9. Jan Jansen, jongeman van Wichmont
Het geslacht Jansen van Wigmont/ Jansen van Milligen/ Jansen; Rheden en Velp, 1700 tot heden (bijgewerkt 1 juli 2025)
Op Oudejaarsdag 1697 is het feest in Rheden. Jenneke, de dochter van Hendrik Schut, trouwt dan met Jan Jansen, jongeman van Wichmont. Jan Jansen, alias Jan van Wigmont, is de stamvader van het geslacht Jansen van Wigmont alsmede Jansen van Milligen. Aangezien het betrokken doopregister ontbreekt, is niet na te gaan wie zijn ouders waren. Jhr. Dr. W.A. Beelaarts van Blokland, die meer dan dertig jaar geleden deze genealogie heeft bestudeerd, meende in hem een broer te herkennen van “Garrit Jansen, zoon van Jan Jansen uyt Wichmont” die op 16 augustus 1696 in Steenderen in het huwelijk trad met Harmken Symons, dochter van Simon Harmsen “uyt Wichmont”. Andere navorsers zijn echter eerder geneigd in hem een broer of oom te zien van Egbert van Milligen, in 1736 gerichtsman van Veluwezoom te Rheden.
Het zijn de oudste wortels van het geslacht Jansen van Wigmont, waarvan bijna tweehonderd en zeventig jaar later verre nazaat – acht generaties verder – Hanna trouwt met Pieter Winsemius, kleinzoon van Pake Pieter[1].

Rechte lijn binnen het geslacht Jansen van Wigmont naar Hanna Mariëtta.
De oudste wortels in Wichmond[2]
Gelegen ten oosten van de IJssel, net ten zuiden van de oude Hanzestad Zutphen, gaat de geschiedenis van Wichmond terug tot de Vroege Middeleeuwen. Al aan het begin van de negende eeuw werd hier een kerk gesticht. Toeval was dit niet. In de gordel met zeer natte en nauwelijks doordringbare broekgebieden bevindt zich juist op deze plaats een doorgang, die aansluit op de forse oost-west georiënteerde dekzandrug waarop Vorden is gelegen. Richting IJssel liggen enkele dekzandkopjes als stapstenen in het natte gebied, waarover men met droge voeten de grote dekzandruggen langs IJssel kon bereiken. In vroege tijden was daar een veer naar de overzijde om de reis naar het westen voort te zetten. Op andere plaatsen waar gordels van zandruggen de zone met natte gronden langs de IJssel doorsneden en een oost-west verbinding mogelijk maakten, zoals bij Deventer en Zutphen, waren belangrijke bruggenhoofden ontstaan die in later jaren uitgroeiden tot kerkelijke en bestuurlijke centra. In Wichmond is deze groei achterwege gebleven, wellicht omdat de plek van deze nederzetting onvoldoende bescherming bood tegen de willekeur van de meanderende IJssel.

Luchtfoto van het dorp Wichmond.
Hoe het ook zij, in 792 werd priester Ludger naar de IJsselstreek gezonden om daar zijn zendingswerk te verrichten. Twee jaar later schonk de Frankische graaf Wrachar, vanaf zijn hof te Brummen, hem omwille van zijn zielenheil een stuk grond in de IJsselgouw in het dorp dat Wichmond werd genoemd … “in villa que dicitur Withmundi”. Ludger maakte er daarna werk van rond zijn nieuwe stek. In 797 werden er relikwieën van St. Salvator naar Wichmond overgebracht. In 800 werd het grondbezit vergroot met een akker en twee jaar later is er voor het eerst sprake van een kerk, die waarschijnlijk gelegen was aan de huidige westkant – toen nog oostkant – van de rivier. De fraaie kronkelwaard van Cortenoever, die ook nu nog is te bewonderen, is kennelijk pas na deze periode ontstaan. De eerste kerk is waarschijnlijk in de loop van de Middeleeuwen in de IJssel verdwenen; hetzelfde lot trof omstreeks 1582 ook een opvolger.
Het beeld van het oudste Wichmond is vaag. Waarschijnlijk betrof het in de Vroege Middeleeuwen een zeer kleine nederzetting, niet meer dan drie tot vijf boerderijen, die in latere jaren wellicht uitgroeide naar zeven tot misschien wel twintig “vestigingen.” Ook bij de grootte van de boerderijen moeten geen overdreven beelden worden gevormd. Aangenomen wordt dat per bedrijf slechts 1,5 tot 4 hectare akkerland werd bewerkt.. Daarbuiten lagen de bossen en heidevelden. Formeel waren deze woeste gronden het eigendom van de landsheer. Ze werden echter gebruikt door de boeren in de nederzettingen, die er hun vee lieten weiden en in de nazomer loof wonnen dat ‘s winters als voer kon dienen.
Vanaf de twaalfde eeuw ontstond er onder de grootgrondbezitters de behoefte te beschikken over een min of meer versterkt huis. In de nabije omgeving was het een paar kilometer noordelijk gelegen Hackfort, nu in bezit van Natuurmonumenten, zo’n Huis, dat voor het eerst in de boeken voorkomt in 1324. Het was oorspronkelijk een Gelders leen, dat naderhand kennelijk toebehoorde aan Bronkhorst. Hackfort, met een voorburcht en vesten, was net als de naburige huizen de Wildenborch en Huis Vorden een zogenaamde waterburcht, een kasteel dat voorzien was van een gracht. Voor de verdediging was – anders dan bij de mottekastelen als Bronkhorst, die op een kunstmatige heuvel waren gebouwd – de beschikbaarheid van water van doorslaggevend belang; een drassige omgeving maakte het een vijand bovendien moeilijk met zwaar geschut in de buurt te komen. Zo lag de Wildenborch midden in een uitgestrekt moeras, Vorden en Hackfort in een beekdal.

De omgeving van Wichmond in de zeventiende eeuw.
Het Huis Hackfort werd vanaf het begin van de zeventiende eeuw bewoont door het geslacht Van Westerholt, waarvan de laatste nazaat, tevens bewoner, in 1981 zou overlijden. Het waren woelige tijden. Zo leed het bezit grote schade door de plundering door Spaanse troepen in 1629. In 1636 raakte Hendrik van Westerholt in zwaar water toen hij vervolgd werd wegens de moord op een boerenzoon. Uiteindelijk sprak het Hof van Gelre en Zutphen hem vrij van de moord, maar hij moest vanwege de doodslag wel een forse boete en navenante schadevergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer betalen. Ook zoon Borchard Willem was voortdurend betrokken bij een keten van conflicten, die in eerste instantie ontstonden door de hoge financiële eisen van zijn moeder na het overlijden van vader Hendrik. In feite betreft het hier een ingebouwd overervingsprobleem: indien een weduwe-vruchtgebruikster te lang leefde en/of te hoge eisen stelde, kon de wettige erfgenaam, die sowieso al geconfronteerd werd met hoge financiële verplichtingen bijvoorbeeld voor het uitkopen van broers en zussen teneinde het fysieke familiebezit bij elkaar te houden, eigenlijk niet de staat voeren die bij een man van aanzien en invloed paste. In het geval van Borchard liep de twist zo hoog op dat zoonlief zijn moeder Alithea in 1662 sommeerde het huis Hackfort te verlaten. Pas na de dood van zijn moeder in 1667 kwam het beheer in rustiger banen. Borchard trouwde rijk, met Anna Helena van Renesse van Elderen, maar overspeelde mogelijk zijn financiële hand met de aankoop ven de bannerheerlijkheid Bahr en Lathum voor de niet geringe somma van 120.000 gulden.
Na Borchard’s overlijden in 1675 werd het familiebezit in rustiger vaarwater gebracht door zoon Hendrik. Hij kocht in 1691 voor f 25.000 de heerlijkheid Lathum, die hij toevoegde aan de bannerheerlijkheid. In 1702 volgde de samensmelting met het huis Hackfort, dat hij had bevrijd van de nog steeds bestaande leenband met Bronkhorst door een bedrag van f 400 te betalen aan de leenvrouwe Maria gravin van Limburg Stirum, die in financiële problemen. Hendrik trouwde twee maal. Eerst in 1683 met Johanna Sophia van Vittinghof genannt Schell, die echter al na vijf jaar kwam te overlijden. Hun zoon Borchard, geboren in 1686, stierf ongehuwd in 1718. Het tweede huwelijk vond plaats in 1696, weer met een telg uit een Westfaalse familie namelijk Margaretha Elisabeth von Oer. Ter gelegenheid van dit huwelijk werden de twee schildhoudende leeuwen met alliantiewapens vervaardigd, die nu nog steeds het voorplein van Hackfort sieren. Ongetwijfeld heeft stamvader Jan Jansen, kort voor zijn eigen trouwpartij met Jenneke Schut, actief deelgenomen aan de festiviteiten, die de rijke en machtige Van Westerholts ter gelegenheid van deze blijde gebeurtenissen alsmede de geboorte van zoon Johan in 1697 zullen hebben georganiseerd voor de minder bedeelde buren in Vorden en Wichmond. Of hij ook de fraaie houtsneden in de grote zaal van het Huis zal hebben bewonderd valt echter te betwijfelen.

“’t Adelijke huijs van hackfort, 2 uuren van Zutphen” in 1718.

Huis Hackfort vanuit het zuidwesten met links de tuinen en rechts het poortgebouw en het voorplein; tekening van Jan de Beijer uit 1742.

Alliantiewapen van Hendrik Willem van Westerholt en Margaretha Elisabeth von Oer en hun kwartierwapens. Deze wapens zijn gesneden in eikenhout en aangebracht op de schoorsteenboezem van de haard in de grote zaal, de huidige “Van Westerholtzaal”.
Ondanks de grote ontginningsijver die had geheerst, lag het grootste gedeelte van het landschap aan het einde van de Middeleeuwen nog woest. Hier lagen de veldgronden die door de boeren gezamenlijk werden gebruikt. Binnen een buurschap, de marke, werden de hiermee verband houdende rechten onderling geregeld. Zo waren in 1791 de grenzen van de marke Wichmond al nauwkeurig bepaald en met markepalen, verbonden door hoopjes aarde, in het veld aangegeven. Niet alle boeren waren in de marke gelijk. Zo werd in 1615 in de marke Vorden vastgelegd dat alleen gerechtigde boeren hun schapen mochten drijven. Sommigen mochten bovendien meer schapen houden of plaggen steken dan anderen; zij hadden meer “waren” of waardelen dan andere boeren. In de zeventiende eeuw, toen de vaak reeds langer bestaande markerechten werden opgeschreven, was rond Wichmond waarschijnlijk nauwelijks nog bos aanwezig. Er waren uitgestrekte open gebieden ontstaan, de zogenaamde veldgronden, met een zeer afwisslende begroeiing van grassen en heidestruiken. Plaatselijk sloegen er lage struikjes op; in de marke van Wichmond waren de markegenoten verplicht de doornstruikjes te verwijderen. De uitgestrekte veldgronden boden nog plaats aan dieren die tegenwoordig niet meer voorkomen of uiterst zeldzaam zijn. Tot in de zeventiende eeuw zwierven hier nog wolven; de bewoners van Hackfort bejaagden tot in de tweede helft van de achttiende eeuw nog “odders” (otters). In 1680 werd, in een reglement op de jacht, het rapen van korhoendereieren verboden.
Naast de gewaarde boeren waren er ook de zogenaamde keuters, die geen of weinig rechten in de marke hadden. Ze vestigden zich min of meer illegaal en ontgonnen een klein perceeltje akkerland. Hun aanwezigheid kan vaak afgelezen worden aan een boerderijnaam die eindigt op -kote of -kate. Dergelijke namen duiken vanaf de veertiende en vijftiende eeuw in archieven op. Hoewel formeel niet toegestaan werden hun activiteiten toch vaak oogluikend toegelaten. Keuters waren namelijk de landarbeiders die in het toenmalige boerenbedrijf onmisbaar waren. De zestiende eeuw was echter een periode van grote voorspoed voor de landbouw en leidde tot een sterke intensivering. De druk op de markegrond werd zodanig dat de gewaarde boeren zich zorgen gingen maken over de vestiging van keuters. Bovendien waren steeds vaker delen van de marke – eerst hooilanden, later ook andere veldgronden – onder de markegenoten verdeeld. Een verdere toelating van keuters kon de spoeling wat betreft het verdere grondbezit wel eens verdunnen. Zo waren de markegronden in Vierakker, net benoorden Wichmond, al in 1663 verdeeld. Op de kaart van Hottinger uit 1783 zijn alleen in het Grote Veld bij Vorden, in het Leestense Veld tussen Vierakker en Leesten, en in de Baker mark nog grote vlakken ongeperceleerde veldgronden te zien, die kennelijk nog in gemeenschappelijk gebruik waren.

De omgeving van Wichmond op een militaire kaart, afkomstig uit de zogenaamde “Hottinger-atlas” van 1783. Goed zichtbaar is het rechte lanenstelsel op het landgoed Hackfort.
De stamvaders
Jan Jansen, jongeman van Wichmont, en zijn Jenneke vestigden zich in Rheden waar zij zeker vier kinderen kregen. Op 11 december 1698 wordt Hendrik geboren; twee jaar later Roelof die zich – evenals zijn dochter Elske – steeds uitsluitend van de achternaam Jansen bedient. Na zoon Jan volgt dan in 1708 dochter Fyke of Sophia die in 1733 als Sophia van Wigmont trouwt met Sander Jansens uit Arnhem. Het is mogelijk dat het echtpaar een tweede dochter had: een Gerritie Jansen van Millegen huwt op 14 mei 1724 te Rheden met Hendrik van Heuven. De doop is evenwel niet terug te vinden. Het huwelijk heeft overigens niet lang stand gehouden. Jenneke hertrouwt in voorjaar 1713 als “weduwe van Jan van Wigmont” met Derck Schouten j.m. van Rheden.
De rechte lijn loopt door via Jan Jansen van Millegen, in de wandeling genaamd Jansen van Wigmont of een van deze namen alleen. Te Rheden gedoopt op 6 april 1703 als Jansen zonder meer, trouwde hij op 17 maart 1726 als Jan van Millegen met Maryke Berends Smits, de dochter van de geërfde gerichtsman van Veluwezoom Berend Smits en Anneke Harmsen. Na de dood van Jan rond 1746 woonde zij te Velp op het Langewater. Zij stierf op 1 april 1778 in De Steeg en is in Rheden begraven als “Maria wed. van Millegen”. Haar familie, die enige generaties lang Smit(s) heette, ging later over op het patronymicum Berendsen.
Jan en Maryke kregen acht kinderen, waarvan de oudste – min of meer vanzelfsprekend weer Jan geheten – de rechte lijn doortrekt. Het is goed mogelijk dat er nog meer nageslacht is geweest. Jan werd geboren in november 1726 en zijn zusje Berendyn pas in februari 1731. Op 12 april 1733 volgde de tweeling Anneke en Luitje en weer drie jaar later Gerrit. Een Hermyn uit 1739 werd gevolgd door een meisje met dezelfde naam in 1742. Jongste dochter Elske ten slotte is van 1745. Bij haar overlijden in 1792 staat zij ingeschreven als Elske van Millegen, huisvrouw van Derk Dulmers.
Het fenomeen van de naamsverwisseling, in dit geslacht bijna tot een kunst verheven, bereikt in deze generatie het hoogtepunt. Waar de vader alle varianten door elkaar lijkt te gebruiken, weten de kinderen het helemaal niet meer. Het resultaat is verwarrend maar genealogisch fraai; wij komen hier later op terug. Vooralsnog concentreren wij ons op zoon Jan die – toch een vleugje – op 21 novenber 1726 in Rheden werd gedoopt als Jansen van Millegen ( nadat de eerdere vermelding Van Wigmont was geschrapt) maar in 1750 kerkelijk werd bevestigd als Jansen van Wigmont. Voorzien van vele namen trad hij in februari 1757 in het huwelijk met Engelina Jansen, de dochter van Gerrit-Jan Hermsen Brouwer en Tryneke Engelsen.
Tryneke en Jan doorbreken de gewoonte om de oudste zoon te noemen naar de grootvader aan vader’s zijde. Veeleer krijgt de andere opa de voorkeur want in 1758 wordt een kleine Gerrit-Jan in Rheden gedoopt. Hij wordt in 1760 gevolgd door Berend en in 1763 door Derriske. Berend trouwt in 1784 te Velp met Everdina Hendriks. Zij hadden een talrijk nageslacht dat hier echter niet verder wordt vervolgd. Moeder Tryneke heeft ongetwijfeld haar echtgenoot overleefd; zij overlijdt op 7 oktober 1809 in Velp, tachtig jaar oud.
De estafettestok is dan inmiddels lang en breed overgenomen door Gerrit-Jan. Ook hij wordt uiteindelijk zo’n tachtig jaar oud. Rond 1783 verhuisde hij van Rheden naar Velp. Bij deze stap compliceerde hij het leven van zijn nazaten: ergens gingen de namen Van Millegen en Van Wigmont verloren en werd hij slechts als Jansen of Janssen bij de burgerlijke stand ingeschreven. Op 1 mei 1791 huwde hij met Johanna Wassink uit Drempt, de dochter van Gerrit Wassink en Wilhelmina Weenink. Zij overleed te Velp in 1833, zeven-en-zestig jaar oud.
Het echtpaar kreeg zes kinderen: Gerrit-Jan (1792), Willem (1794), Berend (1797), Johannes (1804), Engelbertus (1811) en Henderina Wilhelmina (1813). Speciaal van het nageslacht van Johannes is vrij veel bekend. Hij trouwde jong en overhaast op 8 november 1823 met Francina Adriana Lambinon. Dochter Johanna Adriana werd al op 28 januari 1824 in Velp geboren. Zij heeft haar vader niet lang gekend. Johannes, die deurwaarder was van beroep, overleed al in 1832 – net acht-en-twintig jaar oud – in Rheden. Johanna trouwde in 1850 met de Utrechtse instrumentmaker Hendrik Olland, de zoon van de Groningse instrument- en horlogemaker van dezelfde naam en diens vrouw Janna Nanninga.
De instrumentmakersfamilie Olland[3]
Schoonvader Hendrik Olland had in Groningen een atelier voor het vervaardigen van en de handel in uurwerken. Zijn bijzondere gaven op dit vakgebied blijken onder andere uit het door hem vervaardigde mechanische schilderij, zoals deze in zijn tijd in de mode waren. Het kunststuk bevindt zich nu in het Museum van Speelklok tot Pierement te Utrecht, waar het nog steeds te bezichtigen is. Het stelt een bosgezicht voor, met een kerkje en een rivier. In het bos zagen mannen bomen, de klok in het kerkje wordt geluid, de deuren openen en sluiten zich. Op de rivier varen scheepjes en er is een molentje dat langzaam en snel kan draaien.
Zoon Hendrik ging vanuit Groningen naar de in die tijd befaamde instrumentmakerij Becker in Arnhem om daar opgeleid te worden tot instrumentmaker. De beroemde Utrechtse hoogleraar Buys Ballot bestelde bij Becker zijn instrumenten en ontmoette daar “stagiair” Hendrik Olland. Hij was zodanig onder de indruk van zijn talent, dat hij hem aanraadde een eigen firma in Utrecht te beginnen om leverancier van hem te worden. Hendrik vestigde zich op 1 mei 1853 te Utrecht en wist zich spoedig een goede naam te verwerven op het gebied van fijne instrumenten en balansen. Door zijn prima werk kreeg hij opdrachten van de universitaire instellingen te Utrecht, waaraan toen nog geen eigen instrumentmakers verbonden waren zoals het Academisch Ziekenhuis en diverse laboratoria. Toen Buys Ballot’s plannen om het Meteorologisch Instituut (later herdoopt in het K.N.M.I.) te stichten precies een jaar na de oprichting van de Firma Olland, dus op 1 mei 1854, werkelijkheid werden, werd Hendrik Olland – intussen zijn boezemvriend – de “hofleverancier” van alle mogelijke instrumenten en met name seismografen. Het nabuurschap met ‘s Rijksmunt leidde tot een zakelijke relatie voor de levering van (weeg-)instrumenten voor het geld. Weldra volgden ook bestellingen uit andere plaatsen zoals Vlissingen, Middelburg en Den Helder. Ook verschillende overheidsinstellingen plaatsten orders, onder meer voor afstandmeters voor kustbatterijen, zelfregistrerende peilschalen, spanningsmeters voor het onderzoek van spoorbruggen, astronomische kijkers, enz. Door het inzenden van werkstukken naar verschillende tentoonstellingen raakte de naam Olland ook in het buitenland bekend en ook daar bleven de bestellingen niet uit. Meerdere malen werden bovendien bekroningen met gouden of zilveren medailles in de wacht gesleept met als hoogtepunt de Grand Prix, de hoogste onderscheiding op de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1889.
Uit het huwelijk van Hendrik Olland en Johanna Jansen werden zes[4] zoons en een dochter geboren, die de kern vormden van de bekende fabrikantenfamilie Olland. De oudste zoon, Hendrik junior, heeft te Utrecht – of was het Den Haag? – een instrumentenfabriek en -handel gedreven, die later werd overgenomen door kleinzoon F.H. Olland, aan de Utrechtseweg te De Bilt op “Kouwenhoven”. Binnen de familie werden vraagtekens gezet bij het kwaliteitsniveau van de geleverde weegschalen en barometers: waren zij wel Olland-waardig?
Tweede zoon Willem Carel kwam bij zijn vader in de leiding van de fabriek. Hij was gehuwd met J.C. van Ommeren uit Arnhem en woonde later in een prachtig huis met chauffeurswoning aan de Herenweg in Haarlem waarvandaan hij zich dagelijks liet vervoeren naar Utrecht.
Zoon[5] Fred. H., gehuwd met Anna Ham, ging bij het onderwijs en trad uiteindelijk in dienst van het Zuidafrikaanse Departement van Onderwijs in Pretoria, waar hij volgens de familieverhalen doceerde en “professor” speelde. Na zijn terugkeer in Nederland overleed hij te Heino.
Vierde zoon Eduard huwde met Jacoba Meessen en werd ambtenaar aan het Meteorologisch Instituut in De Bilt.
Vijfde zoon Johannes Cornelis trouwde met Henriëtte Ham. Na een periode als bedrijfsleider bij zijn vader begon hij in 1898 een medische instrumentmakerij in Zwolle. Hoewel de naam “Olland” is gebleven, is het bedrijf lang geleden verkocht aan een mijnheer Visser. Het echtpaar kreeg vier zoons: Hendrik, huisarts te Zwolle; Michel Jan Christiaan, getrouwd met Geertje Buisman en vanaf zijn huwelijk in 1930 tot zijn overlijden in 1968 directeur bij Buisman B.V.; Johannes, die het Zwolse bedrijf na 1928 voortzette; en Frederik Walraven – voor zijn neefjes “Oom Frik” – die vanaf 1925 het voortouw bij de Utrechtse familie-onderneming overnam.
Zesde zoon dr. Adolf George, gemeente-arts van Utrecht, was enige malen schaakkampioen van Nederland en bracht het zelfs tot de vierde plaats tijdens het wereldtournooi van 1911 in Stockholm. Hij was gehuwd met C. Lameris, afkomstig uit het concurrerende en nog steeds bestaande instrumentenbedrijf en groothandel Lameris te Utrecht, en vestigde zich op hoge leeftijd te Driebergen.
Dochter Johanna ten slotte huwde met Ir J. Stroink, Ingenieur bij de Electriciteitswerken te Amsterdam; hij vestigde zich na zijn pensioen te Bentveld. Zij kregen twee dochters, waarvan Nora heel laat trouwde met Eugene Mulholland en kinderloos overleed. Dochter Willy is vermoedelijk ook getrouwd geweest maar reeds jong weduwe geworden. Zij was geniaal met soms een neiging tot labiliteit. Zij studeerde Frans, geschiedenis en Nederlands, had daarnaast conservatorium viool, maar leefde zich uit in de schilderkunst. Haar laatste dagen heeft ze in het Rosa Spier-huis te Laren (N.H.) doorgebracht.
Vader Hendrik hertrouwde op 2 april 1890 met A.L. Rasch, zuster van de predikant Ds Chr. Rasch te Amersfoort.
De firma Olland was gevestigd op de Oude Gracht, vlak naast ‘s Rijks Munt, waar nu later het “nieuwe” postkantoor werd gebouwd. Na het uittreden van Olland Sr. werd het bedrijf overgeplaatst naar de Biltstraat en Gasthuissteeg te Utrecht en voortgezet door de tweede zoon Willem Carel, die zijn vader tot dan toe in de leiding van de fabriek had geassisteerd.
In 1906 werd begonnen met het fabriceren van snelwegers, die toen uit Amerika hun intrede deden in Nederland. Hoewel aan constructie en afwerking nog heel wat te verbeteren was, kwamen de eerste Olland snelwegers nog datzelfde jaar voorzien van allerlei oorspronkelijke vindingen op de markt gebracht. Zelfs de naam “snelweger” was door Willem Carel bedacht. De aard van het product komt mooi tot uiting in een lovende tekst, ongetwijfeld van eigen hand, in de Slagerskrant van Misset van 13 februari 1951. Daaruit blijkt dat de clientèle uit het slagersvak bediend wordt met “diverse typen snelwegers … welke slechts hierin verschillen, dat het kleinste type speciaal geschikt is voor het wegen van uitsnijwaren, terwijl de andere typen voor het wegen van vlees, in welke vorm of van welk gewicht ook dienen, het verschil is uitsluitend beperkt tot het “weegvermogen”, de graad van nauwkeurigheid is voor alle typen hetzelfde, nl. de grootstmogelijke.” Dat het buitengewoon goede apparaten waren, blijkt wel uit het feit dat de snelweger bij de Firma J.A. Mulder te Utrecht als een van de eerste bezitters, meer dan vijfentwintig jaar ononderbroken in een drukke zaak in dienst heeft gedaan.
Inmiddels was in 1913 de instrumentenafdeling opgeheven en werd de productie beperkt tot snelwegers. Rond 1920 werd begonnen met de export waarbij in eerste instantie gericht werd op Nederlands Indië, België, Frankrijk, Engeland en Zuid-Afrika. Nico, de oudste zoon van Hendrik junior was in Nederlands Indië werkzaam bij de Deli Spoorweg Maatschappij. Voordat hij met ontslag naar Nederland zou terugkeren, kreeg hij van oom Willem Carel toestemming een zakenreis te maken teneinde de mogelijkheden voor de verkoop van snelwegers in Indië te verkennen en vertegenwoordigers aan te stellen. Zo werden te Medan aangesteld de firma Kerkhoff & Co. en de Firma Geo Wehry & Co. Teruggekomen in het vaderland werd Nico in 1922 benoemd tot bedrijfsleider van het familiebedrijf. In 1925 werd hij weer opgevolgd door Frederik Walraven, zoon van Johannes Cornelis; na het overlijden van Willem Carel in juli 1928 werd deze op 1 januari 1929 benoemd tot directeur van de N.V. Snelwegerfabriek “Utrecht” W.C. Olland. De naam van het bedrijf is later weer gewijzigd in “Snelwegerfabriek Olland”.
De exportafdeling werd aanvankelijk gevestigd in een perceel in de Hamburgerstraat te Utrecht, waarvan de leiding werd opgedragen aan J. Rasch, een neef van wijlen mevrouw H. Olland-Rasch. Deze was verantwoordelijk voor een uitgebreid net van vertegenwoordigers in een groot aantal Europese en overzeese landen. In 1925 werd het kantoor overgebracht naar de Biltstraat, nadat de kantoor- en magazijnruimten daar waren vrijgekomen in het voormalige woonhuis van Willem Carel.

Interieur van de weegschalenfabriek Olland (Dorpsstraat) te De Bilt: werknemers bezig met de montage van weegschalen; ca. 1928.
De eerste jaren van de economische malaise van 1929 verliepen redelijk voorspoedig; pas in 1932 werd de verkoop minder. Naast de snelwegers werden de snijmachines van De Vijf verkocht, waarvoor het alleenverkooprecht voor Nederland en enkele andere landen werd verworven. Tenslotte werd ook overgegaan tot de fabricage van electrische koffiemolens en electrische kaasraspen. Vooral voor het eerste product bestond veel belangstelling. Curieus was de productie van zelfwerkende kamerfonteinen, een uitvinding van de heer H.M. Smitt, instrumentenfabrikant te Bilthoven.
Reeds voor de Tweede Wereldoorlog werd naast snelwegers ook de productie van vleessnijmachines ter hand genomen. Na 1945 kwam zelfs een electrisch aangedreven snijmachine in het pakket benevens een gehaktmolen. De Firma Becker, waar oprichter Hendrik Olland rond 1850 zijn opleiding had genoten, kreeg op zeker moment, vòòr de oorlog, het predikaat “Koninklijk”. Zakelijk ging het echter in de na-oorlogse jaren steeds minder en rond de jaren zestig is het toen nog slechts zeer bescheiden bedrijf Becker overgenomen door Olland, dat toen nog steeds geleid werd door Oom Frik. Deze sprokkelde in de loop der jaren 51 procent van de aandelen in het familiebedrijf bij elkaar. Begin jaren zeventig droeg hij de leiding over aan zijn enige zoon Freddy. Na een periode van sterk teruglopende financiële resultaten werden – vrij uniek bij familiebedrijven – in perfecte harmonie tussen alle betrokkenen alle uitstaande aandelen gekocht door Rolf Olland en zijn zus, de zoon en dochter van Michel Jan Christiaan uit de tak Johannes Cornelis, dat wil zeggen de vierde generatie na oprichter Hendrik. Na 1980 is het bedrijf, inmiddels onder de naam Koninklijke Olland B.V., verhuisd naar Nieuwegein. In 1998 is de onderneming helaas weer in financiële moeilijkheden gekomen en zag de familie zich genoodzaakt de aandelen te verkopen aan Drie Mollen in Den Bosch, waardoor geen faillissement hoefde te volgen op de aangevraagde surséance van betaling. Drie Mollen is van plan om het bedrijf Olland onder dezelfde naam te continueren en daaronder zelfs alle vending-activiteiten te brengen. De productie van automaten is bij deze transactie naar de firma Maas te Veldhoven gegaan.
“De rechte lijn”
Voor het vervolgen van de rechte lijn naar Hanna moeten we terug naar derde zoon Berend van voorvader Gerrit-Jan en zijn vrouw Johanna Wassink. Deze, geboren in 1797, trouwde in 1824 met Elisabeth Ponssen, de dochter van Cornelis Ponssen en Derkje van der Horst uit Wageningen. Zij is dan dienstmeid en hij is bij zijn vader in de leer als barbier. Zij krijgen drie kinderen: Gerrit-Jan, Dirk en Johanna Cornelia, waarvan de oudste – het zat kennelijk toentertijd enigszins in de familie – weer wat snel geboren werd. Elisabeth hertrouwt in 1846 met de Velpse aannemer en architect Johannes Cornelis van Peursem. Deze zoon van Willem Jan van Peursem en Elisabeth Ruys was de weduwnaar van Elisabeth van Maanen. Hij is onder meer bekend als de bouwer van de kerk en het postkantoor van Velp.
Zoon Dirk, geboren op 14 februari 1826 in Velp, werd opgeleid in het beroep van zijn stiefvader. Later werd hij meubelfabrikant en eigenaar van een meubelfabriek te Arnhem. In 1854 trad hij in het huwelijk met de uit Amsterdam afkomstige Susanna Christine van Leeuwen, de dochter van Cornelis en Catharina Grul. Na de dood van Dirk in 1876 bewoonde zij als weduwe eerst huize Klein Berg en Dal te Beek bij Nijmegen en later het huis Rozenhage in Velp.
Van hun kinderen was Elisabeth Catharina de oudste. Geboren te Arnhem op 5 augustus 1856 trouwde zij in 1897 met Johannes Anton Bernard Memper, inspecteur van de Zuid-Afrikaanse Spoorweg Mij. Hij overleed in 1914 in Velp; zij volgde in 1930 ook in Velp. Haar vier broers zochten het allen eveneens ver weg. Carel Cornelis Bernardus (1857) bleef ongehuwd en overleed in 1913 in Neuse am Rhein.Jongste broer Christiaan (1867) was werkzaam in de ivoorhandel in de Congo. Eveneens ongehuwd overleed hij in 1896 in Arnhem.
Ook het derde kind van Dirk en Susanna zocht het in het buitenland. Bernard Cornelis (1869) werd electrotechnisch bedrijfsingenieur van de Aachense Wollkammerei. Hij trouwde op 23 september 1817 in Hoboken bij Antwerpen met Emma Borms, de dochter van Franciscus Borms en Johanna Catharina Valckaerts, en overleed daar ook vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940.
Uit deze Belgische tak van het geslacht Jansen van Wigmont sprootten twee kinderen. Antoine (1898) was directeur van de Caisse Hypothecaire Belge te Antwerpen. Hij trouwde twee maal, eerst in 1924 met Elise Verschueren en daarna – na een echtscheiding – met Auguste Hinrichs. Uit beide huwelijken werden kennelijk geen kinderen geboren. Jongere zus Jeanne (1900) huwde gelijktijdig met Antoine met Alphonse Goemans uit Brussel. Hij was technisch leider van de machinefabriek Ateliers de Construction de Soignies waarvan zijn vader Camille directeur was. In 1938 kwam hij door een fabrieksongeval om het leven.
Waar deze tak dus ras werd afgesneden, loopt het familiespoor door naar Johannes Cornelis Jansen. De een na jongste in het gezin van Dirk en Susanna was zeer avontuurlijk aangelegd. Geboren in Arnhem op 13 april 1862 overleed hij op 6 april 1911 in Singapore. In de tussenliggende kleine vijftig jaren volgde hij gedurende vijf jaar een opleiding in Zwitserland; was ambtenaar bij de Zuid-Afrikaanse Spoorweg Mij. waar zijn zwager Johannes Memper inspecteur was; was hoofdgeëmploieerde van de Singkep Tin Mij. (een voorloper van het latere Billiton Mij.) en laatstelijk eigenaar en exploitant van een tinmijn bij Kuala Loempoer in het huidige Maleisië. Vermeldenswaard is zeker dat hij tijdens de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog officier was van een bereden spoorwegdetachement.


Ontginning van tinerts, Singkep Tin Maatschappij, Riouw; ca. 1915.
Ondanks dappere pogingen zijn we er niet ingeslaagd de sporen van de eigen tinmijn terug te vinden. Beelden en geschiedschrijving van de Singkep Tin Mij. duiden echter op een – eufemistisch gesproken – koloniale bedrijfsvoering. Al rond 1900 was met name de koelie-behandeling onderwerp van scherpe kritiek. In een ingezonden brief in het Bataviaasch nieuwsblad liet bijvoorbeeld de heer A. J. Veenhuyzen, ex-administrateur van bovengenoemde mij., enig licht schijnen op de behandeling van de in de Singkep-tin-mijnen werkzame koelies:
“Den 15en Februari 1899 kwam ik in dienst bij de Singkep Tin-maatschappij. … Ik constateerde toen op de onderneming dat de geheele boel een knoeiwinkel was; dat de Chineesche koelies door de maatschappij onmenschelijk werden geëxploiteerd en door hun hoofden letterlijk werden uitgezogen. … Overtredingen als anderszins werden door hen en hun satellieten kortweg met de rotan berecht, zware geldboeten werden door hen geheven en verdwenen in hun zakken, enz. enz. en het Nederlandsch-Indisch bestuur werd gewoon weg van alles onkundig gelaten. Het is zeer begrijpelijk dat de zoo gruwelijk misleide mijnwerkers erg ontevreden en mitsdien herhaaldelijk zeer wederspannig waren.”


Koelies aan het werk Wassen van erts door vrouwen.
Na een serie forse ingrepen keerde langzamerhand het vertrouwen terug, maar dat duurde niet lang:
“De directeur, Jhr. J. P. J. Van Der Does De Bye, was echter van gevoelen dat een grondverzet van drie kubieke meters per dagtaak veel te licht was, beweerde steeds dat de lieden vroeger zeven kubieke meters en meer grondverzet als dagtaak kregen en drong herhaaldelijk bij mij op vergrooting der dagtaak aan, waarin ik echter nimmer verandering heb willen maken.”
De insubordinatie stond de directeur niet aan en Veenhuyzen werd ontslagen. Hij bleef echter ageren:
“Ik schaam mij niet in mijn eerlijken strijd voor het recht der arme, Chineesche koelies te zijn gevallen, of, beter gezegd, op straat te zijn gezet, doch hier zij thans de vraag gesteld, “mag de Singkep Tin-maatschappij nu op nieuw beginnen de arme ongelukkigen te exploiteeren? … Zal de Regeering van de Straits toestaan dat de door haar op de Chineesche immigranten uitgeoefende menschlievende controle wederom door de Singkep Tin-maatschappij op ergelijke wijze te niet zal worden gedaan ?”
Het volgende jaar stelden de officier van justitie en de rechter commissaris van strafzaken een onderzoek in op het eiland Singkep. Of de correcties tot werkelijke verbetering van het lot van de koelies leidde, weten we niet. We weten ook niet in welke mate Johannes Jansen betrokken was bij deze onverkwikkelijke affaire.
Wel is bekend dat hij, temidden van al deze woelige avonturen, een aanmerkelijk huisgezin stichtte. Op 21 januari 1891 was hij in Goes gehuwd met domineesdochter Cornelia Elisabeth Groeneweg. Zij was op 6 mei 1864 in Haarlem geboren als dochter van Ds. Cornelis Groeneweg en Pietertje Krijger en overleed op 21 augustus 1946.
Vrijwel exact negen maanden na het huwelijk wordt Dirk Johannes Cornelis geboren in Ruurlo. Hij ontwikkelde zich later tot production engineer bij de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij en overleed in 1953 in Den Haag. In 1920 trouwde hij, vermoedelijk met de handschoen – hij in Balikpapan op Borneo, zijn bruid in Den Haag – met Johanna Geertruida Schoenmaker uit Schoonhoven. Hun zoon Dirk Johannes Cornelis (1922) werd in Nederlands Indië geboren en bezocht later de Zeevaart School. Hij werd in oktober 1944 als vermist opgegeven bij een poging over de Waal de gealliëerde troepen te bereiken. Zijn zus Jeanne werd in 1924 in Den Haag geboren.
Na Dirk volgde in 1893 Susanne Christine, in 1917 in Den Haag gehuwd met de chemicus Hemme Dirk de Groot, en met tussenpozen van steeds twee jaar Cornelis en de tweeling Pietertje (Petra) en Christina. Petra werd commies bij het Algemeen Rijksarchief en trouwde in 1922 met vakgenoot Jhr. dr. mr. Henri-Jean-Louis-Theodore van Rheineck Leyssius. De laatste was in 1881 geboren te Medan in Nederlands Indië als zoon van Jhr. Henri Theodore van Rheineck Leyssius en Jkvr. Henriëtte Sophie van den Bosch. Hij was van beroep inspecteur der gemeente- en waterschapsarchieven in Zuid-Holland. Tweelingzusje Christina trouwde in 1916 met de Oost-Indisch ambtenaar Johan André van Veen.

Henri-Jean-Louis-Theodore van Rheineck Leyssius
Cornelis tenslotte is de vader van Hannah Jansen. Hij werd op 26 juni 1895 in Wageningen geboren en trouwde op 4 september 1923 in Den Bosch met Augusta Maria Gerarda Suyling waarover later meer[6]. Met hem keert ook de naam Van Wigmont terug in de familie. Nadat hij zich gedurende lange tijd Van Wigmont Jansen noemde en deze naam ook op schrift gebruikte, liet hij rond 1970 zijn achternaam formeel veranderen in Jansen van Wigmont. Als beroepsmilitair was hij uiteindelijk luitenant-kolonel der Koninklijke Marechaussee. Een groot deel van zijn carrière werkte hij in de militaire rechtspraak, eerst als secretaris van de Krijgsraad in Den Bosch, daarna als vervanger van de Krijgsraad en waarnemend griffier van de Arrondissements Rechtbank in Den Haag en ten slotte als plaatsvervangend militair raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch. Na zijn pensionering werd hij directeur van de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen “Scheldestad” te Vlissingen.

Kees Jansen van Wigmont (“Pa”).
Uit het huwelijk van grootvader Kees (“Pa”) en grootmoeder Guus (“Tai”) werden drie kinderen geboren. De tweede, Hans Maarten (1935), overleed al jong. Jaap Wouter werd op 5 februari 1925 geboren in Vught en werd huisarts in Groede en daarna röntgenoloog in Wassenaar. Hij trouwde op 17 februari 1925 in Oegstgeest met Ada Goedbloed, de dochter van mr. J.W. Goedbloed, voorzitter van de Raad van Arbeid te Middelburg. Jaap en Ada kregen op hun beurt drie kinderen: Hanna Christina (Han; 1956), Augusta Corine (Corine; 1959) en Egbert (1965[7]). Na zijn pensionering verhuisden zij terug naar Groede in het land waar het leven goed is.
Hanna Mariëtta tenslotte werd geboren op 20 februari 1940 in Den Bosch. Toen zij acht jaar oud was, verhuisde zij met haar ouders naar Vlissingen waar ze op 23 september 1966 in het huwelijk trad met Pieter Winsemius.
What’s in a name?[8]
Deze Gelderse familie, welke aanvankelijk Van Millegen of Van Milligen heeft geheten, voerde gedurende de eerste helft van de achttiende eeuw verschillende namen door elkaar, namelijk het patronymicum Jansen van Wigmont of Van Wigmont alleen, naar het dorpje Wigmont ongeveer tien kilometer ten noordoosten van Doesburg vanwaar de stamvader zich naar Rheden verplaatste en ten slotte Jansen van Millegen of Van Millegen alleen. Wie meer genealogische nasporingen betreffende de dorpsbevolking van de streek ten noorden en ten oosten van Arnhem heeft verricht, zal zich over het voortdurend wisselen en het onvaste der naamsvorming in zo late tijd niet al te veel verbazen.
Eerst met het, op voorschrift der Staten van Gelderland in 1771 invoeren van de nieuwe registers voor doop en trouw, treedt grotere vastheid in al behoudt men dikwijls nog zonderlinge inschrijvingen. Vaak verkreeg namelijk het kind niet alleen de voornaam maar ook het patronymicum van een grootvader of peetoom en voerde dus een volkomen verkeerd patronymicum. Bovendien was er geen vaste gewoonte de kinderen in volgorde te benoemen naar vaderlijke en moederlijke grootouders, maar werden de namen van grootouders, ooms en tantes zonder systeem dooreen gegeven, vaak met overgang van het vrouwelijke geslacht op het manlijke en omgekeerd, zodat men – hoewel ook in andere streken uit de volgorde der namen natuurlijk nooit vaste conclusies zijn te trekken – toch de gemakkelijke aanwijzing bij het zoeken mist, welke men elders heeft.
Het gefixeerd geraken van het patronymicum Jansen is overigens volkomen begrijpelijk, waar minstens vier generaties achtereen de naam Jan voerden. Dat deels in concurrentie, deels in vereniging hiermee, de naam Van Wigmont als herkomstnaam ontstond, is eveneens begrijpelijk. Anders staat het echter met met de naam Van Millegen of Jansen van Millegen, eveneens in concurrentie met andere namen gevoerd. Deze naam werd door Jan Jansen van Millegen (1703-1746) met grote hardnekkigheid verdedigd. Hij is als Jan Jansen gedoopt, maar in zijn huwelijksakte van 1726 heet hij uitsluitend Van Millegen. Bij de doopinschrijvingen van zijn aanvankelijk als Jansen van Wigmont ingeschreven kinderen is telkens Wigmont met contemporaine hand verbeterd in Millegen. Slechts bij de doopinschrijving van zijn dochter Luitje, een van een op 12 april 1733 gedoopte tweeling, werd de verandering vergeten zodat de ene helft van de tweeling te boek staat als Jansen van Wigmont en de andere als Jansen van Millegen. Kan er sterker bewijs zijn voor de identiteit van beide dubbelnamen?
De genoemde veranderingen moeten wel op Jan’s aandringen zijn aangebracht. Trouwens zijn weduwe en één van zijn dochters blijven zich steeds uitsluitend Van Millegen noemen. Evenwel noemt het zeer nauwkeurig register van lidmaten, dat als een bevolkingsregister van het toenmaals zeer kleine dorpje Rheden kan worden beschouwd, zijn zoons Jan en Gerrit bij hun kerkelijke bevestiging in respectievelijk 1750 en 1756, Jansen van Wigmont, terwijl de naam Van Millegen in deze lijst niet voorkomt. Klaarblijkelijk in zijn dorp bekend staand als Van Wigmont moet hij wel een goede reden hebben gehad om met hardnekkigheid aan de naam Van Millegen vast te houden. Waar men tevergeefs ter plaatse of in de omtrek naar een hoeve Millegen zoekt, welke zijn eigendom zou kunnen zijn geweest, kan er voor het voeren van de naam Van Millegen geen andere reden zijn dan dat zijn eigenlijke geslachtsnaam was en dat hij tot het gezeten boerengeslacht behoorde,dat nog in de achttiende eeuw in het nabij gelegen Spankeren leefde en onder andere in 1736 een gerichtsman van de Veluwezoom opleverde.
De naam Van Millegen of Van Milligen, welke waarschijnlijk gelijk te stellen is met Van Millingen, werd vermoedelijk aan de IJsselboorden ingevoerd door Sweder van Millingen, die in 1433 als leenman van Voorst en Keppel wordt genoemd. Aangezien deze heerlijkheden kort tevoren waren vererfd op Cunegonda van Polanen, gehuwd met Frederik van Heeckeren van Rechteren die ook Millingen heeft bezeten, ligt het voor de hand aan te nemen dat Sweder van Millingen behoorde tot tot de Overijsselse, uit de Heeckeren’s gesproten, het Heeckeren kruis met een barensteel voerende Van Millingen’s en dat hij zijn bloedverwant en leenheer Frederik van Rechteren naar het zuiden is gevolgd.
Waar A.L.F.H. baron van Heeckeren in zijn artikel Van Millingen in de Heraldieke Bibliotheek van 1872 schrijft dat deze tak van zijn geslacht nooit door het bezit van rijkdommen heeft uitgeblonken, zou het op zichzelf niet behoeven te verbazen indien de achttiende-eeuwse gerichtsman van de Veluwezoom – naar men mag aannemen een gezeten boer – een nazaat was van Sweder. Daar er echter bij gebrek aan archiefmateriaal geen gelegenheid bestaat hiernaar een onderzoek in te stellen en er een kloof van meer dan twee eeuwen blijft gapen, mag met deze mogelijkheid, welke hier slechts tot verklaring van de naam wordt vermeld, genealogisch geenszins rekening worden gehouden. Immers hiervoor is nog uiteengezet hoe vaak een naam in de vrouwelijke lijn of zelfs slechts door peetschap overging, terwijl bovendien nog de mogelijkheid van een herkomst uit een ander Millingen bestaat. Toch geeft de hardnekkigheid waarmee speciaal de tweede generatie aan de naam Millegen vasthield, te denken. Een zegel van de gerichtsman zou nadere inlichtingen omtrent de gepretendeerde herkomst kunnen verschaffen.
Een familiewapen?
Een rood kruis in goud, langs de bovenrand van het schild een antieke blauwe barensteel van drie rechte hangers (Van Milli(n)gen)
In het eerste door het kruis begrensde kwartier: doorsneden A: een uit de deellijn oprijzende halve zwarte leeuw. B.3(2,1) horizontale zwarte blokjes (Van Leeuwen, Holland).
[1] Zie sectie 7d.
[2] Bij het schrijven van de volgende tekst is dankbaar gebruik gemaakt van “Hackfort, huis en landgoed”, uitgegeven onder redactie van F. Keverling Buisman (uitgeverij Matrijs, Utrecht; 1998).
[3] Onze speciale dank gaat uit naar achterkleinzoon Rolf H.B. Olland uit Hattem, die zo vriendelijk was een aantal gegevens met betrekking tot het geslacht Olland ter beschikking te stellen. Een belangrijk deel van deze tekst is gebaseerd op aantekeningen betreffende de Firma Olland van de hand van aangetrouwd familielid J. Rasch.
[4] Volgens Van Rheineck Leyssius: zeven.
[5] De leeftijdsvolgorde der kinderen Olland is na de eerste twee vooral ingegeven door de plaats die zij in de beschikbare stukken innamen.
[6] Zie sectie 10a.
[7] (Check.)
[8] De volgende tekst is nagenoeg letterlijk overgeschreven uit het Bijblad Ned. Leeuw van januari 1964.
Het geslacht Jansen van Wigmont/ Jansen van Milligen/ Jansen; Rheden en Velp, 1700 tot heden
Op Oudejaarsdag 1697 is het feest in Rheden. Jenneke, de dochter van Hendrik Schut, trouwt dan met Jan Jansen, jongeman van Wichmont. Jan Jansen, alias Jan van Wigmont, is de stamvader van het geslacht Jansen van Wigmont alsmede Jansen van Milligen. Aangezien het betrokken doopregister ontbreekt, is niet na te gaan wie zijn ouders waren. Jhr. Dr. W.A. Beelaarts van Blokland, die meer dan dertig jaar geleden deze genealogie heeft bestudeerd, meende in hem een broer te herkennen van “Garrit Jansen, zoon van Jan Jansen uyt Wichmont” die op 16 augustus 1696 in Steenderen in het huwelijk trad met Harmken Symons, dochter van Simon Harmsen “uyt Wichmont”. Andere navorsers zijn echter eerder geneigd in hem een broer of oom te zien van Egbert van Milligen, in 1736 gerichtsman van Veluwezoom te Rheden.
Het zijn de oudste wortels van het geslacht Jansen van Wigmont, waarvan bijna tweehonderd en zeventig jaar later verre nazaat – acht generaties verder – Hanna trouwt met Pieter Winsemius, kleinzoon van Pake Pieter[2].
(Afb.: Rechte lijn binnen het geslacht Jansen van Wigmont naar Hanna Mariëtta.)
De oudste wortels in Wichmond[3]
Gelegen ten oosten van de IJssel, net ten zuiden van de oude Hanzestad Zutphen, gaat de geschiedenis van Wichmond terug tot de Vroege Middeleeuwen. Al aan het begin van de negende eeuw werd hier een kerk gesticht. Toeval was dit niet. In de gordel met zeer natte en nauwelijks doordringbare broekgebieden bevindt zich juist op deze plaats een doorgang, die aansluit op de forse oost-west georiënteerde dekzandrug waarop Vorden is gelegen. Richting IJssel liggen enkele dekzandkopjes als stapstenen in het natte gebied, waarover men met droge voeten de grote dekzandruggen langs IJssel kon bereiken. In vroege tijden was daar een veer naar de overzijde om de reis naar het westen voort te zetten. Op andere plaatsen waar gordels van zandruggen de zone met natte gronden langs de IJssel doorsneden en een oost-west verbinding mogelijk maakten, zoals bij Deventer en Zutphen, waren belangrijke bruggenhoofden ontstaan die in later jaren uitgroeiden tot kerkelijke en bestuurlijke centra. In Wichmond is deze groei achterwege gebleven, wellicht omdat de plek van deze nederzetting onvoldoende bescherming bood tegen de willekeur van de meanderende IJssel.
Hoe het ook zij, in 792 werd priester Ludger naar de IJsselstreek gezonden om daar zijn zendingswerk te verrichten. Twee jaar later schonk de Frankische graaf Wrachar, vanaf zijn hof te Brummen, hem omwille van zijn zielenheil een stuk grond in de IJsselgouw in het dorp dat Wichmond werd genoemd … “in villa que dicitur Withmundi”. Ludger maakte er daarna werk van rond zijn nieuwe stek. In 797 werden er relikwieën van St. Salvator naar Wichmond overgebracht. In 800 werd het grondbezit vergroot met een akker en twee jaar later is er voor het eerst sprake van een kerk, die waarschijnlijk gelegen was aan de huidige westkant – toen nog oostkant – van de rivier. De fraaie kronkelwaard van Cortenoever, die ook nu nog is te bewonderen, is kennelijk pas na deze periode ontstaan. De eerste kerk is waarschijnlijk in de loop van de Middeleeuwen in de IJssel verdwenen; hetzelfde lot trof omstreeks 1582 ook een opvolger.
Het beeld van het oudste Wichmond is vaag. Waarschijnlijk betrof het in de Vroege Middeleeuwen een zeer kleine nederzetting, niet meer dan drie tot vijf boerderijen, die in latere jaren wellicht uitgroeide naar zeven tot misschien wel twintig “vestigingen.” Ook bij de grootte van de boerderijen moeten geen overdreven beelden worden gevormd. Aangenomen wordt dat per bedrijf slechts 1,5 tot 4 hectare akkerland werd bewerkt.. Daarbuiten lagen de bossen en heidevelden. Formeel waren deze woeste gronden het eigendom van de landsheer. Ze werden echter gebruikt door de boeren in de nederzettingen, die er hun vee lieten weiden en in de nazomer loof wonnen dat ‘s winters als voer kon dienen.
Vanaf de twaalfde eeuw ontstond er onder de grootgrondbezitters de behoefte te beschikken over een min of meer versterkt huis. In de nabije omgeving was het een paar kilometer noordelijk gelegen Hackfort, nu in bezit van Natuurmonumenten, zo’n Huis, dat voor het eerst in de boeken voorkomt in 1324. Het was oorspronkelijk een Gelders leen, dat naderhand kennelijk toebehoorde aan Bronkhorst. Hackfort, met een voorburcht en vesten, was net als de naburige huizen de Wildenborch en Huis Vorden een zogenaamde waterburcht, een kasteel dat voorzien was van een gracht. Voor de verdediging was – anders dan bij de mottekastelen als Bronkhorst, die op een kunstmatige heuvel waren gebouwd – de beschikbaarheid van water van doorslaggevend belang; een drassige omgeving maakte het een vijand bovendien moeilijk met zwaar geschut in de buurt te komen. Zo lag de Wildenborch midden in een uitgestrekt moeras, Vorden en Hackfort in een beekdal.
(Afb.: De omgeving van Wichmond in de zeventiende eeuw.)
Het Huis Hackfort werd vanaf het begin van de zeventiende eeuw bewoont door het geslacht Van Westerholt., waarvan de laatste nazaat, tevens bewoner, in 1981 zou overlijden. Het waren woelige tijden. Zo leed het bezit grote schade door de plundering door Spaanse troepen in 1629. In 1636 raakte Hendrik van Westerholt in zwaar water toen hij vervolgd werd wegens de moord op een boerenzoon. Uiteindelijk sprak het Hof van Gelre en Zutphen hem vrij van de moord, maar hij moest vanwege de doodslag wel een forse boete en navenante schadevergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer betalen. Ook zoon Borchard Willem was voortdurend betrokken bij een keten van conflicten, die in eerste instantie ontstonden door de hoge financiële eisen van zijn moeder na het overlijden van vader Hendrik. In feite betreft het hier een ingebouwd overervingsprobleem: indien een weduwe-vruchtgebruikster te lang leefde en/of te hoge eisen stelde, kon de wettige erfgenaam, die sowieso al geconfronteerd werd met hoge financiële verplichtingen bijvoorbeeld voor het uitkopen van broers en zussen teneinde het fysieke familiebezit bij elkaar te houden, eigenlijk niet de staat voeren die bij een man van aanzien en invloed paste. In het geval van Borchard liep de twist zo hoog op dat zoonlief zijn moeder Alithea in 1662 sommeerde het huis Hackfort te verlaten. Pas na de dood van zijn moeder in 1667 kwam het beheer in rustiger banen. Borchard trouwde rijk, met Anna Helena van Renesse van Elderen, maar overspeelde mogelijk zijn financiële hand met de aankoop ven de bannerheerlijkheid Bahr en Lathum voor de niet geringe somma van 120.000 gulden.
Na Borchard’s overlijden in 1675 werd het familiebezit in rustiger vaarwater gebracht door zoon Hendrik. Hij kocht in 1691 voor f 25.000 de heerlijkheid Lathum, die hij toevoegde aan de bannerheerlijkheid. In 1702 volgde de samensmelting met het huis Hackfort, dat hij had bevrijd van de nog steeds bestaande leenband met Bronkhorst door een bedrag van f 400 te betalen aan de leenvrouwe Maria gravin van Limburg Stirum, die in financiële problemen. Hendrik trouwde twee maal. Eerst in 1683 met Johanna Sophia van Vittinghof genannt Schell, die echter al na vijf jaar kwam te overlijden. Hun zoon Borchard, geboren in 1686, stierf ongehuwd in 1718. Het tweede huwelijk vond plaats in 1696, weer met een telg uit een Westfaalse familie namelijk Margaretha Elisabeth von Oer. Ter gelegenheid van dit huwelijk werden de twee schildhoudende leeuwen met alliantiewapens vervaardigd, die nu nog steeds het voorplein van Hackfort sieren. Ongetwijfeld heeft stamvader Jan Jansen, kort voor zijn eigen trouwpartij met Jenneke Schut, actief deelgenomen aan de festiviteiten, die de rijke en machtige Van Westerholts ter gelegenheid van deze blijde gebeurtenissen alsmede de geboorte van zoon Johan in 1697 zullen hebben georganiseerd voor de minder bedeelde buren in Vorden en Wichmond. Of hij ook de fraaie houtsneden in de grote zaal van het Huis zal hebben bewonderd valt echter te betwijfelen.
(Afb.: “’t Adelijke huijs van hackfort, 2 uuren van Zutphen” in 1718.)
(Afb.: Huis Hackfort vanuit het zuidwesten met links de tuinen en rechts het poortgebouw en het voorplein; tekening van Jan de Beijer uit 1742.)
(Afb.: Alliantiewapen van Hendrik Willem van Westerholt en Margaretha Elisabeth von Oer en hun kwartierwapens. Deze wapens zijn gesneden in eikenhout en aangebracht op de schoorsteenboezem van de haard in de grote zaal, de huidige “Van Westerholtzaal”.)
Ondanks de grote ontginningsijver die had geheerst, lag het grootste gedeelte van het landschap aan het einde van de Middeleeuwen nog woest. Hier lagen de veldgronden die door de boeren gezamenlijk werden gebruikt. Binnen een buurschap, de marke, werden de hiermee verband houdende rechten onderling geregeld. Zo waren in 1791 de grenzen van de marke Wichmond al nauwkeurig bepaald en met markepalen, verbonden door hoopjes aarde, in het veld aangegeven. Niet alle boeren waren in de marke gelijk. Zo werd in 1615 in de marke Vorden vastgelegd dat alleen gerechtigde boeren hun schapen mochten drijven. Sommigen mochten bovendien meer schapen houden of plaggen steken dan anderen; zij hadden meer “waren” of waardelen dan andere boeren. In de zeventiende eeuw, toen de vaak reeds langer bestaande markerechten werden opgeschreven, was rond Wichmond waarschijnlijk nauwelijks nog bos aanwezig. Er waren uitgestrekte open gebieden ontstaan, de zogenaamde veldgronden, met een zeer afwisslende begroeiing van grassen en heidestruiken. Plaatselijk sloegen er lage struikjes op; in de marke van Wichmond waren de markegenoten verplicht de doornstruikjes te verwijderen. De uitgestrekte veldgronden boden nog plaats aan dieren die tegenwoordig niet meer voorkomen of uiterst zeldzaam zijn. Tot in de zeventiende eeuw zwierven hier nog wolven; de bewoners van Hackfort bejaagden tot in de tweede helft van de achttiende eeuw nog “odders” (otters). In 1680 werd, in een reglement op de jacht, het rapen van korhoendereieren verboden.
Naast de gewaarde boeren waren er ook de zogenaamde keuters, die geen of weinig rechten in de marke hadden. Ze vestigden zich min of meer illegaal en ontgonnen een klein perceeltje akkerland. Hun aanwezigheid kan vaak afgelezen worden aan een boerderijnaam die eindigt op -kote of -kate. Dergelijke namen duiken vanaf de veertiende en vijftiende eeuw in archieven op. Hoewel formeel niet toegestaan werden hun activiteiten toch vaak oogluikend toegelaten. Keuters waren namelijk de landarbeiders die in het toenmalige boerenbedrijf onmisbaar waren. De zestiende eeuw was echter een periode van grote voorspoed voor de landbouw en leidde tot een sterke intensivering. De druk op de markegrond werd zodanig dat de gewaarde boeren zich zorgen gingen maken over de vestiging van keuters. Bovendien waren steeds vaker delen van de marke – eerst hooilanden, later ook andere veldgronden – onder de markegenoten verdeeld. Een verdere toelating van keuters kon de spoeling wat betreft het verdere grondbezit wel eens verdunnen. Zo waren de markegronden in Vierakker, net benoorden Wichmond, al in 1663 verdeeld. Op de kaart van Hottinger uit 1783 zijn alleen in het Grote Veld bij Vorden, in het Leestense Veld tussen Vierakker en Leesten, en in de Baker mark nog grote vlakken ongeperceleerde veldgronden te zien, die kennelijk nog in gemeenschappelijk gebruik waren.
(Afb.: De omgeving van Wichmond op een militaire kaart, afkomstig uit de zogenaamde “Hottinger-atlas” van 1783. Goed zichtbaar is het rechte lanenstelsel op het landgoed Hackfort.)
De stamvaders
Jan Jansen, jongeman van Wichmont, en zijn Jenneke vestigden zich in Rheden waar zij zeker vier kinderen kregen. Op 11 december 1698 wordt Hendrik geboren; twee jaar later Roelof die zich – evenals zijn dochter Elske – steeds uitsluitend van de achternaam Jansen bedient. Na zoon Jan volgt dan in 1708 dochter Fyke of Sophia die in 1733 als Sophia van Wigmont trouwt met Sander Jansens uit Arnhem. Het is mogelijk dat het echtpaar een tweede dochter had: een Gerritie Jansen van Millegen huwt op 14 mei 1724 te Rheden met Hendrik van Heuven. De doop is evenwel niet terug te vinden. Het huwelijk heeft overigens niet lang stand gehouden. Jenneke hertrouwt in voorjaar 1713 als “weduwe van Jan van Wigmont” met Derck Schouten j.m. van Rheden.
De rechte lijn loopt door via Jan Jansen van Millegen, in de wandeling genaamd Jansen van Wigmont of een van deze namen alleen. Te Rheden gedoopt op 6 april 1703 als Jansen zonder meer, trouwde hij op 17 maart 1726 als Jan van Millegen met Maryke Berends Smits, de dochter van de geërfde gerichtsman van Veluwezoom Berend Smits en Anneke Harmsen. Na de dood van Jan rond 1746 woonde zij te Velp op het Langewater. Zij stierf op 1 april 1778 in De Steeg en is in Rheden begraven als “Maria wed. van Millegen”. Haar familie, die enige generaties lang Smit(s) heette, ging later over op het patronymicum Berendsen.
Jan en Maryke kregen acht kinderen, waarvan de oudste – min of meer vanzelfsprekend weer Jan geheten – de rechte lijn doortrekt. Het is goed mogelijk dat er nog meer nageslacht is geweest. Jan werd geboren in november 1726 en zijn zusje Berendyn pas in februari 1731. Op 12 april 1733 volgde de tweeling Anneke en Luitje en weer drie jaar later Gerrit. Een Hermyn uit 1739 werd gevolgd door een meisje met dezelfde naam in 1742. Jongste dochter Elske ten slotte is van 1745. Bij haar overlijden in 1792 staat zij ingeschreven als Elske van Millegen, huisvrouw van Derk Dulmers.
Het fenomeen van de naamsverwisseling, in dit geslacht bijna tot een kunst verheven, bereikt in deze generatie het hoogtepunt. Waar de vader alle varianten door elkaar lijkt te gebruiken, weten de kinderen het helemaal niet meer. Het resultaat is verwarrend maar genealogisch fraai; wij komen hier later op terug. Vooralsnog concentreren wij ons op zoon Jan die – toch een vleugje – op 21 novenber 1726 in Rheden werd gedoopt als Jansen van Millegen ( nadat de eerdere vermelding Van Wigmont was geschrapt) maar in 1750 kerkelijk werd bevestigd als Jansen van Wigmont. Voorzien van vele namen trad hij in februari 1757 in het huwelijk met Engelina Jansen, de dochter van Gerrit-Jan Hermsen Brouwer en Tryneke Engelsen.
Tryneke en Jan doorbreken de gewoonte om de oudste zoon te noemen naar de grootvader aan vader’s zijde. Veeleer krijgt de andere opa de voorkeur want in 1758 wordt een kleine Gerrit-Jan in Rheden gedoopt. Hij wordt in 1760 gevolgd door Berend en in 1763 door Derriske. Berend trouwt in 1784 te Velp met Everdina Hendriks. Zij hadden een talrijk nageslacht dat hier echter niet verder wordt vervolgd. Moeder Tryneke heeft ongetwijfeld haar echtgenoot overleefd; zij overlijdt op 7 oktober 1809 in Velp, tachtig jaar oud.
De estafettestok is dan inmiddels lang en breed overgenomen door Gerrit-Jan. Ook hij wordt uiteindelijk zo’n tachtig jaar oud. Rond 1783 verhuisde hij van Rheden naar Velp. Bij deze stap compliceerde hij het leven van zijn nazaten: ergens gingen de namen Van Millegen en Van Wigmont verloren en werd hij slechts als Jansen of Janssen bij de burgerlijke stand ingeschreven. Op 1 mei 1791 huwde hij met Johanna Wassink uit Drempt, de dochter van Gerrit Wassink en Wilhelmina Weenink. Zij overleed te Velp in 1833, zeven-en-zestig jaar oud.
Het echtpaar kreeg zes kinderen: Gerrit-Jan (1792), Willem (1794), Berend (1797), Johannes (1804), Engelbertus (1811) en Henderina Wilhelmina (1813). Speciaal van het nageslacht van Johannes is vrij veel bekend. Hij trouwde jong en overhaast op 8 november 1823 met Francina Adriana Lambinon. Dochter Johanna Adriana werd al op 28 januari 1824 in Velp geboren. Zij heeft haar vader niet lang gekend. Johannes, die deurwaarder was van beroep, overleed al in 1832 – net acht-en-twintig jaar oud – in Rheden. Johanna trouwde in 1850 met de Utrechtse instrumentmaker Hendrik Olland, de zoon van de Groningse instrument- en horlogemaker van dezelfde naam en diens vrouw Janna Nanninga.
De instrumentmakersfamilie Olland[4]
Schoonvader Hendrik Olland had in Groningen een atelier voor het vervaardigen van en de handel in uurwerken. Zijn bijzondere gaven op dit vakgebied blijken onder andere uit het door hem vervaardigde mechanische schilderij, zoals deze in zijn tijd in de mode waren. Het kunststuk bevindt zich nu in het Museum van Speelklok tot Pierement te Utrecht, waar het nog steeds te bezichtigen is. Het stelt een bosgezicht voor, met een kerkje en een rivier. In het bos zagen mannen bomen, de klok in het kerkje wordt geluid, de deuren openen en sluiten zich. Op de rivier varen scheepjes en er is een molentje dat langzaam en snel kan draaien.
Zoon Hendrik ging vanuit Groningen naar de in die tijd befaamde instrumentmakerij Becker in Arnhem om daar opgeleid te worden tot instrumentmaker. De beroemde Utrechtse hoogleraar Buys Ballot bestelde bij Becker zijn instrumenten en ontmoette daar “stagiair” Hendrik Olland. Hij was zodanig onder de indruk van zijn talent, dat hij hem aanraadde een eigen firma in Utrecht te beginnen om leverancier van hem te worden. Hendrik vestigde zich op 1 mei 1853 te Utrecht en wist zich spoedig een goede naam te verwerven op het gebied van fijne instrumenten en balansen. Door zijn prima werk kreeg hij opdrachten van de universitaire instellingen te Utrecht, waaraan toen nog geen eigen instrumentmakers verbonden waren zoals het Academisch Ziekenhuis en diverse laboratoria. Toen Buys Ballot’s plannen om het Meteorologisch Instituut (later herdoopt in het K.N.M.I.) te stichten precies een jaar na de oprichting van de Firma Olland , dus op 1 mei 1854, werkelijkheid werden, werd Hendrik Olland – intussen zijn boezemvriend – de “hofleverancier” van alle mogelijke instrumenten en met name seismografen. Het nabuurschap met ‘s Rijksmunt leidde tot een zakelijke relatie voor de levering van (weeg-)instrumenten voor het geld. Weldra volgden ook bestellingen uit andere plaatsen zoals Vlissingen, Middelburg en Den Helder. Ook verschillende overheidsinstellingen plaatsten orders, onder meer voor afstandmeters voor kustbatterijen, zelfregistrerende peilschalen, spanningsmeters voor het onderzoek van spoorbruggen, astronomische kijkers, enz. Door het inzenden van werkstukken naar verschillende tentoonstellingen raakte de naam Olland ook in het buitenland bekend en ook daar bleven de bestellingen niet uit. Meerdere malen werden bovendien bekroningen met gouden of zilveren medailles in de wacht gesleept met als hoogtepunt de Grand Prix, de hoogste onderscheiding op de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1889.
Uit het huwelijk van Hendrik Olland en Johanna Jansen werden zes[5] zoons en een dochter geboren, die de kern vormden van de bekende fabrikantenfamilie Olland. De oudste zoon, Hendrik junior, heeft te Utrecht – of was het Den Haag? – een instrumentenfabriek en -handel gedreven, die later werd overgenomen door kleinzoon F.H. Olland, aan de Utrechtseweg te De Bilt op “Kouwenhoven”. Binnen de familie werden vraagtekens gezet bij het kwaliteitsniveau van de geleverde weegschalen en barometers: waren zij wel Olland-waardig?
Tweede zoon Willem Carel kwam bij zijn vader in de leiding van de fabriek. Hij was gehuwd met J.C. van Ommeren uit Arnhem en woonde later in een prachtig huis met chauffeurswoning aan de Herenweg in Haarlem waarvandaan hij zich dagelijks liet vervoeren naar Utrecht.
Zoon[6] Fred. H., gehuwd met Anna Ham, ging bij het onderwijs en trad uiteindelijk in dienst van het Zuidafrikaanse Departement van Onderwijs in Pretoria, waar hij volgens de familieverhalen doceerde en “professor” speelde. Na zijn terugkeer in Nederland overleed hij te Heino.
Vierde zoon Eduard huwde met Jacoba Meessen en werd ambtenaar aan het Meteorologisch Instituut in De Bilt.
Vijfde zoon Johannes Cornelis trouwde met Henriëtte Ham. Na een periode als bedrijfsleider bij zijn vader begon hij in 1898 een medische instrumentmakerij in Zwolle. Hoewel de naam “Olland” is gebleven, is het bedrijf lang geleden verkocht aan een mijnheer Visser. Het echtpaar kreeg vier zoons: Hendrik, huisarts te Zwolle; Michel Jan Christiaan, getrouwd met Geertje Buisman en vanaf zijn huwelijk in 1930 tot zijn overlijden in 1968 directeur bij Buisman B.V.; Johannes, die het Zwolse bedrijf na 1928 voortzette; en Frederik Walraven – voor zijn neefjes “Oom Frik” – die vanaf 1925 het voortouw bij de Utrechtse familie-onderneming overnam.
Zesde zoon dr. Adolf George , gemeente-arts van Utrecht, was enige malen schaakkampioen van Nederland en bracht het zelfs tot de vierde plaats tijdens het wereldtournooi van 1911 in Stockholm. Hij was gehuwd met C. Lameris, afkomstig uit het concurrerende en nog steeds bestaande instrumentenbedrijf en groothandel Lameris te Utrecht, en vestigde zich op hoge leeftijd te Driebergen.
Dochter Johanna ten slotte huwde met Ir J. Stroink, Ingenieur bij de Electriciteitswerken te Amsterdam; hij vestigde zich na zijn pensioen te Bentveld. Zij kregen twee dochters, waarvan Nora heel laat trouwde met Eugene Mulholland en kinderloos overleed. Dochter Willy is vermoedelijk ook getrouwd geweest maar reeds jong weduwe geworden. Zij was geniaal met soms een neiging tot labiliteit. Zij studeerde Frans, geschiedenis en Nederlands, had daarnaast conservatorium viool, maar leefde zich uit in de schilderkunst. Haar laatste dagen heeft ze in het Rosa Spier-huis te Laren (N.H.) doorgebracht.
Vader Hendrik hertrouwde op 2 april 1890 met A.L. Rasch, zuster van de predikant Ds Chr. Rasch te Amersfoort.
De firma Olland was gevestigd op de Oude Gracht, vlak naast ‘s Rijks Munt, waar nu later het “nieuwe” postkantoor werd gebouwd. Na het uittreden van Olland Sr. werd het bedrijf overgeplaatst naar de Biltstraat en Gasthuissteeg te Utrecht en voortgezet door de tweede zoon Willem Carel, die zijn vader tot dan toe in de leiding van de fabriek had geassisteerd.
In 1906 werd begonnen met het fabriceren van snelwegers, die toen uit Amerika hun intrede deden in Nederland. Hoewel aan constructie en afwerking nog heel wat te verbeteren was, kwamen de eerste Olland snelwegers nog datzelfde jaar voorzien van allerlei oorspronkelijke vindingen op de markt gebracht. Zelfs de naam “snelweger” was door Willem Carel bedacht. De aard van het product komt mooi tot uiting in een lovende tekst, ongetwijfeld van eigen hand, in de Slagerskrant van Misset van 13 februari 1951. Daaruit blijkt dat de clientèle uit het slagersvak bediend wordt met “diverse typen snelwegers … welke slechts hierin verschillen, dat het kleinste type speciaal geschikt is voor het wegen van uitsnijwaren, terwijl de andere typen voor het wegen van vlees, in welke vorm of van welk gewicht ook dienen, het verschil is uitsluitend beperkt tot het “weegvermogen”, de graad van nauwkeurigheid is voor alle typen hetzelfde, nl. de grootstmogelijke.” Dat het buitengewoon goede apparaten waren, blijkt wel uit het feit dat de snelweger bij de Firma J.A. Mulder te Utrecht als een van de eerste bezitters, meer dan vijfentwintig jaar ononderbroken in een drukke zaak in dienst heeft gedaan.
Inmiddels was in 1913 de instrumentenafdeling opgeheven en werd de productie beperkt tot snelwegers. Rond 1920 werd begonnen met de export waarbij in eerste instantie gericht werd op Nederlands Indië, België, Frankrijk, Engeland en Zuid-Afrika. Nico, de oudste zoon van Hendrik junior was in Nederlands Indië werkzaam bij de Deli Spoorweg Maatschappij. Voordat hij met ontslag naar Nederland zou terugkeren, kreeg hij van oom Willem Carel toestemming een zakenreis te maken teneinde de mogelijkheden voor de verkoop van snelwegers in Indië te verkennen en vertegenwoordigers aan te stellen. Zo werden te Medan aangesteld de firma Kerkhoff & Co. en de Firma Geo Wehry & Co. Teruggekomen in het vaderland werd Nico in 1922 benoemd tot bedrijfsleider van het familiebedrijf. In 1925 werd hij weer opgevolgd door Frederik Walraven, zoon van Johannes Cornelis; na het overlijden van Willem Carel in juli 1928 werd deze op 1 januari 1929 benoemd tot directeur van de N.V. Snelwegerfabriek “Utrecht” W.C. Olland. De naam van het bedrijf is later weer gewijzigd in “Snelwegerfabriek Olland”.
De exportafdeling werd aanvankelijk gevestigd in een perceel in de Hamburgerstraat te Utrecht, waarvan de leiding werd opgedragen aan J. Rasch, een neef van wijlen mevrouw H. Olland-Rasch. Deze was verantwoordelijk voor een uitgebreid net van vertegenwoordigers in een groot aantal Europese en overzeese landen. In 1925 werd het kantoor overgebracht naar de Biltstraat, nadat de kantoor- en magazijnruimten daar waren vrijgekomen in het voormalige woonhuis van Willem Carel.
De eerste jaren van de economische malaise van 1929 verliepen redelijk voorspoedig; pas in 1932 werd de verkoop minder. Naast de snelwegers werden de snijmachines van De Vijf verkocht, waarvoor het alleenverkooprecht voor Nederland en enkele andere landen werd verworven. Ten slotte werd ook overgegaan tot de fabricage van electrische koffiemolens en electrische kaasraspen. Vooral voor het eerste product bestond veel belangstelling. Curieus was de productie van zelfwerkende kamerfonteinen, een uitvinding van de heer H.M. Smitt, instrumentenfabrikant te Bilthoven.
Reeds voor de Tweede Wereldoorlog werd naast snelwegers ook de productie van vleessnijmachines ter hand genomen. Na 1945 kwam zelfs een electrisch aangedreven snijmachine in het pakket benevens een gehaktmolen. De Firma Becker, waar oprichter Hendrik Olland rond 1850 zijn opleiding had genoten, kreeg op zeker moment, vòòr de oorlog, het predikaat “Koninklijk”. Zakelijk ging het echter in de na-oorlogse jaren steeds minder en rond de jaren zestig is het toen nog slechts zeer bescheiden bedrijf Becker overgenomen door Olland, dat toen nog steeds geleid werd door Oom Frik. Deze sprokkelde in de loop der jaren 51 procent van de aandelen in het familiebedrijf bij elkaar. Begin jaren zeventig droeg hij de leiding over aan zijn enige zoon Freddy. Na een periode van sterk teruglopende financiële resultaten werden – vrij uniek bij familiebedrijven – in perfecte harmonie tussen alle betrokkenen alle uitstaande aandelen gekocht door Rolf Olland en zijn zus, de zoon en dochter van Michel Jan Christiaan uit de tak Johannes Cornelis, dat wil zeggen de vierde generatie na oprichter Hendrik. Na 1980 is het bedrijf, inmiddels onder de naam Koninklijke Olland B.V., verhuisd naar Nieuwegein. In 1998 is de onderneming helaas weer in financiële moeilijkheden gekomen en zag de familie zich genoodzaakt de aandelen te verkopen aan Drie Mollen in Den Bosch, waardoor geen faillissement hoefde te volgen op de aangevraagde surséance van betaling. Drie Mollen is van plan om het bedrijf Olland onder dezelfde naam te continueren en daaronder zelfs alle vending-activiteiten te brengen. De productie van automaten is bij deze transactie naar de firma Maas te Veldhoven gegaan.
“De rechte lijn”
Voor het vervolgen van de rechte lijn naar Hanna moeten we terug naar derde zoon Berend van voorvader Gerrit-Jan en zijn vrouw Johanna Wassink. Deze, geboren in 1797, trouwde in 1824 met Elisabeth Ponssen, de dochter van Cornelis Ponssen en Derkje van der Horst uit Wageningen. Zij is dan dienstmeid en hij is bij zijn vader in de leer als barbier. Zij krijgen drie kinderen: Gerrit-Jan, Dirk en Johanna Cornelia, waarvan de oudste – het zat kennelijk toentertijd enigszins in de familie – weer wat snel geboren werd. Elisabeth hertrouwt in 1846 met de Velpse aannemer en architect Johannes Cornelis van Peursem. Deze zoon van Willem Jan van Peursem en Elisabeth Ruys was de weduwnaar van Elisabeth van Maanen. Hij is onder meer bekend als de bouwer van de kerk en het postkantoor van Velp.
Zoon Dirk, geboren op 14 februari 1826 in Velp, werd opgeleid in het beroep van zijn stiefvader. Later werd hij meubelfabrikant en eigenaar van een meubelfabriek te Arnhem. In 1854 trad hij in het huwelijk met de uit Amsterdam afkomstige Susanna Christine van Leeuwen, de dochter van Cornelis en Catharina Grul. Na de dood van Dirk in 1876 bewoonde zij als weduwe eerst huize Klein Berg en Dal te Beek bij Nijmegen en later het huis Rozenhage in Velp.
Van hun kinderen was Elisabeth Catharina de oudste. Geboren te Arnhem op 5 augustus 1856 trouwde zij in 1897 met Johannes Anton Bernard Memper, inspecteur van de Zuid-Afrikaanse Spoorweg Mij. Hij overleed in 1914 in Velp; zij volgde in 1930 ook in Velp. Haar vier broers zochten het allen eveneens ver weg. Carel Cornelis Bernardus (1857) bleef ongehuwd en overleed in 1913 in Neuse am Rhein. Jongste broer Christiaan (1867) was werkzaam in de ivoorhandel in de Congo. Eveneens ongehuwd overleed hij in 1896 in Arnhem.
Ook het derde kind van Dirk en Susanna zocht het in het buitenland. Bernard Cornelis (1869) werd electrotechnisch bedrijfsingenieur van de Aachense Wollkammerei. Hij trouwde op 23 september 1817 in Hoboken bij Antwerpen met Emma Borms, de dochter van Franciscus Borms en Johanna Catharina Valckaerts, en overleed daar ook vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940.
Uit deze Belgische tak van het geslacht Jansen van Wigmont sprootten twee kinderen. Antoine (1898) was directeur van de Caisse Hypothecaire Belge te Antwerpen. Hij trouwde twee maal, eerst in 1924 met Elise Verschueren en daarna – na een echtscheiding – met Auguste Hinrichs. Uit beide huwelijken werden kennelijk geen kinderen geboren. Jongere zus Jeanne (1900) huwde gelijktijdig met Antoine met Alphonse Goemans uit Brussel. Hij was technisch leider van de machinefabriek Ateliers de Construction de Soignies waarvan zijn vader Camille directeur was. In 1938 kwam hij door een fabrieksongeval om het leven.
Waar deze tak dus ras werd afgesneden, loopt het familiespoor door naar Johannes Cornelis Jansen. De een na jongste in het gezin van Dirk en Susanna was zeer avontuurlijk aangelegd. Geboren in Arnhem op 13 april 1862 overleed hij op 6 april 1911 in Singapore. In de tussenliggende kleine vijftig jaren volgde hij gedurende vijf jaar een opleiding in Zwitserland; was ambtenaar bij de Zuid-Afrikaanse Spoorweg Mij. waar zijn zwager Johannes Memper inspecteur was; was hoofdgeëmploieerde van de Singkep Tin Mij. en laatstelijk eigenaar en exploitant van een tinmijn bij Kuala Loempoer in het huidige Maleisië. Vermeldenswaard is zeker dat hij tijdens de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog officier was van een bereden spoorwegdetachement.
Temidden van al deze woelige avonturen stichtte Johannes ook nog een aanmerkelijk huisgezin. Op 21 januari 1891 was hij in Goes gehuwd met domineesdochter Cornelia Elisabeth Groeneweg. Zij was op 6 mei 1864 in Haarlem geboren als dochter van Ds. Cornelis Groeneweg en Pietertje Krijger en overleed op 21 augustus 1946.
Vrijwel exact negen maanden na het huwelijk wordt Dirk Johannes Cornelis geboren in Ruurlo. Hij ontwikkelde zich later tot production engineer bij de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij en overleed in 1953 in Den Haag. In 1920 trouwde hij, vermoedelijk met de handschoen – hij in Balikpapan op Borneo, zijn bruid in Den Haag – met Johanna Geertruida Schoenmaker uit Schoonhoven. Hun zoon Dirk Johannes Cornelis (1922) werd in Nederlands Indië geboren en bezocht later de Zeevaart School. Hij werd in oktober 1944 als vermist opgegeven bij een poging over de Waal de gealliëerde troepen te bereiken. Zijn zus Jeanne werd in 1924 in Den Haag geboren.
Na Dirk volgde in 1893 Susanne Christine, in 1917 in Den Haag gehuwd met de chemicus Hemme Dirk de Groot, en met tussenpozen van steeds twee jaar Cornelis en de tweeling Pietertje (Petra) en Christina. Petra werd commies bij het Algemeen Rijksarchief en trouwde in 1922 met vakgenoot Jhr. dr. mr. Henri-Jean-Louis-Theodore van Rheineck Leyssius. De laatste was in 1881 geboren te Medan in Nederlands Indië als zoon van Jhr. Henri Theodore van Rheineck Leyssius en Jkvr. Henriëtte Sophie van den Bosch. Hij was van beroep inspecteur der gemeente- en waterschapsarchieven in Zuid-Holland. Tweelingzusje Christina trouwde in 1916 met de Oost-Indisch ambtenaar Johan André van Veen.
Cornelis ten slotte is de vader van Hannah Jansen. Hij werd op 26 juni 1895 in Wageningen geboren en trouwde op 4 september 1923 in Den Bosch met Augusta Maria Gerarda Suyling waarover later meer[7]. Met hem keert ook de naam Van Wigmont terug in de familie. Nadat hij zich gedurende lange tijd Van Wigmont Jansen noemde en deze naam ook op schrift gebruikte, liet hij rond 1970 zijn achternaam formeel veranderen in Jansen van Wigmont. Als beroepsmilitair was hij uiteindelijk luitenant-kolonel der Koninklijke Marechaussee. Een groot deel van zijn carrière werkte hij in de militaire rechtspraak, eerst als secretaris van de Krijgsraad in Den Bosch, daarna als vervanger van de Krijgsraad en waarnemend griffier van de Arrondissements Rechtbank in Den Haag en ten slotte als plaatsvervangend militair raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch. Na zijn pensionering werd hij directeur van de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen “Scheldestad” te Vlissingen.
(Afb.: Kees Jansen (“Pa”).)
Uit het huwelijk van grootvader Kees (“Pa”) en grootmoeder Guus (“Tai”) werden drie kinderen geboren. De tweede, Hans Maarten (1935), overleed al jong. Jaap Wouter werd op 5 februari 1925 geboren in Vught en werd huisarts in Groede en daarna röntgenoloog in Wassenaar. Hij trouwde op 17 februari 1925 in Oegstgeest met Ada Goedbloed, de dochter van mr. J.W. Goedbloed, voorzitter van de Raad van Arbeid te Middelburg. Jaap en Ada kregen op hun beurt drie kinderen: Hanna Christina (Han; 1956), Augusta Corine (Corine; 1959) en Egbert (1965[8]). Na zijn pensionering verhuisden zij terug naar Groede in het land waar het leven goed is.
Hanna Mariëtta ten slotte werd geboren op 20 februari 1940 in Den Bosch. Toen zij acht jaar oud was, verhuisde zij naar Vlissingen waar ze op 23 september 1966 in het huwelijk trad met Pieter Winsemius.
What’s in a name?[9]
Deze Gelderse familie, welke aanvankelijk Van Millegen of Van Milligen heeft geheten, voerde gedurende de eerste helft van de achttiende eeuw verschillende namen door elkaar, namelijk het patronymicum Jansen van Wigmont of Van Wigmont alleen, naar het dorpje Wigmont ongeveer tien kilometer ten noordoosten van Doesburg vanwaar de stamvader zich naar Rheden verplaatste en ten slotte Jansen van Millegen of Van Millegen alleen. Wie meer genealogische nasporingen betreffende de dorpsbevolking van de streek ten noorden en ten oosten van Arnhem heeft verricht, zal zich over het voortdurend wisselen en het onvaste der naamsvorming in zo late tijd niet al te veel verbazen.
Eerst met het, op voorschrift der Staten van Gelderland in 1771 invoeren van de nieuwe registers voor doop en trouw, treedt grotere vastheid in al behoudt men dikwijls nog zonderlinge inschrijvingen. Vaak verkreeg namelijk het kind niet alleen de voornaam maar ook het patronymicum van een grootvader of peetoom en voerde dus een volkomen verkeerd patronymicum. Bovendien was er geen vaste gewoonte de kinderen in volgorde te benoemen naar vaderlijke en moederlijke grootouders, maar werden de namen van grootouders, ooms en tantes zonder systeem dooreen gegeven, vaak met overgang van het vrouwelijke geslacht op het manlijke en omgekeerd, zodat men – hoewel ook in andere streken uit de volgorde der namen natuurlijk nooit vaste conclusies zijn te trekken – toch de gemakkelijke aanwijzing bij het zoeken mist, welke men elders heeft.
Het gefixeerd geraken van het patronymicum Jansen is overigens volkomen begrijpelijk, waar minstens vier generaties achtereen de naam Jan voerden. Dat deels in concurrentie, deels in vereniging hiermee, de naam Van Wigmont als herkomstnaam ontstond, is eveneens begrijpelijk. Anders staat het echter met met de naam Van Millegen of Jansen van Millegen, eveneens in concurrentie met andere namen gevoerd. Deze naam werd door Jan Jansen van Millegen (1703-1746) met grote hardnekkigheid verdedigd. Hij is als Jan Jansen gedoopt, maar in zijn huwelijksakte van 1726 heet hij uitsluitend Van Millegen. Bij de doopinschrijvingen van zijn aanvankelijk als Jansen van Wigmont ingeschreven kinderen is telkens Wigmont met contemporaine hand verbeterd in Millegen. Slechts bij de doopinschrijving van zijn dochter Luitje, een van een op 12 april 1733 gedoopte tweeling, werd de verandering vergeten zodat de ene helft van de tweeling te boek staat als Jansen van Wigmont en de andere als Jansen van Millegen. Kan er sterker bewijs zijn voor de identiteit van beide dubbelnamen?
De genoemde veranderingen moeten wel op Jan’s aandringen zijn aangebracht. Trouwens zijn weduwe en één van zijn dochters blijven zich steeds uitsluitend Van Millegen noemen. Evenwel noemt het zeer nauwkeurig register van lidmaten, dat als een bevolkingsregister van het toenmaals zeer kleine dorpje Rheden kan worden beschouwd, zijn zoons Jan en Gerrit bij hun kerkelijke bevestiging in respectievelijk 1750 en 1756, Jansen van Wigmont, terwijl de naam Van Millegen in deze lijst niet voorkomt. Klaarblijkelijk in zijn dorp bekend staand als Van Wigmont moet hij wel een goede reden hebben gehad om met hardnekkigheid aan de naam Van Millegen vast te houden. Waar men tevergeefs ter plaatse of in de omtrek naar een hoeve Millegen zoekt, welke zijn eigendom zou kunnen zijn geweest, kan er voor het voeren van de naam Van Millegen geen andere reden zijn dan dat zijn eigenlijke geslachtsnaam was en dat hij tot het gezeten boerengeslacht behoorde,dat nog in de achttiende eeuw in het nabij gelegen Spankeren leefde en onder andere in 1736 een gerichtsman van de Veluwezoom opleverde.
De naam Van Millegen of Van Milligen, welke waarschijnlijk gelijk te stellen is met Van Millingen, werd vermoedelijk aan de IJsselboorden ingevoerd door Sweder van Millingen, die in 1433 als leenman van Voorst en Keppel wordt genoemd. Aangezien deze heerlijkheden kort tevoren waren vererfd op Cunegonda van Polanen, gehuwd met Frederik van Heeckeren van Rechteren die ook Millingen heeft bezeten, ligt het voor de hand aan te nemen dat Sweder van Millingen behoorde tot tot de Overijsselse, uit de Heeckeren’s gesproten, het Heeckeren kruis met een barensteel voerende Van Millingen’s en dat hij zijn bloedverwant en leenheer Frederik van Rechteren naar het zuiden is gevolgd.
Waar A.L.F.H. baron van Heeckeren in zijn artikel Van Millingen in de Heraldieke Bibliotheek van 1872 schrijft dat deze tak van zijn geslacht nooit door het bezit van rijkdommen heeft uitgeblonken, zou het op zichzelf niet behoeven te verbazen indien de achttiende-eeuwse gerichtsman van de Veluwezoom – naar men mag aannemen een gezeten boer – een nazaat was van Sweder. Daar er echter bij gebrek aan archiefmateriaal geen gelegenheid bestaat hiernaar een onderzoek in te stellen en er een kloof van meer dan twee eeuwen blijft gapen, mag met deze mogelijkheid, welke hier slechts tot verklaring van de naam wordt vermeld, genealogisch geenszins rekening worden gehouden. Immers hiervoor is nog uiteengezet hoe vaak een naam in de vrouwelijke lijn of zelfs slechts door peetschap overging, terwijl bovendien nog de mogelijkheid van een herkomst uit een ander Millingen bestaat. Toch geeft de hardnekkigheid waarmee speciaal de tweede generatie aan de naam Millegen vasthield, te denken. Een zegel van de gerichtsman zou nadere inlichtingen omtrent de gepretendeerde herkomst kunnen verschaffen.
Een familiewapen?
Een rood kruis in goud, langs de bovenrand van het schild een antieke blauwe barensteel van drie rechte hangers (Van Milli(n)gen)
In het eerste door het kruis begrensde kwartier: doorsneden A: een uit de deellijn oprijzende halve zwarte leeuw. B.3(2,1) horizontale zwarte blokjes (Van Leeuwen, Holland).
[1] Deze sectie is voor een groot deel gebaseerd op een artikel in het Bijblad Ned. Leeuw van januari 1964, vrij zeker van de hand van aangetrouwd familielid Jhr. dr. mr. H.-J.-L.-Th. van Rheineck Leyssius.
[2] Zie sectie 5c.
[3] Bij het schrijven van de volgende tekst is dankbaar gebruik gemaakt van “Hackfort, huis en landgoed”, uitgegeven onder redactie van F. Keverling Buisman (uitgeverij Matrijs, Utrecht; 1998).
[4] Onze speciale dank gaat uit naar achterkleinzoon Rolf H.B. Olland uit Hattem, die zo vriendelijk was een aantal gegevens met betrekking tot het geslacht Olland ter beschikking te stellen. Een belangrijk deel van deze tekst is gebaseerd op aantekeningen betreffende de Firma Olland van de hand van aangetrouwd familielid J. Rasch.
[5] Volgens Van Rheineck Leyssius: zeven.
[6] De leeftijdsvolgorde der kinderen Olland is na de eerste twee vooral ingegeven door de plaats die zij in de beschikbare stukken innamen.
[7] Zie sectie 7b.
[8] (Check.)
[9] De volgende tekst is nagenoeg letterlijk overgeschreven uit het Bijblad Ned. Leeuw van januari 1964.
9a. Kees Jansen van Wigmont en Guus Suijling
Cornelis (Kees) en Augusta Maria Gerarda (Guus) Suyling (zie sectie 10a) trouwden op 4 september 1923 in Den Bosch. Kees stond aan het begin van een lange carrière als beroepsmilitair. Een groot deel daarvan werkte hij in de militaire rechtspraak, eerst als secretaris van de Krijgsraad in Den Bosch. Het tweetal vond, mogelijk met steun van (schoon)vader August Karel Christiaan Suijling, die in die dagen een vooraanstaand man was in de onroerend-goed wereld van Den Bosch, een vrijstaande villa aan de Eikelaan in het bosrijke Vught. Twee fraaie statieportretten en wat dierbare foto’s uit oude albums getuigen van hun prille geluk.

Het huis aan de Eikenlaan in Vught.

Kees Jansen. Guus Suijling

Pril geluk.

Veel weten we niet van de eerste huwelijksjaren. Er rest ons een foto van een primitef legerkampement dat vermoedelijk uit die periode stamt. Maar op 5 februari 1925 is er ook groot nieuws toen Guus beviel van haar oudste zoon Jaap Wouter. De recensie in een lokale krant van de tentoonstelling van leerlingen van het K.T.A. plaatst ons echter wel voor een vraag: in de laatste alinea wordt bijna twee jaar later verwezen naar “sierlijke doeken, kussens en shawls etc., werk na Mevrouw Jansen-Suijling. Mevr. Smit-Suijling”. Het gaat ongetwijfeld over Guus en haar nicht Meta, de dochter van haar Oom Frans die volgens hardnekkige familieverhalen rond die tijd kinderen kreeg met haar K.T.A.-leermeester André Verhorst, in de eerste alinea van de recensie uitbundig geprezen. Hoe conbineerden de twee jonge moeders hun huiselijke plichten met het kunstnijverheidsonderwijs?

Op oefening, tweede van links: Kees.

Moeder Guus met Jaap Wouter; voorjaar 1925.

Recensie van kunsttentoonstelling; Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant, 30 december 1926.
De beelden van het thuisfront veranderden met de komst van de kleine Jaap. In de grote tuin bij de villa verrees een box en moeder en zoon werden afgebeeld met hun teckel, de eerste van een lange serie. Iets later Jaap hollend over de beroemde Parade in centrum Den Bosch of in de tuin aan het werk met de getrouwe tuinman Kortje: Kees de Kort die met zijn liefhebbende Marie meer dan vijftig jaar “in de familie” was. Er zijn ook wintersportbeelden van Guus op ski’s, ze was tot op hoge leeftijd een enthousiast langlaufster,yerwijl Kees vele malen fungeerde als reisleider van de Nederlandse Skivereniging bij excursies naar Zwitserland.


Guus met Jaap in de box… … en samen met de teckel.

Jaap rondrennend op de Parade.

Jaap met tuinman Kortje.

Guus als langlaufster Is deze foto niet van na de Oorlog; zie auto (met open dak)?
Op 1 mei 1935 werd het gezin verrijkt met de geboorte van Hansje. Practige foto’s resten ons van Guus met haar jongste spruit en zijn trotse oudere broer Jaap. Iets later zijn er ook de portretten met Oma Suijling en zus Miep en haar tweeling Peter en Freek, een kleine twee maanden ouder dan Hansje.

Geboorte van Hansje; Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant.1 mei 1935.


Trotse broer Jaap mag Hansje vasthouden.

Miep, Oma Suijling en Guus met hun spruiten: Peter, Freek op schoot bij Guus Hansje. Op de rechter foto mochten op de voorste rij ook kleinzoons Jaap, Guus en Bert erbij.
Blijde prenten sieren de volgende jaren. Ook Hansje mocht Kortje bijstand verlenen in de tuin. Er was ook het familiebezoek met zus Miep en zwager Bernard, vermoedelijk in Leeuwarden: Bernard reed niet en Kees draaide zijn hand niet om voor verre reizen. Neef Freek had, negentig jaar oud, een merkwaardige herinnering aan die bezoeken: “Hansje droeg altijd een jurkje.”

Hansje en Kortje. Hansje met zijn neven Peter en Freek Dorhout.
Hansje overleed in september 1938, waarschijnlijk aan de gevolgen van een glutenallergie die toen nog niet gediagnosticeerd kon worden. Hannah herinnerde zich vele jaren later, en de ervaring van twee kleinkinderen met gluten “rijker”, hoe haar moeder vertelde dat Hansje telkens heel ziek werd als hij koekjes at. In een oud doosje vonden we een sprookjes dat Oma Woutera Suijling schreef om haar zwaar beproefde dochter en schoonzoon te troosten. Nog lopen de rillingen je over de rug.

Hansje.


Het sprookje van Oma Woutera
Aan Gu(st) en Kees
9 Sept 1938
Op witte wolle voetjes was Kindje het leven binnengekomen. Geruischloos was Kindje in het witte wiegje gestapt dicht bij Zijn Moedertje; en Zijn Vader die beschermend over het wiegje boog. Dag Kindje! heerlijk dat je gekomen bent; wij houden zooveel van je; en zullen goed voor je zorgen. Kindje geloofde dat, en keek met groote zachte oogen naar Zijn Ouders; en lag stil in zijn wiegje; en keek heel ernstig; maar voelde zich veilig bij die twee lieve menschen Zijn Vader en Zijn Moeder. En al gauw gaf Kindje hun een lachje: dat was een zonnestraaltje, dat hij voor hun in het leven had meegebracht. Kindje, zeiden de Ouders, we zullen je Hansje noemen en weer kwam een lachje als een zonnestraal. Kindje voelde wel hoe dicht Zijn Ouders bij hem waren, en hoe lief Zij hem hadden en daarom wilde Kindje wel in het leven zijn. En als Zijn Moeder hem in de armen nam, was het hem goed; en Vader hem met zachte hand over zijn kopje streelde, gaf hij een zonnestraaltje. Alleen als Kindje het leven van de wereld hoorde, keek hij ernstig; dat vond hij niet mooi, te luid. Kindje werd grooter en wijzer. Eigenlijk heel wijs, maar heel teer. Zijn Moeder omringde hem dag en nacht met haar liefde, dat maakte Kindje’s leven mooi; en Papappeke was hem een dierbaar bezit. Van vreemde groote menschen hield Kindje niet. Kindje hield ook van zijn eigen mooie kamertje; en zijn eigen witte bedje. In dat wit paste Kindje; want hij was een veilig Kindje – zoo zacht, zoo lief, zoo wijs. Daarom hield hij van het Jezus Kindje – Jezus Kindje werd zijn vriendje: daar speelde hij graag mee; en hij ging zoo veel van Jezus Kindje houden, dat hij daar altijd blijven wilde! Waar het Jezus Kindje woonde was zon, veel zon; en het Jezus Kindje had gouden vleugeltjes en bewoog zich daarmede in de mooie hooge blauwe lucht. En daar was het zoo stil en rustig. Ja, daar vond Kindje het goed; en vroeg om daar te blijven. En toen kreeg Kindje ook twee vleugeltjes van het fijnste goud; en nu kan als Jezus Kindje ook boven de wolken komen, waar alleen zon maar is en stilte; en waar nog heel veel Engeltjes zijn. En Kindje is nu gelukkig; en zijn lachje geeft hij nu aan Zijn Moedertje en Papappeke, dat zijn zonnestraaltjes waarmee Kindje hun troost; want Kindje weet dat zij hun Hansje niet missen kunnen; maar de lieve Ouders weten ook dat hun Kindje het nu goed heeft; en hun Kindje te mooi en te teer was voor het leven.
Op 20 februari 1940 – of was het toch 19 februari: ze werd geboren rond middernacht en vader Kees besloot haar het geschenk te doen van haar hele leven een dag jonger te zijn – werd Hanna Mariëtta geboren. Het was een wolk van een kind en dat is ze haar leven lang gebleven.

Hanna.

Zes weken

Een mooie, stevige baby.

Met wie? Tante Emma?
Met de Duitse aanval begon op 10 mei 1940 voor Nederland de Tweede Wereldoorlog. Aan de Peel-Raamstelling en op de Grebbeberg kon het Nederlandse leger geen stand houden. Een Duitse aanval op Den Haag door parachutisten werd afgeslagen. Als extra drukmiddel besloot het Duitse opperbevel daarom tot een bombardement op Rotterdam, op 14 mei 1940. Mede vanwege de Duitse dreiging met verdere bombardementen op de steden Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Haarlem capituleerde in de nacht van woensdag 15 mei de Nederlandse land- en luchtmacht.

De slag om Den Haag, 10 mei. Rotterdam na het bombardement van 14 mei.

Intocht van Duitse leger in Den Bosch. Duitse militairen voeren de duiven op de Parade; 22 mei 1940.
Het stellig zeer gespannen leven rond Den Bosch – Kees was militair, weliswaar met “bureaudienst”- ging door. In Hannah’s baby-album treffen we fijne prenten met de tekst “vier maanden”, van eind juni dus.

Vier maanden oud.


Guus met Hannah(?).


Met moeder Guus en broer Jaap.

“Ik kan eindelijk zitten”




Staan 15 mnd


De linker foto is veel jaren na dato geheel onduidelijk. Hij is ingeplakt in Hannah’s fotoalbum, misschien wel vanwege de gelijkenis met de rechter foto.
- Is de linker foto Beatrix?

Gemeten voortgang. De achterkant (rechts) schetst de achtergrond van Hannah’s latere aversie tegen melk: ze moest op doktersvoorschrift volle melk “innemen”.
Hannah groeide en bloeide, maar eind april werd het gezin keihard geraakt toen villa “De Eiken” aan de Eikenlaan 3 afbrandde. De Noordbrabantsche Courant berichtte er uitgebreid over.



Noordbrabantsche Courant 29 april 1942.
- Guus heeft kennelijk de fotoalbums van Hansje en Hannah veiliggesteld bij de brand.
- De mooie glazenkast was nog niet afgeleverd en bleef dus gespaard. De kast siert nog steeds Hannah’s huiskamer.

Midden: De directiekeet op de Eikenlaan 3 nadat het huis was afgebrand.



Ook deze fraaie tekening was ingeplakt in Hannah’s fotoalbum.
Twee weken later – het is ramp over ramp – werden bij de zogenaamde registratie van beroepsofficieren op 15 mei 1942 tweeduizend voormalige officieren krijgsgevangen genomen. Het is vanuit de luie en comfortable stoel van vandaag niet voorstelbaar hoe hard dit Kees en vooral Guus geraakt moet hebben. Hij moest zich melden voor een ongewis maar onhewtijfels ononnahegenaam avontuur zonder uitzicht op een gelukkig einde. Zij bleef achter met haar net twee-jarige dochtertje bij haar nog smeulende huis, slechts gesteund door haar zeventienjarige zoon. Die dat overigens voortreffelijk deed.

Kapitein Jansen.
Hoewel het onmogelijk is zijn ervaringen en gemoedstoestanden op papier te vatten, kunnen we de volgende jaren zijn spoor volgen. De Duitsers waren immers prima bureaucratenn en het ging om krijgsgevangenen die in hun speciaal ingerichte kampen geheel anders werden behandeld dan de slachtoffers van concentratiekampen:
“Kapitein Jansen van het 17e Regiment werd op 15 mei 1942 gevangen genomen in Roermond. Hij werd eerst op 16 mei ondergebracht in Oflag XDII-b in Neurenberg, Langwasser met KGF nummer 31706. Op 8 augustus werd hij overgeplaatst naar Stalag 371 in Stanislau en van daaruit op 17 januari 1944 naar Oflag 67 in Neubrander. Op 3 juni 1944 volgde Ilag VII in Tittmoning, waar hij op 4 mei 1945 werd bevrijd door de Amerikanen.”

Rondgang door bezet Europa.
Op 16 mei 1942 arriveerde een groep van ruim 2000 Nederlandse officieren in Langwasser bij Neurenberg. Ze vonden onderdak in twee rijen van ieder achttien barakken. De beide blokken – Blok I met circa 800 man en Blok II met circa 1200 man – waren omgeven door een dubbele prikkeldraadversperring. Het complex diende voor de oorlog als barakken- en tentenkamp met een capaciteit van 100.000 man voor de jaarlijkse Reichsparteitage in Neurenberg. Het eten was miserabel: van slechte kwaliteit en te weinig. De gevangenen mochten wel contact houden met het thuisfront door elkaar brieven te schrijven. Dit was wel aan allerlei regels gebonden. Ze moesten bijvoorbeeld briefpapier van het Rode Kruis of het krijgsgevangenkamp gebruiken met een beperkt aantal regels, ze mochten maar één briefkaart en één brief per week versturen en ze moesten er rekening mee houden dat alle brieven werden gecontroleerd. Alle krijgsgevangenenpost was gebürenfrei; er hoefden geen postzegels op.
Veel van de brieven gingen over eten. Aangezien er altijd tekort was in de krijgsgevangenkampen waren de militairen mede afhankelijk van de voedselpakketten die door familie en het Rode Kruis werden opgestuurd. De voedselpakketten van het Rode Kruis bevatten onder andere: pakken Sanovite (crackers), cacaoline, ontbijtkoek, een stuk zeep, een blik leverpastei, 10 repen chocolade, smeerkaas, rozijnen, boter, stroop, sigaren, sigaretten en tabak.
Een aantal tekeningen van de hand van kapitein Dulmen Krumpelman schetsen een beeld van die droeve zomerdagen in Langwasser.

De uitgang van het kamp met links de houten toren waarin het Duitse bewakingsdetachement was ondergebracht. Bovenop de toren bevonden zich een mitrailleur en een luidspreker, welke de geestkracht der gevangenen trachtte te verminderen door het met veel ophef uitbazuinen van de overwinningen op “alle fronten”. Rechts daarnaast blok II in de volle zon. Deze tekening geeft een indruk van het kamp in de breedte met de scheidingsweg tussen het Servische en Nederlandse gedeelte.

Foto en tekening van de “boulevard” op één der stilste uren van de dag, daar meestal drommen officieren op en neer kuierden of marcheerden, waardoor van de wandelweg en omgeving weinig meer te zien was. Aan het einde bevond zich nabij de bewakingstoren de zogenoemde generaalsbarak, aan het begin de keukenbarak. Een zelfde boulevard trof men aan in blok II, echter van geringere breedte.
Hoe dwaas dit moge klinken, in de gevangenis had men nog een gevangenis ingericht, waarin nog menig bijna ontsnapt officier enige tijd heeft moeten vertoeven. Eén der officieren beweerde dat men wat voeding betrof nog beter in de “bak” kon zitten. Ook mocht men dan wandelen in het bijbehorende park, dat op de tekening rechts van de barak te zien is. Toch moeten er ook minder prettige ervaringen aan een verblijf aldaar verbonden zijn geweest, want men stelde toch het gratis logies in dit recreatie oord niet op prijs.

Links het aardappelschillen door officieren van Land- en Zeemacht tot en met de rang van Kolonel in hun verschillende uniformen. Het houten gebouw is de keukenbarak van blok I. Rechts de uitgang bij zonsondergang. De kunstenaar voegde toe: “Dit was gelukkig niet voorgoed, want in Stanislau ging de zon weer op, hoe treurig onze eerste indrukken ook waren van het sombere kloostergebouw. De zon heeft ons daar nagenoeg niet verlaten. Omgeven door Engelse, Amerikaanse en Nederlandse Rode Kruis pakketten zal, na al het geleden leed, het zonnige Stanislau niet licht in onze herinnering vervagen.”
Op 1 en 2 augustus 1942 werden de Nederlanders inderdaad overgeplaatst naar het officierskamp Stalag 371 Stanislau in Ivano-Frankivsk, Oekraïne. Het was een verrassende ervaring: de zon ging inderdaad weer wat op. Op 9 augustus 1942 schreef een cadet-vaandrig aan zijn vriendin: “Nu zitten we in een enorm stenen gebouw, groter dan de K.M.A. en hebben een mooie kamer. Het is een enorme kazerne van de Hongaarse cavalerie. Napoleon heeft dit gebouw ook al gebruikt. De muren zijn ½ m dik en overal hebben we dubbele ramen. Van buiten ziet het er verschrikkelijk uit, want toen de Russen hier weg trokken, hebben ze het in brand gestoken. Nu is een gedeelte hersteld en daar zijn we dan in gelegerd. De rest wordt hersteld met Russische en Servische krijgsgevangenen.”

De “welkomstpoort”.
Het was echter geen Club Med: “Om het complex staat een hoge stenen muur, met daarbovenop prikkeldraad. Daarbinnen komen nog 2 prikkeldraadhekken met op elke hoek uitkijktorens met mitrailleurs. Zo te zien is ontvluchten uitgesloten. Het gebouw zelf is in de vorm van een H gebouwd en erachter ligt een veld wat vroeger voetbalveld was maar nu een woestenij is. Dat is onze appelplaats, waar we 2x per dag appel hebben. Het gebouw telt 3 verdiepingen met zolder en kelder, waar we niet mogen komen.”

Kamp Stanislau in 1942.
In een hoek van het complex bevond zich een gebouw dat diende als Krankenrevier voor de behandeling van zieken met eenvoudige aandoeningen. Ernstige gevallen gingen naar het ziekenhuis van Stanislau. Ook kende het complex een quarantainegebouw, waar nieuw aangekomen gevangenen een paar dagen verbleven, voordat zij ‘los werden gelaten’ in het kamp. De Russische gevangenen die in het kamp dienst deden als ordonnans kregen schamele en tochtige schuurtjes als onderkomen toegewezen aan de binnenzijde van de hoge ommuring.
Vergeleken met het verblijf in Neurenberg-Langwasser bood het grote stenen en centraal verwarmde gebouw in Stanislau aanzienlijk meer comfort. De vele kamers in verschillende afmetingen maakte een kamerindeling op rang mogelijk. Hoe lager de rang, des te groter het aantal bewoners per kamer. Zo sliepen vlag- en opperofficieren apart en deelden kolonels met twee of drie personen een kamer. Tweede luitenants lagen met ongeveer twintig man bij elkaar en de cadetten en adelborsten met meer dan 25 man.

Er waren twee bataljons met elk vier compagnieën. Elke compagnie beschikte over een goed geoutilleerde keuken, waar maaltijden uit toegezonden hulppakketten konden worden klaargemaakt. Tevens was er op elke verdieping een waslokaal en konden de officieren zich eens per 14 dagen douchen, althans als er water was. Ook een eigen wasserij in de kelder ontbrak niet. Het centrale tussengebouw bevatte naast een aantal eetzalen een grote toneelzaal en een kantine. Ook waren diverse kamers in gebruik als studieruimte. Het voor Oost-Europa kenmerkende landklimaat – warme, droge zomers en strenge winters – zorgde voor een gezonde leefomgeving.
Het leven in Stanislau verliep volgens een vast patroon. “Om half zeven bliezen twee mariniers de Hollandse taptoe. Dan was het bed opmaken, scheren, kamer opruimen, ontbijten en appèl. Van negen tot twaalf werden cursussen gegeven. Na de lunch en de algemene bedrust volgde een tweede cursusblok en het tweede appèl, waarna de avondmaaltijd werd genuttigd. De avonden brachten we door met ontspannende bezigheden. Je sportte, je las, je knutselde, er zaten officieren bij die geweldig goed konden tekenen, zelf heb ik onnoemelijk veel bridge gespeeld.”

Groot achterterrein van de kazerne; middagtemperatuur ± 25 á 30 graden C!
In de loop der maanden nam de creativiteit toe. “Als je een paar duizend officieren bij elkaar zet, heb je heel wat talent. Er werden lezingen gehouden, we vormden mannenkoren, er ontstond een orkest, vanaf februari 43 beschikte Stanislau over een volledige jazzband, een Hawaïan band, een tango-orkest, een rumba dito en een cowboy-ensemble. Conferenciers verzorgden cabaret, later kregen we complete toneelvoorstellingen. De technische dienst maakte van papier, jute en afval de benodigde decors, hoeden en steken. De voorstellingen werden aangekondigd door middel van fraai geïllustreerde aanplakbiljetten. Vergeleken met een concentratiekamp zaten wij in een soort Center Parcs.”
Voor het overige was Stanislau grotendeels self-supporting. Twee Nederlandse artsen, die zo nodig de hulp van een Duitse collega konden inroepen, hadden de medische zorg in handen. Voor de geestelijke verzorging waren een aalmoezenier en een vlootpredikant aanwezig. Om wat zinnigs te doen, zochten de officieren hun eigen bezigheden. Is het in Stanislau zich wierp op de edele kookkunst? Volgens Guus en Hannah meldde hij zich voor kookcorvee en dat bleef hij ook vele jaren na de oorlog doen. Een Michelin-ster zou hij nooit ontvangen, zijn menukaart was kort en werd gedomineerd door aardappelen met speciebonen met een goed stuk vlees, alles badend in iets te veel vet maar het was goed eetbaar, dat zeker.
Er zijn foto’s bewaard gebleven van de Nederlandse officieren in Stalag 371. Staat Kees erop? Misschien dat gezichtsherkenning met behulp van AI ooit uitsluitsel kan geven.

Stalag 371 in Stanislau
- Stalag 371 heeft de tand des tijds doorstaan. De gebouwen van het voormalig krijgsgevangenkamp bevinden zich aan de Viacheslava Chornovola St 119-121 en zijn tegenwoordig in gebruik als kazerne van de Oekraïense luchtmacht.
Ver weg, aan het thuisfront, groeide de kleine Hannah inmidddls voorspoedig op. Broer Jaap probeerde dapper het gat te vullen dat het vertrek van zijn vader liet. Vele jaren later sprak ze saar nog met grote warmte over: “Ik had een lieve broer.” Guus had haar intrek genomen in een barak, waar de aan de brand ontsnapte glazenkast de kamer sierde. Aan de foto’s te oordelen speelde Hannah op haar trotse klompen veel buiten.


Jaap met Hannah.

In de barak, met de ontsnapte kast; 1942.

Bij de pomp en met Palmpasenstok in de tuin in Vught.



Links: Jaap (als dienstplichtig soldaat), Hannah en moeder Guus. Rechts: ditmaal met neef Guus?


Guus met Hannah plus buurvrouw/-kind in Vught.
Flarden van verhalen waaiden over. Over de grote, zeer katholieke familie Bolsius, de kaarsenfabrikanten. “’t Was daar altijd heel gezellig”. Herinnerde Hannah zich een tachtig jaar later nog, Er wardn een paar oudere meisjes waar Jaap zich wel bij voelde. Hannah speelde er graag met de kleintjes. Ze moest ook meebidden.
In de loop van 1942 werd in de bossen bij Vught begonnen aan de bouw van een concentratiekamp, dat zou uitgroeien tot een van de grote en belangrijke concentratiekampen in het terreursysteem van de Duitse bezetter. Het was ook het enige officiële SS-concentratiekamp in het bezette Noordwest-Europa. Het totale kampterrein was ongeveer 1 km lang en 300 meter breed. Rond het kamp werd een gracht gegraven met aan beide zijden 4 meter hoog prikkeldraad. Om de 100 meter stond een wachttoren. Vanuit deze 24 wachttorens konden bewakers de omgeving goed in de gaten houden. Ontsnappen was bijna onmogelijk.

Eikenlaan 3, aan de “overkant” van de snelweg naar Tilburg op een kilometer van natuurbad de IJzeren Man en hemelsbreed anderhalve kilometer van Kamp Vught. Rechts de grote weg van Eindhoven naar Den Bosch. Op rechter prent: naoorlogse luchtfoto van Kamp Vught. Aan de bovenzijde: de IJzeren Man. Vandaar loopt dwars over de foto de Lunettenlaan, die uitkomt bij het Drongelens Kanaal (onderzijde foto). Rechts: het kampcomplex; links: kazernegebouwen en drie van de Lunetten.
Op 15 januari 1943 arriveerden de eerste gevangenen. Zij werden spoedig gevolgd door duizenden joden. Voor hen was kamp Vught een doorgangskamp; de meesten werden gedeporteerd naar het Drentse Westerbork, en vandaar onherroepelijk naar de vernietigingskampen in Polen. De omstandigheden in het concentratiekamp Vught waren aanvankelijk erg slecht. In de eerste maanden van 1943 stierven meer dan 300 gevangenen van honger, uitputting en ziekte. Veel joodse kinderen werden hiervan het slachtoffer. Hannah herinnerde zich hoe haar moeder vertelde: “’s Nachts hoorde je ze huilen.”
Na verloop van tijd werden de omstandigheden iets beter, niet in de laatste plaats doordat er meer ruimte kwam doordat vrijwel alle joden waren gedeporteerd. Hun plaats werd ingenomen door een groot aantal gijzelaars, zoals verzetsstrijders, communisten, en andere ‘onbetrouwbare’ personen, opgesloten door de bezetter. Vught moest in Duitse ogen een ‘modelkamp’ zijn: afschrikwekkend, maar niet zó erg dat daardoor de Nederlandse bevolking massaal tegen de bezetter in opstand zou komen.

Hoe hielden Kees en Guus contact? De verhalen van Langwasser en Stanislau vertellen van brieven en pakjes via het Rode Kruis. Hannah wist zich ook te herinneren dat haar moeder via “een mevrouw in Zwitserland” post verstuurde. Hoe het ook zij, in het oude doosje waarin ook het sprookje voor Hansje was verborgen, zat ook nog een envelop met drie brieven aan Kees in zijn Kamp Stanislau, vrij stellig geschreven eind oktober 1943. Het zijn ontroerende herinneringen aan huwelijksjaren die ruw werden verbroken door de oorlog.

Het oude doosje De brief aan Herrn Hauptmann C. Jansen 31906
Stalag 371 2e comp.
Stanislau, Galizien

De brief van Hannah
Lieve Pappa,
Dit is een van mijn krullen. Ik heb er een heleboel. Ik weeg 32 pd en ik ben 1.03 m lang. Ik hou heel veel van Pappetje en daarom krijg je een hele dikke zoen van jou Hannes.



De brief van Guus.
30 October
Mijn lieve jongen.
Ons Hannetje heeft zo juist haar briefje geschreven en achter uit haar lokje heb ik een krulletje geknipt. Dat vond ze prachtig, maar ik hoop dat ze niet zelf zal gaan experimenteren.
Is het niet prettig eens één keertje een gewone brief aan je te kunnen schrijven. Ik hoop zo dat je die met Kerstmis zult krijgen. Maar nog veel harder hopen we dat je zelf bij ons zult zijn, of dat het dan heel gauw (…) mag. Hanna staat ’s avonds op haar babytafel om geholpen te worden en soms roept ze dan heel hard zo’n schel stemmetje en ze wordt er rood van. “Zou Pappa me gehoord hebben”? Laatst schreef je, zal ze me niet ontgroeid zijn. Ja jonkje, ze kan zich niets van je herinneren, dat merk ik, maar je zou gelukkig zijn als je hoorde hoe ze altijd over je praat en denkt. En ze zal helemaal voor jou zijn, nog voor je een kwartier bij ons terug bent. En dan haal je de schade zo veel mogelijk in. Maar je zult je er op moeten voorbereiden dat ze je zal redderen. Ze is nog veel erger dan Oma die nooit met eigen wapenen is verslagen.
Jaap is flink met haar en omdat het een dot is, die je o zo gauw zou bederven, doe ik ook “flink”. Ze moet een engel blijven. Therèse Staelenberg zag haar vanmiddag voor het eerst na lange tijd. Oh, mais comme elle est belle, comme elle est jolie. Quand elle aura dix huit ans! Dan ga je met haar uit. Dat we nog lang samen van dat zonnig snoetje mogen genieten.
En Jaap is een jongen om trotsch op te zijn. Rustig, handig, bereidwillig, en een vriendelijk, goed hart en goede hersens en ook niet onknap. Men zegt dat de meisjes dol op hem zullen zijn. Dat kan ik niet zo zien, maar hij mag er van genieten. Als hij maar een prettige schoondochter thuis brengt. Daar gaan we toch langzamerhand heen jongen. Wij worden een beetje ouder. Maar er ligt voor ons, hopen we, toch ook nog wat rust en geluk weggelegd in ons tuintje en het kleine huisje, waar Jaap en ik ’t zo goed hebben. Volgende week of even daarna komt Vaessen het stuk aan de kamer maken. Dat is Pappa’s afdeeling, bureau, kast en je oud stoeltje weer. Het kussen onder het bureau, het bureau weer zo aan het raam. Van Moeder kregen we voor St. Nicolaas een beeldige, anthieke porseleinen voet , donkerblauw, met medaillons met bloemen. Ik had nog heel mooie (…), nu gaan we alles in orde maken. Je zult van buiten niet denken, dat het in zo’n houten “keet” zoals iedereen denkt, zo best wonen is en dat het zo netjes en gezellig kan zijn. Och en dan de Bruynzeel keuken. Wat zul je er van genieten. Ik stuur je een kiekje van het oude huis. Als je het bekijkt om bedroefd van te worden. “Maar de weg is vooruit”, zei Grootvader Verkerk. Misschien mogen we samen nog veel opbouwen.
Zie je op de kiek Hannetje tussen de bloemen door en achter Hanna een schimmetje van Duma. Hoeveel gebreken Duumpje ook mag hebben, ik zou haar niet graag missen en ze heeft ook veel goeds. Nico Keynders is naar Dekkers Wald. Dat is best voor hem en zal hem rust geven. Hij verlangde er naar tegen de winter.
Miep en Bernard hebben een groot ouderwets huis in Sneek gehuurd (f 650) met een mooie tuin en gaan daar 1 Dec. naar toe. Het ligt langs een kade. Ze zijn er erg mee ingenomen. Nard is toch ook zo’n beste vent, een oude heer weliswaar, echte goeie kantonrechter op een kleine plaats, het kon niet beter.
Dag mijn lieve schat, heel, heel veel liefs en een dikke zoen voor Kerstmis en 31 December als het ’s nachts 12 uur slaat. Ieder uur brengt jou weer dichter bij ons. Dag liefste
Jou Guusje.

De brief van Jaap
Beste papa,
Even een kerstgroet voor je. Hoe staat het er mee. Met mij gaat alles goed ook op school. Het laatste jaar gaat alles veel prettiger. Je wordt nu als volwaardig beschouwd. Ik heb met de amanuensis van de H.B.S. vriendschap gesloten d.w.z. dat ik voor hem zo nu en dan wat doe en hij voor mij. Meestal moet ik voor hem slijpen want dat kan hij niet op school. Ik heb op mijn draaibank een amaritstuntje(?) waar ik alles mee kan slijpen. Ook de schoppen voor de tuin, de bijl en de sikkel, alles. Laatst moest mama speculaasvormen hebben maar die waren niet meer te krijgen. Toen heb ik bij Vaessen een stukje eikenhout gehaald en het geprobeerd of ik ze maken kon en dat is prachtig gelukt. Als je thuiskomt vind je een volledige timmerwinkel. In de garage is een heel gereedschaprek. Soms komen de buren me halen om wat voor hun te doen. Vanavond heb ik bij Bolsius weer een kast open gemaakt. Ik heb een boekje over geheimschrift met een heleboel problemen die je zelf moet oplossen. Dat zou jij ook leuk vinden. Nu papa (…) een dikke zoen.
Je Jaap.
Guus hield ook binnenlands haar hoofd hoog, getuige de kerstgroet die zij in 1943 verstuurde.

Kerst- en Nieuwjaarsgroet van Guus, 1943.

De oorlogskansen keerden en in het verre Oekraïne naderde het Rode Leger Stalag 371 (Kamp Stanislau). Op 6 januari 1944 besloten de Duitsers het kamp te ontruimen. Tussen 10 en 12 januari werden de 2000 gevangenen verdeeld over drie veewagons en overgebracht naar Neubrandenburg op ongeveer 140 kilometer ten noorden van Berlijn. Het kamp was een vierkant met zijden van 250 meter. “Vijf rondjes wandelen is dus een uur”, schreef een onbekend gebleven officier. Het was omgeven door prikkeldraad, 2.50 m hoog, dat echter het uitzicht niet stoorde. Van noord naar zuid liep de kampstraat met aan weerszijde elk zeven barakken. Tussen de achterkant van de barakken en het prikkeldraad was een open ruimte met twee latrinegebouwen.

Nederlandse officieren, gefotografeerd na de bevrijding vanaf de wachttoren.
De houten barakken bestonden uit twee gedeeltes, van elkaar gescheiden door een uit steen opgetrokken waslokaal. Ook dat was in tweeën verdeeld: een waslokaal met een grote tweedelige wasbak en een ruimte met een fonteintje. Elke barakhelft werd opgesplitst door een breed middenpad. Door middel van schotten die niet tot het plafond liepen, was elke barakhelft weer verdeeld in vijf vakken die de officieren ‘hokken’ noemden. In deze hokken stonden de houten kribben opgesteld, elk voor twee of drie personen. Op de plankjes van de krib een matras van houtwol. Voor extra comfort had ieder twee en in de winter drie dekens.
De leefomstandigheden in het kamp waren echter slecht. De krappe, vochtige en tochtige hokken, het gebrek aan licht, maar vooral de ontelbare luizen die een ware plaag vormden voor de mannen, zorgden voor veel ongemak en geklaag. Dat gold ook voor de slechte bodemgesteldheid. Bij regenval veranderde de zanderige bodem vrijwel onmiddellijk in één groot modderveld. Hierdoor restte de gevangenen bij slecht weer niet veel meer dan in hun bedompte barakken te blijven, waar het altijd ontbrak aan frisse lucht. De gezondheidstoestand in het kamp was slecht, doorlopend koud, guur en nat weder, vele ziekten en sterfgevallen.
Merkwaardige verhalen waaiden over van alweer een bijzondere samenleving waarin de krijgsevangen officieren verkeerden. Aan de westzijde van het kamp was een voetbalveld gelegen, terwijl aan de oostzijde ruimte was voor atletiek. “We hebben complete voetbalcompetities gehouden”, herinnerde een mede-gevangene zich. In het midden van de kampstraat brandde met Pasen 1944 een barak af. Op de hierdoor ontstane open ruimte legden de officieren een siertuin aan. “Tussen twee barakken aan de westzijde en op twee plaatsen op het open terrein zijn tuintjes aangelegd, waarop groente gekweekt wordt. Zaden zijn uit Holland en Amerika gestuurd”, aldus het anonieme verslag.Anderen volgden complete cursussen. Militaire lessen bijvoorbeeld, afgerond met een statige verklaring van hun meerderen, met vakken als Versterkingskunst, Oorlogsrecht, Tactiek, Verbindingsdienst, Artillerie, Gasdienst, Tuchtrecht, Orde en rust, Zware mitrailleurs en Mortieren. “We hadden een vrij onbekommerd leven, al zat je op mooie zomeravonden ook wel eens te nostalgieën. Je was niet vrij, je wist niet hoe lang het nog ging duren.”
- Van het kamp Neubrandenburg is nauwelijks meer iets te herkennen. Enkel een pad in het bosperceel ten oosten van de Fünfeichener Weg herinnert aan de voormalige kampstraat, die in de lengterichting door het kamp liep.
Het aantal Nederlanders dat in Oflag 67 verbleef varieerde met de dag. Geregeld arriveerden in Nederland opgepakte officieren in het kamp. Ook werden uit andere kampen onderofficieren en manschappen overgeplaatst om als oppassers voor de officieren te worden ingezet. Vanwege de oplopende aantallen krijgsgevangenen besloot de Duitse kampleiding in begin juni 1944 ongeveer driehonderd oudere officieren waaronder Kees uit het kamp over te plaatsen naar Ilag VII/Oflag Tittmoning in Beieren: de middeleeuwse burcht in het Beierse stadje Tittmoning.
“Onze gevangenis te Tittmoning was een oud ridderslot, gebouwd als een burcht, dateerende uit de 12e eeuw. Gelegen op een hooge berg, beheerschte deze burcht het geheele dal, waarin het plaatsje Tittmoning a/d Salzsach lag”. De geheele burcht was gebouwd van zeer zware steen, de muren waren soms 1 meter á 1.50 meter dik en van vluchtgangen en vluchtruimten voorzien; de toegangen tot de burcht geschiedde door twee bruggen, over een diepe en droge, breede gracht, gelegen om de gehele burcht. Achter de burcht, een prachtig, heuvelachtig boschgedeelte, het jachtterrein van de vroegere burchtbewoners. (dit gedeelte deed denken aan ons Zuid-Limburg)!”

Tittmoning met rechts een recente prent.

De burcht bestond uit een reeks aan elkaar geschakelde hoge gebouwen met een kleine binnenplaats. Elk gebouw droeg een naam die verwees naar de oorspronkelijke functie, zoals Getreidekasten (opslag van graan), Kavalierstock (ridderzaal) en Küchenstock (keukengebouw). Aan de buitenzijde van de gebouwen, gestut door imposante steunberen, bevonden zich nagenoeg geen ramen. Slechts aan één zijde van de burcht was er een smal terras, afgezet met prikkeldraad, waar de gevangenen konden luchten. In de tijd dat de Nederlanders er verbleven, waren zij de enigen.
- De burcht heeft tegenwoordig de functie van Heimatmuseum. Een klein bordje bij de ingang herinnert aan het voormalige gebruik als krijgsgevangenkamp.

De binnenplaats met rechts op de rechterprent de badinrichting met daarboven de lokalen.
Ondertussen waren bijna tezelfdertijd op 6 juni 1944 – D Day – de geallieerden geland in Normandië. In de loop van de zomer naderde het front Brabant en de Duitsers kregen het zeer benauwd. In de maanden juli/september werden op de fusilladeplaats in de bossen bij het kamp 329 verzetsmensen doodgeschoten. Begin september ging het gerucht dat de geallieerde troepen de Nederlandse grens waren gepasseerd. Duitsers en Nederlanders die met de Duitsers hadden gecollaboreerd sloegen op de vlucht. Het gerucht bleek niet te kloppen. Dinsdag 5 september zou de geschiedenis ingaan als “Dolle Dinsdag”, Op 5 en 6 september 1944 ontruimde de bezetter ook kamp Vught. De vrouwen werden getransporteerd naar het concentratiekamp Ravensbrück, de mannen naar Sachsenhausen.

Dolle Dinsdag: een Duitse transportcolonne op het Nachtegaalslaantje schuilt onzichtbaar voor luchtaanvallen onder de bomen. Rechts: geallieerde vliegtuigen boven de Mariakerk in Vught.
Op 17 september, bijna twee weken later, startten de geallieerden operatie Market Garden, een poging om door luchtlandingen in één klap de bruggen over de grote rivieren in handen te krijgen. Dat mislukte in Arnhem en het gebied benoorden de rivieren moest nog een lange Hongerwinter overleven onder het juk van de bezetter. In het zuiden echter zagen de Duitsers de bui al hangen. Het was een lieve voetnoot in de geschiedenis toen een Duitse soldaat Guus vroeg of ze de zorg op zich wilde nemen voor Stroger. Stroger was het curieuze product van een alliantie van een niet nader te duiden hond-op-hoge-poten en een teckel. De soldaat had de hond met zich mee genomen als uiteindelijk cadeau voor zijn kinderen maar twijfelde over zijn eigen toekomst. Stroger – omgedoopt tot Scamp – bleef vele jaren getrouw in de familie. Op 26 oktober werd Den Bosch bevrijd door de 53e Welsh Division. Dat ging niet zonder slag of stoot, overal in de stad werd fel gevochten. Een dag later was ook Vught bevrijd. Na het vertrek van de Duitsers namen de Canadezen hun intrek rond de Eikenlaan. Hannah herinnerde zich hoe zij bij kaarslicht ’s avonds in de barak brieven schreven naar huis. Met afschuw herinnerde ze zich ook hoe “Blondie” pap moest eten; ze hield er een blijvende afkeer aan over aan vooral opgewarmde melk.

Vismarkt richting Kruisstraat in Den Bosch; oktober 1944. Rechts: weggeworpen Duitse geweren in de Kleine Gent in Vught.
- Vrijwel direct na de bevrijding werden de gebouwen van het kamp gebruikt als interneringskamp voor duizenden NSB’ers en collaborateurs. Ook verbleven hier tot mei 1945 noodgedwongen 6000 Duitse burgers uit het grensgebied. Delen van het kamp werden in gebruik genomen door het Canadese leger.
En toen begon het lange, onzekere wachten op het einde van de Wereldoorlog en – hopelijk – de terugkeer van Kees. Het kamp Tittmoning werd pas op 4 mei 1945 bevrijd door de Amerikaanse Rainbow-divisie. Om half negen waarschuwden Franse dwangarbeiders dat de Amerikanen in de omgeving waren. Een uur later zagen de gevangenen de witte vlag uit de kerktoren van Tittmoning waaien. ’s Middags verzamelden zich vele officieren op de Westelijke toegangsbrug van onze gevangenis, die nog in handen was van de Duitse bezetting. Maar toen een Amerikaanse jeep de brug naderde, kon spoedig de Nederlandse vlag worden gehesen en het Wilhelmus luide worden gezongen.

Een Amerikaanse jeep vóór de brug aan de Westelijke ingang. Rechts: het Wilhelmus werd uit volle borst gezongen.
Het is niet geheel duidelijk hoe en wanneer Kees zijn weg terug vond naar Vught. Wel staat vast dat Hannah op dat Grote Moment blijmoedig uitriep dat ze nu niet meer hoefde te bidden voor haar vader die immers niet langer in de Hemelen maar thuis was.
Het “normale” leven hervatte zich. Kees meldde zich weer voor actieve dienst in de militaire rechtspraak. Nadat hij voor de Oorlog secretaris was geweest van de Krijgsraad in Den Bosch, was hij daarna vervanger van de Krijgsraad en waarnemend griffier van de Arrondissements Rechtbank in Den Haag en tenslotte als plaatsvervangend militair raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch. Als beroepsmilitair was hij uiteindelijk luitenant-kolonel der Koninklijke Marechaussee. Als mooie “bijvangst” van zijn Haagse inzet kreeg zijn secretaresse Ada Goedbloed verkering met zoon Jaap.
- Ada was de dochter van mr. J.W. Goedbloed, voorzitter van de Raad van Arbeid te Middelburg.
- Jaap in dienst op Ypenburg, daarna medicijnen studeren in Leiden.

Guus met de kleine Hannah plus teckel, en Kortje in de tuin in Vught. Rechts: Guus met haar twee spruiten.
Tijdens de oorlog woonde Oma Woutera Suijling – Verkerk in een appartement vlak bij de zuidelijke uitgang van Den Bosch, tegenover restaurant Chalet Royal, waar ze noodgedwongen gezelschap moest dulden van de zeer vriendelijke Duitse officier Herr Ludeke. Op 1 april 1946 nam schoonzoon Bernard Dorhout, vergezeld door zijn zoon Freek, een taxi vanuit Sneek om Woutera op te halen en dezelfde dag weer terug te brengen. Woutera verhuisde vervolgens met Miep en haar gezin mee naar Leeuwarden.

Jaap en Hannah met twee teckels; ca. 1947.

Late foto’s in de tuin in Vught; 1947/48.
Hannah herinnerde zich hoe ze haar moeder vergezelde tijdens haar frequente bezoekjes vanuit het nabijgelegen Vught. In een rij huizen aan de rechterkant van de hoofdweg naar de stad, was ze ervan overtuigd, woonde “de Gewone Man”. Vanaf 1946 besprak radioacteur Wam Heskes, onder de noemer “De gewone man zegt er het zijne van…”, drie keer per week alledaagse gebeurtenissen in het nieuws.
Het zilveren huwelijk van Kees en Guus werd aan de groepsfoto te oordelen gevierd in Leeuwarden. De zeer reumatische Oma Suijling zit aan, samen met de vijf zoons Dorhout. Ook Jaap’s lief Ada verschijnt voor het eerst in beeld; een maand later verloofden ze zich. Hannah heeft de ereplaats op schoot bij haar vader.

Zilveren bruiloft Kees en Guus, met boven de familie Dorhout plus Ada en Jaap en vooraan links grootmoeder Woutera, Kees met Hannah op schoot en Guus plus haar jongste neefje Tony; 4 september 1948. Let op Hannah’s prachtige smokjurk, de favoriete “klederdracht” van haar moeder.

Verloving Jaap en Ada; 30 oktober 1948.
Kes sloot rond die tijd zijn militaire carrière af als luitenant-kolonel der Koninklijke Marechaussee. Na zijn pensionering werd hij directeur van de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen “Scheldestad” te Vlissingen. De nieuwe maatschappij werd formeel in 1951 opgericht om het onroerend goed van de toen vooraanstaande Schelde scheepswerf te beheren. Het gezin verhuisde echter al in 1948 naar Vlissingen waar het onderdak vond in een zogenoemde Oostenrijkse woning aan de Herman Heijermanslaan 3. De overstap zal vooral Guus hard hebben geraakt. Jaap was het huis al uit, maar Hannah genoot van het gezelschap van de talrijke buurkinderen. Hoewel in haar herinneringen vooral het feit dat ze ’s avonds vroeger naar bed moest haar bleef steken.

Het huis nu. Het raam midden boven was Hannah’s kamer. De huizen waren allemaal bruin gebeitst. De zitkamer was de hele voorkant. De voordeur was – curieus – achteraan. Het uitsteeksel op het dak was de badruimte/douche. De garage is later toegevoegd.
Oma Woutera overleed in 1951 in Vlissingen. Rond die tijd verhuisden Kees, Guus en Hannah naar een nieuw huis op de Boulevard Bankert 34. Het was een bijzonder huis met een mooie architectonische gevel maar laag ingeklemd in een rij hogere huizen. De brede vensterbank vanuit de grote woonkamer op de eerste verdieping bood een wonderschoon uitzicht op zee en de benedenverdieping huisde naast een logeerkamer ook een garage die aan de achterkant “eindigde” in de diepe spuikom. Tijdens de Watersnood van 1953 spoelde het water door de voordeur naar binnen en door de achterdeur er weer uit.



Ansichtkaarten van de nieuwe omgeving. Op de onderste foto is de nieuwbouw op Boulevard Bankert te herkennen: het lage huis vierde van rechts.

Teckel Scamp, zeer gesteld op gaaf uitzicht op zee.

Aan achterkant diepe spuikom. De bolide verlaat achteruit de garage.
De inrichting van het nieuwe thuis was klassiek “Guus”: supernetjes en georganiseerd. Niet overvol maar met smaakvolle ruimte. De fameuze glazenkast was weer prominent aanwezig en in de keuken gold dat zeker het enorme AGA fornuis, het domein van Kees. Guus vond er haar draai met haar gandwerken of lezend op het bankje voor de deur. Het was niet echt een kindvriendelijke inrichting. Hannah nam vermoedelijk weinig vriennetjes mee naar huis om te spelen en er werden geen klasseavonden gehouden.

Vergeelde bladzijde uit fotoalbum Ada: Boulevard Bankert 34.

Het AGA fornuis

Guus in haar nieuwe thuis.
- Freek kwam vaak logeren en woonde ook een paar maanden bij hen. Hij werkte toen in Hotel Noordzee Boulevard.
Hannah groeide op. We zien haar tijdens uitstapjes met haar grote broer en zijn lief naar Veere. In de zomer van 1952 vroeg de secretaresse van Kees of ze een Duits meisje in huis wilden hebben “zum Erholung”. Guus reageerde: “Dat moet ik met mijn man overleggen”, maar kreeg volgende dag het goede nieuws dat de secretaresse het akkoord alvast had doorgegeven naar Berlijn. Beate kwam voor een week of zes en het “klikte”. Het werd het begin van een zeer langdurige en warme verbinding.

Hannah


Bezoek aan Veere met Jaap en Ada.

Voor het huis: Hannah, Guus met een onbekend buurkind(?) en Beate, uit Berlijn “zum Erholung”; zomer 1952.


Hannah als Zeeuws meisje.
Hannah deed toelatingsexamen voor de HBS in Vlissingen en haar ouders gingen op vakantie naar Frankrijk. Hub dochter bewaarde gemengde herinneringen aan de autoreizen met haar ouders. Ze mocht van haar moeder vanaf de achterbank niet met haar vader praten want dat zou hem afleiden. In die grote stilte reden ze eindeloze tochten, onder meer naar een kathedraal – was het Vezelay? – en daarna weer terug: VERVELEND. Er was ook een reis naar Duitsland waar ze stopten op een nauwe provinciale weg in een piepklein dorpje waar een bewoonster zich beklaagde over “Das riesige Verkehr”.

Klassefoto met op middelste rij tweede van links Hannah met links naast zich haar vriendin Rita van der Veght.

De HBS in Vlissingen.

Wissant bezuiden Calais, 4 september 1953.


Op vakantie met Jaap in Noord-Frankrijk.
Meer plezier – en zeer warme herinneringen – beleefde de jonge tiener aan de familiebijeenkomsten met de neven Dorhout voor wie zij het favoriete nichtje was. De gevoelens waren wederzijds.


Weekend Vierhouten met de families Dorhout / Jansen Suyling.


De zwagers Bernard en Kees piepen de aardappels.
- Kees gemeentepolitiek
Jaap en Ada trouwden op 9 juli 1954in Oegstgeest met haar vriendin Hermine en Hannah als bruismeissjes. Jaap werd huisarts, eerst in Heerlen.

Jaap

Jaap arts op Ypenburg en rechts Ada en beste vriendin Hermine in Amsterdam.

Huwelijk Jaap en Ada met Hannah als bruidsmeisje; 9 juli 1954.

Kort na het huwelijk bezocht het gezin versterkt met Ada en ook Beate Klein Walcheren, de miniatuurstad die in navolging van Madurodam in Middelburg gestalte had gekregen. Curieuze foto’s van Beate tussen de palen van de zeewering: het waren goede tijden. Rond die tijd kochten Guus en Kees ook een landarbeiderswoninkje op Ter Moere, “aan de overkant” net buiten Nieuwvliet op weg naar Zuidzande. Het werd de basis voor hun nieuwe paradijsje.

Hannah met Beate op miniatuurstad Klein Walcheren.

Op foto midden rechts uit album Ada: Hannah, Beate, Jaap, Ada (“just married”) en Vader Kees.

Met Beate.

Ter Moere, net ten zuiden van Nieuwvliet waar de weg zich splitst naar Zuidzande en Oostburg.
Kees had een jachthond Wolfaart, een lief dier dat echter niet boven mocht komen en daarom verbannen werd naar een washok beneden. Wolfaart werd op gegeven moment ondergebracht op een adres in de buurt van Bergen op Zoom, maar smeerde hem en liep terug naar Vlissingen.

Met teckel Winkelend met Jaap. Winter, met Wolfaart
Vanaf haar twaalfde verbleef Hannah vele malen met zomervakantie bij de Pincott’s in Northiam. Guus had hun adres ontdekt toen ze graag Engels wilde leren en kreeg onderdak bij Muriel en Carl Pincott. Erg groot was het stadje niet, maar zelfs de recente foto’s roepen een rustgevende sfeer op van mooie maar vervlogen dagen. Ze nam de boot naar Dover waar Uncle Carl haar ophaalde.
De Pincott’s bewoonden met hun zoon Gerald en Uncle B een groot landhuis. Voor het huis lag een tennisbaan, aan de achterkant een zaal waar ze binnensporten konden doen. Hannah bereed daar het hobbelpaard: “’t Was geweldig!”


Muriel Carl en Hannah met haar ophaaldienst.

Bij Aunt Muriel, Uncle Carl en Gerald Pincott.




De linker foto zou wel eens op de kerktoren van Northiam kunnen zijn.

Ada, Gerald, Carl, Hannah, Muriel en Jaap.

Een megalandhuis met voor in de tuin een tennisbaan waar –’t is te zien op een piepklein fotootje – een megatalent tot ontwikkeling kwam.


Zijn deze foto’s ook gemaakt bij de Pincott’s?
Hannah legde in latere jaren vele malen uit: mijn moeder heeft me naar Frankrijk gestuurd om goed Frans te leren. Was er wellicht een andere reden? Hannah was een levendige meid die genoot van haar leventje. Haar schoolcarrière liet te wensen over, ze bleef zitten en had weinig geneigdheid tot de studie. Wellicht had Guus – enigszins standsbewust – zich ook enige zorgen over het gezelschap waarin zij opgroeide: niet zonder reden zongen de neven Dorhout bij haar huwelijk het lied “Hannah, de Zeeuwse havenmeid”.
Hoe het ook zij, het was ongetwijfeld een van de meer miraculeuze gebeurtenissen in onze familiegeschiedenis: in oktober 1955 werd Hannah naar de protestante kostschool Lucie-Berger in Straatsburg gezonden. Ze was 15½ jaar oud en sprak geen woord Frans behalve de Papa-fume-une-pipe achtige tekstjes die ze misschien op school had geleerd. Er was geen buitenland- traditie in de familie en zowel Kees als Guus waren geen avontuurzoekers
Het werd een bijzondere leerschool. Pas toe ze na enige maanden leerde schelden in het Frans voelde ze zich “thuis”. Lucie-Berger was gevestigd in een groot gebouw in centrum Straatsburg. Hoe de speurtocht is verlopen, is zolang na dato onduidelijk. “Iemand” uit een ziekenhuis, die Guus toevallig kende, kon haar aan het adres van een protestante kostschool helpen – het moest vanzelfsprekend protestant zijn dus dat bracht je in Frankrijk vrij rap in de Elzas. Haar ouders reden haar daarnaartoe, het moet een bijzonder afscheid zijn geweest.


Kleinste fotootje aller tijden: het origineel meet niet meer dan 3,3 x 4,5 cm, maar een van de vrouwelijke artiesten slaagde erin alle namen op de achterkant te schrijven en zelfs nog ruimte over te houden. “Staat Lore erbij?” vroeg Hannah. Na een bevestigend antwoord wist zij: “Dan was ’t van het eerste jaar dat ik er was.”

Haar “eigen” slaaphoek.
- Hannah had het linker bed bij het raam, rechts sliep Lore. Achter de muur was het washok waar iedereen een eigen wastafel had.
- Oom Wim nam de beer mee uit New York.


Hannah met vriendin, mogelijk in Straatsburg.
Met de kerstvakantie ging ze naar huis. Met de trein via Luik met een langdurige stop aan de Belgische grens. Guus reisde haar de eerste keer tegemoet naar Roosendaal. Er was veel veranderd aan het thuisfront: Ada was in verwachting van haar eerste. Mogelijk kreeg zij toen van buren in Vlissingen de contactgegevens van de familie Herzin St. Pierre in de Elzas, een kilometer of dertig ten zuiden van Straatsburg heet mooie landhuis Orplid bewoonde. Na terugkeer in Frankrijk ging zij in februari 1956 voor het eerst bij de Herz-en op bezoek. Het was een “samengesteld” gezin: vader Peter was Duits en zijn zoons Hugo en Hans waren Frans; moeder Zus en haar dochter Hannie hadden echter Nederlandse wortels. Het werd haar home-away-from-home: het begin van een lange en warme relatie die in volgende jaren ook Guus en Kees omvatte.

Hannah tuiniert op “Orplid”.

Lunch op het terras met zicht op de fraaie tuin.

Zoon Hans Herz beoefent de kunst van het fotograferen.

Ook Guus en Kees bij Zus Herz en Oom Peter, met Hannah rechts; voorjaar 1957 of 1958. Rechter foto nogmaals Hannah op “Orplid”; najaar of winter 57/58.
Uitstapje: de beren van Bern. Guus en Kees op vakantie met Zus in Zwitserland(?)
Midden juli 1956 beviel Ada van dochter Han. Hannah maakte ook mooie foto’s in het aloude Veere maar zwoer: “Ik wil NOOIT meer een smok.” Terug op kostschool kreeg zij meer vriendinnen. Er resten ons van die periode ook beelden van verre vakanties, in de Vogezen en op wintersport.

De kleine Hannah met grote Hannah; Groede, 1956.

Veere, voor het laatst met een smokjurk aan; ca. 1956.

Met haar van komaf Poolse vriendin Monique Pilkewicz.

Schoolgenote Anne Marie slaagde erin achterop een fotootje van 6,5 x 6,5 cm een gevoelige opdracht te schrijven. ’t Is duidelijk dat Lucie-Berger een topopleidng bood op het gebied van filosofische literatuur en klein-schrift.

Links: onbekend gezelschap met Kees en Guus achteraan. Rechts: restaurant pension Ruhland in Schnepfenried, alt. 1150 m. in de Vogezen.

Jaap en Hannah

Kees met zijn dochter.
Kees en Guus maakten ook karakteristieke vakantiereizen, van hotelletje naar hotelletje meestal naar Zwitserland, onderweg bezienswaardigheden bekijkend waaronder de zeer favoriete waterval in Lauterbrunnen, en weer de lange thuisreis. Soms zijn er ook foto’s van Hannah die een grote rust suggereren: was het op vakantie of gewoon op een platje bij het huis in Luxemburg? En er was zeker een enerverend bezoek aan de Expo, de wereldtentoomstelling in Brussel met het beroemde Atomium. Rond de zomer verleende Hannah ook haar neef Guus hulp door bij het lustrum van het Delfts Studentencorps als “dame” te dienen voor een aardige clubgenoot.



Kaartje naar het vaderland.

En weer inpakken.

Hannah rust: wanneer en waar?

Waar en wie-o-wie?

Het Atomium op de Expo in Brussel; zomer 1958.

Pasfoto; ca. 1958.

Delfts studentenlustrum met Hannah en haar partner rechts en links neef Guus Dorhout; 1958.
Najaar 1958 volgde de volgende verbluffende stap in Hannah’s levensloop: ze verhuisde op eigen houtje naar Luxemburg. Tijdens de vakantie in Vlissingen was ze verliefd geworden op Henrik Kröner en die zat op de Europese School aldaar. “Na een week was de liefde uit”, maar de Europese School bood wel het uitzicht op toelating tot vaderlandse universiteiten.
Het was op haar 18e jaar een demonstratie van volwassen zelfstandigheid. Hannah had een kennismakingsgesprek met leraar meneer Plastria en vroeg hem of hij ook wist hoe ze aan een kamer moest komen. Hij meldde dat zijn buren een kamer te huur hadden en zo kwam het dat ze maar de Avenue Victor Hugo 37 verhuisde, naast de Plastria’s op nr 35. De straat is radicaal op de schop gegaan, meldde buurmeisje en aanstaande vriendin Eliane. De naam is veranderd in Val Sainte Croix (straatnaam) en de twee huizen zijn als enige overeind gebleven. De andere, soortgelijke panden zijn vervangen door flatgebouwen.

De twee panden aan de Val Sainte Croix (voorheen: Avenue Victor Hugo 35 en 37), gefotografeerd door Eliane Plastria in 2024.

De nieuwe klas in juli 1958, nog zonder Hannah maar achteraan staan wel de leerkrachten. Eliane is bereid toelichting te geven.

Entree in Luxemburg; najaar 1958.

De kamer met tuin en uitzicht.


Goede vriendinnen Eliane en Jeanine Plastria, en nogmaals Eliane.
In 1959 verwelkomden Ada en Jaap dochter Corine in het Zeeuws-Vlaamse Groede. Zijn huisartsenavontuur in Heerlen was mislukt en hij had een praktijk overgenomen “aan de overkant”, prima met de veerpont bereikbaar vanuit Vlissingen.

Jaap en Ada, nu ook met Corine; 1959. Hannah met Corine op de arm; Groede.
Veel verhalen waaiden over van de nieuwe omgeving. Moeilijke hospita’s, gastvrije Nederlanders met daaronder grote namen: naast Kröner ook Babberich en Donner, veel-talige klasgenoten. Je eigen kostje regelen met eten in kleine restaurantjes. Het was – weer – een groot avontuur en Hannah sprak er met warmte over. Ze beschikte over een groot aanpassingsvermogen en kon zeer goed sociale contacten leggen. Dat ze in juli 1960 haar einddiploma haalde, mot ook voor Guus en Kees een blijde verrassing zijn geweest.

Hannah in Luxemburg; januari 1958 – juni 1960.

Schoolreis naar Maastricht, o.a. theater. Hier voor kasteel in Mher, waar werd overnacht. Midden de heer Van Heusden (leraar Nederlands), met pijp Popinga (Engels); juni 1960.

In de turn/feestzaal: eindexamen. Rechts naast Hannah zit Eliane.

De eindexamenklas 1960 van de Europese School in Luxemburg, met Hannah – op witte hoge hakken – naast de voorzitter van de jury Prof. Sampedelli uit Florence. De lange jongeman, derde van links boven, is Henrik, de reden dat ze van Straatsburg naar Luxemburg verhuisde. “Na een week was de liefde uit.”; juli 1960.

Programma van het eindexamenfeest; juli 1960.

Hannah met haar nichtjes Corine en Han in Groede; 1960.
Na de vakantie schreef Hannah zich in voor de studie biologie in Leiden. Ze had liever medicijnen gestudeerd maar Jaap raadde het haar af: “Je denkt toch niet dat die boeren hun broek uittrekken voor een vrouw?!” Het werd biologie en daarmee een hard bestaan: veel practica en moeilijke woorden uit het hoofd leren. Ook de jaarclub Batrachoi – Grieks voor kikker – nam veel plezante tijd.

Het harde Leidse leven begint: practicum dierenanatomie, in een steenkoude garage op de Hoge Woerd: “Ik vond dat hartstikke leuk!”; najaar 1960.

Ook het zoete leven: weekend met jaarclub en zingen op de VVSL; najaar 1960 / winter 1961.

Miep, Hannah, Guus en Meta. Rechts: picnic met Bernard, Hannah, Guus, Miep en Kees tijdens uitstapje naar Ter Doest in België; 6 april 1961.

Hannah’s studie vordert: “slootje vissen, dus schepnetten mee.” Veldwerk onder leiding van prof. Wolvekamp; voorjaar 1961.
Aan het eind van haar eerste jaar ontmoette Hannah tijdens een gezamenlijk college natuurkundestudent Pieter Winsemius. Dat werd de aanloop voor een volgend deel van haar levensverhaal, dat is beschreven in sectie 7f van dit familiealbum en in groot detail in “Het sprookje van Hannah en Pieter” (Words document opgeslagen onder Publicaties en vervolgens AA sprookje Hannah en Pieter). In de volgende tekst ligt de nadruk op de wederwaardigheden van Guus en Kees vanaf 1960.
Tijdens de vakantie 1961 verwelkomden Guus en Kees hun dochter weer in Vlissingen en vervolgens togen zij gedrie naar St. Pierre in de Elzas. Er resten ons fraaie foto´s van hun logeren in het mooie minikasteeltje. Zus en Guus waren grote wandelvriendinnen en ook Hannie vergezelde ze soms (Hannah had een hekel aan dergelijke wandeltochten). Tijdens Zwitserse vakanties gold een vast recept: de dames maakten een lange wandeling en Kees bewoog zich met de auto naar het afgesproken eindpunt waar hij hun aankomst wachtte met een kop koffie op een terras.

Boulevard Bankert in Vlissingen met, rechts, op bank Hannah, Guus, Hannie en Zus Herz en voor mogelijk Beate.










Guus en Zus Herz op weg naar het Otholter(?) Schloss; september 1961.
Hannah had inmiddels in Leiden een warme band opgebouwd met natuurkundestudent Pieter Winsemius. Op 4 januari 1962 mocht hij voor het eerst kennis maken in Vlissingen en, zo ver de herinnering strekt, was het een mooi bezoek: hij mocht blijven. Het was goed, vertelde Hannah later, dat ze niet thuiskwam met een katholieke Duitser want dat was zeer verkeerd gevallen. Haar moeder was als Luthers kind in het katholieke Den Bosch zwaar gediscrimineerd; klasgenootjes moesten als straf “naast de protestant zitten”. Haar vader had als krijgsgevangene in de oorlog in een Duits kamp gezeten. Een bleke, lange Hollander uit een net Haags gezin was – gelukkig – veel geschikter en vanaf die eerste bezoeken in december en januari ontwikkelde zich een wonderschone wisselwerking tussen schoonouders en ‘aangetrouwden’. Ook tekkel Bas was positief gestemd.

Pieter’s “verslag” van het kennismakingsbezoek in Vlissingen.


Hannah met Bas.
Het was voor een buitenstaander wel een bijzonder gezin. Kees beoefende een grote zwijgzaamheid. Hij kon lange tijd op een stoel zitten waarbij je nooit wist of hij diep nadacht, mediteerde of wellicht toch met open ogen sliep. Hij ging twee, misschien wel drie avonden per week bridgen en was actief lid van de Vrijmetselaars. Guus beoefende daarentegen de handwerkkunst. Ze vervaardigde prachtige werkstukken, meestal in wat gedempte maar smaakvolle kleuren en met inpassing van kleine niet-stoffelijke elementen: kralen, gespjes en dergelijke. Ze won er later “aan de overkant” regelmatig prijzen mee bij tentoonstellingen van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen, beter bekend als de Platte Vrouwen. Haar werk werd gekenmerkt door terugkerende patronen. Ze kon zich daar nooit geheel los van maken. Ze remde zichzelf echter af zoals ze dat ook anderszins veelal deed. Met enige be- en verwondering keek ze naar haar vrolijke, spontane zus Miep bij wie alles kon.
Half juni komt Pieter op herhaling komen, ditmaal naar Ter Moere, toen nog het zomerverblijf van Kees en Guus bij Nieuwvliet in Zeeuws-Vlaanderen. Hannah vertrouwt hem niet helemaal alleen op reis en stuurt vanuit Frankrijk strakke instructie: daar koop je een kaartje voor f 1,90 en dan moet je .. meter rijden voor je een bocht … Het is geen overbodige luxe want Ter Moere is een fraai verscholen paradijsje in het open land tussen Nieuwvliet, Oostburg en Zuidzande. Keesonderhield de tuin met ondersteuning van voormalig landarbeider Fremouw die een eindje verderop aan de dijk richting Zuidzane woonde. Weer iets verder was de tuinderij van Du Bois, de Boo zoals ze in Zeeuws-Vlaanderen werden genoemd; hun zoon Wim won later in België veel wielerkoersen.




Guus voor het raam met uitzicht richting Oostburg. Kees aan de arbeid met Fremouw,onder het toeziend oog van Guus en kleindochter Corine(?).

Vroeg Ter Moere
Het bezoek vormde voor Pieter ook de eerste serieuze kennismaking met Jaap en Ada en hun dochters Han en Corine. Jaap had als huisarts praktijk-aan-huis in een prachtig herenhuis in het centrum van het nabijgelegen Groede.

Jaap en Ada met dochters Corine en Han, circa 1964
Aan het eind van de zomer 1962 verzamelt een aantal jaarclubvriendinnen van Hannah zich in Vlissingen waar zij poseren voor Boulevard Bankert en op het strand.

Hannah’s jaarclubvriendinnen op de Boulevard Bankert, zittend v.l.n.r. Ingrid, Gemma, Marijke (Loef), Els en Lia, staand Hannah en Jikke; op het strand Gemma, Ingrid, Hannah, Bernadine en Martha; zomer 1962.

De kustlijn van Vlissingen met links de Boulevard Bankert.
In juni 1964 kwam de familie Boll op bezoek op Ter Moere. Jan en Emma waren zeer oude en dierbare vrienden, nog uit Den Bosch, waar Emma klasgenote en hartsvriendin was van Miep. Zoon / jaargenoot Jan Maarten had nog samen met Hannah in de box gestaan. Met Jaap en Ada plus kroost werd ook het schone Knokke bezocht.

Hannah en Jan Maarten in Oostburg; de familie Boll op Ter Moere; juni 1964.

Ada met dochters en Han en Corine samen op de boulevard van Knokke.

Kees aan het stuur van de trapauto in Knokke met als passagiers Jaap, Egbert en Ada; juni 1964.
De rust op het Zeeuws-Vlaamse land was zomer 1964 weldadig. Het was een eind rijden over de Moerdijkbrug en dan het lange eind over Beveland en de pont naar Breskens, maar het was altijd de inzet waard. Boodschappen in Oostburg of Sluis, winkelen in Brugge, koffiedrinken in Knokke, strandwandelingen op Nieuwvliet of Cadzand, met haaientanden als je goed keek, Hannah kon dat. Altijd een warme ontvangst bij Jaap en Ada.


Het uitzicht van Ter Moere.

Han en supervrouw Corine.

Guus en Kees in de ruststand… … en hun dochter.
Het Sinterklaasfeest 1964 werd gevierd in Groede, bij Jaap en Ada thuis. Pieter huurde een hoge hoed en kleedde zich in jacquet waarop hij in aardappelzakken verhuld met een kruiwagen de huiskamer werd ingereden als surprise voor zijn beoogde schoonvader. In grote haast componeerde hij nog een passend vers om Hannah’s hand te vragen. De vreugde was algemeen en Jaap schoot met een fles champagne een deuk in zijn plafond.

Pieter vraagt met het voorlezen van een feestdicht Hannah’s hand: “Dus Vader van mijn Hannelijn, Sta mij toch af haar handekijn.”; Groede, Sinterklaas 1964.
Het is gelukt!
In 1965 werd Egbert geboren en al vrij spoedig herdoopte hij zijn grootouders tot Pa en Tai. De koosnamen werden een kleine tien jaar later ook overgenomen door Hannah’s kroost
Hannah trouwde op 23 september 1966 met Pieter. Guus had het heft stevig in de hand genoemn. Ze maakte de prachtige bruidsjurk en nam geen risico door ook het Biedermeierubruidsboeket te bestellen: Pieter mocht het wel afhalen. Buurman Kolff fungeerde als trouwburgemeester en hanteerde de “antieke” trouwbelofte – rond die tijd werd een moderne versie gelanceerd – waarbij Hannah eeuwige “gehoorzaamheid” beloofde; Pieter heeft haar er vaak en vruchteloos aan herinnerd.
Jaap was getuige voor zijn zus en Han en Corine waren de mooie bruidsmeisjes. Op de foto’s is soms goed te zien hoe strak de instructies van moeder Ada doorwerkten bij haar jongste dochter die net aan het wissselen was: “mond dicht!” Het bruidspaar had een bus geregeld waarmee hun Leidse vrienden en vriendinnen naar het evenement vervoerd werden, met inbegrip van Pieter’s overbuurjongen en voetbalmaatje August Broerse die ernstig wagenziek werd. Toen de stralende bruid met haar achtergrondpartner – mannen dragen een donker kostuum zodat hun bruid er beter uitspringt – de trappen van het stadhuis afwalste, draaide Pieter’s huisgenoot Alastair Dukee zijn transistorradio op volle kracht. Het lied “Walk with me” van de New Seekers klinkt sindsdien elke trouwdag als Hannah ’s ochtends de werkelijkheid betreedt.
’s Avonds was er een groot diner aan de overkant in Aardenburg met als hoogtepunten een “vals” maar dierbaar trouwlied door de Udo’s, het gezang “Hannah de Zeeuwse havenmeid” door de familie Dorhout en een vers dat Han en Corine achterstevoren opdroegen met een masker op hun achterhoofd: zeer verwarrend maar gaaf. Guus steeg de volgende dag boven zichzelf uit door Pieter’s katholieke getuige Hans Jörning naar de kerk te begeleiden.



Het bruidspaar betreedt onder een ereboog van “dexion” (een bouwmateriaal uit het lab voor meetopstellingen), met de tekst “Leve het Bruidspaar”, het stadhuis.




Kees was een fervent jager in het gezelschap van buurboer Bram de Hullu en zijn vrienden. Die Kerstvakantie mocht Pieter mee als drijver; hij had weinig met de jacht maar het klauteren over de zware Zeeuwse klei had wel wat. Na afloop was er de snert met stevige drank in een dorpscafé en, heel bijzonder voor een randstedelijk student, de onverstaanbare kout van de jagers. Zeeuws-Vlaams is formeel geen taal, maar wel volstrekt niet te volgen voor buitenstaanders. Het jaar eindigde mooi met Pa in een bezinnende rol.

Kees en Bram de Hullu in het Sloegebied.

Kees overdenkt het afgelopen jaar en bereidt zich voor op het volgende; Nieuwjaar 1966/67
In het voorjaar 1968 brachten Beate en haar echtgenoot Muss vanuit het verre Berlijn een dierbaar bezoek aan Ter Moere. Het land was nog kaal en de vlaktes groot en open, maar de eerste voorjaarszon maakte het leven al wat aangenamer.


Ter Moere voorjaar 1968: Beate en Muss op bezoek; onder: zicht richting Zuidzande met rechts het huisje van meneer en mevrouw Fremouw, op de foto rechts daarvoor gezeten.
Uit de zomer van 1968 rest ons een foto waarop ook beo BB en invalide kauw Kobus figureren in het gras en ook een foto van jagers op het boerenland. Kees en Jaap waren gedreven jagers zowel in het Zeeuws-Vlaamse land als het Sloegebied. Een half jaar later beoefende ook Guus haar topsport, het langlaufen door de Zeeuwse boomgaarden.

Ter Moere, zomer 1968.

Guus op de langlaufski’s; rond Kerst 1968.
Op 18 oktober 1969 overbrugde de Amerikaanse verspringer Bob Beamon tijdesn de Olympische Spelen in Mexico een afstand van 8,90 meter, een uniek grote verbetering van het wereldrecord . Zeer vroeg in de ochtend zaten Guus en Pieter voor de tv gekluisterd. Ze fungeerde als “oppas” bij Hannah die na een eerdere miskraam met uiterste voorzichtigheid bed moest houden bij een tweede poging. Ook die mislukte maar de band tussen schoonmoeder en schoonzoon groeide merkwaardig snel.
Een jaar later, op 10 oktober, beviel Hannah van zoon Albert. Guus genoot ten volle. Ook de grote nichten knuffelden graag mee.

De kleine Albert op schoot bij Guus; oktober / november 1969.

Het huisje van Fremouw en natte boomgaarden in Zeeland; december 1969.


Han (boven) en Corine met hun neefje; februari 1970.
Eind mei Pieter maakte op Ter Moere de mooiste foto’s aller tijden van zijn zoon. Ter Moere kreeg in die fase ook steeds meer gezicht. Het terrein werd uitgebreid en Kees voegde een “zijbeuk” toe als logeerverblijf die op gepaste wijze Pieterburen werd genoemd. Ook de tuin blopeide en groeide uitbundig, maar het uitzicht richting Oostburg bleef onverminderd open
Guus had inmiddels haar speciale adresjes, rommelaars die oud spul ophaalden bij boerderijen en zichzelf als antiquair presenteerden. Dat kwam ze onveranderlijk op een correctie te staan: “U bent geen antiquair maar een brocanteur.”


Ter Moere, 31 mei 1970

Ter Moere met aanbouw Pieterburen.

Ter Moere, links gezien vanaf de weg naar Oostburg en rechts vanaf de weg naar Zuidzande, met aan de linkerzijde het huisje van Fremouw.

Ter Moere, geschilderd door Pieter vanaf dezelfde stek als de foto links boven; 1970.

Het uitzicht vanaf Ter Moere
Guus had altijd een hekel an de achternaam Jansen en Kees noemde zich gedurende lange tijd Van Wigmont Jansen, verwijzend naar de plaats van komaf van zijn voorouders in de buurt van Ruurlo in de Achterhoek. Hij gebruikte deze naam ook op schrift, rond 1970 liet hij zijn achternaam formeel veranderen in Jansen van Wigmont. Jaap en Ada volgdn methun kroost maar Hannah paste.
Er waren terugkerende “grappen”. Guus had het niet met Prinses Irene die kort voor haar huwelijk met prins Carlos Hugo de Bourbon de Parme in april 1964 katholiek was geworden. Pieter volgde haar nauwkeurig en meldde zijn schoonmoeder terloops: “Irene was laatst weer met vakantie in de Dolomieten.” ‘t Was elke keer voldoende als startschot voor een tirade. Nadat Times(?) ten tijde van haar huwelijksreis een inzichtsrijke fotovan de prinses in bikini had getoond met als ondertitel “Her form was as royal as her bikini was brief”, leverde Wim Kan tijdens zijn toendertijd klassieke Oudjaarsconferentie een bijdrage: “Op Soestdijk kunnen ze nu goed Sinterklaas vieren.Ze hebben nu een Claus, een Piet en ook nog een zak uit Spanje.”
Met de Kerst was Albert een grote hulp voor Tai. De boomgaard van Pa was kaal maar tekende zich prachtig af tegen de blauwe lucht en het was er goed wandelen over de open weggetjes, zolang je maar warm gekleed was. Jaap en Ada hadden inmiddels hun huisartsenpraktijk in Groede ingeruild voor een Randstedelijk verblijf van waaruit Jaap zijn droom waarmaakte en zich – uiterst dapper – opwerkte naar röntgenspecialist. Ze hadden echter een vakantieverblijf in het nog nabijere Nieuwvliet – ten hoogste een kilometer benoorden Ter Moere – aangeschaft. Het bleef ook daar altijd een welkom gebeuren.


De boomgaard van Pa.

Nieuwvliet: v.l.n.r. Corien, Albert, Ada, Egbert en Hannah; rechts: Egbert en Ada.
In april volgt weer een bezoek aan Ter Moere. Albert speelt met zijn neef Egbert en er is een dierbare foto met Pa – zijn trouwe radio op schoot, onveranderlijk sterk krakend naast zijn station – en een zorgende Tai.

Albert speelt met Egbert.

April 1971.

Albert en Pa met tekkel Bas op Ter Moere; zomer 1971. Albert ruim vijftig jaar later: “Prachtig. Ik lijk meer op Pa dan ik dacht.”
In mei 1972 kreeg Hannah zoon Gijs, die tijdens de zomervakantie op het zonnige Ter Moere. van schoot naar schoot wisselde, terwijl zijn oudere broer zich samen met neef Egbert door Tai liet voorlezen. Pieter zette zijn levenslange fascinatie met muziekkorpsen-in-een-muziekkapel in Groede om in een klein schilderijtje dat lange tijd bij Jaap en Ada hing en daarna de tweede woning van Corine en haar Nico in Groede sierde.

Gijs lacht met Corine… …en droomt met Hannah.

Tai leest voor aan Albert en Egbert.

Pieter’s schets en schilderij van de muziekkapel in Groede; rond 1970.
Vermoedelijk voor een verjaar- of trouwdag van Pa en Tai poseerde nun nazaten in Wassenaar; het waren warme foto’s. Kort daarna restten ons een aantal, waarschijnlijk bijbehorende familieprenten uit verre Lauterbrunnen. De foto van de gezamenlijke maaltijd is een van de zeer weinige waar Hannah minder flatteus op staat.

Familieportret: v.l.n.r. Ada, Han, Hannah, Gijs, Pieter, Albert, Corine, Egbert en Jaap.

Op de trap van het huis in Wassenaar… …en in het park.

Lauterbrunnen

Minne foto’s van een familievakantie.
Pa en Tai hadden een beperkte speelgoedvoorraad maar het werken in de tuin, met kruiwagentje en tractor, vergoedde zeer veel en er was ook Pa’s imposante militaire kostuum. Albert kreeg bijles salueren n het uinform bleef in de familie: vijftig jaar later hing het in een keurige lijst op de kamer van achterkleinzoon Max. Pa zou er zeer tevreden mee zijn geweest.

Hard werk en militaire eer op Ter Moere; 1973.
In Leiderdorp verkeerde Hannah’s huishouden in rep en roer. Pieter ging op 4 september promoveren en het hele gezin zou een week later afreizen naar Amerika, waar hij was ingeschreven op de Stanford Business school. 4 september was ook de trouwdag van Guus en Kees, die echter opgelucht waren dat ze hun gouden bruiloft niet speciaal hoefden te vieren. Jaap sprak mooie woorden tot zijn ouders tijdens het promotiediner op Allemansgeest in Voorschoten.

Albert met Tai in Leiderdorp.

Bij de promotie van Pieter: Gouden Bruiloft, 4 september 1973. Kees en Guus feliciteren Ab en Aly Winsemius en vice versa.

Jaap brengt een toast uit op het Gouden Huwelijk van zijn ouders.
In de zomer van 1974 haalden Hannah en haar gezin de familiebanden aan op Ter Moere. Dierbare foto’s zijn het van een gelukkige Tai en Pa met hun dochter en haar kroost. De jongens hielpen Pa in de tuin, Tai voederde Gijs. Albert haalde de achterstand van een jaar in met het duizendvoudig zoenen van zijn grootouders.










Albert verwent zijn grootouders.
Bram de Hullu werkte als strandwacht op Nieuwvliet waar ook Jaap en Ada een strandhuisje hadden. Zijn boerenbedrijf dicht achter Ter Moere richting Zuidzande hield niet over, Bram was geen geweldige boer maar wel een vreselijk aardige kerel die getrouwd was met de eveneens zeer warme Brintje – Bram Brintje zoals ze in de Zeeuws-Vlaamse omgang heette. Hannah en Pieter hadden hun groene Opel Kadett station car bij hem in de schuur gestald. Met een foto van zijn enigszins versleten espadrilles deed Pieter zijn beklag bij zijn schoonmoeder die hem traditiegetrouw van nieuwe exemplaren had voorzien maar ditmaal gruwelijk in gebreke was gebleven.


Met Bram de Hullu op het strand.

Terug in Nederland bij Tai op schoot. De versleten espadrilles; zomer 1975.



- Wanneer verhuisden Pa en Tai naar Voorschoten?
In het voorjaar van 1976 ging de hele familie naar het Zwitserse Lauterbrunnen ter viering van ….


Corine met haar neefjes.

Jaap Corine

Corine met Gijs Ada met Gijs en Hannah.

Het seniore toezicht, versterkt met Zus Herz.

Grootouderlijke plichten.

Kees in zijn favoriete glansrol.


Vader en zoon: als ’t leven goed is.
Begin augustus 1977 kreeg Hannah dochter Marietta, een wolk van een baby die warm welkom werd geheten door haar grootouders.





Pa kreeg enige bijles maar was het nog niet verleerd.
De gezondheid liet Guus in toenemende mate in de steek. Zij overleed in 1979 in het Diaconessenhuis in Leiden. Kees bleef alleen achter in hun appartement. Nooit een grote prater genoot hij van zijn bezoek. Hij overleed in 1981 in Voorschoten.

Marietta in goed gesprek met Pa; begin augustus 1980.

Pasen, april 1981.
* * *

Een vervagende herinnering aan lieve ouders op hun Ter Moere.
Het vervolg
Uit het huwelijk van grootvader Kees (“Pa”) en grootmoeder Guus (“Tai”) werden drie kinderen geboren. De tweede, Hans Maarten (1935), overleed al jong. Jaap Wouter werd op 5 februari 1925 geboren in Vught en werd huisarts in Groede en daarna röntgenoloog in Wassenaar. Hij trouwde op 17 februari 1925 in Oegstgeest met Ada Goedbloed, de dochter van mr. J.W. Goedbloed, voorzitter van de Raad van Arbeid te Middelburg. Jaap en Ada kregen op hun beurt drie kinderen: Hanna Christina (Han; 1956), Augusta Corine (Corine; 1959) en Egbert (1965). Na zijn pensionering verhuisden zij terug naar Groede in het land waar het leven goed is.


Jaap 70 jaar; februari 1995.
Hanna Mariëtta (Hannah) werd geboren op 20 februari 1940 in Den Bosch. Toen zij acht jaar oud was, verhuisde zij met haar ouders naar Vlissingen waar ze op 23 september 1966 in het huwelijk trad met Pieter Winsemius. Hun levensverhaal wordt vervolgd in sectie 7f van dit familiealbum en in groot detail in “Het sprookje van Hannah en Pieter” (Words document opgeslagen onder Publicaties en vervolgens AA sprookje Hannah en Pieter).

The backbone of the Winsemius.com website.
De huizen
Google Street View brengt de huizen op ons netvlies in hun huidige staat.

Eikenlaan 3 nu.
De Boulevard Bankert is omgebouwd voor toeristische doeleinden. Een brede, vlakkere boulevard, parkeerplaatsen voor de deur en een horecaterrasje een paar deuren verderop: Guus zou er van gegruweld hebben. Het huis zelf is een verdieping verhoogd, maar is nog steeds lager dan ht hoge witte huis van de familie Kolff.

Ter Moere is een aantal malen doorverkocht als zomerwoning, maar is nog altijd gaaf gelegen. Een aantal foto’s uit najaar 1994 voedt onze nostalgie.

De “aanrit” van Ter Moere 8, komend vanuit Nieuwvliet. De weg naar links gaat richting Oostburg, naar rechts via de dijk van het echtpaar Fremouw en wat verderop Bram en Brintje de Hullu naar Zuidzande.

Zicht op Ter Moere bij Fremouw vandaan.

Ter Moere; najaar 1994.
De vrienden
De warme banden met de vriendenkring van Guus en Kees werden ook in latere jaren onderhouden. De familie Herz bleef op het netvlies met infrequente maar warme bezoeken naar de Elzas.

Hans en Evelyne Herz… …en hun drie kinderen.

Onderschrift van Hanny: “Anne(?) Sophie en MARC (net in Senegal geweest, vandaar het kostuum met vlechtjes) hebben een mooi huis gekocht (begin 19e eeuw) en gerenoveerd in Colmar. We vierden Kerst bij hun omdat ze er de 26ste ineens waren en ik geen 16 mensen kan hebben. Ik nam dus de hele maaltijd mee! V.l.n.r. Hans, Juliette (2e van Anne Sophie), Anne Sophie, Hugo, Evelyne en voor Johanna en Fanny, de twee oudsten van Pierre-André.” Kerst 2005.

V.l.n.r. Anne Sophie, Johanna, Hanny, Nicolas (oudste van Anne Sophie), Evelyne met Fanny, en Mohammed (vriend van Vera).
Ook met Carl en Muriel Pincott bleef het warme contact tot hun overlijden.

Aunt Muriel met Albert(?).
Hannah omderhield een dierbaar contact met Beate en haar echtgenoot Muss. Zij runden in centrum Berlijn een winkel in semi-antiek huisgerei: zou Guus hebben gesproken van een antiquariaat of een brocanterie? Beate kreeg dochter Ninia die nog in Delft studeerde en zelf weer moeder werd van dochter Anna. Beate en Muss boden ook het gastvrije onderdak de vier keren dat Pieter met zoon Albert de marathon van Berlijn liepen.


14 dagen oud 5 maanden oud

januari 1975