  – pauze – (W) Excellentie, wanneer U geheel of in elk geval nagenoeg vergeten bent, zit ik hier als directeur-generaal op dit departement. (V) Ik zal U ontslaan. (W) Dat durft U niet, want dan ga ik rechtstreeks naar het Ambtenarengerecht, en dat legt U af. (V) Ik zal U laten verwijderen. (W) Excellentie, dat behoeft niet, ik ken hier de weg wel.

Hein Vos.

Midden augustus werd het beter bij de zuiveringscommissie. Merkwaardigerwijs bleek de commissie weinig concreet materiaal in handen te hebben. Albert werd daarom gevraagd een rapport van de werkelijke bevindingen op te stellen. Per 17 september 1945 verstuurde hij dat. Hij vroeg ook een tiental ambtenaren die van dichtbij zijn handelen hadden ervaren, daarvan schriftelijk te getuigen.

De zitting van de zuiveringscommissie onder voorzitterschap van dr. Idenburg, directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek en een “fatsoenlijk man”, vond plaats op 4 oktober. Er was in het dossier nog steeds geen steekhoudende klacht aangetroffen. Er werd wel een curieuze vraag gesteld: had hij in het contact met Trabold wel eens de Hitlergroet gebracht. Enigszins grinnikend antwoordde hij dat zulks volslagen uitgesloten was en dat Trabold zelf geen nazi was. Iemand moest dat hebben rondverteld. Dat was op zich een gevaarlijk gerucht. De commissie kwam echter tot de conclusie dat de staking ongedaan moest worden gemaakt: de ingediende klachten hielden geen steek, Integendeel houding en beleid waren doorlopend in ’s lands belang geweest. Zoals dr. Hirschfeld, de secretaris-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, en van Landbouw en Voedselvoorziening, met een lachje zei: “Jij bent de enige ambtenaar die met een bewezen onbevlekt blazoen uit de bezetting is gekomen.” 

De staking was weliswaar opgeheven, maar van rechtsherstel was nog geen sprake. Dat herstel moest inhouden een terugkeer in de laatste serieuze functie of iets vergelijkbaars en uitbetaling van misgelopen inkomen. Dat klinkt vanzelfsprekend maar was dat geenszins zolang het departement nog werd geleid door Vos, De Jong en consorten. Albert kreeg onverwachts steun van zijn promotor Piet Lieftinck, die inmiddels Minister van Financiën was geworden. In januari 1946 stelde die hem aan op een tijdelijke baan. Vos was furieus en het kwam zelfs in de Ministerraad, maar minister-president Drees steunde de lijn-Lieftinck: als Winsemius recht heeft op eerherstel, dan had Vos voldoende tijd gehad om dit te regelen. Heeft hij geen recht, dan moet Vos niet zeuren als Lieftinck hem zinvol meent te kunnen inzetten. Een aantal politieke en ambtelijke toppers van het ministerie bleef echter chicaneren.

Een van de laatste foto’s in de Jacob Catsstraat; en rechts een zorgzame oudere broer en zus; 9 maart 1946.

Aly en Ab verhuisden in 1946 van Voorburg naar de Mechelsestraat 1 in Scheveningen. Het was daar – bijna letterlijk – een enorme puinhoop. De huizen die tijdens de oorlogsjaren in een Sperrgebiet – dat wil zeggen niet toegankelijk voor burgers – lagen, stonden weliswaar overeind maar alles was kaduuk. De verwarming werkte niet; alleen de huiskamer werd verhit met één kolenkachel. De voorkamer was ’s winters steenkoud. Het glas in de ramen was afkomstig van Westlandse kassen en was van zeer ongelijke kwaliteit waardoor er een springerig beeld van de buitenwereld ontstand. De straten bestonden uit platgereden puin..Pas kort voor de hete zomer van 1947werden ze geasfalteerd. Het teer was niet bestand tegen de hitte zoals Aly moest constateren. Haar jongste dochter speelde graag in het gesmolten teer en haar persoon noch haar kleding waren schoon te krijgen.

Op het platje bij het nieuwe huis aan de Mechelsestraat.

Aly raakte in die naoorlogse periode overbelast en is een tijd naar Friesland gegaan voor herstel. Een paar maanden later plaatste Ab een advertentie in de krant om structurele ondersteuning te regelen; de tussenzin “Veel vrij” is opmerkelijk.

Advertentie voor dienstmeisje in de Leeuwarder Koerier; 11 juni 1946.

Ab geeft snel extra vorm en kleur aan zijn nieuwe woonomgeving. Hij krijgt rap een – curieuze – toestemming om aan huis een ontvangst – en bureauruimte in te richten. De brief was blijkens latere uitleg nodig in zijn strijd met een generaal die ook zijn oog op het huis had laten vallen. Ab blijkt zich daarnaast te hebben ontwikkeld tot een gedreven bloementeler. In 1946 zendt hij naar de grote najaarstentoonstelling van de Vereeniging Floralia een ageratum, en afrikaantje, een fuchsia en een vlijtig liesje. Het is ons onbekend of hij tot de prijswinnaars behoorde. In 1947 mag hij, niet in het bezit zijnde van een auto, wel een garage laten bouwen.

Vergunning voor ontvangst- en bureauruimte aan huis; februari 1946.

Het was een goed leven op de Mechelsestraat. ‘s Zomers was er veel ruimte in en rond het huis. De straten waren breed en er waren vrijwel geen auto’s. Buiten spelen was veilig, zelfs zonder direct toezicht. De buren hielden een oogje in het zeil en de spelletjes getuigden van een grote samenhang. Als je bofte, ging je door de duinen van Oom Jan naar het strand. Oom Jan was Ab’s oudere broer en hij was dijkgraaf van Delfland; jarenlang konden de kinderen met veel plezier claimen: “Onze oom heeft de grootste boezem van Nederland.” Op het strand speelden de kinderen met de autoband waarin Ab met dikke touwen een zitje had gemonteerd zodat je er niet door kon zakken. Enig toezicht was nu wel geboden omdat akelige stromingen je anders de zee in konden trekken.

Zomer op het Stille Strand.

Op het ministerie kozen Vos & Co voor de beproefde vertragingstactiek. Albert’s verzoek om rechtsherstel van 10 november 1945 werd op 3 mei 1946 beantwoord, maar de schrijvende ambtenaren waren onkundig. Op 17 mei werden evenwel de eerste naoorlogse verkiezingen gehouden en Vos werd op Economische Zaken opgevolgd door Huysmans. Ook De Jong verdween met andere toppers. De nieuwe Minister werd door een Eindhovense sigarettenfabrikant, de heer Van Buul, die weer was voorgelicht door Albert’s vriend Gerrit Visser, gewezen op de misbehandeling. Hij nodigde Albert uit voor een gesprek en vroeg hem een schriftelijke uiteenzetting. Op 16 augustus stuurde Albert hem een brief van tien pagina’s. Begin september had hij een vervolggesprek met de Minister, die voorstelde een bindend advies te vragen aan oud-Minister van Binnenlandse Zaken Mr. Kan.

De mee-denkers: v.l.n.r. Piet Lieftinck, Gerard Huysmans, Jan Kan en Hans Hirschfeld.                    

Het departement volhardde in het traineren, Huysmans moest persoonlijk ingrijpen opdat het verzoek aan Kan alsnog op 14 december werd verstuurd. Kan nam de opdracht vrijwel onmiddellijk aan, maar pas in februari 1947 werden hem, weer na expliciet ingrijpen door Huysmans, de – onvolledige – stukken toegestuurd. Kan werkte snel en kort daarna praatten ze een paar uur op de METS-banen in Scheveningen, waarna Albert de documentatie completeerde. In zijn advies van 6 maart 1947 was Mr. Kan duidelijk: de overheid had gefaald en dat wettigde een mildere toepassing van de bestaande wettelijke voorschriften. Het ministerie bleef difficulteren en op 3 mei zette Albert in scherpe bewoordingen de pintjes op de i. Op 20 juni reageerde het ministerie: zijn oude functie was opgeheven en er waren geen vergelijkbare functies beschikbaar dus misschien kon hij wel bij Financiën aanblijven. Na herhaalde verwijzing naar het bindende advies kwam op 29 augustus een aanbod om hem te benoemen tot raadsadviseur in algemene dienst. Albert diende een aangepast tegenvoorstel in: raadsadviseur in algemene dienst met de persoonlijke titel van directeur-generaal met de bijbehorende financiële correcties was akkoord.

Hervatting van de Blauwe Tram op 2 juni 1947. De tram rijdt hier op de Badhuisweg bij de Bosschestraat, afbuigend naar het eindpunt in de Haarlemmerstraat.

Het begon er nu op te lijken maar de tijd drong vanwege een fatale termijn bij aanvragen voor rechtsherstel. Op 9 september maakte hij zijn zaak daarom aanhangig bij het Ambtenarengerecht. Weer probeerde het departement te rekken. Het verweerschrift van het departement werd keer op keer uitgesteld, maar de griffier kreeg er genoeg van en deelde Albert mede: “Wanneer U zich voor de gek wilt laten houden, dat moet U zelf weten; maar men moet ons niet voor de gek houden.”

In nieuwe samenstelling in Groningen: v.l.n.r. Henk, Adrie, Oma Anna, Ab, Ankie, Aukje, Pieter, Aly, Anneke en Opa Dietert.

Op bezoek in een winterse Mauritsstraat. Let op mooie gebreide kunstmutsen van beide dochters.

‘s Winters spoot Ab het platje naast huis onder en als de vlag uithing, was de ijsbaan geopend. De arrenslee – een familie-icoon dat een rondgang maakte binnen de hele familie Winsemius – deed glorierijke dient: niemand had zoiets moois. Toen winters nog winters waren bouwden we een reuzesneeuwpop met een emmer op zijn hoofd.

Winter op het platje en in de tuin.

De finale regeling van het rechtsherstel kwam tot stand tijdens een bespreking op het departement op 5 januari 1948. Huysmans was zeer ziek geworden en afgetreden als Minister. De zaak werd afgehandeld door de nieuwe secretaris-generaal Dr. Van der Kooy. Uiteindelijk dicteerde Albert de rechtsherstelbrief die door de secretaris-generaal werd getekend.

Op 1 februari zat Ab weer op het departement, waar hij zich op korte termijn stortte op het vereffenen van nog openstaande rekeningen. Uit het dossier-Winsemius bleek dat het ‘lek’ zat bij dr. Groeneveld Meijer, die desgevraagd door de zuiveringscommissie bevestigde dat hij hoogst onaangenaam was getroffen dat dr. Winsemius bij het binnenkomen van de kamer van Trabold “den bekenden groet bracht door het zwaaien met den onderarm”. Vos deed hierover navraag en zijn toenmalige secretaris-generaal Kuin reageerde: “Hr. Minister, Dr. Gr. Meyer moet zich n.m.m. vergist hebben. Dr. Trabold was zelfs geen nazi in zijn hart, en dat wist W.” W. sloeg terug; hoewel het tijd kostte werd Gr. Meyer na verloop van tijd ontheven van zijn functie van directeur-generaal voor de Middenstand. Hem werd verboden de departementsgebouwen te betreden, en hij kreeg opdracht thuis de geschiedenis van de Nederlandse middenstand te schrijven.

In maart 1948 al holde Pieter dolenthousiast naar de buren: “Mijn vader is generaal geworden!’ Meneer Udo temperde zijn blijdschap op vriendelijke wijze, maar excuseerde zich later: Ab was benoemd als directeur-generaal voor de Industrialisatie, in welke functie hij als hoogste beleidsambtenaar binnen het ministerie van Economische Zaken belast was met het vormgeven van het naoorlogse industriebeleid.

Bericht in de Drachtster Courant; maart 1948.

De Friezen zien het helemaal zitten.

Met de ontwikkelingen aan het werkfront in een stroomversnelling blijft de berichtgeving van het thuisfront wat achter, zo lijkt het. Helemaal begrijpen doen we het met de terugblik van een  kleine tachtig jaar niet, maar Albert besluit – kennelijk als een vroege vorm van sabbatical – een tocht mee te varen met zwager Henk op de AEGIR. Hij wordt aangemonsterd als hofmeester, hetgeen gezien zijn beperkte keukenervaring door Aly met een glimlach zal zijn ontvangen. We weten ook niet waar de reis hem voerde, maar uit een lang verscholen doosje doken vijf negatieven op die – met vulkanische stoomwolken in een bar gebied – duiden op IJsland. Zou dat de bestemming zijn geweest?

Albert monstert aan als hofmeester op de AEGIR; 11 mei 1948.

Vijf foto’s uit oude doos Albert met onduidelijke, buitenlandse oorsprong: was het IJsland?

Aly en Ab ontwikkelden nooit veel banden in de buurt en gingen weinig van huis. Van jongsaf herinneren de kinderen zich ‘vaste bezoekers’, Meneer Net bijvoorbeeld. Meneer Net  kwam elke zondag. Gedurende het laatste oorlogsjaar was hij een van regelmatige eetgasten en hij was een trouw en zeer bescheiden mens die nooit tot overlast wilde zijn. Ging er daarom een deur heel zachtjes oen door een windvlaag of zoiets, dan riep het hele gezin steevast: “Komt U binnen, Meneer Net.”

Meneer Net met de kinderen in de tuin, die langzamerhand vorm kreeg.

Ze hadden een beperkte vriendenkring met vaste waarden: Tante Tineke en Oom Kees van Dongen die dicht bij de lagere school woonden; de families Van Oers en Van Zijl nog uit Voorburg; Tante Netty en Oom Gé Visser, en de families Bartels, Geveke, Wynia, Penders en Van Buul vanuit zakelijke relaties van Ab; tante Jenny en Oom Bé van der Laan nog  uit Groningen. Ook de namen van de families Kuivenhoven en Van Buul doemen op uit het verleden. Uit de buurt waren ook de Udo’s en de Dommisse’s present op alle partijen. De uitbreiding van de vriendenkring werd zeker niet bevorderd door de werkdruk en afwezigheid van Ab. Een roemruchte familieanekdote verhaalt van hoe hij, werkend in zijn tuin, werd aangesproken door een passant die vroeg: “Weet u ook waar de Brugsestraat is?” Na diep nadenken wist hij te antwoorden: “Het moet hier in de buurt zijn, maar ik vrees dat ik u niet kan helpen.” Zijn huis stond op de hoek van de Mechelse- en Brugsestraat.

Mechelsestraat 1 in Scheveningen, gezien vanaf de Brugsestraat.

Uit die jaren resten ons strandtaferelen. Aukje viert haar verjaardag en poseert met haar broer. Pieter leert schaatsen (het is nooit veel geworden) en mocht bij Oma logeren waar hij op de veemarkt heroïeke daden verrichtte.

Verjaarspartij Aukje.                      Poserend met haar broer.

Een scheve schaats rijden.

Pieter’s heldhaftigheid neemt af met grotere nabijheid van de verscheurende beesten, hoewel de prent met de wilde stieren toch getuigt van grote moed.

Het nieuwe werk wachtte en Ab gooide zich vol in de strengen. Met een zeer kleine staf produceerde hij, zelf als eerste schrijver, de ‘Nota inzake de industrialisatie van Nederland’, die zijn minister en vriend Jan van den Brink in 1949 presenteerde. Tijdens de oorlog was bijna 40 procent van het industrieel potentieel van Nederland vernietigd en het was economisch en sociaal noodzakelijk zo snel mogelijk weer orde op zaken te stellen. Er zouden tot 1963 nog acht van dergelijke industrienota’s volgen, elk met kwantitatieve doelstellingen voor productie, werkgelegenheid en investeringen, net zoals in de planeconomieën van het toenmalige Oostblok. Die eerste nota zorgde echter dankzij het geleide loon- en prijsbeleid voor een doorbraak.

Het was de tijd van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en met rugdekking van Van den Brink en Lieftinck op Financiën en later ook Drees als minister-president kreeg Ab – informeel – verregaande bevoegdheden. Hij werd een van de, zeg, drie Haagse topambtenaren die aanspraak konden maken op de niet-bestaande titel van Paus: hun wil woog zeer zwaar, ook op andere departementen en in het kabinet. Toen zijn zoon Pieter vele jaren zijn entree maakt in Den Haag, ritselde het nog van de anekdotes uit de ‘periode-Winsemius’, zoals een voormalig junior secretaresse, inmiddels opgeklommen tot grote hoogte, het noemde.

De acquisitie van buitenlandse – vooral Amerikaanse – ondernemingen werd structureel in de steigers gezet met behulp van een klein kantoor in New York en in Den Haag werden de geesten rijp gemaakt om met behulp van de Marshall-leningen die de Amerikanen beschikbaar stelden om Europa weer op de been te brengen, het vaderlandse vestigingsklimaat op te vijzelen tot ongeëvenaarde hoogte. Zeer uitzonderlijk – en bijzonder aantrekkelijk voor de investeerders – was de toegestane repatriëring van buitenlandse winsten; vrijwel overal werden investeerders gedwongen hun winsten te herinvesteren in het nieuwe land van vestiging. In eigen land werden noodgebieden uitverkoren die een sterke voorkeursbehandeling kregen. De criteria waren verbluffend simpel: het aantal kantongerechtzaken en krantenabonnementen bijvoorbeeld. Het waren plattelandsgebieden waar armoe troef was en de boerenbedrijfjes te klein om werk te bieden aan het vaak talrijke kroost. De oudste zoon kon dus op de boerderij blijven en trouwen, maar voor de andere zoons was geen emplooi. Zij dronken daarom te veel (vandaar de kantongerechtzaken) en waren laag ontwikkeld (dus geen kranten).

Die scherpe focus werkte door in grote bedrijfsvestigingen, ook van Nederlandse ondernemingen. Bruynzeel in Roosendaal, Enka in Emmen en Philips in Drachten vormen voorbeelden daarvan. Een kleine anekdote: bij de opening van de scheerapparatenfabriek in Drachten sprak Philips-schoonzoon Frans Otten tot grote vreugde de historische woorden: “Philips scheert U beter.” Ab schreef het op het doosje waarmee hij zijn presentexemplaar van het nieuwe product mee naar huis kwam; na zij overlijden trof zijn kroost het met blijde herkenning in een lade. Ab ontwikkelde in die fase overigens diepe gedachten over Prins Bernhard, die zichzelf graag zag als de grote Ontwikkelaar van de Vaderlandse Economie. De ondertekening van buitenlandse contracten moest daarom soms wachten tot zijn agenda dit toestond.

Collage van investeringssuccessen in het afscheidsboek van Ab; 1953.

Klassieke verhalen waren er die hij in latere jaren een enkele keer met zichtbaar genoegen opdiepte. Ook toen hadden ondernemers te maken met vertragende vergunningen en beter dan in andere landen besefte Ab dat het vestigingsklimaat moest concurreren met dat van buurlanden. Toen zijn collega directeur-generaal die belast was met het vergunningsbeleid dus van zijn schamele week vakantie genoot, liet hij zich door Van den Brink aanstellen als tijdelijk vervanger. Elke ochtend, met inbegrip van de zaterdag, plaatste hij handtekeningen op vergunningen die ingestoken in dikke tekenboeken in ploegdienst werden aan- en afgesleept. Toen de collega op de maandag terugkeerde op kantoor, ontstak hij – begrijpelijk – in grote woede: de vergunningsachterstand was geheel ingelopen. Mooi was het niet, maar zoals Ab constateerde: ‘We hadden het systeem de nek gebroken.’ De vergunningen werden later nauwelijks meer een probleem. 

Zo nu en dan was het ook nodig om een ‘nummertje’ te maken om bij zowel potentiële investeerders als vaderlandse bestuurders kenbaar te maken hoe de boterham gesmeerd was. Op een Amerikaanse reis had hij een ondernemer ontmoet die bijna rond was met een groot investeringsproject in Engeland. De ondertekening zou op een maandag plaats vinden, maar de man moest nog een weekeinde op zijn handen zitten in Londen. Hij herinnerde zich Ab’s visitekaartje en besloot het hem onbekende Nederland te bezoeken. Hij trof daar een ondernemende taxichauffeur die zijn kans schoon zag en de rondleiding van zijn leven gaf. Op de maandagochtend belde hij Ab die zijn hele staf optrommelde. De gast moest in de vroege middag een half uur aan de praat worden gehouden en de volgende morgen terug komen maar toen was alles geregeld en werd het Londense plan ter plaatse afgeblazen.

Rond 1963 reed hij met zoon Pieter van Nijmegen naar Eindhoven toen zij in de Peel een volmaakt onbekende stad tegen kwamen. Bij nader onderzoek lichtte Ab op: het was Uden. Hij vertelde hoe rond 1950 zijn secretaresse, Juffrouw van Haaften, meldde dat voor zijn deur zich een meneer had gevestigd die weigerde weg te gaan als hij niet eerst met de directeur-generaal had gesproken. Het bleek de burgemeester Van Kemenade van Uden te zijn en om van het gedoe verlost te zijn werd een half uur in de agenda ingeruimd. Van Kemenade had een tas bij zich en bouwde op een geschoonde tafel een maquette van Uden-nu en Uden-zoals-het-kon-zijn. De dorpstimmerman had zijn best gedaan en het was een prachtig beeld dat bij navraag gedekt werd door de plaatselijke pastoors, een cruciaal gegeven omdat veel dorpsgeestelijken grote weerstand hadden bij de verderfelijke industrialisatie. In de vroege middag vroeg Ab zijn staf erbij en na een tweede demonstratie van de burgemeester werd Uden omgedoopt tot kern. Met verbluffend resultaat.

De bijzondere prestaties van de kleine Industrialisatiepoot van het ministerie waren de politiek niet ontgaan. Al in april 1951 werd Ab in afwijking van gevestigde procedures, die uitgingen van aantal dienstjaren enz., geridderd. Met de ogen van nu spoelde daarna een ‘tsunami’ van gelukwensen zijn kant op; een dik album werd gevuld met alle briefjes en kaartjes. Zoon Pieter herinnert zich dat hij een vergelijkbaar gebeuren het luttele aantal van nul schriftelijke of e-felicitaties kreeg. De tijden zijn veranderd. Uit een Singaporees interview in 1984 bleek tot verrassing van zijn kinderen dat hun vader in deze periode is gepolst over toetreding tot het Kabinet en wel als minister van Defensie. Hij zag het niet zitten: “I’m not a political person.”

Alle medewerkers van Ab verenigd op de trappen van EZ bij zijn afscheid in 1953: ministeries waren toen zo groot niet.

Telegram van Van den Brink naar aanleiding van ridderorde; 21 april 1951.

Interview met Singapore Monitor, 4 maart 1984.

Die tijd werd ook gekenmerkt door verre reizen, bedoeld om de bovenbazen van grote, vooral Amerikaanse ondernemingen te overtuigen van het Nederlandse vestigingsklimaat. Omdat die reizen in eerste instantie per schip gebeurden, betrof het ook langere perioden. Later, herinneren de kinderen zich, mochten zij mee naar Schiphol om hun vader te brengen of te halen. Hij kwam altijd als laatste uit het vliegtuig, weten ze nog met zekerheid. Ab compenseerde zijn afwezigheid met uitzonderlijk cadeaus: nylon kousen en een tweedelig oranje badpak voor Aly, bijzondere jurken voor Ankie en Aukje, een bokspop en een cowboyfilm voor Pieter… Zeer bijzonder was ook de kauwgum, die de kinderen door langdurig gebruik sterke kaken bezorgde. “We legden de prop ‘s nachts op een schoteltje met natte suiker”, legde Aukje uit. Dan bleef het op smaak.

Uit Jamaica, waar hij in opdracht van de Wereldbank de overheid gedurende een drie maanden adviseerde – ze hebben er weinig mee gedaan, moest hij later concluderen -, bracht hij een calypsoverzameling mee naar huis. Waarschijnlijk in New York liet hij zijn oog ook vallen op een 8 mm. filmcamera. Zijn opnamen van de beroemde lichtreclames op Broadway – eerst in zwart-wit maar tijdens dezelfde reis nog in kleur – vormden het begin van een serieuze hobby. Nog steeds worden zijn nazaten duizelig bij de herinnering aan het slingerpad op Jamaica, waar hij vanuit een hardrijdende auto de weg vooruit filmde.

Ab, filmend in New York; 1951.

Zwart-wit beelden van Broadway…

… en van de Empire State Building, het hoogste gebouw ter wereld. Rechts zijn kenmerkende belettering van de film met behulp van kleine suikerlettertjes op gekleurd crêpepapier.

De eerste(?) kleurenfilm, uitgeprobeerd op Broadway.

Drinken van een kokosnoot en in het zwembad op Jamaica; 1951.

Studie van het aansteken van een sigaret op Jamaica.

Het merendeel van de bijzondere bezigheden van Ab ontging zijn gezin vanzelfsprekend. Er was een nationale opstelwedstrijd voor jonge mensen die de radio naar de voorkamer op de Mechelsestraat trok. De winnaar was Kees Rijnvos, de latere rector van de Erasmus Universiteit en tevens Eerste Kamerlid voor het CDA, die zijn ‘doorbraak’ van nederige komaf toeschreef aan de opstelwedstrijd. Dat deed overigens ook Wout Woltz, die opklom tot hoofdredacteur van NRC Handelsblad.

Volgens de familiefolklore was er ook een receptie in het Scheveningse Kurhaus waar de kleine Pieter – zo’n zes jaar oud – werd overvoerd met taartjes en vervolgens ondervraagd door de top van het vaderlandse leger: wat wil je later worden? Waarop hij volgens zijn moeder het fameuze antwoord gaf: “Generaal of visventer, maar ik denk visventer want dat verdient beter.” Er was de autorit naar de opening van de kogellagerfabriek van het Zweedse SKF in Veenendaal waarbij de spanning hoog opliep toen de chauffeur verdwaalde. Aly probeerde de gemoederen te kalmeren door haar kroost uit te leggen: “We zijn de kluts kwijt.” Waarop Aukje – een jaar of zes oud – een tien minuten later benauwd vroeg: “Hebben we de kluts al gevonden?”

Pieter met onafscheidelijke militaire pet.

Een enkele maal mochten de kinderen me naar het ministerie met zijn indrukwekkende, met donker hout betimmerde kamers. De toegang tot Ab’s kamer werd bewaakt door Juffrouw van Haaften die werd geassisteerd door stenotypiste Yfke Wynia. Op het ministerie werkte ook Dick van Duyne, die artistiek was aangelegd en prachtig kon schilderen. En dan waren er de chauffeurs, Meneer van Bergen bijvoorbeeld. Zij begeleidden het kroost bij de verplichte tocht met de doodenge paternosterlift: een open lift die aan een kabel naar boven werd getrokken. Die kabel liep dan over een groot wiel en aan de andere kant daalde de lift weer.  Je moest snel in- en uitstappen want stoppen deed hij niet en zowel op de zolder als in de kelder, bij de omkeerpunten, was het akelig donker.

Magische namen binnen de familie: Juffrouw van Haaften en Dick van Duyne, die Aly’s portret schilderde.

Ab en Aly hadden die dagen veel representatieve verplichtingen. Haagse recepties bijvoorbeeld maar ook dinertjes met Amerikaanse relaties van Ab, soms met nachtclubbezoek aan bekende etablissementen als het Palais de Dance bijvoorbeeld. Aly was daarbij gehandicapt door een matige kennis van de Engelse taal, maar ze compenseerde dat door smaak, charme en een werkelijke belangstelling voor mensen. Zij wilde weten hoe hun gezin eruit zag, hoe ze leefden en waar hun interesse lag.

Dat leverde een enkele keer mooie momenten op. Bij een ontmoeting met een militaire delegatie onder leiding van een generaal vroeg zij via diens Duits sprekende adjudant hoe veel vrouwen de generaal had. Zijn spontane antwoord verkreeg in huis een bijna gevleugelde status: “Ik heb maar één vrouw. Meer kan ik van mijn salaris niet betalen.” Aly verkreeg in huiselijke kring ook enige faam door het verhaspelen van namen. Zo begroette zij een meneer die ze eerder had ontmoet met de woorden “Dag, meneer Van Dijk”,  waarop Ab haar toekuchte en zij zichzelf corrigeerde “Pardon, meneer Dijkstra”. Later moest Ab haar vertellen dat het hier de heer Dijkema betrof.

Ab was nooit geheel op zijn gemak in al dat hooggeplaatste en vaak wat kakkineuze gezelschap. Hij overleefde in eerste instantie en blonk in de loop der tijd uit op basis van aangeleerd gedrag. Met een ijzeren discipline leerde hij zichzelf Frans (van een grammofoonplatencursus) en ballroom dansen. Het beleid moest met verve worden uitgedragen en dat vereiste veelvuldig publiek optreden. Weer was het hem niet van nature of van huis noch opleiding meegegeven maar weer pakte hij zijn opdracht systematisch aan. Hij oefende zijn speeches in de huiskamer met Aly als willig gehoor. De verhalen werden geklokt en gerepeteerd totdat het resultaat het ideaal benaderde.

Het beleid werd met inzet uitgedragen.

Binnenshuis was Aly zonder enige twijfel het anker en tevens de spil waar het huis allemaal om draaide. Aan de muur hing een Delftsblauw bord met de tekst “Ik ben de baas in huis, maar wat mijn vrouw zegt zal gebeuren.” De kinderen vonden dat in hoge mate vermakelijk, maar in de kern was de boodschap waar. Als Aly het graag wilde, was dat voor Ab heilig. Normaal zeer bescheiden kon ze uiterst assertief optreden indien iemand aan haar kinderen kwam.

Het huis was voor die tijd zeer groot; het bleek in latere jaren zeer geschikt voor de klassenavonden van de kinderen tijdens hun middelbare school. Het had een voorkamer – in die vroege jaren geheiligd territoir voor ontvangsten dat slechts zelden voor de kinderen toegankelijk was – en een achterkamer waar het huiselijk leven zich afspeelde rond een centrale eettafel en een zitje voor de kolenkachel met mica raampjes. Boven was de ouderslaapkamer en de studeerkamer van Ab die hij echter deelde met Ankie die er sliep. Aukje en Pieter hadden kleine kamertjes met een opklapbed en een eigen wasbak. Het dienstmeisje had op de zolderverdieping twee kleine kamertjes die later werden samengevoegd. Zij at in de keuken die in latere jaren via een doorgeefluik was verbonden met de huiskamer.

Dat grote huis en de nabijheid van het strand maakten in combinatie met de alom heersende geldnood dat ‘Scheveningen’ in die naoorlogse jaren door veel familie en vrienden als een praktisch en niet te duur vakantieoord werd beschouwd. Gasten gingen om 9 uur de deur uit en kwamen op tijd thuis voor het avondeten, maar staken veelal geen hand uit. Aly had immers toch een dienstmeisje. Dat vormde een zware belasting voor iemand met een verzorgende instelling als Aly. Nee-zeggen zat niet in haar aard en Ab volgde haar.

Staatsieportret Ankie, Aukje en Pieter.

Ze bestierde het huishouden en ‘deed’ de oudercommissie van de lagere school. Ze begeleidde ook grote groepen kinderen bij het bezoeken van de schooltandarts. Ab had vaste taken. “Hij bakte oliebollen en schikte bloemen”, zoals Aukje het zich herinnerde. De melk- en groenteboer kwamen die eerste jaren nog aan huis en Aly deed de overige boodschappen in de nabije Stevinstraat. In latere jaren deed Ankie op zaterdagochtend de boodschappen met Ab; hij legde zich speciaal toe op de kaas en de bloemen: hij was immers door zijn opleiding ‘expert’. Ankie begeleidde haar broer en zus wekelijks naar de nutsspaarbank, waar zij dan – opvoedkundig juist – een gulden inlegden.

Veel producten bleven in eerste instantie op de bon. Vaag doemt een beeld op van elke vrijdag een ei en een aantal malen per week vlees. Met zekerheid aten Pieter en Ab ’s ochtends broodpap met een flinke kluit roomboter en suiker. Haar zoon vormde voor Aly tot in zijn studententijd een bijzondere uitdaging. Hij was lang en (te) dun dus werd hij bijgevoederd bijvoorbeeld met slagroom in de pap. Aly en haar jongste twee lepelden ook gecondenseerde melk uit een blikje. Allen deden zich bij feestelijke gelegenheden tegoed aan typische familiegerechten: trommelkoek, arretjecake, Jello oftewel trilpudding, creamcrackers. En op verjaardagen vanzelfsprekend labskous.

Naoorlogse bonnen.

Het Belgisch Park bood een prachtige woonomgeving, fraai omschreven in het boek “125 jaar Belgisch Park” van de hand van Paul Crefcoeur en Jan van Pesch (Uitgeverij Aprilis, Zaltbommel; 2009). Brede straten met veel groen op een paar honderd meter van de Nieuwe Scheveningse Bosjes en op loopafstand van het strand en het Westbroekpark. De buurt is nog steeds zeer herkenbaar met uitzondering van de eertijds geasfalteerde straten, die nu met klinkers zijn belegd.

Mechelsestraat 1 in het Belgisch Park

Hoekje Mechelsestraat – Brugsestraat.               Vanaf de Brugsestraat met rechts nr. 23.

De achteringang met rechts de Udo’s.     “Het pleintje”.

“De straat” was een rijk bezit. Er waren geen auto’s; dat veranderde in latere jaren toen de straat aan weerszijden was volgeplamuurd met parkeerders, hetgeen na instelling van parkeervergunningen etc. na het jaar 2000 echter weer ten goede werd gekeerd. De kinderen speelden zelden in de Mechelsestraat maar veeleer voor de achteringang op de Brugsestraat, naast de Udo’s op nummer 23, en op “het pleintje”, de kruising van de Brugse- met de Leuvensestraat.

Met oude step en nieuwe fiets plus doorgegeven step.

Pieter op zijn nieuwe fiets, ditmaal op straat! Had die fiets eerst houten banden?

Staatsieportret plus kringdans tijdens verjaarspartij. Pieter haakt af.

Het was echter ook niet allemaal rozengeur en maneschijn voor de opgroeiende jeugd. Aly voedde met inzet het jeugdtrauma van haar kroost – na elk middagmaal een hap levertraan op een lepel met suiker. De kinderen waren niet de enige slachtoffers van deze vroegtijdige vorm van kindermishandeling, maar dat gedeelde leed hielp hun weinig. “Wij gingen in een rijtje staan en kregen dan ieder een hap levertraan met suiker”, gruwt Pieter nog steeds. Levertraan maakte kinderen sterk en bood tegenwicht tegen de Engelse ziekte, zo was de filosofie, iets met de vitamines A en D die er in zaten. De traan werd gekookt uit het spek van walvissen, die er massaal een harpoen voor in hun lijf kregen. Ook Nederland liet in 1950 nog een nieuwe walvisvaarder te water: de WILLEM BARENTSZ. Naarmate de walvis verder werd uitgeroeid, werd levertraan een steeds schaarser product, maar de weerstand onder kinderen bleef onverminderd groot. Begin jaren vijftig speelden producenten daarop in met akelig grote en grove capsules met onder andere traan, die de smaak verpakten. Het waren harde tijden.

Was dat het enige, dan kon je nog spreken van kanttekeningen bij een gelukkige jeugd. Maar wat te denken van een vader die onveranderlijk zijn vinger in je mond stak als je gaapte; die een kwartje op tafel legde als je de hik had en als je dan nog drie keer kon hikken, mocht je het houden; die in Friesland salamanders met je ging vangen die hij de avond tevoren had gekocht bij je neef Douwe en die hij dan slinks tussen de op de kant getrokken waterplanten smokkelde; die dat later nog eens flikte toen hij zijn kleinzoon een kwartje toestopte zodat zijn zoon met zijn nieuwe metaaldetector wat zou vinden en we naar de warme haard toekonden.

Pieter werd met terugwerkende kracht ook door zus Aukje in de beklaagdenbank gezet. Als we ruzie hadden, gooide hij volgens haar wel eens zijn servetring in zijn pap. Misschien was die ring wel juist daardoor helemaal geel geworden. Ook vluchtte zij naar eigen zeggen razendsnel naar de wc bij ruzie want dan kon haar broer niet bij haar komen. Toen Aly al in de zeventig was, trapte zij er onveranderlijk in als haar zoon zich beklaagde als zijnde de middelste van drie. Hij vertelde dan dat hij altijd met de oudste moest opruimen en met de jongste op tijd naar bed. “Hij is zo zielig”, sprak zij dan de gasten veelbetekenend toe. Zijn droevig lot werd stellig stelselmatig onderschat. Het was goed dat hij die extra boter en die room in zijn pap kreeg.

Schoolfoto Ankie.

Ab had een grote belangstelling voor geschiedenis en wist overal wat over te vertellen. Aly zorgde voor de fysieke verzorging en ging voor in de samenzang tijdens de lange ritten. De bundel “Kun je nog zingen, zing dan mee” hield voor geen der gezinsleden een geheim. Aukje – stellig de meest muzikale van de kinderen – bleek niet geheel toonvast en Pieter zong te hard, maar dat mocht de gezamenlijke pret niet drukken en verkortte de lange afstanden. Onveranderlijk wees Aly haar kroost op de schoonheid van groen-gras-met-zwartwitte-koeien. “Kijk dan toch eens!” gebood ze haar barbaren. Het was voor Pieter in zijn latere functie als voorzitter van Natuurmonumenten vaak lastig uit te leggen dat hij juist deze uiting van ‘natuur’ het mooiste vond.

‘t Is lang geleden, maar vader Ab was een fantastische verteller, die een goed geheugen combineerde met een rijke fantasie. De drie kinderen konden zestig jaar later nog hele teksten reproduceren van fameuze Friese vertellingen: “Der wie ris in âld wyfke” (Er was er eens een oud vrouwtje), “Fan tsien lytse pykjes” (tien kleine kuikentjes), het versje “Hup, sûpengrottenbrij!” bekend van de polka Skotske Trije (Hup, sûpengrottenbrij en ik sil dy wol krije! Hup, sûpengrottenbrij en krije sil ik dy! … enz.), en het knierijdliedje “Hop hop hinke”. Er was ook het rijmpje “In din din / fan een ai komt een hin / …”.

De slotbladzijde van “Der wie ris in âld wyfke”, waarin het oude vrouwtje het varken zijn kot in laat jagen.

“Fan tsien lytse pykjes”: de eerste bladzijde met vertaling door Ab, die goed is te volgen door het Fries te lezen; zijn handschrift was niet te ontcijferen.

Pieter herinnert zich hoe zijn vader hem toezong  “Little man, you had a busy day.” De beperkte grammofoonplatencollectie bevatte veel Louis Davids en een paar maal Paul Robeson. Plus Mantovani, vermoedelijk voor Aly. De kinderen kregen hun eerste vriend(innet)jes, de  buurjongens: Frits en Aart Willem Udo en Aukje ook nog Marian Wienhoven uit de nabije Gentsestraat. Met name Ankie, die in Voorburg met een grote schare buurkinderen Van Zijl de zandbak deelde, had echter in Scheveningen lange tijd ‘niemand’.

Nog een verjaarsfeest(?)met herkenbaar Pieter (geheel links), Ankie (4e van links) en Aukje (in exacte midden). Pieter bij dansspel met onbekende jongedames: hij moest/mocht wat dansen met twee zussen.

Ankie en Pieter op achterbank van bokkenwagen met Marian Wienhoven en Frits Udo in het toenmalige Dierenpark Wassenaar; 20 augustus 1950.

Ankie bezocht na de verhuizing de zogenoemde Haagsestraat School, maar dat eindigde met een forse klap. Ze was uit een wandrek gevallen en daarbij behoorlijk gehavend: “de botjes staken erdoor.” Toch liet de schoolleiding haar naar huis laten lopen. Dat viel niet zo goed bij haar ouders, die daarom een betere en vooral kindvriendelijkere school vonden, de experimentele scholengemeenschap Het Volle Leven. De school was gehuisvest in een aantal lage barakken op een groot terrein met hooiberg, geiten, konijnen, bijen.

 Het schoolplein van de Haagsestraatschool.

Links: Het Volle Leven in 1948, zonder banken maar wel met veel leerlingen. Rechts: kleuters planten een boom ter gelegenheid van de opening van de kleuterschool; 1950.

Achter school instappen voor schoolreis naar Drievliet.

Pieter ging hier naar de schildersklas van de kleuterschool; veertig jaar later hing zijn meesterwerk “De Drie Koningen” – achtergehouden door de school – nog aan de muur tijdens een rëunie. Nog steeds sieren de beeltenissen van Kabouter en Vrouwtje Piggelmee en de Keulse Pot waarin zij huisden – vervaardigd in de eerste klas van de lagere school – de huiskamer van de artiest.

Pieter’s huisje van Kabouter Piggelmee; september 1948.

En nog eens in pottenbakkunst: Kabouter Piggelmee met zijn Keulse Pot en rechts met Vrouwtje Piggelmee voor hun huisje. Het huisje heeft een schuurtje met een los dak zodat de sigaretten van de vader van de artiest er mooi in konden worden opgeslagen.

Aukje ging later naar dezelfde school, maar zij was er ongelukkig. Ze werd van school gehaald en had een heerlijke kleutertijd met buurjongen Frits Udo. Op hun autoped struinden zij de buurt af op zoek naar schatten die mensen bij en in de vuilnisbak hadden gedaan. Ze hadden trouwplannen, maar helaas, Frits wilde boer worden en Aukje geen boerin.

Aukje met haar aanstaande; circa 1951.

Op het departement voltrokken zich grote veranderingen. In september 1952 was Jan van den Brink als minister van EZ opgevolgd door Jelle Zijlstra, ook al weer een bekende met diepe wortels in het Friese Oosterbierum uit welke omgeving ook Ab’s vader stamde. Er waren in die tijd al duidelijke signalen dat het economisch beleid aansloeg en de economie tegen de wal opkrabbelde. Nederland was het eerste land dat begon met het terugbetalen van zijn Marshall-leningen. De werkloosheid was gezakt naar rond de drie procent en ook de arbeidsrust – gevolg van de goede verstandhoudingen tussen politiek aan de ene kant en kapitaal en arbeid aan de andere – woog zwaar mee voor buitenlandse investeerders. In 1950 was die wisselwerking geformaliseerd door de oprichting van de Sociaal-Economische Raad (S.E.R.).

Tweede collage met onder in het midden een klein berichtje: de nieuwe fabriek van Hispano-Suiza is vrijwel gereed.

Delen van een bladzijde uit het afscheidsboek van Ab: in 1952 was duidelijk dat het beleid aansloeg.

Ab was echter niet gerust op het zijns inziens noodzakelijke vervolg. De eerste golf buitenlandse investeringen betrof vooral assemblage-industrie of lage-kosten massaproductie in achtergebleven landstreken. Hij vond het tijd om de lonen op te drijven om zo op termijn af te komen van de lage toegevoegde waarde industrie, die immers minder concurrerend zou worden. De welvaart zou door de hogere lonen toenemen. De vakbonden en in hun spoor Vadertje Drees durfden het niet aan. Ze vreesden dat de hogere lonen zich zouden vertalen in een grotere werkloosheid.

In 1953 ruilde Ab de ambtenarij voor het bedrijfsleven. Stellig had zijn teleurstelling over het economisch beleid daarmee te maken, maar de hoofdreden was van een verbluffende eenvoud: hij verdiende te weinig en meende dat hij zijn vrouw en kinderen te kort deed door niet de overstap te maken. Toenmalig thesaurier-generaal Emiel van Lennep vertelde zoon Pieter later toen hij secretaris-generaal van de OESO was, dat hij met een andere topambtenaren naar Drees was gegaan om een uitzonderlijke financiële regeling te bepleiten die Ab aan boord kon houden, maar de minister-president wilde daar niet aan. Met Zijlstra bezocht hij nog de Verenigde Staten maar in het voorjaar van 1953 verliet hij met enig verdriet Den Haag. Vele jaren later, toen al in de tachtig, stuurde hij zijn zoon en kleinkinderen een kopie van een krantenknipsel: “Het mooiste werk is bij de overheid.” De drijfveer om een maatschappelijke bijdrage te leveren, heeft hem nooit meer losgelaten.

Minister  Zijlstra en zijn directeur-generaal dr. A. Winsemius worden uitgewuifd door hun dochters bij hun bezoek aan de West en Amerika. Rechts: uitnodiging voor lunch aangeboden door Thomas Watson, IBM-baas; 5 mei 1953.

Afscheid op het ministerie met links Aly en Ab; voorjaar 1953.

Vertrek is “ernstig verlies”.

Het uitgaansleven van Aly en Ab was beperkt. Een enkel concert of theater – Snip en Snap in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen; een enkele keer een film en dan ook nog om te doorgronden wat ‘het volk’ in beweging hield, “Rock around the clock” bijvoorbeeld met Bill Haley als aftrap van de rock ‘n roll. Het uit-eten-gaan was frequenter, in bekende Haagse etablissementen als Chalet Suisse, Seinpost of Chateau Bleu. Het hoogtepunt voor de opgroeiende kinderen was altoos als Ab het onvermijdelijke strijkje verzocht de ‘lievelingsnummers’ van zijn echtgenote te spelen en zijn ondanks hevig protest van Aly zich met overgave stortten op gevoelvolle uitvoering van klassiekers als “De vrouwen zijn vellen van haaien” en niet te vergeten “Je bent niet mooi, je bent geen knappe vrouw” uit het toneelstuk De Jantjes. Aly keek dan tot grote vreugde van haar kroost om zich heen “Ze weten niet beter” of misschien wel “Ik hoor hier niet bij”.

Ab en Aly in de tuin.

Ab ontwikkelde ook een merkwaardige kunstsmaak, die enige aansluiting had met zijn autokeus. De huiskamer werd allengs gesierd met een zigeunermeisje, een flamencodanseres, steeds met zeer grote ogen en extreme kleuren. Nadat de voorkamer werd ontsloten voor de jeugd, bereikten de kunstuitingen sowieso een nieuwe hoogte met de aanschaf van een vleugel. Ab speelde daarop op de zondagochtend slechts een enkel nummer, “Ol’Man River”. Hij deed dat met gekruiste handen: met zijn rechterhand bediende hij de lage noten en met zijn linker de hoge. Naar verluidt was deze handstand een overblijfsel van het cellospel dat hij in zijn jeugd had beoefend. Ankie en Aukje hadden les, maar ook zij beheersten in Pieter’s ongetwijfeld vertekende herinnering slechts één nummer, “Für Elise” van Beethoven, dat zij echter tot in den treure ten gehore brachten.

In de jaren vijftig groeide Ab uit tot een meer dan verdienstelijk 8 mm. filmer. Waar in het begin nog sprake was van typische toeristenfilms, voerde hij later – niet altijd tot vreugde van zijn meewerkend kroost – een strakke regie op basis van uitgewerkte draaiboeken. Het resultaat was echter een serie prachtige films als Het sprookje van onze tuin en De hoeden van mijn vrouw, dit in reactie op Aly’s terugkerende klaagzang over haar gebrek aan passende hoofddeksels. In latere jaren volgden lange geluidfilms over de gouden bruiloft van zijn ouders (1956) en de ophoging van het laagste punt van Nederland door de studentenjaarclub van Pieter (1961).

Aukje wekt Pieter; uit de film “Een dag naar het strand”. Het is prachtig strandweer.     

Dus gaat het hele gezelschap naar het strand. Het Stille Strand is een eind lopen.

Er wordt een kasteel gebouwd, gezwommen en met een bal gespeeld.

De kinderen hebben het druk met kopjeduiken, terwijl de heer des huizes geniet van zijn rust en natuurlijk is er ijs.

De kinderen zwemmen zwaar beveiligd onder het wakend oog van hun vader.

Terugkerend uit het zilte nat wacht hun moeder, uitkijkend over de woelige baren.

Na nog een zandbouwwerk is het tijd voor het klassiek Scheveningse strandverkleden,

Waarop de thuisreis wordt aanvaard met tussenstops bij de draaimolen en de ezeltjes.

Laat in de middag arriveert het gezelschap weer op de Mechelsestraat waar Pieter zich omkleedt en zich voldaan te ruste legt.

Zijn meesterwerk was echter Sport en spel het hele jaar rond. Daartoe volgde hij rond 1953 zijn drie nazaten bij hun spelletjes, die in die jaren nog werden ingedeeld in periodes: knikkertijd, rolschaatstijd, enz. De beelden schetsen nog altijd een prachtig beeld van een zonnige jeugd in het mooie Belgische Park, “achter de gevangenis” zoals Pieter het altijd uitlegde. Het roept ook spelletjes met een hoge herkenningsgraad: ‘jee, da’s waar ook, dat was ik glad vergeten.’ Sport en spel begint in juni 1952 met de zwemlessen tijdens de vakantie in Bad Boekelo, maar al vlug zien we Aukje – de ster van de film – op haar step, een maand later gevolgd door Pieter en Renske – net overgevlogen uit Venezuela om hier naar de middelbare school te gaan – die zich ingraven op het strand. Jokari – een soort tennis met een klein balletje aan een elastiek dat vastzat aan een houten blokje op straat – was in die jaren een rage, iedereen speelde het op de vrijwel autoloze straten.

Steppen; juli 1952. Strandspel; augustus 1952.

Jokari; augustus 1952.

Renske figureert ook bij het monopoly-spel met Ankie en Aukje en tijdens een verkleedpartij met Pieter. Deze evergreens behoren nog steeds tot het basisrepertoire in veel gezinnen, maar dat geldt niet het priktollen. Aukje demonstreert het touw-wikkelen, Pieter het beuken. Ook rolschaatsen is niet meer wat het geweest is. Rolschaatsen waren zware instrumenten die je vastschroefde aan je schoenen. Ze hadden vier wieltjes en Aukje en buurjongen Frits beoefenen de kunst van het paarrijden-met-stok, geleend van de schaatssport..

 Monopoly met Renske; augustus 1952.

Verkleedpartij; augustus 1952.

Priktollen; september 1952.

Rolschaatsen op de Brugsestraat; september 1952.

In het late najaar worden de activiteiten naar de huiskamer verplaatst. Aukje zingt gevoelvol met haar vader aan de piano. Ze speelt ook zelf; let op het tongetje bij een zeer foute noot. Bij slecht weer is het speelveld echter vooral de huistafel. Een primitieve voorloper van het edele pingpongspel, heel veel tafelvoetbal, bordspellen zoals het klassieke mens-erger-je-niet en verschillende soorten ganzenbord.

Samenzang; november 1952.                            Foutje bij het pianospel; november 1952.

Pingpong voor beginners; november 1952. Tafelvoetbal met Frits; november 1952.

Mens-erger-je-niet; november 1952.                            Soort ganzenbord; december 1952.

Sinterklaas – met surprises en gedichten – en Kerst zijn natuurlijk hoogtepunten. De kerstboom werd prachtig opgetuigd met ballen, slingers en engelenhaar en vanzelfsprekend echte kaarsjes. Naast de boom stond een emmer water voor het geval dat…, maar het Kerstspel bij uitstek was het kiezen van een kaars – net na het aansteken – en dan kijken wiens kaars het langst bleef branden. Het geheim, leerden de kinderen in de loop der jaren, was een vlammetje dat nauwelijks bewoog; kennelijk spaarde dat energie. Het Kerstdiner was een festijn  met een speciaal gedekte tafel en chique gerechten – Russisch ei of zoiets – maar wel iedereen op zijn vaste plaats. Aly aan het hoofdeind dicht bij de keukendeur, haar dochters met de rug naar de keuken en Pieter in zijn eentje daar tegenover, naast de telefoon. Vader Ab zat op de lege stoel tegenover zijn echtgenote.

Kerstboom met echte kaarsjes…          …en Kerstdiner in vaste opstelling; december 1952.

Winters waren die dagen voordat er sprake was van klimaatverandering, lang en koud. We maken sneeuwpoppen, blijven lang in bed om lekker warm te lezen, hangen met trossen sleetjes achter de auto van de buurman, oefenen het schaatsen op natgespoten tennisbanen en bouwen spannende sneeuwforten.

Sneeuwpop, lezen en op slee achter auto; januari 1953. 

    

 Op de METS-banen en een sneeuwfort met Aart Willem en Frits; januari/februari 1953.

Maar al snel is het weer voorjaar en breekt de touwtjespringtijd aan – Aukje kan hoogopspringend twee keer over het touw springen, dit tot jaloezie van haar broer die het bij het voetballen moet houden. Hij was net jarig geweest want dit is een van de weinige keren dat niet met een lekke bal wordt gespeeld of met een tennisbal. Een maand later staat volgens de ongeschreven wetten het steltlopen op de agenda en in mei weer de andere vorm van touwtje springen, met de chauffeur van het Ministerie als een van de draaiers.

Touwtje springen…                                         …en straatvoetbal; maart 1953.

Steltlopen; april 1953.                          In-spin-de-bocht-gaat-in; mei 1953.

De zomer brak aan als er, kort voor de vakantie, schoolreisjes waren. Met de bus op pad of met de boot naar de speeltuin Drievliet. Allemaal zingen, de ouders op de brug en bij thuiskomst was de boot ‘leeg’ want iedereen had zich verstopt onder de banken. Op straat was er nog de hinkeltijd, Aukje in badpak met haar vriendinnetje Marina Wienhoven, en in Domburg ving Pieter met Marijke van der Laan – de dochter van Jenny en Bé, ons reeds uit Groningen bekend – garnalen. Het hoogtepunt voor filmmaker Ab is echter ongetwijfeld geweest de dansles die hij zijn dochter gaf op het platje naast het huis. Pick-up met passende muziek, met een goede kans een foxtrott van Victor Silvester en zijn Ballroom Orchestra, het Jamaïcaanse shirt losjes over de schouders. Mooier kan het leven niet worden.

Schoolreisje; juli 1953.                                                 Hinkelen; augustus 1953.

Garnalenvissen met Marijke van der Laan en dansles op het platje; augustus 1953.

De tuin was Ab’s lust en zijn leven. De kinderen mochten er niet spelen maar als het heel warm was wel onder de spuit en als er sneeuw lag maakten ze een sneeuwpop. Het grasgazon was perfect, geen paardenbloem overleefde zijn aandacht. Ook de inrichting was uiterst doordacht. Tulpen in het voorjaar, dahlia’s in de late zomer zorgden voor een ongeëvenaarde kleurenpracht. Er gold bij het planten ook een vast stramien: klein spul vooraan, groot spul achteraan zodat de tuin als het ware opbouwde van binnen naar buiten. En nooit ‘losse’ planten maar altijd groepjes die in bloei kleurige ‘plukjes’ vormden.

De tuin in volle glorie.

Zeldzame momenten: spelen in de tuin.

De kinderen vreesden de tweejaarlijkse plant- en uitgraafexercitie die behoorde tot hun – het zij gezegd – weinige huishoudelijke taken. Zij werden onder zeer strakke regie ingezet voor het Grotere Goed. Mensen wandelden in het weekeind langs om de tuin te bewonderen. Ab stelde uiteindelijk een wisselbeker beschikbaar als buurtprijs voor de mooiste, tuin met als voorwaarde dat eerdere winnaars niet aanmerking kwamen. Daardoor kon hij voorkomen om – enigszins gênant – elk jaar weer als winnaar te worden gekroond. Abheeft de tuin lang zelf gedaan maar op een gegeven moment door tijdgebrek toch hulp van een tuinman moeten accepteren, Meneer Krul die zijn trots deelde.

De kinderen vreesden de tweejaarlijkse plant- en uitgraafexercitie die behoorde tot hun – het zij gezegd – weinige huishoudelijke taken. Zij werden onder zeer strakke regie ingezet voor het Grotere Goed. Mensen wandelden in het weekeind langs om de tuin te bewonderen. Ab stelde uiteindelijk een wisselbeker beschikbaar als buurtprijs voor de mooiste, tuin met als voorwaarde dat eerdere winnaars niet aanmerking kwamen. Daardoor kon hij voorkomen om – enigszins gênant – elk jaar weer als winnaar te worden gekroond. Abheeft de tuin lang zelf gedaan maar op een gegeven moment door tijdgebrek toch hulp van een tuinman moeten accepteren, Meneer Krul die zijn trots deelde.

Ab – in pak! – met de luizenspuit: ze waren kansloos.

Kinderarbeid; zomer 1952.

De wisselprijs voor de mooiste voortuin in het Belgisch Park e.o.

Ab’s liefde voor bloemen straalde ook af in de films die hij maakte van de jaarlijkse bloemencorso’s in Den Haag en het grote Dahliacorso in het Brabantse Zundert.

Bloemencorso’s met op de prent rechtsonder op de rug gezien Ab aan het filmen.

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 werden we opgeschrikt door de watersnood van 1953. De ramp was het gevolg van een combinatie van zware storm uit noordwestelijke richting die het zeewater aan de kust opstuwde, met een daarmee samenvallend tijdstip van hoogwater in het getijde vloed en springtij. Het water in de trechtervormige zuidelijke Noordzee steeg door dit ongunstige samenspel van natuurverschijnselen tot extreme hoogte. In Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden en Harlingen voerde het tot de hoogste waterstand in 100 jaar gemeten, respectievelijk 4,55, 3,85, 3,85 en 3,85 meter hoger dan NAP. Het gevolg was dat veel dijken door het zeewater overspoeld werden en braken. Hele eilanden en landstreken inclusief steden en dorpen raakten overstroomd.

In Nederland kostte de ramp aan 1.836 mensen het leven. Daarnaast veroorzaakte de vloed in Zuidwest-Nederland grote schade aan de veestapel, woningen, gebouwen en infrastructuur. Zo’n 100.000 mensen verloren hun huis en bezittingen, de evacuatie telde 72.000 mensen. Er verdronken 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee. Schade aan de infrastructuur en landbouwgrond waren groot. Ruim 150.000 ha grond overstroomde. Er werden 4500 huizen en gebouwen verwoest en 43.000 beschadigd, 200.000 hectare grond kwam onder water te staan. 

De schade aan de dijken was binnen driekwart jaar na de natuurramp hersteld door de inzet van duizenden arbeiders en meer dan 4.000 militairen, ook uit het buitenland. De ramp was aanleiding voor de regering te besluiten tot de Deltawerken in Nederland. De ‘architect” daarvan was … , de door Ab hooggewaardeerde buurman op het hoekje van de Leuvense- en Brugsestraat.

Drie vooralsnog onbekende kinderen op slee; foto uit oude doos Albert.

Aan het werkfront ging Ab in 1953 aan de slag bij Hispano-Suiza, van oudsher fabrikant van vliegtuigen en zeer chique auto’s (met vliegtuigmotor!) maar in de jaren vijftig in toenemende mate toegespitst op de herbewapening van Europa, West-Duitsland voorop. De twee fabrieken voor kanonnen en munitie ten noorden van Breda zijn in het kader van de militaire bestedingen van de Marshallhulp vanaf 1949 naar Nederland gehaald en tellen na de opening in 1953 ongeveer 500 arbeiders.

Hispano-Suiza Breda.

Het gezin bleef in Scheveningen wonen. In augustus 1954 kocht Ab van zijn eerste ‘extra’ verdienste het huis aan de Mechelsestraat voor 40.500 guldens. Hij reed dagelijks op en neer in een grote auto – in eerste instantie een Oldsmobile – met chauffeur. Die auto en de paar opvolgers, met name de Chrysler Imperial, hadden een speciale plaats in de familie. De Chrysler was de zwaarste Amerikaan van die tijd, met een motor van bijna 400 pk als ons geheugen ons goed dient. Er waren er maar twee van in Nederland en hij was behalve door zijn kleur – knalrood met wit dak – makkelijk te herkennen aan zijn achterlichten op pootjes. De auto kon ondanks het gewicht enorm hard optrekken, maar had wel een technisch probleem met het afremmen: de remvoering verbrandde. Pas na lang experimenteren werd een voorraad van zware Duitse tanks uit de Tweede Wereldoorlog op de kop getikt die remproeven overleefde.

De drie door het open dak van de Oldsmobile; augustus 1953. Let op de schijnwerper links op het dak: Ab nam krasse maatregelen als een tegenligger hem verblindde.

Ab experimenteerde sowieso met zijn vervoer. Omdat hij elke dag een paar uur in de auto zat, wilde hij zijn tijd nuttig maken en schafte zich een vroegtijdig opnameapparaat aan waarmee je kon dicteren op grammofoonplaten die dan door een secretaresse konden worden uitgewerkt. De techniek was nog niet zo ver gevorderd en daarom werden de apparaten beproefd op een opgebroken weg tussen Harlingen en Franeker: als ze daar niet weigerden, waren ze voldoende schokbestendig. Vanaf een vroeg begin was hij, en ook zijn chauffeur Meneer Suvaal, een enorme harde rijder. Dik in de zeventig reed hij in 1987, toen de maximumsnelheid al lang was ingevoerd, nog doodkalm 180 kilometer in het uur door de Flevopolder. Aukje en Pieter herinneren zich hoe ze bij een dergelijke snelheid staande op de bank van de chauffeur hun hoofd boven de auto mochten uitsteken. Je kreeg er wel tranen van in je ogen. Ter geruststelling van het nageslacht: hun vader wist hier niets van.

Meneer Suvaal.                                   Pappa, Pieter en Meneer Suvaal voor het huis.

Het was – zacht uitgedrukt – een opvallende auto. Aukje herinnert zich hoe ze met haar vader achter het stuur een hele tijd achtervolgd werden door de politie. Uiteindelijk werden ze aangehouden en toen bleek dat de wakkere speurders op zoek waren naar criminelen die een soortgelijke auto hadden. Rond haar twaalfde mocht ze met haar vriendinnetje Petra van der Loos een week bij Hispano werken, haar eerste baantje. Later vertelde Petra dat Meneer Suvaal haar dan ‘s morgens kwam halen in de Witte de Withstraat, niet een van de beste buurten van Den Haag. Als zij de deur uitkwam, nam hij vol respect zijn pet voor haar af en hield het portier voor haar open. ‘s Avonds herhaalde zich dit ritueel. En de hele buurt zich maar afvragen wat hier aan de hand was, ongetwijfeld tot grote vreugde van Meneer Suvaal die gezegend was met een goed gevoel voor humor. 

Met de knalrode Chrysler Imperial op hellend vlak op weg naar Ascona, bij Camignolo aan de weg Lugano – Bellinzona. Voor de auto Pappa, achter het achterraam Ankie(?).

In latere jaren groeide de magie van de Chrysler verder uit. Is het verdichte waarheid of werkelijkheid?: volgens Pieter werd zijn hele voetbalelftal ingeladen voor een uitwedstrijd tegen ’s Gravenzande. Neef Jouke heeft later gepoogd om de auto te kopen ten behoeve van de Delftse studentenzweefvliegclub om op vliegveld Ypenburg de vliegtuigjes aan te slepen en op hoge snelheid de lucht in te katapulteren. Het is ze uiteindelijk – helaas – niet gelukt om de auto voor een redelijke prijs los te peuteren bij de handelaar waar de auto na de inruil bij de koop van een nieuw vehikel was terechtgekomen.

Als een curieuze voetnoot mag gelden de mail die neef Kees Lettinga op 24 augustus 2024 stuurde: “In het blad van de KNAC kwam ik deze foto tegen. Kan dit de Chrysler van je vader zijn? Het kenteken is UD-36-23.” 

De Chrysler in 2024: hij moet wat worden gepoetst maar een warme herinnering is het wel.

Na de lagere school ging Ankie naar de Dalton Meisjes HBS, Pieter naar het 1e VCL en Aukje het Haags Montessori Lyceum. Hoewel Pieter de mooiste dromen had over het Nederlandse elftal of desnoods HVV 1, had hij niet de bereidheid te oefenen. Aukje echter paarde talent aan inzet. Ze speelde al vroeg accordeon, later dwarsfluit en excelleerde in volleybal. Toen ze ook nog eindexamen deed met vier tienen voor haar exacte vakken, wisten haar oudere zus en broer hun plaats. Ankie hield zich meer met cultuur bezig; zij zat in het schoolkoor en ging naar jeugdconcerten. Ze danste met groot enthousiasme en was daarin ook duidelijk veel beter dan haar jongere zusje. Pieter moest verplicht mee naar de uitvoeringen van de balletschool en mocht geen cynische opmerkingen plaatsen. Het kost hem nog moeite bij de herinnering aan het wonderschone ballet waarbij Ankie als kloek een ploeg kuikentjes waaronder haar zusje, voorging op het grote toneel van het Kurhaus of was het nou de Koninklijke Schouwburg. Ter duiding: ze moest na haar eigen les wachten tot die van Aukje afgelopen was om haar mee naar huis te nemen. Het lag dus voor de hand haar in te schakelen als kloek.

Tour de France sterren gefotografeerd door Pieter; zomer 1954.

Bezoek aan Blijdorp, augustus 1955, genomen door Bernard van der Laan. Links: przewalskipaard, vrijwel uniek in Europa; midden: de pinguins; rechts: de apenrots.

Ab ging in het tweede deel van de jaren vijftig steeds vaker naar Bonn waar Hispano-Suiza betrokken was bij de herbewapening van Duitsland. Aan de eettafel vertelde hij van de schietoefeningen op het strand; op de vraag “Wat doet je vader?”, antwoordde zoon Pieter met enige tevredenheid: “Hij verkoopt kanonnen en munitie.” Huishond Perry – een dalmatiner – was met Oudjaar altijd panisch, nadat Ab hem een keer had meegenomen naar de Wassenaarse Slag waar de kanonnen werden beproefd.

Anekdote neef Piet Delft; 27 februari 2000.

Aly draaide het gezin, we zeiden het al. Ze zorgde dat het huis een thuis werd. Pieter herinnert zich de vele keren dat hij de blijde ontvanger al dan niet het knorrige slachtoffer van haar zorgzaamheid was. Zo’n negen jaar oud klapte hij op een lentedag over het stuur van zijn trotse fiets. Met een zware hersenschudding moest je toen zes weken in het donker in bed liggen. Aly las hem elke dag langdurig voor; prachtige boeken kan hij nog deels woordelijk herhalen, De Roewoefclub, … Tranen van opluchting snikte zijn moeder toen hij na een Zwitserse brommertocht, met inbegrip van een beklimming en vooral een rappe afdaling van de Sint Gotthard, weer veilig thuis keerde. Nog weet hij precies hoe zij na een marathonloop hem later verwijtend toesprak: “Wanneer word je nu eens verstandig?” Hij erfde van haar ook een deerniswekkende hoogte- en watervrees.

Pieter.

Haar zorgzaamheid kon wel eens doorschieten. Bij het voetballen moest de tienjarige Pieter van zijn moeder een hemd dragen onder zijn shirt. Hij was de enige en de schaamte van de kleedkamer brandt hem soms nog ’s nachts uit zijn slaap. Vele jaren later, bij terugkeer van hun huwelijksreis, waren zijn bruid en hij licht ontsteld – om het wat eufemistisch uit te drukken – toen Aly hun huiskamer had heringericht om het wat “gezelliger” te maken. Bij het huwelijk van Aukje en haar Hans dichtten haar broer en zwager een feestlied met de terugkerende slotregel: “Je belt maar even naar Den Haag / de ouders komen al te graag.” De bedoeling was zonder enige twijfel altijd goed, maar bij de uitvoering konden soms kanttekeningen worden geplaatst.

De verzorgende Aly: het platje wordt ingericht.

Wij vroegen haar kleinkinderen: wie was Oma voor jullie? Ankie’s oudste Robbert verwees onmiddellijk naar het hand-in-hand wandelen. Jolijn, haar jongste, noemde trefwoorden: kruiswoordraadsels, de Libelle, entrees en toetjes. Maar ze zei ook: Oma was altijd verzorgd met haar mooie huid die geen zon kon hebben, met haar wekelijkse bezoek aan de kapper voor een watergolf, en met haar aandacht voor mooie kleding. Ze moest lachen om haar broer die zei dat Oma ook echt “op Bezoek” kwam. “Daar kan mama dus niets aan doen, ze is genetisch belast, haha. Ik heb mijn kinderen alvast gewaarschuwd.” Maar vooral was Aly iemand die altijd in andere mensen – niet alleen haar (klein-)kinderen – geïnteresseerd was. Familiebezoek, ook aan neefjes en nichtjes, waren en vast onderdeel van het leven dat zij deelde met Ab.

De hoeden van mijn vrouw: illustraties uit de film met die naam.

Ze had daarbij ondersteuning van een hulp in de huishouding – een “meisje voor dag en nacht” zoals dat toen heette – die boven woonde. In de naoorlogse jaren waren dat bescheiden meisjes uit de provincie maar later veelal ook uit Den Haag. Het werden soms geliefde namen binnen het gezin: Jopie, Greetje, Suze, … Aukje herinnert zich hoe zij ’s avonds regelmatig gezellig op bezoek ging in hun zolderkamer; de geschiedenis vertelt niet in welke mate dat door de veelal verloofde jongedames als een genoegen werd beschouwd.

Greetje in de openslaande deur achter het huis.

Omdat de meisjes ‘s zondags vrij hadden, at de familie dan altijd soep-met-pudding, dat later werd afgewisseld door patat – met de auto gehaald bij de eerste patatkraam in Scheveningen bij de boulevard. Voor het betere naaiwerk was er ook Lydia den Braber uit Zoetermeer die door Ab onsterfelijk werd gemaakt met het luidkeels meegezongen lied “Daar komt Juffrouw Lydia aan / op haar benenwagen / Bij de keukendeur blijft zij staan / en ik hoor haar vragen / Mevrouw, heeft u werk voor mij / Sokken, truien, naaigerei / alles doe ik vlug en goed / want ik heb vandaag veel moed.” Eens in de zoveel weken kwam ook de pedicure Juffrouw Overduin aan huis om Aly’s moeilijke voeten te verzorgen. En natuurlijk kwam ook Mevrouw Spruit een paar maal per week voor het grotere schrob- en boenwerk. Haar man maakte fantastische sinterklaassurprises die op geheimzinnige wijze – met veel raamgebons en pepernootwerpen – werden afgeleverd op de Mechelsestraat. Nadat Juffrouw Lydia huwde, werd haar plaats bij het vervaardigen en herstellen van kleding deels ingenomen door Mevrouw Suvaal.

Aly en Ab vonden elkaar in de veelvuldige verbouwing van hun huis. De keuken werd een aantal malen gemoderniseerd en uitgebreid, de voor- en achterkamer werden verbonden met verwijdering van de schuifdeurenkamer, het schuurtje en de garage werden vergroot (dat laatste moest wel want de auto paste niet), het platje naast het huis werd van glazen windschermen en infraroodverwarming voorzien zodat het buitenzitseizoen sterk werd opgerekt, Pieter’s slaapkamer werd uitgebreid met een kast, dit ten koste van die van zijn ouders, de zolderkamers van het dienstmeisje werden verbonden door het uitbreken van de tussenmuur.

Aly was geen spelletjesmens, met die ene uitzondering: het kruiswoordpuzzelen, dat zij in de zomer van 1952 veelvuldig met Renske beoefende maar later ook met haar kleinkinderen. Eer kon en mocht heel veel in haar thuis. De kinderen speelden altijd in de huiskamer en werden niet naar boven verbannen. Het ging ongetwijfeld vaak met een hoop lawaai gepaard. Pingpong op de eettafel, tafelvoetbal, hutten bouwen, regelmatig werd de hele achterkamer omgebouwd tot balletstudio of school. Vriend(innet)jes waren altijd welkom en bleven vaak eten en slapen, Dan gooiden we, zegt Aukje, een matras van de zoldertrap af. Aly genoot van dit alles en zorgde meer dan uitstekend voor het inwendige kind. Thee met bijbehorend luisterend oor was er altijd. Hun vriendenschaar breidde zich uit met vaste waarden: Ankie ging met Inger – van het eind van de Brugsestraat – naar school; het buurttrio dat Pieter vormde met Frits en Aart Willem Udo werd vergroot met Louis de Casseres (later: van Amerongen) en op de middelbare school met Gerard Post; Aukje speelde op de lagere school vooral met Margreet Bakker Schut en Fenna Schuyt en voegde daar op het HML Petra van der Loos en in Genève Bik Tan aan toe.

Verjaarspartijtje van Aukje met linksachter vermoedelijk hulp Jopie.

In huiselijke kring werd er geluisterd naar de radio, de Familie Doorsnee en de Bonte Dinsdagavondtrein waren bij de favorieten en op zondag Monus de Man van de Maan. Zondag was sowieso een spannende dag. Aly stond dan rond vier uur op de uitkijk om Pieter’s terugkeer van het voetbalveld gade te slaan. Als ‘zijn’ HVV had verloren en dat kon ze aan zijn gezicht zien, kwamen de huiselijke verhoudingen voorspelbaar onder druk. Haar tedere hand was dan nodig om alles in het juiste spoor te houden. Pieter’s straatsporten breidden zich uit van sleetje rijden tot – veel – voetbal en later putjehockey en cricket. Met speciale dank aan buren die regelmatig de politie belden om hun beklag te doen mocht hij al op zijn zestiende voor de tweede maal voor de kantonrechter verschijnen vanwege hockeyen op straat. Hij werd daarbij in geval van recidive bedreigd met tuchthuis; Ab was zo kwaad over die onzin dat hij de honneurs van de zware gang naar de rechtbank liet aan zijn echtgenote, die minder dan hij genegen was tot grote boosheid bij rariteiten.

V.l.n.r: Louis, Willy, Aukje, Frits met daarvoor Eddy en Astrid van Doorn (herfst 1956).

Frits, Aart Willem, Aukje en Louis ‘vermoorden’ een kip achter het huis van de Udo’s.

Pieter en Frits – in pak! – met de honden; maart 1957.

Eenden op doortocht van duinen naar Westbroekpark in Brugsestraat.

In 2009 schreef Pieter het voorwoord voor het prachtige boek “125 jaar Belgisch Park” van Paul Crefcoeur en Jan van Pesch (Uitgeverij Aprilis, Zaltbommel; 2009). Het was een ode aan een fijne buurt om op te groeien:

Belgisch Park

Hoek Mechelsestraat – Brugsestraat. Ik groeide erop, kort na de oorlog totdat ik ging studeren. Elke steen kende je er. Ik kan nog vertellen over het putje dat als goal diende bij het straathockey. De gaten waren aan de grote kant maar we werden steeds handiger met het lichten van de deksel. Het muurtje dat als wicket diende voor het straatcricket. De bal in de tuin betekende dat je ‘uit’ was. Er waren veel tuinen; het waren harde tijden.

Fijne mensen woonden er in onze buurt. Natuurlijk mevrouw en meneer Udo voorop. Nog in onze studententijd gingen we op de zaterdagmiddag een kaartje leggen bij de buren. Toepen om een dubbeltje per spel. Mevrouw Udo verloor altijd maar ze had het er graag voor over. Locomotieven, mahjong, trictrac, canasta en later bridge: duizend spelletjes leerden we. En natuurlijk schaken. Mijn buurjongens en ik willen er een boek over schrijven: “Sport en spel in het Belgisch Park”.

We waren met zijn vieren. Aart-Willem en Frits woonden naast ons. En Louis woonde in de Gentsestraat. ’s Zondags naar voetbal – HVV of in de zomer HCC – of naar hockey, op Klein Zwitserland. TOGO en HHYC speelde daar nog, voordat ze fuseerden. Een enkele keer naar Holland Sport of ADO. Nooit betalen. Met een beetje zoeken vond je altijd een hek waar je overheen kon. We hadden een geldig excuus, vonden we. Te weinig zakgeld: ja, wie niet?

De bosjes waren dichtbij. Elke ochtend hetzelfde rondje met Perry en Seth, de buurhond. Ze werkten samen om ‘hun’ buurt schoon te houden. Indringers werden aangegrepen. Eén bij de keel, de tweede bij de staart. We wachtten dan af tot het gevecht beslecht was en pakten dan onze honden op bij hun staart. Dan lieten ze los. Elke dag haalden ze elkaar op om te ‘winkelen’ in de Stevinstraat. Naar banketbakker Goeman; ze bewaarden daar gebroken koekjes in een apart trommeltje voor hun ‘vaste klanten’.

Het jaarlijks hoogtepunt was de Nieuwjaarsviering. De familie Van Doorn offerde een paar weken hun garage voor de opslag. We zamelden dan kerstbomen; 37 hadden we er in onze gloriedagen. Dat, met een paar oude matrassen en vooral autobanden. Om één minuut over 12 ging het vuur aan. Om half vier brandde het nog. Nog steeds kijk ik met warmte naar de smeltplekken in het asfalt op het kruispunt Leuvensestraat – Brugsestraat. Het was ons beste vuur.

Mijn vader won drie maal op rij de buurtprijs voor de mooiste tuin. In het voorjaar tulpen, in augustus dahlia’s. Mensen maakten een ommetje om te kijken. Mijn zusjes en ik hadden het niet zo met die tuin. We mochten er nauwelijks spelen en moesten wel helpen bij het planten en uitgraven van de bollen. Het betaalde ook niet; mijn vader vond het familieplicht. Ik heb de prijs thuis nog staan.

Het waren brede straten toen ik opgroeide. Op het garagepad van de buren stond een auto. De straat was van ons. Zoals de hele buurt dat was. Het Belgisch Plein. Het Laantje van Juffrouw Meier waar nu de Hotelschool staat. De school dichtbij. Aart-Willem en Frits gingen naar de Haagsestraatschool. Mijn jongste zusje en ik zaten op de Rijslag. Eigenlijk heette die Het Volle Leven. Fijne school was dat, met konijnen. Ik ken nog het schoollied: “En we gaan weer fijn naar school, dat geeft weer reuze jool…” Dat had je toen nog: jool. Mijn eerste ‘liefdes’: Wilma, Margot, Guusje. De hele klas was verliefd op Guusje. Wie zei dat het leven eenvoudig was in het Belgisch Park?

In de zomer naar het Stille Strand; opgeblazen binnenband mee. In de winter sleetje rijden op de bosrand of, toen we ouder werden, op de grote heuvel in het bos. Schaatsen op de METS-banen en als het heel koud werd in het Westbroekpark. In het najaar hardfietsen in de duinen, van Meyendel naar de Watertoren. Als je jarig was, kreeg je een nieuwe plastic bal. Ik voel nog de diepe smart als hij in een rozenstruik kwam.

Ik sliep met de gordijnen open. Dan kon ik de vuurtoren zien, net langs de torens van de Badkapel. Warme herinneringen. Een avond in het voorjaar. Een jongen op de fiets die prachtig fluitend voorbij reed. Het heeft mijn leven veranderd; nog steeds fluit ik altijd en overal. Zoals heel veel gebeurtenissen in het Belgisch Park mij hebben gevormd.

                                                           *   *   *

Ik kom nog graag in het Belgisch Park. Waar je opgegroeid bent, heb je eigendomsrechten. Het is ‘mijn’ buurt zoals die het is van vele anderen.

In de tweede helft van de jaren vijftig speelden hond Perry en buurhond Setty van de Udo’s een voorname rol in de straat. Ze waren van zeer goede huize, heetten eigenlijk Perry van de Pottum en Noseth van den Lindenhof en beschikten over een stamboom waarop de familie Winsemius op dat moment jaloers was. Op de foto van dalmaat Perry is het ondier zwaar in overtreding; het betreden van het grasperk was hem streng verboden en was stellig alleen mogelijk omdat Ab in het buitenland was. De honden waren even oud en hadden een zeer hechte vriendschap ontwikkeld. Reeds op jeugdige leeftijd vochten ze als een tandem en ruimden alle andere honden – met inbegrip van de grote herder Hertha van de familie Van Doorne – uit ‘hun’ territoir. ‘s Ochtends haalden ze samen koekjes bij banketbakker Goeman op de Stevinstraat, zoals mevrouw Udo tot haar verbazing moest constateren; de winkelmeisjes hadden zelfs een doosje met speciaal gebroken koekjes achterin de winkel voor ze klaar staan.

Perry en buurhond Setty (1956).

Aukje en Marian Wienhoven met Perry achter het huis (1956).

Perry en Setty spelen in het bos…                    … en op straat (1955).

Waakhonden voor de tuin van Borstlap (1956) en een vreemde hond en dus snuffelen (1956).

Perry op het pleintje, hoek Leuvensestraat-Brugsestraat; 1955.

Een speciale plaats had het Nieuwjaarsvuur, dat vijf minuten na aanvang van het Nieuwe Jaar werd ontstoken op de brede kruising van de Brugse- en de Leuvensestraat. In lijn met het Groot Haagse Gedachtegoed van het serieus fikkie stoken fungeerde voormalig politieman Van Doorne als inspirator, gelegenheidgever en brandmeester. Op het hoogtepunt – op de overgang van 1958 naar 1959 – verzamelden de ‘mannen’ 37 kerstbomen die tezamen met een paar autobanden en een matras werden opgeslagen in zijn garage. Op het juiste moment ging de vlam erin en door een juiste dosering bleef het vuur tot half vijf branden. Twee agenten die de vuurzee wilden doven, werd het leven bemoeilijkt doordat ze – na het verspreiden van de bronnen over het pleintje – te maken kregen met drie tot vier vuren. Nadat ze het opgaven, genoot de menigte – mensen kwamen van grote afstand om dit me te maken – tot in de vroege ochtend. Vele jaren – tot de herbestrating – waren de sporen van hun misdraging tot vreugde van de daders te zien in het verbrande asfalt.

Tante Tine en Neef Bernard: in de tuin en op Schiphol; juli 1956.

De gouden bruiloft van Pake en Beppe werd breed gevierd met een gave geluidsfilm die Ab in 1956 maakte met assistentie van zijn oudste dochter.

Beppe Aukje en Pake Piet op filmbeelden uit 1956.

Gezinsportret bij gouden bruiloft Pake en Beppe; 1956.

Aukje.

Aly en Ab liepen op een aantal punten voorop, bijvoorbeeld bij de toerusting van hun huis met moderne apparaten. Aan de andere kant waren ze ‘laat’ met een eigen auto. Pas toen Oma Anna overleed, verhuisde de televisie die ze kreeg van Aly en Ab naar Scheveningen. De kinderen waren toe de deur al uit. Daarvoor ‘besprak’ Pieter voor de schaarse voetbalwedstrijden plaatsen bij kennissen-met-toestel. Hij bewaarde anders dan zijn zussen overigens ook bedenkelijke herinneringen aan het winkelen met zijn moeder die een naargeestig repertoire had ontwikkeld – met omkoping en misleiding – om hem de stad in te krijgen: “Nu we er toch zijn, kunnen we ook vlug even naar de broeken / schoenen / overhemden kijken…” Om alles goed te maken werd de marteling afgesloten met ijs eten bij Gamba op de Spuistraat; het is kennelijk een familierecept want al eerder zagen we dat ook Lenie haar kroost op Curaçao op dezelfde wijze bewerkte bij te langdurige winkelescapades.

Wedstrijd tussen de Ondernemingsraad van Hispano en de Rest van Fabriek (veteranen). De OR won met 2-0 en Ab speelde midvoor(!). Links: een ‘ongeluk’; rechts: keeper Oonk (RvdF) trapt uit. Lente 1957.

In een kroniek als deze mag niet onvermeld blijven dat Aly haar rijbewijs haalde – “in één keer”, zoals haar kroost zich met blijvende verbazing herinnert. Ze werd de trotse chauffeuse van een Vauxhall, op haar speciaal verzoek gespoten in de fraaie combinatie geel-met-zwart. Bij feestelijke aangelegenheden liet zij echter het initiatief onveranderlijk aan haar echtgenoot, die ook de Sinterklaasgedichten en –surprises voor zijn rekening nam. Later, toen de kinderen iets ouder waren, deelden die in die vreugde. Fameus in familiekring was Aukje’s eerste gedicht. Zo’n tien jaar oud componeerde ze: “Dit is een boek / Het gaat niet over een koekoek.” Het betrof een grammofoonplaat, maar het rijmde zo mooi.

De nieuwe auto! Aly toont de Vauxhall Super Victor, Ankie, Oma en Perry; rond 23 juni 1957.

Vakanties waren een feest. Boekelo met golfslagbad waar Pieter en Aukje leerden zwemmen; Lochem waar vader en zoon in een bos de voetbalwedstrijd Hengelo – Blauw Wit aanschouwden en Pieter’s wereld op slag veranderde: een maand later werd hij lid van HVV. In hetzelfde Lochem gingen ze fietsen en zagen de kasteelruïne in het nabije Barchem; jaren later bezocht Pieter het als minister opnieuw en hij was verbouwereerd: zijn vader had met zijn vertelkunst de ruïne opgeblazen tot een heus kasteel met kantelen, edele jonkvrouwen en dappere ridders – het was de tijd van het mooie jongensboek Fulco de minstreel – en het bleek te gaan om een muurtje met wat bramenbosjes. Ook weer in Lochem verzamelde Pieter op de laatste dag meer dan vijftig kikkers om mee naar huis te nemen. Hij had ze opgeborgen in een rugzakje maar, helaas, gedurende de vroege avond hadden ze in de hotelkamer massaal de opening gevonden. De jacht heeft Ab een heel diner en de halve avond gekost. Nog steeds beklaagt Ankie zich erover dat  haar broer zijn rugzakje had opgehangen aan haar bed; het ongedierte zat tot onder haar dekens.

Lochem.                                               Boekelo: Aukje krijgt zwemles.

De volgende jaren waren de kinderen in vervolg op hun eerdere familiebezoek aan Pahlhude de eersten van hun klas die voor een ‘normale’ vakantie naar het buitenland gingen, eerst naar het kasteeltje Campagnac in de Franse Dordogne en daarna het Zwitserse Ascona. Ab voedde de kasteelgekte van zijn zoon. Samen bezochten ze de vestingen van oude ridders, terwijl Ab verhaalde over de Honderdjarige Oorlog die de Franzen en Engelsen hier uitvochten als waren het schakers: tegenover jouw kasteel plaats ik het mijne. Magische momenten verbinden nog immer de kinderen. In de Dordogne zwom zelfs Aly in het warme en heldere water van het landgoed van de beroemde danseres Josephine Baker, Les Milandes. Totdat Pieter haar luidkeels waarschuwde: “Mam, je kan hier niet staan!” In paniek is ze bijna verdronken.

Mamma in Brussel met op de achtergrond de Ste. Gudule en, rechts, Manneke Pis in Brussel; 1955.

Standbeeld van Jeanne d’Arc, Parijs; zomer 1955.

Dôme des Invalides en Arc de Triomphe met het graf van de onbekende soldaat in Parijs; zomer 1955.

Kasteel Campagnac van meneer Van Stratum in Belvès; zomer 1955.

Links: de Cro-magnon-mens, standbeeld in dorp Cro-Magnon in Zuid-Frankrijk; augustus 1955. Rechts: Ankie, Pappa, Mamma en Aukje zittend op het terras van het enige hotel in Cro-Magnon; augustus 1955.

Les Milandes, het buitenverblijf (met zwembad, twee restaurants en dorp) van Joséphine Baker aan de Dordogne; 1955.

Onbekende afbeeldingen in Dordogne.

Links: 13e-eeuwse kerk in Dordogne.  Rechts: “Drie dikke dames en een visser bij de Dordogne in Beynac”; 1955.

Chateau de Beynac boven de rivier de Vézères; augustus 1955.

In het goede gezelschap van de familie Van der Laan togen we ook dichter bij huis naar het beroemde Badhotel in Domburg.

Klein Walcheren in Middelburg: Walter, Marijke, Aukje, Tante Jenny (Het hotel in Domburg).

Domburg 1955: Bernard, Walter, Aukje, Pieter, Marijke.

Lugubere foto’s op het strand van Domburg: een onthoofde Marijke (links) en Aukje (rechts).

Strandfoto’s Domburg 1955: Links Aukje, Marijke, Pieter en Bernard. Rechts: Aukje, Marijke, Bernard, Pappa, Tante Jenny, Mamma, Oom Bé.

In 1956 was er de vakantie in Friesland om te kijken of we een plezierboot zouden kopen net als Tante Jenny en Oom Bé waar Aly het grootste deel met rugproblemen op bed doorbracht. Pieter werd van de loopplank geblazen en Aukje sprak vloeiend Fries. Haar creatieve combinatie van twee teksten leidde tot collectieve vreugde: “Hawwe jim ek sa lêst hân fan pien yn it liif en tige hudde wyn?” (Hebben jullie ook zo’n last gehad van buikpijn en heel harde wind?).

Friesland met schipper Boele; 1956.     Ankie en Inger op het dek van de MEEUW in Grouw; juli 1956.

Links: de MEEUW in Grouw: Mamma, Ankie, Boele. Rechts: Sneek.

Stavoren: Boele, Inger, Ab, Aly en Ankie: “tige hudde wien” staat achter op de foto.

De foto’s zijn niet best maar het was met een eenvoudig Zeiss Ikon boxje: skûtjesilen en de kust van

Links: “Ferwoude, woonplaats van ene oude Winsemius wiens schoonvader in deze kerk preekte; juli 1956. Rechts: gracht in Sloten.

Links: Aukje aan het voetballen; op de achtergrond de CORSICA van Tante Jennie en Oom Bé; Snekermeer, augustus 1956. Rechts: de MEEUW en de CORSICA tijdens de Sneekweek op het eiland van de starttoren; 1956.

Marijke en Aukje op de CORSICA.                 Snekermeer.

Boele, Aukje en Marijke(?) repareren een boot.

De BERNARD JOHN in Rotterdam (foto Bernard); 1956.

Pieter mocht kamperen bij Tante Dieuwke en Oom Cor in hun supergrote, superzware tent op de kampeerplaats in de duinen in Hollum op Ameland. Een jaar later ging hij samen met Gerard op de brommer naar Zwitserland: Gerard een DMF met Zündapp-motor, hij een Sparta met ILO-motor (we wisten overigens, misleid door de lettertypes op het motorblokje, dat het een JLO was). Ze waren zestien dus het mocht volgens de verkeersregels, maar dat het mocht van hun ouders getuigt van een groot vetrouwen. Geweldige vakanties waren dat, elk genoeg voor een eigen plakboek.

Links: de veerboot van Holwerd, rechts de grote tent op het tentenkamp in de duinen.

Tante Dieuwke met Sipke en Percy.                   Tent opzetten op Ameland.

Aafke met Tante Dieuwke op Ameland.

Pieter met reuze vis op Ameland.     Water pompen: Sipke met Pieter.

Je zou haast zeggen: verstoord groepsportret met jammerend(?) weglopende Aukje.

De waterval in de Rijn bij Schaffhausen; zomer 1958.

Poserend bij het Vierwoudstedenmeer…

…en nogmaals op de Gotthard; zomer 1958.

Ankie kreeg een vaste vriend, Kim La Pré, die moeiteloos de scherpe ballotage doorstond met vader Ab die om de discussie met de pretendent gaande te houden op momenten van gespannen stilte altoos te berde bracht: “Ik geloof nooit dat we het drooghouden.” Pieter vond het prachtig, maar Ankie was not amused om het maar voorzichtig uit te drukken. Aukje hield het veeleer bij de warme banden met buurjongen Frits.

Fuifje Ankie 21 januari 1956.

‘Blitsfoto’ met Inger, Ankie en Kim op Ankie’s kamer; maart 1957. Nogmaals in november 1957 met Frits, Pieter, Ankie, Aukje en Kim, weer op Ankie’s kamer.

Aukje en Frits; blitsfoto op Ankie’s kamer; maart 1957.

Bij Tante Jenny: v.l.n.r. Pappa, Tante Jenny, Mamma, Ankie, Oom Bé, Marijke en Aukje; lente 1957.

In de tuin, v.l.n.r. Bernard van der Laan, Marijke van der Laan, Ankie, Louis, Kim, Aukje en Frits; mei 1957.

Zomer 1957 gingen we met vakantie naar Ascona aan het Lago Maggiore. Het werd een bijzondere vakantie: zoals Napoleon zijn Waterloo vond, vond Aukje aan het Meer van Lugano haar Morcote, toen ze op een terras in het plaatsje met die naam haar ultieme nederlaag moest erkennen: ze kon geen cola meer op. Vele jaren later belde Pieter haar nog op als hij met de auto bij Lugano langs de afslag Morcote reed op weg naar zijn vakantieadres in Toscane.

Links: Pappa bij de rode Chrysler 1956 bij de Zwitsers-Italiaanse grenspost Madonna-dei-Ponte; eind juli 1957.

Hotel Albergo Ascona vanaf Villa Fortunato. In die villa woonde de eigenaar van het hotel en hun zoon Gianni met wie Pieter veel pingpongde. Er waren ook leuke meisjes uit Basel, Trixli Cropp (12 jaar) en Sylvia (14).

Hotel Ascona vanaf opzij richting Mte. Verita (links) en vanaf het dorp gezien (rechts); eind juli 1957.

Ankie, Pappa en Mamma op het Lido Ascona (Lago Maggiore).

Aukje en Ankie aan het badmintonnen.                       Ankie en Pieter aan het ballen in het Lido.

Links: inrit in Orta (ten zuiden van Verbania). Hier hadden we nogal wat moeite met de auto. Rechts: Pieter, Ankie, Aukje en Mamma(!) op terrasje in Orta.

Links: de door St. Jules gestichte (3e eeuw) en aan hem gewijde kerk in het Lago d’Orta bij Orta. In deze kerk bevinden zich vele kunststukken o.a. fresco’s uit circa 1100. De kerk is bezit van de staat. In de crypt is het geraamte van St. Jules, in dure kleren gestoken, opgebaard. Rechts: het eiland San Giulio met kerk en seminarium in het Lago d’Orta.

Aukje en Ankie voor het stadhuis van Orta.                 De familie op de oudste steen van Italië, op het eiland San Giulio.

Links: gevel van een oude kerk (circa 1500) in Ascona. Rechts: ruïne van het Castello de Tenero in het Lago Maggiore.

In zowel 1958 als 1959 verbleef de familie in een hotel in het Italiaanse Riccione. Het eerste jaar vloog Pieter met Ab mee naar Genève en Bonn waar hij voor Hispano moest zijn om vervolgens door te vliegen naar hun vakantiebestemming bij het Italiaanse Rimini. In Genève mocht hij op een chique terras aanzitten bij een lunch met de bovenbazen van de onderneming. De vlucht was avontuurlijk, om het zo maar uit te drukken. Nog ziet hij ook de deuken die de hagel sloeg in de vleugels tijdens een woeste storm boven het Zwarte Woud op weg naar Bonn.

Lunch met Zwitserse bovenbazen van Hispano Suiza.

Luchtopnames.                        Autobahn.

Bonn: rechts Piper Apache plus auto. PH-NIO oftewel voor ons vliegers Pappa Hotel November India Oscar.

Meneer Suvaal reed de rest van de familie met inbegrip van special guest Kim naar Bonn. De bedoeling was dat hij Aly met kroost naar Italië zou brengen omdat Ab geen tijd had. De auto begaf het echter en Ab toonde zijn verbluffende improvisatietalent. De hele familie verzamelde zich een paar dagen in het hotel Petersberg. Aukje herinnerde zich de slang die in de grote tuin hun pad kruiste en de deftige meneren die bij de deuren stonden – waren het portiers? – en propjes naar elkaar schoten.

Hotel Petersberg bij Bonn en de tandradbaan tegen de Petersberg; juli 1958.

Wandeling op Petersberg: Ankie, Aukje en Kim.

Ab had inmiddels een plan de campagne ontwikkeld waarvan de details ons zo ver na dato ontgaan zijn. Er was sprake van een lijnvliegtuig van Bonn naar Zürich met een tussenstop in Stuttgart. Aukje bewaarde ‘warme’ herinneringen: “Er was net iemand luchtziek geweest, het stonk.”

Kloek met kuikens: eerste vliegreis Ank, Auk; Bonn.   Tussenstop:  vliegveld Stuttgart.

Links: vliegtuig Bonn – Zürich in Stuttgart. Rechts: instappen in Stuttgart.

Zürich.

In Zürich splitste het gezelschap zich weer. Aly ging met Ankie en Kim door naar Riccione en Aukje vloog met haar vader en broer met het privé vliegtuigje door naar Nice, terwijl meneer Suvaal met de auto, na reparatie, ook naar Italië zou afvaren. Het is niet meer duidelijk waarom we via de Franse Riviera moesten vliegen – had Ab daar nog een afspraak? – maar de herinnering aan de vlucht vanaf Nice staat broer en zus nog in hun geheugen gegrift. Nog zien zij hoe de deur openklapte bij de start in Nice en de noodlanding die de piloot daarop moest maken. Nog zien zij de landingsbaan van Bologna – door de koplampen van in haast opgetrommelde auto’s verlicht – tijdens de noodlanding die ze door benzinegebrek moesten maken.

Tocht naar Riccione; 1959.

Het was dat jaar een zwaar verdiende vakantie. “We hebben ook nog ergens eindeloos moeten wachten omdat de douanier aan het lunchen was”, voegde Aukje toe aan het rampscenario. Bovendien miste meneer Suvaal de aankomst op het vliegveld van Rimini; hij zat op het strand, hetgeen niet geheel goed viel bij zijn baas. Het was daarna overigens een prima vakantie.

Het volgend jaar deed Ab het opnieuw, ditmaal in het gezelschap van een dochter. Er gebeurde niets. Het gezin, minus Pieter die als uitwisselingsstudent naar Amerika was vertrokken, zat dat jaar op dezelfde verdieping ook de zanger Paul Anka, een toen beroemd tieneridool. Nog steeds verwijt Aukje haar vader dat hij de sinaasappel expres liet vallen, de finale duurde hem te lang.

Vakantie in Riccione. Aukje, Paul Anka en Ankie; 1959.

Zijn deze twee foto’s van dezelfde reis, waar is dit?

Ik zou haast zeggen Mamma met Aukje (licht verscholen), Ankie, Renske, Marijke van der Laan, Inger en …; wanneer en waar?

Ankie met Inger en … en …; waarom, wanneer en waar?

Op 1 maart 1958 werd de ANK WINSEMIUS bij de tewaterlating door de naamgeefster gedoopt. Een dik jaar later doopte Aukje het zusterschip, de PIETER WINSEMIUS. Dergelijke plechtigheden waren naar klassiek recept voorbehouden aan vrouwen en dat soort regels mocht nimmer worden doorbroken. De schepen waren in eerste instantie gebouwd als fiscaal voordelige belegging en werden om die reden op de Nederlandse Antillen geregistreerd. Het waren grote coasters, bij aanvang in de orde van 1000 ton; door latere ombouw werd dat zelfs een 1200 ton.

Doop van de ANK WINSEMIUS door de naamgeefster met links Aukje, Ab en Aly; 1 maart 1958.

Aly en Ab (links) en Ankie als aspirerend bemanningslid tijdens de proefvaart van de ANK WINSEMIUS; 5 mei 1958.

Links: Meneer Suva… en rechts, Renske, Pieter en Meneer Suvaal tijdens de proefvaart van de ANK.

De loods komt aan boord tijdens de proefvaart van de ANK.

Renske, Pieter en Bart tijdens de proefvaart van de ANK.

HVV 1E van 1958-59; foto opgestuurd door Richard Babberich de Nerée (rechtsonder). Links naast Pieter: elftalleider Freddie Nautin ten Cate. De meeste andere namen ontgaan me zo veel jaar na dato maar midden op de achterste rij staat stellig Laurens Maaldrink en geheel rechts Pim van Ling en Jaap Froentjes.

Aukje doopt de PIETER WINSEMIUS; 30 mei 1959.

Het jaar 1959 bracht een aantal breuken in het gezin. Ankie was toen al medicijnen, daarna sociologie gaan studeren in Leiden en Pieter was op initiatief van Aly een jaar als uitwisselingsstudent naar Amerika.

Graduation op Dundee High.   Afscheidsfeest met quarterback Joe Uhl, running back Willie Hudson en vriendin Lynn Koczman.

Ab en Aly verhuisden met Aukje naar Genève waar hij in de top van Hispano-Suiza werd opgenomen. Aly werd in de loop van het jaar ernstig ziek en dat drukte een verder stempel op het gezinsleven. Na een operatie was het een periode lang kantje boord met haar gezondheid.

Aukje ging in Genève naar de internationale school. Vergeleken bij het Montessori Lyceum erg elitair en Engels. Opstaan als de leraar binnenkomt wende snel, maar als je het van de leraar Engels bijna iedere les tien keer over moet doen omdat niet iedereen tegelijk op staat, voelt dat toch wel een beetje erg raar. Soms werd het haar te gortig: “Leerlingen (monitors) die straffen kunnen uitdelen aan andere leerlingen, kon ik niet accepteren en toen ik op bevel van een monitor een middag terug moest komen, heb ik dat dan ook niet gedaan.” Maar veel belangrijker dan school waren voor haar de bergen. Zij leerde skiën en was jarenlang intens gelukkig als ze op ski’s in de sneeuw stond. Ze had aanleg en werd een paar jaar later gevraagd om met het Nederlands team te komen trainen. Helaas ging dit door gezondheidsproblemen niet door.

Aukje op zomerschool in Lausanne

In september keerden Aly en Ab terug naar Den Haag. Aly was nooit echt geaard in Genève en de studie van haar kinderen – Ankie inmiddels sociologie, Pieter natuurkunde en Aukje eindexamen – riep haar naar huis. Ook Oma wankelde en had warme aandacht nodig.

Een bijzondere collectie vroege, Leidse foto’s.

Uitzicht vanuit Pieter’s kamer; 1960.

8 december 1961: “Dit zijn vader en moeder,”

“Mijn  zusje Aukje komt altijd iets later…        …maar als ze komt, is ze erg hartelijk!”

Ankie en Gert.

Huwelijk Ankie en Gert; 23 juni 1962.

Robbert; 5 januari 1963.

Sinterklaas was mooi dat jaar. Hannah en Pieter hadden blijmoedig een kleine twintig mijters bij elkaar gefröbeld voor de viering op het KOL, maar tevoren deden ze al goede dienst op de Mechelsestraat. Memorabel waren ook de douchemutsen die de (schoon)dochters ontvingen; hu portretstudie werd een klassieker in familiekring. Ook de festiviteiten op het lab waren een succes met een echte Klaas en vijftien Metaal-surrogaten.

Vreugdezang en een verwachtingsvolle Aukje, 1964.

Ab leest een gedicht en de jongedames poseren op hun bevalligst met de nieuwe badmutsen.

De zomervakantie was bijzonder, om het zachtjes uit te drukken. De hele familie verhuisde naar een tweetal appartementen in het Spaanse Salou, De reis werd gemaakt met drie auto’s: Pappa met Aukje en een vriendin, Gert en Ankie, en Hannah en Pieter. Mamma vloog met de kleine Robbert naar Barcelona en werd daar opgepikt. Pappa demonstreerde nogmaals zijn verbluffende organisatietalent, alles was doordacht en geregeld. Dat paste niet geheel bij de levensstijl van speciaal zijn oudste twee en hun betere helften, maar zij pasten zich aan. Hannah werd gehuisvest op de ‘hoofdflat’, Pieter zoals dat hoort kort voor het huwelijk bij Ankie en Gert. Dat had het voordeel dat Gert en hij konden schaken en hij overdag ook het huis/balkon alleen had voor het typen aan zijn dikke afstudeerscriptie.

De appartementen in Salou en Robbert, gevoederd door Ankie onder het toeziend oog van Aly.

Het amusement speelde zich veelvuldig af in en rond het zwembad bij het appartementencomplex. ’s Avonds om zes uur (in Spanje!) werd daar ook gegeten, zodat Robbert niet ontregeld werd door late tijden en Spaans eten. De maaltijd bestond dan uit goede Hollandse hap: spruitjes of doperwten met en gehaktbal. Op loopafstand was ook het brede maar drukke strand van Salou met zeer veel vaderlanders, waar Hannah, Aukje en haar vriendin Marjolein zich tot vreugde van Gert en Pieter bezondigden aan gymnastische oefeningen onder leiding van een daartoe wellicht gediplomeerde leermeester. Mede door Pieter’s achterstallige werk maakten we ook weinig uitstapjes, het was, kortom, een afwijkende vakantie. Wel degelijk leuk door het goede gezelschap, maar overmatig bepaald door Mamma’s bezorgdheid over het welvaren van Robbert. Het arme joch kon daar geheel niets aan doen maar had wel een mooie tijd.

Filmbeelden van het zwembad met Robbert en Gert en op de onderste prent rechts ook Hannah.

Het strand van Salou.

Ab had Hispano-Suiza verlaten en besloot de redersstaffel binnen de familie metterdaad op te nemen en zich actief met de ANK en PIETER te bemoeien. Ze hebben het geweten. Al snel kreeg hij in de gaten dat je moest varen met Nederlandse en Engelse officieren, maar dat de bemanning idealiter Portugees was. Hij ontwikkelde een eenvoudige formule: betaalde wat te veel en zorgde dat in elke haven een koffieapparaat en een televisie aan boord waren. Omdat de bemanning hun spaargeld tegen een forse rente bij hem kon beleggen, waren de prikkels tot hevig passagieren met de daaropvolgende uitval zeer gering. Wanneer de mannen genoeg hadden verdiend om aan de wal te trouwen, zorgden ze voor een neef of dorpsgenoot als opvolger.

Al snel berekende hij ook dat vracht in het ruim minder opbracht dan grote installaties die op het dek werden geplaatst. Ondanks verzet vanuit klassieke scheepsbouwers liet hij daarom de mast verwijderen en de lange voorpiek, die enkel diende voor het opverven van de scheepsnaam, inkorten. Vervolgens liet hij de schepen in tweeën zagen en met 12 meter verlengen. De grotere ruimte op dek maakte het mogelijk nog grotere lading aan boord te nemen. Geïnspireerd door Bé van der Laan, de echtgenoot van Aly’s jeugdvriendin Jennie Pot, ging hij nadenken over roll-on-roll-off systemen. Zelfladende en -lossende schepen konden immers werken in havens waar nog geen grote kranen waren. Omdat juist grootschalige industriële ontwikkeling vaak gepaard ging met laagontwikkelde havens die voor grotere schepen nauwelijks toegankelijk waren, onderkende hij een nis in de markt. Pieter vreesde vanaf dat moment de zondagochtendgesprekken, wanneer zijn vader zijn vaalgele King’s Cross sigarettendoosje ter hand nam en een schip-voor-de-wal tekende. Zijn vader legde dan uit: als je een zware last van het schip op de wal trekt, komt het schip hoger te liggen en schuift de lading te makkelijk af. Bovendien komt het schip scheef te liggen. Dus werden aan beide zijden van de schepen ballasttanks gemonteerd die hiervoor konden corrigeren. Dan restte nog het probleem hoe je de deklading op de wal kreeg. Na lang nadenken werd een systeem ontworpen waarbij de lading iets werd opgekrikt en er vervolgens U-balken onder werden geschoven. De lading werd bevestigd op ‘karretjes’ op wieltjes die pasten in de U-balken. Als het ware op rails werd de lading dan langzaam op de wal getrokken, waar zware vrachtwagens of binnenschepen de last vervolgens overnamen.

Pieter vreesde vanaf dat moment de zondagochtendgesprekken, wanneer zijn vader zijn vaalgele King’s Cross sigarettendoosje ter hand nam en een schip-voor-de-wal tekende. Zijn vader legde dan uit: als je een zware last van het schip op de wal trekt, komt het schip hoger te liggen en schuift de lading te makkelijk af. Bovendien komt het schip scheef te liggen. Dus werden aan beide zijden van de schepen ballasttanks gemonteerd die hiervoor konden corrigeren. Dan restte nog het probleem hoe je de deklading op de wal kreeg. Na lang nadenken werd een systeem ontworpen waarbij de lading iets werd opgekrikt en er vervolgens U-balken onder werden geschoven. De lading werd bevestigd op ‘karretjes’ op wieltjes die pasten in de U-balken. Als het ware op rails werd de lading dan langzaam op de wal getrokken, waar zware vrachtwagens of binnenschepen de last vervolgens overnamen.

Het King’s Cross sigarettendoosje en het schip voor de wal zoals Ab dat tekende.

Ab had slechts HBS-A en liep voortdurend aan tegen de uitstekende scheepsbouwers van De Groot & Van Vliet in Slikkerveer, die weliswaar met hem meedachten maar toch steeds kwamen met het antwoord: “Dat kan niet.” Voor Ab, die niet was belast met de tradities van de scheepsbouw, was dat een uitnodiging tot doorbraakdenken: als niemand het doet, valt er wellicht wat te halen. Omdat Pieter natuurkunde studeerde, kreeg hij twee boeken – Zeemanschap I en II – en de stabiliteitsberekeningen van de schepen. Als Ab zijn sigarettendoosje ter hand nam en zijn altijd aanwezige aansteker op tafel legde, moest bedacht worden waarom en hoe het wel kon. In de loop van een paar jaar werden de schepen geheel omgebouwd tot zeer winstgevende objecten. Vanaf dat moment verlegden de zondagochtendgesprekken zich naar de berekening of een offerte wel of niet kon worden uitgebracht. De ansichtkaarten die Ab liet rondsturen aan bevrachters om zijn specialiteit over het voetlicht te brengen, waren soms adembenemend. De schepen verdwenen geheel en al onder steeds enormere dekladingen.

Maar nog adembenemender waren de avonturen van het eerste uur. Ab schreef een handleiding om de kapiteins een handvat kon bieden bij vooral het ontladen. De eerste keer dat het nieuwe systeem in de praktijk zou worden gebracht bij het transport van een grote olietank van Florence naar Casablanca, durfde de kapitein het niet aan. Ab vloog naar Marokko en nam de leiding over. Met de lading halverwege de wal stak echter een grote storm op, die een extra complicatie toevoegde waarop de handleiding nog niet berekend was. In plaats van risico’s te nemen reed hij door het vullen en legen van de ballasttanks een eb en een vloed uit zonder de last van plaats te laten veranderen. Pas toen de wind was geluwd tot handboekproporties werd de ontlading voltooid. Later viel een kapitein uit in Leningrad (Sint Petersburg) en Ab vloog binnen om lading te lossen.

De PIETER WINSEMIUS: links in den beginne, rechts verlengd, gestript en verbreed.

… met steeds grotere dekladingen zoals rechts een jack-up booreiland…

… en roll-on-roll-off faciliteit, overgezet op een binnenschip.

In de loop van 1960 werd Ab ook door de Verenigde Naties uitgenodigd als voorzitter van een internationaal adviesteam dat de regering van Lee Kuan Yew, de nieuw gekozen minister-president van Singapore, moest adviseren over de hoofdlijnen van het economisch beleid van de kleine stadstaat. Nadat zijn eerdere inzet in Jamaïca, Portugal en Griekenland door gebrek aan politieke en ambtelijke continuïteit weinig op had geleverd, waren de condities nu wel gunstig. Roemruchte verhalen circuleren nog steeds in Singapore, zijn bijdrage vormt een onderdeel van de vaderlandse geschiedenis ter plaatse, niet in het minst omdat Lee Kuan Yew met zijn meest naaste medewerkers een buitengewoon vertrouwen in hem stelden.

Interview met Singapore Monitor, 4 maart 1984.

Ab met Lee Kuan Yew, vermoedelijk bij de presentatie van het eerste rapport; 1960.

Jarenlang hing in zijn huiskamer een schilderij dat tijdens het eerste bezoek is gemaakt door zijn teamgenoot Dr. Karl  Franz, die – naast scheepsbouwexpert – ook een meer dan verdienstelijk schilder was. De economische ontwikkeling van Singapore werd begrensd door de beperkte mogelijkheid voor industriële ontwikkeling: er was simpelweg geen grond beschikbaar. Volgens de verhalen heeft Ab de kaart bestudeerd en vervolgens zijn team ingeladen voor een rondrit. Op een heuvel met uitzicht op de moerasachtige monding van de Jurong River heeft hij langdurig voor zich uit getuurd en toen gezegd: “Here it is going to happen.” Dr. Franz heeft daar later zijn ezel geplaatst om die plek te vereeuwigen. Dag en nacht is met lange kabelbanen grond van afgegraven bergen versleept totdat hier de Jurong Township als meest moderne industriegebied van Zuid-Oost Azië de basis bood voor de ontwikkeling van Singapore. Meer dan een halve eeuw later hebben Ankie en Pieter het schilderij aangeboden aan Ab’s ‘baby’, de Economic Development Board van Singapore.

Schilderij van Dr. Karl Franz van de Jurong delta; 1960.

Het werd het begin van een 23-jarige, diepdoorvoelde vertrouwensband. Zijn betrokkenheid bij zijn tweede vaderland is in groot detail uitgewerkt in de biografie “Albert Winsemius and Singapore. Here It is Going to Happen” van de hand van Euston Quah (World Scientific, Singapore; 2022). Hij ging er niet eens vaak naar toe, een paar keer per jaar en dan telkens voor een periode van een aantal weken. Het werd zijn tweede vaderland en hij vond er ook een aantal vrienden. Minister van Financiën Hon Sui Sen bijvoorbeeld en oud-vakbondsman Devon Nair waren voor hem belangrijke “soul mates”, waarmee hij zowel zakelijk als persoonlijk op een zelfde golflengte zat. Na zijn overlijden schreef Lee Kuan Yew in een condoleantiebrief aan zijn familie: “It was Singapore’s good fortune that he took a deep and personal interest in Singapore’s development. Singapore and I personally are indebted to him for the time, energy and development he gave to Singapore. I am proud to have known him and to have been his friend.”

Dr Albert Winsemius guided Singapore’s economic development. The book Albert Winsemius And Singapore: Here It Is Going To Happen is about the life of the Republic’s chief economic adviser for close to a quarter-century.

Met Lee Kuan Yew en zijn vrouw.                 Hon Sui Sen.                    Devon Nair.

Kleindochter Jolijn herinnerde zich hoe opa en zij altijd maakten nadat hij teruggekomen was uit Singapore met cadeaus van Mevrouw Hon, soms sieraden, vaak kleding. “Dan maakten we een foto, schreef ik een brief in het Nederlands, vertaalde opa deze in het Engels, en herschreef ik deze in het Engels, en dan stuurden we deze op naar Mrs Hon. Zij was hier mee begonnen toen opa haar had verteld dat ik geboren was. Eigenlijk ging hij dit niet vertellen want Mr and Mrs Hon hadden ook weer net een kleindochter gekregen en hadden liever een kleinzoon maar opa was zo blij dat hij het toch vertelde. Vanaf toen gaf zij altijd cadeaus mee voor mij aan opa wanneer hij weer in Singapore was geweest.” Het is een voetnoot, maar het gekke was dat de kleren bijna altijd pasten.

Jolijn met een Singaporees kostuum.

Ab liet zich overigens ook niet onbetuigd met cadeautjes. Elke reis bracht hij een arm vol orchideeën, mee naar huis en ’t was altijd “spannend” als hij zijn jaszakken leegpakte met sieraden of als er uit zijn handbagage een camera opdook, onveranderlijk in een beschadigd etui: het ging immers om een al veel langer in eigen gebruik zijnd apparaat.

Ab is, getuige de orchideeën, net terug uit Singapore; winter 1983.

Aly ging soms met hem mee, maar ondanks de zeer warme ontvangst was dat voor haar een zware belasting. Zij had er geen moment rust. Men meende haar voortdurend te moeten bezighouden en dat gebeurde dan met zo’n zwaar Chinees accent dat zij het nauwelijks kon volgen. Toen zij Ab in 1983 vroeg niet zo lang meer van huis te gaan, gaf hij gehoor aan haar wens. Hij wist dat alles wat hij gedaan en bereikt had in zijn leven alleen maar mogelijk was geweest dankzij zijn vrouw en dat het voor haar vaak niet makkelijk was geweest. Het werd tijd om minder met werk bezig te zijn.

Het werd een groots afscheid, dat door een groot deel van de nazaten werd bijgewoond. Tijdens het slotdiner viel Lee Kuan Yew op zijn knieën bij Aly: “Mag Albert alsjeblieft nog weer terugkomen?” Zij schudde haar hoofd. Haar kroost groeide op met de – letterlijke – tegeltjeswijsheid aan de muur: “Ik ben de baas in huis, maar wat mijn vrouw zegt zal gebeuren.” Nooit zagen zij dat meer metterdaad in de praktijk gebracht dan toen.

Aly’s gouden ISIS orchidee; Botanical Gardens, Singapore.

Ab’s boom in de Garden of Fame, Singapore.

Het afscheid in Singapore; maart 1984.                            Ontbijt met AhMeng.

Nog steeds gaan alle kinderen en kleinkinderen die in Singapore komen, kijken hoe het met hun Oma’s orchidee en Opa’s boom gaat. Ankie en Pieter waren als speciale gasten ook aanwezig bij de begrafenisceremonie van Lee Kuan Yew in maart 2015.

De boom en het straatje tijdens het familiebezoek ter gelegenheid van de publicatie van de biografie van Ab; eind mei 2022. Rechter foto: Marietta, Niels (zoon van Erik), Jolijn, Sabine (van Jolijn), Gijs, Luca (nr 2 van Jolijn) en Jaco.

Aan het thuisfront vond Ab een nieuwe geldbelegging in de vorm van garageboxen. Zijn intuïtie vertelde hem dat ‘de politiek’ weliswaar nooit de woningbouw met rust zou laten maar dat hetzelfde niet gold voor boxen. Die boden dus een redelijk zekere en fiscaal aantrekkelijke belegging. Na aanvankelijke troebelen met een zaakwaarnemer nam hij zelf de touwtjes in handen, in latere jaren samen met Ankie. Jaarlijks was er ook het enigszins gevreesde familieberaad, meestal in Huis ter Duin, waar een iegelijk verwacht werd aan te zitten en zich te gedragen, grappen werden niet gewaardeerd. Ab gaf dan uitleg van zaken en zijn nazaten stemden in. Hij zond ook met grote regelmaat zijn beleggingsraadsteksten rond, onveranderlijk zeer doorwrochte werkstukken waarin hij ingewikkelde fiscale of juridische vraagstukken tot behapbare proporties terugbracht. Toen hij 78 was, leerde hij zichzelf met steun van Robbert en Erik de computer te beheersen. Zijn eerste rondschrijven was historisch. Alles was onderstreept omdat hij niet wist welke toetsencombinatie hij moest indrukken om dat kwijt te raken. Pieter, die bij McKinsey kon rekenen op uitstekende ondersteuning, werd met ongeloof en wat meewarigheid aangekeken: beheers je die machines nog niet?

De hele familie ‘zit’ overigens nog immer in boxen, nu aangestuurd door Ankie’s zoon Robbert.

Ab met een van zijn boxen en een vroege advertentie.

Familieberaad bij de Winsemiusgroep in Veenendaal voor de ondertekening van de eerste potovereenkomst; 1989. Een deel van de kleinkinderen staat niet op de foto: zij waren nog geen 18.

Ab ontpopte zich begin jaren zeventig tot een soort puinruimer van doorgeschoten ondernemerschap. In februari 1969 werd hij benoemd tot commissaris van de Exploitatiemaatschappij Scheveningen, het vastgoedbedrijf van Reinder Zwolsman. Zwolsman had een giga-onderneming opgebouwd, met in 1963 6.000 werknemers bezittingen in de orde van een half miljard gulden. Door een te sterke groei en verwaarloosde exploitatie – Zwolsman had in feite geen tweede man – maakte de vennootschap in 1971 echter een verlies van 31 miljoen gulden. Niet alleen door geldgebrek, maar ook door voortdurende tegenwerking van de overheid kwam van Zwolsmans plannen voor herontwikkeling van Scheveningen niets terecht. Nadat Zwolsman was uitgetreden, werd Ab benoemd tot gedelegeerd commissaris met vergaande bevoegdheden. In 19787 werd de EMS geliquideerd.

Het nieuwe bestuur van de EMS met rechts voorovergebogen Ab; Nieuwe Leidsche Courant, 27 februari 1969.

Rond dezelfde tijd werd hij op dringend verzoek van Jan van den Brink, inmiddels bovenbaas bij de ABN Amro Bank, betrokken bij de fusie van de scheepswerf van de Cornelis Verolme met de grote scheepswerven Rotterdamse Droogdok Maatschappij, de Koninklijke Maatschappij ‘De Schelde’ en de Dok en Werf Maatschappij Wilton Fijenoord, die enige jaren eerder waren verenigd in het Rijn-Scheldeconcern. Ook Verolme zat door te snelle groei – het ging om de bouw van de mammoetschepen – in grote financiële moeilijkheden en ook hij had in de praktijk geen tweede man. In 1969 moest hij zijn aandelenkapitaal deponeren met afstand van het daaraan verbonden stemrecht in ruil voor een kredietgarantie van 25 miljoen gulden. Het voortbestaan van het concern en de werkgelegenheid van 14.000 werknemers stonden op het spel.

Op 29 januari 1970 tekende Cornelis Verolme de overeenkomst, het convenant, met de Staat der Nederlanden en het Rijn-Scheldeconcern, waarbij hij zich verbond af te treden als president-directeur. De zogenoemde “Commissie Winsemius” commissie onder voorzitterschap van Ab bepaalde de financiële en aanverwante aspecten van de fusie voor de bedrijven, die voortaan zouden optreden onder de naam Rijn-Schelde-Verolme Machinefabrieken en Scheepswerven NV (RSV). In dit nieuwe concern speelde Verolme geen rol meer. Ab hield er een prachtig Zwitsers horloge-met-inscriptie aan over, dat hij stellig nooit gedragen heeft.

Het gelukkige leven in Scheveningen zette zich lang voort. Met de kinderen de deur uit was er tijd voor andere bezigheden. Aly was enorm gesteld op familiebanden en elk jaar werd minimaal één excursie naar het Noorden gemaakt – met overnachting in Paterswolde en later Lauswolt – om alle broers en zussen plus vele neven en nichten te bezoeken. Ab stortte zich ook, in het spoor van zijn vader, op de familiegeschiedenis. Uiterst systematisch en nagenoeg uit het hoofd knoopte hij de laatste losse eindjes van het geslacht Winsemius vrijwel volledig aan elkaar.

De Gouden Jaren van Aly en Ab.

Ook de huiselijke kring werd uitgebreid, niet alleen door de toetreding van de partners van de kinderen en hun nazaten maar ook door bijzondere dieren. Ab had Pieter als jochie beloofd om samen een aap te gaan kopen in Indonesië, waarop hij zich op een vrije woensdagmiddag meldde met het voorstel om het nu maar te gaan doen. Bij een van zijn vroege Singapore-reizen maakte hij het echter toch waar. Apen bleken vies en niet ongevaarlijk, dus het werden drie vogels. Een Chinese vechtvogel dook direct door de bamboeomheining van zijn kooi en verkreeg status als illegale migrant. De twee beo’s – Tjonkai in Scheveningen en BB in Leiden / Leiderdorp – werden echter nieuwe huisgenoten.

Tjonkai.

Op aansporing van Pieter werd ook zeer onverwacht het racepaard Crusader gekocht dat koersbezoek noodzaakte. Ab ging regelmatig kijken tijdens de ochtendtrainingen; het edele dier kon aanspraak maken op de titel van valste paard van Nederland en werd vanwege zijn onvoorspelbare nukken al spoedig buiten weddenschappen geplaatst: ze mocht wel lopen maar je kon er niet op wedden. Het was voor de kinderen een vreugde te zien hoe hun vader en moeder de patsers op de chique eigenarenclub ontregelden door de jockeys na de koers uit te nodigen aan tafel. Om de kans op vals spel – in die hem onbekende wereld groot – te beperken betaalde Ab de jockeys ook aanzienlijk meer dan de paar honderd gulden die ze van ‘normale’ eigenaren ontvingen.

Crusader wint!

In juni 1963 vierden Aly en Ab hun zilveren bruiloft met een select gezelschap goud-van-oud op de Spido in de Rotterdamse haven.

Ab arriveert gevolgd door mevrouw Udo en Aukje en daarna Gerard en meneer Udo.

Beppe.                                                                Inger, Ankie en Gert.

Albert met broer Jan bij het huwelijk van Aukje Jans, 6 september 1969. Kleinzoon Robbert bestudeerde een jaar of drie oud de broers en concludeerde met zekerheid: “Andere opa”.

“De slachten Winsemius”; 28 juni 1970.

Belangrijker is het aanstaande huwelijk van Aukje en Hans. Pieter en Gert krijgen vanuit Scheveningen opdracht om een paar mooie liederen te schrijven en na een lange sessie met vele vriendinnen en vrienden produceren ze een gave tekst met als terugkerende uitsmijter: ‘Je belt maar even naar Den Haag / de ouders komen al te graag.’ Gert had overigens een bijzondere ervaring in het liederenschrijfvak; hij componeerde een aantal jaren achter elkaar het groenenlied en schreef in zijn studententijd ook een mooi boekje met limericken, Biologica. De bruiloft was een mooi feest met aan het slot een fraai versierde mini en een staatsiefoto die beide families verenigde met Opa van Gorkom als eregast.

Gert aan het tekstschrijven.

Staatsieportret van bruid en bruidegom met stralende familie.

Apa vertelt; najaar 1971.

In maart 1972 overleed Gert. Ankie bleef achter met haar drie kinderen, waarvan de jongste nog geen jaar oud was. Aly en Ab sprongen in met alles wat in hun zat. “Familie en vrienden zijn er voor als je ze nodig hebt,” legde Ab uit en Aly knikte blij. Ze speelden een grote rol in het leven van de kinderen en probeerden Ankie de ruimte te bieden om een nieuw leven vorm te geven. Met een enorme energie deden ze wat in hun macht lag om te helpen het gezin draaiende te houden: bezochten hockeywedstrijden, vervoerden halve hockeyteams, gingen met de kleinkinderen op stap en ‘avontuurden’ in huiselijke kring. Ook de meeste vakanties werden gedeeld met als favoriete bestemmingen Adelboden en vooral Sardinië, waar de kinderen konden genieten van strand en zee en Aly van een rustige plek in de schaduw.

Gert met Robbert; 1963.

Opa en Oma met Erik en Jolijn.

Adelboden, 1974-1975.

Madurodam, 1967.                                                   Scheveningen, 1968.

Erik en Robbert gingen met Opa naar Londen en in 1985 volgden Jolijn en Gijs. ‘t Was fantastisch, herinnerde Jolijn zich, Opa heeft daar zijn eerste McDonald’s burger gegeten. Ze bezochten de bezienswaardigheden van de Grote Stad, gingen naar het wassenbeeldenmuseum van Madame Tussaud, voerden de duiven. Even werd het spannend toen ze al ketend op een bed aan het springen waren en erdoor zakten. En er was ook nog een brandalarm dat midden in de nacht afging. Een groot succes was het diner geweest in een kelder waar je met je handen eet en iedereen verkleed is.

Opa, Robbert en Erik in Londen                           Met Erik in het War Museum; Londen, 198X

Beelden van de veldtocht van Ab met Jolijn en Gijs naar Londen; 1985.

Opa als supporter tijdens het familiehockeytoernooi in Krimpen.

Met bewondering keken de andere kinderen en hun partners hoe Ankie haar leven een nieuwe inhoud gaf en hoe haar drie opgroeiden. Met bewondering keken ze ook naar hun (schoon)ouders, die de liefde en energie konden opbrengen om deze uitdaging inhoud te geven. Ons bleven de prachtige verhaaltjes die Opa Ab aan zijn kleinkinderen vertelde, Ankie’s jongste Jolijn voorop, over Muskebiis. De bron was een – vanzelfsprekend – Fries kinderboekje dat hem waarschijnlijk begon te vervelen. Hij begon te variëren en na verloop van tijd maakte hij zijn eigen verhalen voor de ademloze kleintjes. Het liep uit op een serie van 40 verhalen op cassettebandjes, die nog steeds in omloop zijn bij het nageslacht.

Het originele boekje over Muskebiis met bijgekrabbelde aantekeningen voor de tekst van Ab’s eigen verhalen.

Kunstwerk gemaakt door Opa Ab voor Jaco bij een speciale gelegenheid.

Rond de Pasen 1974 ontvangen we hoog bezoek: Apa en Ama komen uit Nederland over. Zij vestigen zich in een hotel net naast de campus, op de hoek van El Camino Real, en binnen de kortste keren zit Apa buiten in de zon terwijl Ama binnenshuis blijft. Mooie uitstappen brengen ons vanzelfsprekend naar Hazel’s en ook naar Monterrey om vanaf John Steinbeck’s Cannery Row de zee-otters te bewonderen die, op hun rug drijvend, met stenen de grote abalone-schelpen open slaan.

Sinterklaas was telkenjare een groot feest. De familietraditie van de Mechelsestraat werd in alle gezinnen voortgezet en Aly en Ab vierden het die jaren bij Ankie en kroost. Jolijn: “Elk jaar maakten we Sinterklaas surprises. We hadden dan weken een sign op de studeerkamerdeur dat niemand binnen mocht komen. Opa heeft mij geholpen een Eiffeltoren surprise van ruim een meter te maken voor mijn Franse leraar, en een ‘zwevende’ bij voor de jongen uit mijn klas waar ik niks van wist behalve dat zijn vader imker was.”

Sinterklaas 1975.

December 1975.

De familie op de Scheveningse Pier met v.l.n.r. Ab, Gijs (van Pieter), Aly, Jaco (van Aukje), Aukje met in de wagen Marij, Ankie met Jolijn, en Hannah met voor zich Albert Junior en Mariëtta; 1979.

Zomer 1976 op de Veerweg in Laren.

Verjaardagen Aly en Ankie; eind juni 1977.

Kerstdiner 1979 in Laren.

Ab 70 jaar; februari 1980.

Waar, wanneer, waarom?

In maart 1979 togen Ab en Aly in het gezelschap van al hun (schoon)dochters naar de Antillen. Helemaal vertrouwen deed Ab de dames – inmiddels allen 35+ en “bereisd” – kennelijk niet want ze moesten van tevoren hun paspoorten van tevoren inleveren. Geheel verbaasd was Pieter daar niet over. Zijn Beppe hanteerde als lijfspreuk de mooie Friese uitdrukking: “Sa’t knipt is, moat it naaid wurde.” Zoals het geknipt is, moet het genaaid worden; zoals je het plan maakt, moet je het uitvoeren. Haar zoon Ab bracht dat in de praktijk en zijn kinderen hebben het geweten. ’t Was niet best toen Pieter in de jaren vijftig een reis naar Zwitserland als kaartlezer – achterin gezeten omdat Aukje voorin minder last had van wagenziekte – bij Hasselt de kaart plus ANWB-routebeschrijving verkeerd las en zijn vader de stad door moest rijden in plaats van eromheen. Ab’s  films waren gebaseerd op een draaiboek waar Bert Haanstra trots op zou zijn geweest. Altijd was er een plan en plannen waren er om uitgevoerd te worden. Zijn nazaten waren er niet altijd blij mee, om een understatement te gebruiken. De Antillenreis was overigens een mooi succes.

In juni 1980 trok de hele familie zich terug in twee huisjes om de verjaardagen van Aly en Jaco te vieren. Jaco kreeg voor zijn zesde verjaardag een “kasteeltent” en een cowboy-uitrusting. Het was tegelijk ook best wat spannend, herinnerde Jolijn zich. Jaco zat toen op het hoogtepunt van de pseudokroep en dat best een beetje eng. Maar het ging prima en ‘t was een heel leuk weekend!  

Ab met Mariëtta, Jolijn en Jaco in de “kasteeltent”.

Kerst 1980.

Het waren soms memorabele Kerstdiners. Hond Fideel wist bijvoorbeeld op slinkse wijze het Russische ei – of was ‘t een hors-d’oeuvre? – op te vreten; hij kon bij het aanbrecht. Het absolute dieptepunt in Hannah’s lebvn als gastvrouw kreeg echter getsatlte toen ze haar fameuze profiterolle taart ophaalde bij de chique en dure Gooise banketbakker en die heel voorzichtig naast een kratje bier achterin haar banketbakkersauto plaatste. Om vervolgens wat te sportief de eerste bocht te nemen waarop het kratje kantelde en de taart niet meer was wat ie geweest was. Pieter moest stilletjes met de kinderen een uur of wat het huis verlaten en vervolgens alle familieleden bij aankomst waarschuwen dat ze heel erg aardig moesten zijn.  

20 juni 1982: verjaardag Aly Huis Ter Duin.

Niet de beste foto van Hannah (Kerst 1987): was dit het Kerstdiner waar haar taart verongelukte?

Op 3 november 1982 werd Pieter gevraagd toe te treden tot het Kabinet Lubbers-I. Ab raadde het hem af. Hij achtte het risico te groot maar steunde zijn zoon vervolgens met grote inzet en praktische wijsheid. Toch brach”  hij hem – zeer onbedoeld – al de eerste maand in moeilijkheden in het kabinet. In een interview had Pieter twijfels opgeroepen bij een heilig onderdeel van het regeerakkoord: de arbeidstijdverkorting. Met een werkloosheid in de orde van tien procent zag niemand andere oplossingen om aan meer banen te komen, behalve Albert die had gezegd: je moet de arbeidstijd niet bekorten maar juist langer werken voor hetzelfde geld want dan word je concurrerender.

Desgevraagd door een journalist antwoordde zijn onervaren zoon: “U weet wat er in het regeerakkoord staat, maar mijn vader is soms een zeer verstandig mens.” Dus kreeg hij de eerstvolgende vrijdag op zijn donder. Uiteindelijk vroeg Ruud Lubbers de minister van Sociale Zaken Jan de Koning: “Wat vindt collega De Koning er van?” Jan redde hem: “Collega Winsemius had ook gezegd dat hij zelfs bij een afwijkend standpunt een roepende in de woestijn zou zijn, dus het valt wel mee.” Pieter pakte een papiertje en schreef: “Jan, de meeste profeten beginnen in de woestijn.” Ze lachten. Pas jaren later besefte hij dat je soms bereid moet zijn om de woestijn te betreden.

Al begin december kreeg Pieter echter heel praktische steun van zijn veel meer ervaren vader. Om radioactief afval op te slaan in plaats van in zee te dumpen – een dringende wens van de Kamer – zag hij zich gedwongen een soort “overval” te plegen op de gemeente Velzen waar een terrein was gevonden. Dat was gebeurd zonder enig overleg met de authoriteiten of de bevolking: het voorgaande Kabinet had het vuiltje zorgvuldig voor zich uitgecshoven en daardoor moest extereem snel worden gehandeld. Het was ook bij voorbaat duidelijk dat een ieder “tegen” zou zijn. Als ervaren overvaller raadde Ab zijn zoon aan: trek het initiatief naar je toe en vraag bij de Kamervoorzitter om overleg met de Commissie Milieu. Daar kondig je aan: “Jullie wilden radioactief afval op land en dat is gelukt. De manier waarop was niet chique maar we konden niet anders. Van nu af aan gaan we zoeken naar een betere plaats.” Dat geloven ze niet, zei Ab, maar dat moet je gewoon doen. Hetgeen geschiedde. Begin maart werd met hangen en wurgen in de gemeente Zijpe tijdelijke opslag geregeld op het terrein van UCN in uitruil voor het stopzetten van de schietoefeningen over het strand tijdens de vakantieperiode. Het was een glorieuze, maar wel oerspannende eerste illustratie van wat het nieuwe Kabinet Lubbers – Van Aardenne als slagzin hanteerde: No nonsens.

Rond de Kerst schoot Ab een tweede maal te hulp met onderkoelde raad. Hannah en Pieter waren met goede vrienden en een vloot kinderen een weekeind naar Denekamp. Bij thuiskomst bleek hun huis beklad met roze ban-de-bom tekens, met een goede kans door de toen zeer radicale en gevaarlijke antikernbeweging. Ab gaf toen het klassieke advies: “Laat het maar zitten. Dan doen ze het een volgende keer niet nog een keer.” En zo geschiedde het ook dat keer. Pas toen zij aan het eind van de kabinetsperiode verhuisden naar Blaricum, hebben de nieuwe bewoners de verf laten verwijderen.

Zijn wijze lessen gingen verder. Politici en topambtenaren, legde hij bijvoorbeeld uit, zijn vaak zeer gevoelig voor publieke erkenning. Ze turven de millimeters die ze krijgen in de kranten en de minuten die ze op radio en televisie verschijnen. Dat maakt ze kwetsbaar. Als je dus in onderhandelingen iets wilt bereiken, moet je ze die eer gunnen. Die eer weegt zwaar, vaak veel meer dan geld of inhoud. Dus, zei Ab met een lachje, ‘Geef een ander de eer, als jij je zin maar krijgt. Aan het eind van de rit, als de rekeningen worden opgemaakt, merken al die anderen ineens dat zij veel eer hebben ontvangen, maar dat jij op het hoogste treetje staat.’

Eind januari volgde Pieter’s eerste begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer. Dat gold, politiek gesproken, als een soort toelatingsexamen: deed de nieuwe minister het goed, dan kreeg hij als het ware zijn politieke rijbewijs; ging het slecht, dan was het moeilijk terugkomen vanuit de positie van aangeschoten wild. Zo’n behandeling gaat in twee termijnen, de eerste dag stellen de Kamerleden hun vragen, de tweede dag geeft de minister zijn antwoorden. De tussenliggende nacht wordt door een vloot ambtenaren hard doorgewerkt op het ministerie om die antwoorden vorm te geven.

Tot laat in de avond was Pieter op het ministerie om de meest gevoelige antwoorden door te spreken met zijn topambtenaren. Om de reistijd uit te sparen zou hij, bij wijze van grote uitzondering, overnachten in zijn oude kamertje op de Mechelsestraat. Ab wachtte hem om 1 uur ’s nachts in kamerjas. Ze praatten bij en Ab vroeg: “Heb je overmorgen veel op je agenda?” Vrijwel leeg, zei Pieter waarop zijn vader voorstelde een fles wijn open te trekken: morgen overleef je wel op adrenaline. Het werd half vier en dus een korte nacht: om zeven uur weer op het ministerie, maar de adrenaline werkte en het was een prachtig gesprek over het leven en wat er meer is op dit aardse bestaan.

Ook de kleinkinderen kregen wijze les. Rond 1983 leerde Erik een wijze les. Hij was inmiddels met zijn economiestudie begonnen maar leek – in zijn woorden – “na 2½ jaar nog niet op weg om mijn propedeuse te halen”. Ab sprak hem grootvaderlijk toe. “Ik wist dat ik al wat op achterstand stond omdat Opa in twee jaar was afgestudeerd en na nog twee jaar gepromoveerd, terwijl hij zes dagen per week werkte om de studie te kunnen betalen. Na mijn best knappe uiteenzetting over waarom het wat stroef ging met de studie, zei Opa iets van ‘een mooi verhaal waarmee je mogelijk iets kan doen in een verkoopfunctie of de diplomatieke dienst.’ Ik geloof dat dat niet zo’n compliment was.” Soms duurt het lang voordat je iets begrijpt, maar Pieter begreep daarna beter wat zijn vader bedoelde met de slagzin: “Bedonder een ander, maar nooit jezelf.” 

In de winter van 1983 gaf de Tweede Kamer opdracht tot de Parlementaire Enquête RSV.Bij de oprichting in 1971 leek het RSV-concern levensvatbaar, maar rond 1977 werd de overcapaciteit bij de scheepswerven overduidelijk, waardoor sluiting van vestigingen onvermijdelijk werd. Uit angst voor grote hoeveelheden ontslagen was de regering, die als gevolg van de financiële steun inmiddels een behoorlijke vinger in de pap had, niet tot sluiting bereid. In 1979 werd de grote scheepsbouw afgesplitst en stortte RSV zich in een aantal nieuwe avonturen zoals de bouw van energiecentrales en de ontwikkeling van een kolengraafmachine . Beide projecten mislukten en kostten het concern honderden miljoenen guldens. Uiteindelijk ging het helemaal mis en verleende de rechter het concern uitstel van betaling . In de loop der jaren had de overheid RSV 2,7 miljard gulden financiële steun verleend en resteerde een verlies van 2,25 miljard gulden.

De politiek stond op zijn achterste poten: barbertje moest hangen en ook Ab’s rol als voorzitter van “zijn” Commissie stond ter discussie. Op 28 maart 1984 werd hij als getuige gehoord Hij had het fors benauwd voor reputatieschade aan hemzelf zelf en Pieter. Met zijn onafscheidelijke sigarettendoosjes als hulpmiddel gaf hij een gave demonstratie van de gang van zaken tijdens zijn Tweede Kamer verhoor, dat breed werd uitgemeten op de televisie. Zelfs gevreesde Kamerleden als Marcel van Dam (PvdA) complimenteerden Pieter naderhand met zijn betoog. Als droeve afsluiting van het RSV-drama werd het concern de volgende jaren ontvlochten. Nog rendabele delen werden verzelfstandigd of verkocht aan andere bedrijven.

Ab tijdens de RSV enquête; 1983.

In juni van dat jaar vierden Aly en Ab hun 45-jarig huwelijk in het Overijsselse Rijssen, zoals boor hun gebruikelijk in breed familieverband. Hoogtepunten waren ongetwijfeld het dressuuroptreden van neef Piet Bakker met zijn Lippizaner paard en de ode van Albert – met een gigamasker – aan zijn oma. Piet was heel dierbaar. Ab had zijn neef een geldbedrag geleend om een eigen stal op te zetten, dit in de blijmoedige verwachting dat hij dat geld nooit terug zou zien. Het was een van de lessen die hij zijn kroost meegaf: “Leen nooit geld uit aan familie of vrienden, maar als je het toch doet schrijf dan het hele bedrag mentaal af. Dan heb je er nooit pijn van.” Piet verraste zijn oom echter ten positieve door over een lange periode op volstrekt onvoorspelbare momenten deeltjes af te betalen totdat de hele schuld was vereffend. Het optreden in het bos bij Rijssen was zijn eresaluut aan zijn oom en tante die in hem hadden geloofd.

Piet Bakker: “Weet je waarom je vader mij die lening heeft gegeven? Ik had hem uitgenodigd om een prachtig veulen te zien, een jonge hengst die net was geboren. Hij kwam aan en ik zei vrijwel meteen: ‘Ik moet aan het werk want ik heb rijles.’ Hij schreef wat op een papiertje en dat hij me aanreikte. Hij zei: ‘Ga daar maar mee naar de bank, je hebt je lening.’ Later legde hij uit: de meeste jongelui zitten liever op een terrasje en drinken bier, maar jij nam je werk serieuzer dan je bezoek.”

Het gezinskoor tijdens de viering van het 45-jarig huwelijk; Rijssen, 1983.

Kaartje leggen; augustus 1985. Zoals Marietta het zich vele jaren later herinnerde: « Ahhhh❤️ Met aardbeien met slagroom🤩”

Half mei 1986, ten tijde van Tsjernobyl, sprak Pieter tegen zijn vader zijn bewondering uit voor de kwaliteit van de Nederlandse ambtenaren. Voorlichters boden prima ondersteuning op basis van lessen die ze een half uur van tevoren kregen. Vrijwilligers uit alle hoeken van het ministerie bemensden diep in hun vrijdagavond 125 telefoonlijnen om alle vragen van verontruste burgers te kunnen beantwoorden. Op het crisiscentrum groeiden mensen ver boven zichzelf uit: geen paniek maar professionele inzet. De wetenschappers van het RIVM bouwden een nacht doorwerkend een rekenmodel om zodat we de spaarzame radioactiviteitsmetingen konden koppelen aan weersvoorspellingen, waardoor we als enigen konden raden wanneer we waar kwetsbaar werden. Albert deelde zijn trots. Hij knikte Pieter toe. “Je betaalt er wat meer voor,” zei hij met enige tevredenheid, “maar als je het nodig hebt, staat er ook wel wat.”

Begin juli 1986 verliet Pieter het kabinet. Weer gaf zijn vader hem een advies dat hem bijbleef: mensen vinden het geweldig als je vrij durft te zijn.

Tijdens de laatste weken op VROM kreeg Pieter een uitnodiging voor de Fryske kampioenskippen fierljeppen in Winsum op 9 augustus. Er moest even wat geplooid worden omdat, behalve Albert Senior, de hele familie meewilde. De tocht door de Flevopolder met AW Sr, inmiddels 76 jaar oud, aan het stuur van zijn Mercedes, was met snelheden van 180 km per uur een “ervaring”: AW Sr hield zich perfect aan vele regels maar de maximumsnelheid was aan hem niet besteed. Winsum was mooi, maar ook wel weer curieus. Vanwege de “hoge Hollandse gasten” besloot de omroeper van dienst gebruik te maken van de Hollandse taal. Hij was daar minder goed in.

De relatie tussen Ab en zijn auto – in die periode een zware Mercedes – was zonder twijfel “bijzonder”. De verhalen van de nazaten en hun aanhang buitelen over elkaar heen. Omdat het een Mercedes was, mocht hij tien procent harder rijden, zei Erik. Pieter leerde – weer – een wijze les: zorg ervoor dat je een extra 20 km/uur in reserve hebt, zodat je in geval van nood nog snel kan optrekken. Zorg ook voor veel extra staal zodat je in geval van botsing redelijk beschermd bent en bovendien de zwaarste. Hij werd een Saab-rijder, de auto – zoals de reclame zei – voor mensen die hard kunnen rijden maar dat niet hoeven. Ook Jolijn deed haar duit in het zakje. Autorijden met Opa was altijd een ervaring, wist ze, inderdaad hard en tijdens de rit van Krimpen naar Scheveningen werden minstens 10 sigaretten gerookt. De auto had altijd die combinatiegeur van leer en sigaretten. Ook zijn rijstijl was bijzonder. “Later, toen ik zelf reed, volgde ik Opa soms. Dit was erg lastig want ik dacht dat Opa steeds en op hele rare momenten remde. Later ontdekte ik dat Opa zijn automaat met twee voeten reed, een altijd ‘rustend’ op het rempedaal.”

Een ieder herinnert zich ook zijn extreme houtje-touwtje pragmatiek die al eerder leidde tot de ombouw van de ANK en PIETER tot roll-on-roll-off. Naarmate hij ouder werd en minder vaak reed, had hij problemen om alle knoppen in zijn Mercedes uit elkaar te houden. Naast alle knopjes/schakelaars etc. plaatste hij met behulp van een lettertang groene labeltjes. Toen Albert in Leiderdorp zo’n dik jaar oud zich ontwikkelde tot een marche bébé artiest, bleek dat fors gevaarlijk doordat het vervoersmiddel volgens de kranten omkiepte. Opa bevestigde gewichtjes – ons geheugen zegt traproeden – bij de wielen om het zwaartepunt van het machien naar beneden te verplaatsen.

Jaarlijks familiehoogtepunt was voor Aly stellig het kerstdiner dat Hannah altijd organiseerde. De kleinkinderen gedroegen zich zonder uitzondering uitermate en een haf-formele gezelligheid was troef. Ook de verjaardagen van Ab – eind februari – en Aly – eind juni, bijna altijd op Huis ter Duin in Noordwijk – waren terugkerende evenementen.

Kerst 1986.

Een trotse Hannah met een “andere” profiterolletaart.

Pieter met uitwisselingsdochter Eli en Erik.

Kerstdiner 1988.

Verjaardag Ab; eind februari 1988.

Aly met haar zoon; voorjaar 1988.

Expositie Hannah; 1992.

Precies weten doen we het niet meer, maar rond 1990 stopten Ab en Aly tegelijkertijd met het roken. Na jarenlange waarschuwingen brak het licht door: roken was slecht voor je gezondheid. Aly is vrij zeker echt gestopt, Ab rookte als gepensioneerde kettingroker volgens Hans in het kopieerhok nog een sigaretje om de stoelgang te bevorderen, hij noemde dit zijn poepsigaretje. In ieder geval stonk het daar behoorlijk. Als Aukje naar huis ging, liet Ab haar uit tot de voordeur van het gebouw, daar rookte hij dan ook nog even een sigaretje. Aly wist dit natuurlijk wel. Vermoedelijk is hij echter na haar overlijden nooit meer begonnen.

De verhalen van het nageslacht buitelen weer over elkaar heen. “Opa was voor ons een mooi voorbeeld”, vertelde Marietta, “toen Michel en ik in 2004 stopten met roken. Toen Opa ooit stopte, deed hij elke week het geld wat hij uitgaf aan sigaretten in een potje waar hij een mooie jurk voor Oma voor kocht. Dat voorbeeld hebben wij toen maar gevolgd.” Vanuit het verre Australië voegde Jolijn toe: “Ik herinner me ook dat Opa toen hij wilde minderen met roken, stukjes van zijn sigaretten afknipte. Elke week knipte hij een langer stukje van al zijn sigaretten, te grappig.” Marietta: “Briljant. Opa had altijd van die trucjes.” 

Hij bleef zich ook actief bezig houden met de toekomst van zijn nazaten. Op haar zestiende verjaardag – 10 augustus 1993 – kreeg Marietta een boekje over huwelijkse voorwaarden. “Ik weet nog dat ik dacht: wat moet ik hiermee? Ik had net verkering. Maar Opa vond het nodig dat alle kleinkinderen dit kregen. Ik heb dat boekje dus braaf bewaard en onthouden: huwelijkse voorwaarden. Dus toen Michel en ik gingen trouwen, heb ik zonder enige verdieping of uitzoekwerk gelijk geregeld dat het op huwelijkse voorwaarden was. Blind vertrouwen op Opa en niet over nadenken.”

In diezelfde periode stuurde Albert zonder enig commentaar een krantenknipsel aan zijn kleinkinderen en Pieter: “Het mooiste werk is bij de overheid.” Ze konden het raden: maatschappelijk zinvol, steeds weer nieuwe uitdagingen. Anders dan het werken bij een tennisballenfabriek waar je na vijfentwintig jaar tegen je buurman moet juichen: “Geweldig, een doorbraak: we hebben een rode tennisbal!”

Bruiloften en partijen bleven familieaangelegenheden die op gepaste wijze werden gevierd met alle broers en zussen en meestal ook alle neven en nichten, aan de Winsemius-kant een groot aantal. Ze boden vele hoogtepunten, maar het meest hebben Aly en Ab ongetwijfeld genoten van het optreden van hun tienjarige kleindochter Marij bij hun Gouden Bruiloft in juni 1988. Op de piano begeleid door haar broer Jaco, bracht zij ontroerend mooi de favoriete liedjes ten gehore die haar opa ooit voor haar oma zong: Je bent niet schoon je bent geen knappe vrouw, De vrouwen zijn vellen van haaien, Ik breng mijn weekend door met jou in Scheveningen, De olieman heeft een Fordje opgedaan, Weet je nog wel oudje. Aly was zelden gelukkiger.

Het Gouden bruidspaar.                              Uniek staatsieportret van de zus met haar twee broers. Jolijn leende de fraaie jurk van een buurmeisje; de robe was eigenlijk bedoeld voor een wat ouder iemand.

Een gelukkige Oma.

Grote en kleine Ab.     

 

Marij zingt het goud van oud van Opa en Oma met Jaco aan de piano; Lauswolt, juni 1988.

Rond 1986 werd het huis aan de Mechelsestraat Aly te groot en met bloedend hart volgde Ab haar naar een ruime flat aan de Cees Laseurlaan in de onmiddellijke nabijheid van de beroemde Place des Invalides, zo genoemd vanwege de vele serviceflats en de bijbehorende, enigszins wankele bewoners in de naaste omgeving. Al in 1983 had zij Ab gevraagd niet meer naar Singapore te gaan; ze kon zo lang niet zonder zijn gezelschap. Het afscheid daar was mooi, met een groot deel van de familie en vele Singaporese vrienden. Met z’n tweeën bleven ze actief familie bezoeken en ontvangen en Ab was zoals tevoren geïnteresseerd in alles wat er in de wereld gebeurde en speciaal in Singapore, hij las iedere dag The Straits Times. Hij wilde ook bij blijven op het gebied van de technologische ontwikkelingen, las daarom Scientific American en was met een natte vinger te verleiden tot maatschappelijke discussies. Maar Aly’s wereld werd allengs kleiner.

Haar laatste jaren zijn heel moeilijk geweest. Ze zei: “Ik heb een goed leven gehad, maar nu is het niet goed meer”. Toch waren er veel warme momenten. Het was voor de kinderen verwarmend om te zien hoe hun vader, met hulp van dag-en-nacht verpleegsters, voor haar zorgde en hoeveel liefde er getoond en uitgesproken werd. Aly gleed steeds verder weg, maar leefde op wanneer haar kinderen kwamen en genoot dagelijks van de filmopnames van de uitvoering door Marij en Jaco van de liedjes die Ab voor haar placht te zingen. De kinderen genoten toen hun moeder, met een gescheurde heup aan een bed van het Bronovo Ziekenhuis gekluisterd, hun maande netjes op te staan om de specialist een hand te geven. Hetgeen zij, keurig op het gewenste rijtje, deden.

Kleinzoon Robbert: “Oma werd eind jaren 80 steeds meer vergeetachtig. Het proces was soms best pijnlijk maar leverde ook leuke, intieme momenten op. Zoals de keer dat wij Sinterklaas vierden en oma vroeg of de verwarming wel aanstond omdat zij het koud had (de standaard temperatuur was geloof ik 25 graden). Plots klaarde toen haar gezicht op en keek ze blij om zich heen omdat ze het raadsel had opgelost: ze had vergeten haar hemd aan te doen en daardoor was het frisjes.”

Dat zij rustig thuis mocht overlijden, zoals Ab haar beloofd had, is iets waar een ieder dankbaar voor was. De laatste weken boorde zij geheime reserves aan. Er was weer contact, we konden weer praten. Ze vroeg – vanzelfsprekend – naar familieleden. We moesten altijd beloven om gauw weer langs te komen: “Je komt toch vaak, anders herken ik je misschien niet meer.” Ab bleef aan haar zijde, ook toen zijn eigen leven daar sterk onder leed, ‘Trouwen doe je ook voor de mindere dagen,’ zei hij met een lichte verontschuldiging maar met volstrekte zekerheid. Met haar afscheid, op 17 september 1993, verdween veel liefde uit ons gezin.

De leegte die zij liet, was voor Ab moeilijk te vullen. In het gezelschap van Ankie vervulde hij een lang gekoesterde droom door samen met zijn vriend Lee Kuan Yew en diens dochter de Volksrepubliek China te bezoeken. Daar ging het gebeuren, wist hij al jarenlang met zekerheid, daar zouden de contouren van een Nieuwe Wereld inhoud krijgen.

Ab in China; december 1993.

Lnks: Ab en Ankie in het Jurong Birdpark; 18 december 1993. Rechts: Ab tekent het gastenboek van de Jurong Town Corporation (JTC) tijdens zijn bezoek met Ankie. Tweede van links is Acting Chief Executive Officer van JTC Swee Kee Siong; 18 december 1993.

Niet alle adviezen van Albert werden in Singapore overgenomen. Hij had de regering ooit aangeraden de zwaar vervuilde Singapore River te overkappen – of was ’t om- of droogleggen? Lee Kuan Yew c.s. hadden dit afgewezen. Albert had weliswaar volgens zijn goede vriend Howe Yoon Chong “an annoying habit of being right”, maar beloofde Albert dat hij ooit in de rivier een vis zou vangen. Een goede twintig jaar later werd het ‘geregeld’: hij ving een Garoupa vis. Toen Ankie en Pieter in 2015 Singapore bezochten, bleek het verhaal zeer breed bekend en deden vele gniffelende versies van het vervolg de rondte. Albert zou hebben gezegd dat ‘ze’ een duiker hadden ingehuurd om de vis aan de haak te slaan. Volgens anderen had hij droogjes opgemerkt dat één Garoupa zichzelf had opgeofferd om aan te tonen dat ik het mis had.” Wetenschappers wezen erop dat de Garoupa een zoutwatervis is die nooit kan voortbestaan zo ver stroomopwaarts.

Albert in het gezelschap van Ng Pock Too op visvangst op de Singapore River en de fameuze vis, 21 december 1993.

Ongeacht, dat er wat gebeurd was, is onomstreden. De rivier vormt inmiddels een blauw-groene long door het centrum van de stad, tot vreugde van de bevolking. Howe Yoon Chong leverde als trekker van de HDB en ontwikkelaar van de eerste containerhaven, het Mass Rapid Transport (MRT) systeem en de superbe Changi Airport vele bijdragen aan de fysieke vormgeving van Singapore. Na het glorieus winnen van zijn weddenschap met Albert schonk hij hem een porseleinen beeldje van een oude visser met zijn kleinzoon en een hondje in een bootje. Het heeft Albert’s kamer gesierd en werd in 2015 door Ankie en Pieter doorgegeven aan de minister van Milieu om het succes van het groene beleid te vieren.

De Singapore River voor en na de reconstructie.

Howe Yoon Chong.                                       Het visrelikwie.

Kort daarna kreeg hij een beroerte. Vanaf dat moment kon hij niet meer alleen wonen en kwamen er verpleegsters. Bij iedere nieuwe verpleegster ging Aukje langdurig polshoogte nemen om te kijken of ze goed was in haar werk en of er een klik met Ab was. De twee vaste verpleegsters die zij koos wisten voor Ab een thuis te creëren waar ook de kinderen en kleinkinderen graag kwamen en altijd mee konden eten. Mariëtta studeerde de laatste maanden van Ab’s leven in Den Haag en kwam vaak eten, ze bracht zelfs vrienden mee. Hij waardeerde dat enorm. Die waardering gold ook de labskous die Hannah die laatste jaren maakte. Die werd in tupperware bakjes in de ijskast gezet.  Ab at het zelfs voor ontbijt.

Marietta: “Toen ik eenmaal op de Hotelschool zat, at ik elke zondagavond bij opa. Ik moest dan altijd het vlees snijden, omdat ik er nu eenmaal voor studeerde. Ik heb nooit meer appelmoes gegeten nadat opa na een heerlijk maaltijd zei dat de zelfgemaakte appelmoes wel op moest. Op mijn tegenstribbelingen zei hij simpelweg: “In de oorlog hadden we niets.” Even voor het beeld: de zuster had een saladekom vol appelmoes gemaakt.” 

Ook een aantal familietradities bleef in stand. Het Kerstdiner bijvoorbeeld, hoewel dat in 1995 werd omgezet in een lunch op de Cees Laseurlaan.

Kerstdiner 1994: Ab met kleinkinderen Jaco en Jolijn. Aukje herinnerde zich bijna dertig jaar later: “Toen ijzelde het en brachten we pappa thuis, daarna naar Koudekerk. Doodeng.”

1e Kerstdag 1995: op bezoek op de Cees Laseurlaan. Marietta: “In die laatste maanden zag je ook zijn verschijning veranderen. Van opa keurig in pak, naar een stropdas die wat lager hing, naar een jasje uit, naar geen enkele stropdas meer.”

Het ging geleidelijk beter en in de hoop dat er nog meer verbetering mogelijk was, werd hij opgenomen in het academisch ziekenhuis in Utrecht. Hier viel hij en brak zijn heup. Na de operatie traden er complicaties op, waardoor hij drie maanden in het ziekenhuis moest blijven. Na thuiskomst kon hij tot zijn grote verdriet niet meer met de computer omgaan. De verpleegster hing een briefje op bij AH en zo kreeg hij zijn laatste secretaresse. Met haar hulp kon hij in contact blijven met de buitenwereld en vooral ook met zijn kleindochters Jolijn in Australië en Marij in Amerika.

De laatste jaren koesterde Albert de droom zijn ervaringen te boek te stellen, al was het alleen maar om toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk en de hele wereld van ontwikkelingseconomen voor te houden dat er andere, en betere manieren zijn om achterblijvende landen uit het drijfzand van de armoede te trekken dan het overmaken van grote sommen geld. Zoals hij het tegen Pieter zei: “Ik heb het eindelijk begrepen.” Het kwam er niet meer van, maar gelukkig kreeg hij een verzoek van de Singaporese televisie om mee te werken aan een programma over de economische ontwikkeling ter plaatse. Hij wilde zoals altijd zijn ‘vrienden’ in zijn tweede thuisland graag ter wille zijn maar was er gespannen over. Zou hij nog in staat zijn het verhaal te vertellen en, belangrijker, zou de interviewer in staat zijn vast te leggen wat hij wilde zeggen?

Albert kende geen enkele interviewer die hij daartoe voldoende vertrouwde. Misschien had dit te maken met zijn leeftijd: hij was bang als senior bedonderd te worden door profiteurs. Dat gold bijvoorbeeld de verkoop van zijn Mercedes. Pieter won prijsadvies in bij ANWB-directeur Paul Nouwen, de zoon van een oude, gewaardeerde relatie dus vertrouwd, en vroeg neef Pier Winsemius, de zoon van Neef Johannes met brede ervaring in mooie, oude auto’s, om de verkoop ter hand te nemen. Albert was zeer tevreden toen Pier zelf de auto overnam; de prijs kon hem niet schelen maar het vertrouwen wel.

Uiteindelijk kwam Parool-journalist Kees Tamboer op het netvlies. Hij had ooit een prima dubbelinterview gedaan met Albert en Jan van den Brink over hun naoorlogse ervaring en beschouwde het desgevraagd als een voorrecht om Albert’s gedachten vast te leggen. Het interview begin oktober 1995 was een gouden kans en Tamboer heeft het waargemaakt.

Albert besefte dat zijn Singapore-verhaal niet hetzelfde was als het fundamentele ontwikkelingsverhaal dat hij voor ogen had: “In my opinion it would be next to impossible to transplant the Singapore wonder elsewhere. I have given advice to the government of Greece and, for five years, to the government of Portugal. It is senseless to launch an economic development programme in a country which lacks political stability and does not have a government that sticks to that programme in the knowledge that, one day, it will be recognized and rewarded by the voters.” Het is spijtig maar we moeten het ermee doen; ongetwijfeld heeft de combinatie van Singapore en Nederland een bredere strekking die nadere studie verdient. Terzijde: toen Pieter een paar jaar later Lee Kuan Yew vertelde van het interview, liet die het meteen op de voorpagina van The Straits Times plaatsen.

Steeds hadden zijn kinderen en kleinkinderen zijn eerste interesse. Toen hij uiteindelijk op 4 december 1996 overleed, vermeldde de overlijdensadvertentie: “Hij bleef betrokken bij waar hij aan hechtte: Singapore en – altijd op de eerste plaats – zijn familie. Hij ging ons voor op onze paden. Zijn laatste zorg betrof zijn kleinkinderen.” Het kenmerkte zijn leven.

 Herinnering Pieter aan overlijden Ab; 4 december 1996.

De nazaten van Aly en Ab. Bovenste rij v.l.n.r.: Robbert, Erik, Jolijn, Albert, Gijs. Middelste rij: Ankie, Hans, Aukje, Hannah en Pieter. Onderste rij: Jaco, Marij en Mariëtta.

  • Ankie studeert Westerse Sociologie in Leiden. Zij krijgt, ongetwijfeld beïnvloed door het werk van haar vader, steeds meer belangstelling voor ontwikkelingssamenwerking en internationale organisaties. Deze interesse wordt nader gevoed door een internationale zomercursus aan de universiteit van Genève en een jaar later door een stage bij de VN in New York , inclusief cursus en een onderzoek naar het resultaat van door de VN betaalde opleidingen in Afrika. In International House, een groot studentenhuis, wonen drie Nederlanders. Cornelis, vriendelijke jongen en Jerry Averink, later blijkt hij Gert Aeyelts Averink te heten, ook voor een stage in New York. Het klikt en zij hebben een prima tijd die zomer en daarna. Zij trouwen in 1962 en krijgen drie kinderen: Robbert (1963), Erik (1967) en Jolijn (1971)

Gert werkt dan al vele jaren bij het Nederlands Econometrisch Instituut, hij is als werkstudent begonnen bij aan de Nederlandse Economische Hogeschool (later: Erasmus Universiteit) gelieerde organisaties. Daarna gaat hij het onderwijs in als assistent/promovendus bij professor Verdoorn : Marketing, commerciële economie en bedrijfsstatistiek. Een econometrist in de marketing toen heel nieuw, nu wat overdreven misschien, bijna de regel. De wens in de praktijk te toetsen welke kennis studenten nodig hebben leidt tot een baan bij Philips, dus opzeggen bij de universiteit in najaar 1976. Reactie professor Verdoorn: “Dat kan niet, je moet mij opvolgen.” Alles geregeld, alleen betrokkene weet van niets.

Toch naar Brabant. Gert wordt lector, geeft één dag in de week college en leert de praktijk kennen bij Philips. In 1971 volgt zijn benoeming tot hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. Een klein jaar later overlijdt hij.

Ankie en de kinderen verhuizen toch naar Krimpen aan den IJssel; de noodzaak is weg, maar in Geldrop blijven biedt ook geen oplossing. Een nieuw leven begint. De kinderen en hun moeder moeten hun weg vinden in de nieuwe woonplaats en in de nieuwe gezinssituatie. Gemakkelijk is dat niet, veel steun vinden zij bij Oma Aly en Opa Ab en later ook bij Tante Aukje. Zij staan er, ieder op hun eigen manier en helpen liefdevol mee het gezin weer op de been te krijgen en draaiende te houden.

Ankie moet zich een plaats in het Krimpense veroveren, niet zo eenvoudig. Zij zingt niet fraai, haar tennis en bridge zijn ook niet alles, dan maar de politiek en later vrijwilligerswerk. De interesse voor de lokale politiek is ontstaan door drukke werkzaamheden van Gert, lid van D’66 van het eerste uur. Vergaderingen bijwonen kost teveel tijd, dus misschien kan Ankie dat wel doen. Dus ging zij als niet-lid naar de vergaderingen van het Progressief Akkoord te Geldrop.

Ankie wordt lid van de VVD in Krimpen aan den IJssel. Lid zijn levert alleen wat op als je actief bent, dus stort zij zich ook op de Vrouwen in de VVD. De activiteiten nemen hand over hand toe in de Vrouwen en het vrouwenwerk, maar ook in de VVD.

In de loop der jaren bekleedt zij vrijwel alle bestuurlijke functies binnen de VVD: van bestuurslid van de afdeling tot lid van het dagelijks bestuur van de partij, overigens met veel plezier. In 1982 komt zij in de gemeenteraad.

De kinderen worden groter en gaan het huis uit. Er komt ruimte voor meer dagwerk. Oude liefdes keren terug: de Nationale Commissie Ontwikkelingssamenwerking, de Emancipatieraad en de Consumentenbond, maar ook nieuwe interessesferen zoals het Hoogheemraadschap, de Provinciale Staten en het DB van de Stadsregio. In 2002 – 2012 komt daar het wethouderschap bij met bijzondere taakgebieden waarvan de Zorg niet de minste is. Nog steeds is zij daar actief bij betrokken o.a. via enkele cliëntenraden.

Ankie te midden van haar nazaten, v.l.n.r. Andrew, Thom, Niels, Robbert, Sabine, Luca, Ankie, Benthe, Erik, Sarah en Jolijn.

Robbert (1963) is één van de eerste informatica-studenten in Delft en werkte bij automatiseringsbedrijven BSO en VODW Marketing en later als zzp-er. Naast de denksporten bridge en schaken liggen met name de ‘Engelse sporten’ cricket, squash, hockey en golf hem goed.

Erik (1967) gaat na zijn studie economie in Rotterdam (met stage in Singapore) werken bij Gilde Investments. Daar ook leert hij zijn vrouw Sarah Splinter kennen.

Na elf jaar stapte hij over naar het managementteam van softwarebedrijf Tridion. Hij n begeleidt nog steeds op persoonlijke titel bedrijven in binnen- en buitenland met hun (door)groei. Erik en Sarah woonden in Utrecht met hun dochter Benthe (2004) en hun twee zonen Niels (2003) en Thom (2006). Erik overleed in 2023. Niels en Thom studeren bedrijfskunde in Rotterdam, Benthe psychologie in Utrecht.

Jolijn (1971) treedt al tijdens haar studie bestuurskunde in Leiden in de voetsporen van haar opa en gaat naar Singapore voor een stage bij de Tourism Board. De opdracht was om toeristen langer aan Singapore te binden en zij gaf het goede voorbeeld door haar ontmoeting met Andrew Hooke om te zetten in een band voor het leven. Na haar afstuderen vertrekt ze naar Australië. Met Sabine (2001) komen ze via een tussenstop in Singapore terug in Utrecht. Begin 2010 vertrekken Jolijn en Andrew, een aussie in hart en nieren, met hun dochters Sabine en de in Nederland geboren Luca (2007) naar Melbourne.

  • Pieter ‘deed’ natuurkunde in Leiden waar hij op scheikundecollege zijn lief Hannah Jansen – Sah-Sah – ontmoette (zie hoofdstuk 9). Zij trouwden in 1966 en zagen hun leven verrijkt met zoons Albert en Gijs. Na zijn promotie volgde een studie aan de Stanford School of Management waarna hij ging werken voor adviesbureau McKinsey & Company. Kort daarna werd ook dochter Mariëtta geboren. In 1982 werd hij minister van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) in het kabinet Lubbers-I. In de volgende jaren keerde hij terug bij McKinsey en na zijn pensionering in 2002 lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Tijdens die periode viel hij vijf maanden in als minister van VROM in het kabinet Balkenende-III.

Hannah en Pieter blinken uit door een groot aantal ‘andere’ activiteiten, Hannah schildert, vooral landschappen en – in vervolg op haar biologieopleiding – botanische onderwerpen. Pieter kan poppetjes verven en samen maakten ze een aantal kleurrijke prenten, zonder ruzie! Hannah was ook een hondentemmer van formaat en bracht de drie gezinshonden – de Duitse staanders Fideel, Pluk en Belle – groot. Pieter was in zijn vrije tijd onder meer voorzitter van Natuurmonumenten en de raden van commissarissen van het Van Gogh Museum en de Goede Doelen Loterijen. Met zoon Albert werd hij marathonloper: altijd de middelste van elk peloton.

Een ‘Toscaantje’ van Hannah; 2007.

Albert (1969) – voor vrienden Ab – studeerde psychologie in Amsterdam en stortte zich via een tussenstop bij de KNVB op de marketing, eerst in New York bij …. en vervolgens in Amsterdam bij …. Vanaf is hij zelfstandig internetondernemer met onder meer een veelbelovende fondsenwervingsapp. Albert trouwde met Garet Sun en zij zijn de trotse ouders van twee mooie dochters, Kaya (….) en Ryker (2011). Hun woonboot op de Oude Schans telde zestien jaar lang hond Turk, inmiddels opgevolgd door Soep, en poes …..

Gijs (1972) is kunstschilder en gehuwd met Lyanne Woltjer, die acupunctuur bedrijft en soms invalt als doktersassistente. Gijs ontwikkelt zich tot een gave fijnschilder, langzaam maar uiterst precies en doordacht dringt hij door tot de essentie van zijn onderwerpen. Lyanne en hij bewonen met hun drie dochters Simke (2009), Dieuwke (2012) en Lieuwe (2017) en poes … een bovenwoning in de Watergraafsmeer.

Mariëtta (1977) – Marjet – deed de Hogere Hotelschool in Den Haag waar zij ook haar partner Michel Bröker ontmoette. Na jarenlang samenwonen huwden zij in 2015 met hun tweeling Max en Lieve (2006) als bruidspersoneel. Zij wonen met hond Zus in Bussum. Michel werkt in de productontwikkeling van de voedingspoot van Unilever en Marjet runt haar lobby Voor Werkende Ouders. Wil je meer weten over een betere kinderopvang, ga dan naar www.voorwerkendeouders.nl. Inmiddels zijn de kinderen het huis uit. Lieve studeert Internationale Betrekkingen in Groningen. Max studeert Security Studies in Den Haag aan de Universiteit Leiden.

De hele hap in Toscane met op de achtergrond de torens van San Gimignano, v.l.n.r. achteraan Michel, Mariëtta, Lyanne, Pieter, Hannah, Gijs, Kaya, Albert en Garet; vooraan Simke, Lieve, Dieuwke, Ryker en Max; 2017.

  • Aukje ging, net als Hans van Gorkom, biologie studeren in Leiden. Het leukste wat zij daarbij leerden kennen was elkaar, en wel tijdens een werkgroep waar Aukje een lezing hield over het seksleven van bacteriën. Na het kandidaatsexamen ontvluchtten zij de biologie door als hoofdvak biochemie te kiezen en als tweede hoofdvak bacteriēle genetica bij TNO (Aukje) en biofysica van de fotosynthese (Hans). Hans is nooit meer weggegaan bij het fotosyntheseonderzoek en wist nog net voor zijn 65e te verklaren waarom planten groen zijn. Sinds zijn afscheid als universitair hoofddocent in Leiden is hij nog werkzaam als gastonderzoeker aan de Vrije Universiteit. Aukje gaf biologieles aan haar oude school, het Haags Montessori Lyceum, en privé fluitles. Later richtte zij een lokaal orkest en koor op en daarna werd zij coördinator van een groot regionaal jeugdorkest.

Aukje en Hans kregen twee kinderen, Jaco (1974) en Marij (1978), die hun hele jeugd doorbrachten in Koudekerk aan den Rijn, dichtbij beide Opa’s en Oma’s.

Jaco studeerde natuurkunde, deed kernfusieonderzoek in Nieuwegein, Jülich en Oxfordshire, was coördinator onderzoek bij de marine in Kiel, en vond tenslotte zijn bestemming in het middelbaar onderwijs. Hij geeft nu met heel veel plezier NLT (natuur, leven en technologie) en natuurkunde aan het Visser ‘t Hooft Lyceum in Leiden. Daarnaast begeleidt hij (hoog)begaafde leerlingen die dreigen vast te lopen in het onderwijs. Overigens is hij, geheel in de familietraditie, eigenlijk schipper, al is het maar van een woonboot.

Portret van Jaco uit het practicumverslag van zijn leerling Friso Postma.

Marij studeerde scheikunde en klarinet in Bloomington (Indiana), voltooide haar studie scheikunde in Leiden en klarinet en basklarinet aan de conservatoria van Rotterdam en Barcelona. Daarna stortte zij zich geheel op de uitvoering van nieuwe muziek voor basklarinet en live elektronica, waarbij zij nauw samenwerkt met de componisten. Nu is zij bezig met een promotie aan de universiteit van Leicester over de rol die de uitvoerende speelt bij de totstandkoming van dergelijke muziek.

Jaco.                                                       Marij.